V.

Tot voor weinige jaren was de regeering in Montenegro zuiver

autokratisch; er bestond geene andere wet of recht dan het aloude

gewoonterecht, dat bij overlevering van het eene geslacht op het

andere overging. Danilo I heeft, in overleg met de stamhoofden

en de oudsten des volks, een algemeen wetboek uitgevaardigd, dat,

zooals in het besluit wordt gezegd, is opgesteld, opdat "voortaan

daarnaar allen zouden worden geoordeeld, Montenegrijnen en Berdianis,

grooten en kleinen, armen en rijken, daar allen er gelijke aanspraak

op hebben dat hun recht geschiede." Dit wetboek, den 23sten April 1855

uitgevaardigd, en waarvan genoeg exemplaren gedrukt zijn dat ieder

inwoner er een bezitten kan, bestaat uit drie-en-negentig artikelen;

het handelt over allerlei onderwerpen en schijnt in alle mogelijke

gevallen te hebben voorzien, behalve die uitsluitend eigendomskwesties

betreffen. Zoo als wij later zullen zien, heeft de regeerende Vorst

de noodzakelijkheid erkend, om het wetboek van Tzernagora meer in

overeenstemming te brengen met de wetboeken, die in de andere landen

van Europa gelden. De taak om een nieuw wetboek te ontwerpen is in

1871 opgedragen aan een zeer bekwaam rechtsgeleerde, den heer Bogosic,

van Ragusa, staatsraad en hoogleeraar aan de universiteit van Odessa,

die daaraan zijne beste krachten wijdt.

Het was in het jaar 1851, dat de grootste en belangrijkste staatkundige

hervorming door Danilo I werd tot stand gebracht. Tot dien tijd

toe was, zooals ik gezegd heb, het wereldlijk en geestelijk gezag

in ééne hand vereenigd: de Vladika was tegelijk bisschop, vorst en

opperbevelhebber des legers; met nog meer recht dan de Tsaar, kon de

Vladika van Montenegro autokrator worden genoemd. Danilo deed afstand

van zijn geestelijk gezag; en daardoor onderging de regeering van het

vorstendom eene zeer belangrijke verandering, zoowel wat den aard van

het gezag betrof, als de wijze waarop het wordt uitgeoefend; sedert

dien tijd kan men zeggen, dat de regeeringsvorm van Montenegro de

absolute, erfelijke monarchie is. Hier doet zich eene gewichtige vraag

voor: zijn de Turken, die beweeren dat Montenegro door Sultan Moerad

I bij hun rijk, en door Mahomed II meer bepaald bij Albanië, werd

ingelijfd,--rechtens en feitelijk de suzereinen van het vorstendom?

De volledige bespreking dezer ingewikkelde vraag zou ons ver kunnen

leiden, en zou eene ruimte vorderen, waarover ik hier niet beschikken

mag; op grond van zeer ernstige historische studie en de nauwkeurige

lezing van alle turksche en montenegrijnsche diplomatieke dokumenten

sedert de vredesverdragen van Carlowitz en Passarowitz, meen ik

echter het recht te hebben, zeer stellig te antwoorden: Montenegro

is eene van de Porte onafhankelijke mogendheid. In den franschen

Moniteur officiel van 11 Mei 1858 verscheen eene opmerkelijke nota,

die te Constantinopel groot opzien baarde, en welke, zoo als naderhand

bekend werd, was opgesteld door den heer Faugère, die eene aanzienlijke

betrekking bij het departement van buitenlandsche zaken te Parijs

bekleedde. Deze nota is zeer kategorisch, zeer positief, en stelt

tegenover de oostersche spitsvindigheden de onverbiddelijke logika der

feiten. "De ottomannische Porte kan zich noch op onbetwistbare rechten,

noch op redenen van dringende noodzakelijkheid beroepen. Er zijn hier

twee vraagpunten, die wel onderscheiden moeten worden: vooreerst,

bezit de Porte soevereiniteitsrechten op Montenegro; ten andere,

moeten sommige distrikten, die beurtelings in handen der Turken en

in die van den Vorst van Montenegro zijn geweest, gerekend worden

tot dat vorstendom te behooren, of maken zij deel uit van turksche

provinciën? Ten aanzien van het eerste punt, beroept de Porte zich op

het recht van verovering; en dit is ook inderdaad het eenige recht,

waarop zij zich met eenige waarschijnlijkheid zou kunnen beroepen,

want er bestaat tusschen haar en Montenegro geen enkel verdrag, waarbij

haar eenig recht van soevereiniteit wordt toegekend. Blijft dus de

verovering: maar het feit der verovering op zich zelf vestigt geen

wezenlijk recht dan onder zekere voorwaarden, waarvan de voornaamste

is de voortdurende en blijvende bezetting van het veroverde land, of

ten minste de volkomen onderwerping blijkbaar uit daden van soeverein

gezag, zoo als bij voorbeeld, het opleggen van een schatting,

de tegenwoordigheid van een garnizoen, enz. Nu weten wij uit de

geschiedenis, dat zoo de Turken somwijlen met goed gevolg Montenegro

hebben aangevallen, zij zich toch nooit in dat land hebben kunnen

staande houden; en het is een onbetwistbaar feit, dat nu welhaast

sedert een eeuw Montenegro voor hen volkomen gesloten is geweest."

Nikolaas I, soeverein van een onafhankelijk land, bezat, gedurende de

eerste jaren zijner regeering, een onbeperkt gezag; sedert heeft hij,

althans in theorie, vrijwillig van een deel van zijn gezag afstand

gedaan door de instelling van een ministerie, en door het beheer

over verschillende takken van administratie aan sommige door hem

gekozen aanzienlijken op te dragen. Tot op dien tijd beschikte hij,

zonder eenige controle, over al de inkomsten zoowel van den staat

als van de kerk. Er bestond wel nevens, of liever onder den Vorst,

eene algemeene vergadering of Skoeptchina, maar zij werd niet dan in

buitengewone omstandigheden bijeengeroepen, en dan slechts om in een of

ander bepaald geval eene beslissing te nemen. Er was ook een Senaat;

deze bestaat nog; wij zullen zien hoe dit lichaam is samengesteld,

en het zal ons blijken, dat het gezag van den Vorst door dit college

niet te zeer aan banden wordt gelegd.

De Senaat (in het servisch Sovjet) werd in 1831 door den Vladika

Peter II in het leven geroepen; destijds benoemde de Skoeptchina of

volksvergadering de twaalf leden, waaruit de Senaat bestond; de Vladika

had echter het recht van veto, en kon de benoeming van hem ongevallige

personen weigeren; langzamerhand, en reeds in de eerste jaren

der regeering van Danilo, werd de keus der senatoren geheel aan den

Vorst overgelaten, en benoemde de Skoeptchina alleen diegenen, die hij

aanwees:--het was de officieele kandidatuur in optima forma. Het duurde

niet lang, of de vergadering werd in het geheel niet meer opgeroepen;

de Vorst zelf benoemde nu rechtstreeks de twaalf senatoren, en droeg

het voorzitterschap van den Senaat op aan zijn broeder of een zijner

naaste bloedverwanten. In eene soort van constitutie was de bepaling

opgenomen, dat de Senaat over de wetsontwerpen zou beraadslagen en

die aan de goedkeuring der Skoeptchina onderwerpen; maar aangezien

in landen als Montenegro de rechtsbedeeling hoofdzaak en rechtsmacht

het voornaamste privilegie is, en de Senaat door Peter II juist was

ingesteld om den al te grooten invloed te breken, dien de stamhoofden

in hunne hoedanigheid van rechters bezaten,--lag het in den aard der

zaak, dat ook de Senaat zelf, reeds onder de regeering van Danilo I,

een zuiver rechterlijk college werd. Zoo vaak hij heeft gepoogd,

die perken te overschrijden, heeft de Vorst onmiddellijk aan die

aanmatiging een einde gemaakt, door, overeenkomstig het hem bij

de constitutie toegekende recht, den Senaat te ontbinden. Kort voor

mijne komst in Montenegro had dit wederom plaats gegrepen.

Onder Danilo was het voorzitterschap van den Senaat opgedragen

aan Mirko, den vader van den regeerenden Vorst; na zijn dood, werd

deze waardigheid toevertrouwd aan een neef van den Vorst, Bozidar

Petrowitch, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft, en van

wien wij later nog spreken zullen. De schoonvader van den Vorst, Petar

Stephanow Voukotich, is onder-voorzitter van den Senaat. Men ziet dat

de toegangen tot het gezag wel bewaakt zijn: en sedert de uitvaardiging

van de fameuse turksche constitutie, zijn de Montenegrijnen, in

vergelijking met de Porte, bepaald als reactionnairen te beschouwen!

De montenegrijnsche Senaat telt zestien leden, de voorzitter

en ondervoorzitter daaronder begrepen; het budget van dit

regeeringscollege bedraagt vijftienduizend-negenhonderd francs. De

president geniet een jaarwedde van drieduizend-vijfhonderd francs;

de vice-president van drieduizend; vijf senatoren, die uit de

invloedrijkste bewoners van de hoofdstad gekozen worden, ontvangen

jaarlijks vijftienhonderd francs, en de negen anderen, uit de meest

gegoede bewoners der verschillende provinciën gekozen, krijgen

zevenhonderd-vijftig francs. Die jaarwedden zijn niet overdadig,

maar het geheele budget is even nederig, en het is ook meer eene

tegemoetkoming, dan wel eene eigenlijke bezoldiging. De senatoren

hebben geen bijzonder kostuum, maar spreiden toch in hunne kleeding

eene weelde ten toon, overeenstemmende met den hoogen rang, dien

zij bekleeden.

In den eersten tijd vergaderde de Senaat in een soort van loods, nabij

het klooster te Cettinjé staande en in twee afdeelingen gesplitst: de

eene afdeeling diende voor paardenstal, de andere was de vergaderzaal

van den Senaat. In den stal bond ieder senator, die van buiten kwam,

eer hij zich naar de vergadering begaf, zijn paard of muilezel aan

een spijker vast; in de vergaderzaal zelve ging het niet minder

huiselijk toe: men zat, al rookende, rondom den vuurhaard, en hing

de geweren in een rek op, maar hield de dolken en pistolen in den

gordel. Duurde de discussie wat lang, dan gebeurde het meermalen,

dat in de zaal zelve een schaap aan het spit gestoken, gebraden en

opgegeten werd; inmiddels hield de secretaris, op turksche manier

neergehurkt, op zijn knie aanteekening van het verhandelde. Maar deze

zeden, die aan de homerische tijden herinneren, zijn sedert veranderd.

Tegen het einde der regeering van Danilo, werd er aan het oude paleis

een vleugel bijgebouwd, om de senatoren te herbergen, en sedert 1873

houdt de Senaat daar zijne zittingen. Van de vergaderzaal valt niets

te zeggen: zij is zonder eenig sieraad hoegenaamd, een hol vertrek met

naakte muren. Een soort van balustrade vormt de scheiding tusschen de

senatoren en hen, die voor hunne rechtbank moeten verschijnen. Als

de Vorst, hetgeen dikmaals gebeurt, de vergadering bijwoont, eischt

de etikette dat op de voor hem bestemde bank een wollen zak worde

gelegd, even als voor den kanselier in Engeland. Gewoonlijk echter

vergaderden de senatoren vroeger niet in deze zaal, maar onder den

moerbeziënboom in de voornaamste straat der stad; maar dat waren toch,

geloof ik, meer officieuse bijeenkomsten, zoo als de heeren nu nog wel,

bij goed weder, bijeenkomen voor de poort van het klooster onder den

lommer van den prachtigen boom, die zich daar verheft.

In 1873 stelde de Vorst een ministerie in; maar de plaag der

bureaukratie bleef tot hiertoe aan Montenegro gespaard. Van nature

is de Montenegrijn geen liefhebber van een zittend leven. In 1871

werden de stamhoofden, de woïwoden, die aan de spits van elke nahija

stonden, en tegelijk met rechterlijk en militair gezag waren bekleed,

vervangen door een soort van gouverneurs of prefecten; tegelijker

tijd werd een krachtige stoot gegeven aan het lager onderwijs,

werden telegrafen aangelegd, en allerlei hervormingen en nieuwigheden

ingevoerd. Er werd zelfs een echt officieus dagblad opgericht, de

Tsernagorats, dat, bij gebrek aan abonné's, de uitgave moest staken,

maar spoedig daarop herleefde onder den titel Glas Tsrnagorski, Stem

van Montenegro. Dit alles is nu zeer loffelijk: maar de eerste en

meest dringende hervorming, belangrijker dan alle andere, is toch

het aanleggen van wegen. De Vorst is er nog niet in geslaagd, de

verschillende deelen van zijn kleinen staat met elkander in gemeenschap

te brengen; men kan in Montenegro nog niet anders dan te voet of te

paard reizen, en ook dan zelfs is dit op sommige punten niet zonder

inspanning en gevaar mogelijk. Er is een begin gemaakt met den weg,

die Cettinjé met Cattaro moet verbinden; maar van dien weg is nog maar

een klein stuk voltooid. Trouwens, het is een zwaar en moeilijk werk,

en voor de voltooiing zou men over ruimer middelen moeten beschikken,

dan het arme vorstendom vermag; bovendien heeft men er eene politieke

kwestie van gemaakt, en wordt het werk opzettelijk tegengehouden.

(Wordt vervolgd.)

Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen.

(Vervolg van bladz. 152.)

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 63 / 92 题