Njégosch ligt ter zijde van den weg, die van Cattaro naar Cettinjé
loopt: wij moesten dus rechts afslaan en de vlakte oversteken; onze
paarden wachtten ons aan den voet van den berg, waarachter Cettinjé
ligt, en dien wij nu moeten beklimmen. Wij werpen een weemoedigen blik
op de armzalige akkers en de treurige kultuur van deze streek: het
zijn kleine, ronde, vierkante of driehoekige stukjes grond, verloren
te midden dezer wildernis van rotsen. Elk dezer stukjes, dat voor den
eigenaar schier een fortuin vertegenwoordigt, is zorgvuldig omringd
door eene omwalling van rotsbrokken; naar men mij verhaalt, is de
koopwaarde van zulke perceeltjes zeer aanzienlijk. Naar het schijnt,
zijn al de mannen, die niet bij de bereiding der castradina noodig
zijn, naar buiten gegaan om op den akker te werken of aardappelen te
rooien. Ten einde mij van de kwaliteit van dit gewas te overtuigen,
daalde ik in een klein ravijn af, waar eenige vrouwen bezig waren
een kuil in den grond te delven, om daarin de aardappelen te bewaren;
deze kuil wordt vervolgens overdekt met eene laag aarde, met kleine
steentjes vermengd, die zoo lang bewerkt en plat getreden wordt, tot
zij zoo hard en vast is als macadam. In Bosnië worden de aardappelen
op dezelfde wijze bewaard. De knol is gezond en zeer goed uitgegroeid,
hoewel hij in een bij uitnemendheid steenachtigen grond is gepoot; die
kleine akkers in de ravijnen en spleten, zoo klein dat zij somwijlen
niet meer dan vier of vijf el in doorsnede meten, zijn trouwens voor
mij niet nieuw. Zij zijn eene herhaling op kleiner schaal van de
dollinas in Istrië en Dalmatië, waar de bora met verwoestende kracht
waait, en waar de weinige plekken vruchtbare grond, tusschen de rotsen
verscholen, met de uiterste zorg worden bebouwd door de landlieden,
wie hun geboortelot veroordeelt om op dezen ondankbaren bodem te leven
te midden eener stiefmoederlijke natuur, die zij echter liefhebben,
als overlaadde zij hen met haar rijkste en schoonste gaven.
Om den afstand tusschen Njégosch en Cettinjé af te leggen, hebben
onze paarden, die niet buitengewoon vlug of sterk zijn, ongeveer
drie uren noodig. Onze weg voert door smalle, steile passen, schier
als kleine tunnels in de rotsen uitgehouwen. Ter linkerzijde daalt
de bergwand naar beneden; wij rijden langs een ravijn, waarin wij,
diep beneden ons, nog eenige boeren bespeuren, die den grond bewerken;
verder heerschen hier volstrekte eenzaamheid en stilte. In het eerste
uur vooral was onze rit uiterst bezwaarlijk: voortdurend rolden de
losse steenen onder ons weg, en onze paarden struikelden en gleden uit,
alsof zij tegen een gletscher opklauterden. Als wij eindelijk uit dit
woeste doolhof geraken en de horizon zich verbreedt, zien wij rechts
en links en voor ons uit niets dan kleine scherpe spitsen en naalden,
die elkander mijlen ver onafgebroken opvolgen, en die alle reizigers,
welke Montenegro bezochten, hebben vergeleken bij de plotseling
versteende golven van eene onstuimige zee. Het beeld is volkomen
juist: ik zou geen beter weten om den indruk dezer zonderlinge
natuur weer te geven. Een gevoel van moedeloosheid grijpt u aan,
en sombere, weemoedige aandoeningen overmeesteren u, te midden van
deze akelig doodsche omgeving; hier geen blauwe horizon meer, als in
de dorre velden van Dalmatië; geen prachtige berglandschappen, als in
de Alpen en Pyreneën; hier geen levend wezen, boom noch plant; hier
niets dan grauwe naakte bergen, afgewisseld door even kale heuvelen;
de menschen verplicht saam te scholen in eene armzalige vlakte,
die zij in het zweet huns aanschijns een mageren oogst afdwingen,
en die toch nog een uitverkoren paradijs, een gezegend Eden schijnt,
te midden van dezen akeligen oceaan van steen. Ondanks de nieuwheid
en het zonderlinge van het landschap, valt de weg toch ieder lang,
die niet weet welke verrassing hem aan het einde wacht. Nu eens moeten
wij ons aan den zadelknop vasthouden, om niet achterover van het paard
te vallen; dan weder worden wij voorover geworpen en moeten haastig
de manen grijpen, om niet over den kop heen te buitelen. Wij komen
langs de fontein van Danilo, op last van den Vorst aangelegd, als
een halte voor de reizigers; omstreeks vier uur hebben wij eindelijk
de grens bereikt van dezen verbijsterenden rotsenbaaierd, waarvan
geene beschrijving eenig denkbeeld geven kan, en die u werkelijk de
beteekenis duidelijk maakt van het zeggen der Montenegrijnen, dat
toen God de wereld schiep, de zak, waarin Hij de bergen bewaarde,
juist boven hun land scheurde, zoodat de rotsen er in massa uit
vielen. Deze streek ziet er inderdaad uit, alsof geweldige titanen
deze ontzaglijke steenklompen, in moedwilligen luim, zoo wild en ruw
door en op en over elkander hadden geworpen, dat de menschelijke voet
nauwelijks een doortocht vinden kan. Wij waren eindelijk afgestegen,
daar wij liever gevaar wilden loopen onze voeten te kwetsen aan de
harde rotspunten, dan langer de geweldige horten en stooten in den
zadel te verdragen. Nu hebben wij het hoogste punt bereikt; en nu
ook ontrolt zich voor onzen blik een onbeschrijfelijk panorama,
gevat tusschen twee ruw geteekende rotsen, die als het ware de
massieve lijst uitmaken dezer wondervolle schilderij. Het is eene
opeenvolging van bergen, die, van deze hoogten gezien, schier
heuvelen gelijken, en waarachter wij het meer van Skutari zien,
stralende in den zonnegloed, als eeen reusachtig zilveren schild,
in de groene vlakte achtergebleven. Zie daar de Moratcha, die zich
als een wit lint afteekent tegen den blauwenden achtergrond; verder,
de met sneeuw bedekte bergtoppen van zuidelijk Albanië en het land der
Mirditen. Aan onze rechterhand, tusschen de omlijsting van rotsen op
den voorgrond en de vlakte van Cettinjé beneden ons, verheft zich,
ter hoogte van ongeveer zeventien honderd el, de berg Lowchen,
op welks top, als een onverwoestbaar ex-voto, het grafmonument
verrijst van Peter II, den laatsten Vladika van Montenegro. De
Lowchen onderschept voor ons het gezicht op Cettinjé, de hoofdstad
van het vorstendom: maar aan onze voeten breidt zich de vlakte uit,
die zelve niet anders is dan een bergplateau, achthonderd el boven
den waterspiegel der Adriatische-zee en slechts een weinig minder
boven het meer van Skutari verheven. Deze top, waarvan ik een der
schoonste panorama's heb aanschouwd die in mijne herinnering zijn
bewaard, draagt den naam van den berg Kerschmach, en verheft zich tot
eene zeer aanzienlijke hoogte boven Cattaro. En zie hier, op den top
van gindsche vooruitstekende rots, de palen van den telegraafdraad,
die de in haar wildernis van bergen en gesteenten verloren hoofdstad
van Montenegro met het beschaafde Europa verbindt.
Onze weg voert nu bergafwaarts, maar de helling is zoo steil en
moeielijk, dat de paarden telkens uitglijden en struikelen op
deze kantige, rollende steenen. Wij gaan liever te voet; al is het
stil op den weg, toch zijn wij ook hier niet geheel alleen. Boven
onze hoofden, op steile klippen, zitten jonge herdersknapen; zij
trekken de aandacht door hun roode muts, die scherp tegen de grauwe
steenen uitkomt; somwijlen hooren wij hun eentonig gezang; een licht
geritsel van bladeren doet ons opkijken, en wij zien enkele geiten,
die tusschen de schrale heesters langs de steile rotswanden haar mager
voedsel zoeken. Bij het omslaan van een hoek verschijnt ons, rustig
neergezeten aan den weg, een bergbewoner, met de hand in de zijde,
de beretta op het hoofd, gekleed met de witte gougne en den over de
borst gekruisten djamadan, geheel met goud geborduurd; in zijn kolan
of rood marokijnen gordel bergt hij een gansch arsenaal. Zoo zit hij
daar alleen, in deze eenzaamheid, en verwaardigt ons nauwelijks met
een blik. Ondanks het goud, waarmede zijn djamadan, vest, versierd
is, behoort deze man toch, naar mijn reismakker mij verzekert,
tot den middenstand; zijne wapenen zijn zeer prachtig en kostbaar;
vooral trekt een sierlijke yatagan met een schede van gedreven
zilver en een met koraal ingelegd handvat, onze opmerkzaamheid. De
Montenegrijn vergunt ons, schoon niet zonder eenigen weerzin, dit
kostbare wapen, dat zeker de waarde eener woning vertegenwoordigt,
in handen te nemen; twee pistolen van italiaansch fabriekaat en een
mes met ivoren handvat in in een lederen scheede, voltooien zijne
wapenrusting; naast hem staat een vuursteengeweer. Toch is deze man
geen soldaat van beroep; hij woont te Baïtz en komt van Njégosch,
waar hij den nacht heeft doorgebracht.
Veertig minuten nadat wij den top van den Kerschmach verlaten
hebben, komen wij aan een klein dorp, in een halven cirkel gebouwd
tegen de helling aan de noordzijde der vlakte. Wij gaan langs eene
uiterst eenvoudige kerk, zonder eenige versiering hoegenaamd. In eene
rotsholte, nevens den weg, bevinden zich enkele vrouwen, die op haar
schouders eenige houten vaatjes laden: er is daar eene bron, in de
rots uitgehouwen; de vrouwen komen hier water putten, en dalen in lange
rijen naar het dorp af. De helling is zeer steil, en wij gaan sneller
voort, dan wij wel zouden wenschen. Onze paarden zijn achtergebleven;
wij hebben den Lowchen nu achter ons, en de vlakte aan onzen voet
vertoont zich in hare volle uitgestrektheid van drie mijlen van het
noorden naar het zuiden, aan deze zijde ingesloten door bergen, welke
ons, nu wij afdalen, weder in hunne natuurlijke hoogte verschijnen.
Weldra wordt de weg beter; hier is de arbeid der menschenhand kenbaar:
de helling is minder steil en de weg is behoorlijk gebaand: dit is het
tweede stuk van den grooten weg, nabij de hoofdstad, zoo goed mogelijk
aangelegd, en voor rijtuigen zeer wel bruikbaar tot aan het vlek,
dat wij daar ter linkerhand zien. Hier zijn ook sporen van bebouwing:
maïs, waarvan het graan reeds is ingezameld en de bladeren staan te
verdrogen; akkers, die met rogge, gerst of haver zijn bezaaid geweest,
en aardappelvelden. Wij zijn nu midden in de vlakte; ter rechterhand
zien wij ginds de witte huizen van Cettinjé. De heer Radamanovich wijst
ons een langwerpig gebouw, blijkbaar in den laatsten tijd gesticht en
eenigszins op eene schuur gelijkende: dat is het arsenaal. Tegenover
ons verheft zich eene kerk, en vlak daarbij een klein monument, met
een kruis gekroond. Volgens het reisverhaal van de heeren Frilley
en Vlacovij, is dit een grafteeken, opgericht ter herinnering aan
een gezelschap bergbewoners, Drobniaken, die in 1862 over de grenzen
waren getrokken om wapenen en munitie te halen, en die op hun terugweg
over het turksche gebied werden gedood. Wij gaan nog langs een groot
gebouw, dat op een hospitaal gelijkt; en eindelijk, ten vijf ure
in den namiddag, doen wij onzen intocht in Cettinjé. Wij hadden
des morgens ten negen ure Cattaro verlaten, en ons anderhalf uur
te Njégosch opgehouden. Bereids was een adjudant van Zijne Hoogheid
Vorst Nikolaas, de heer Nikolaas Matanovich, ons te gemoet gekomen,
om ons uit naam van den Vorst en uit zijn eigen naam, in het zuiverste
fransch, welkom te heeten op het grondgebied van Tzernagora. Voor
den tocht over de bergen hebben wij zeven-en-een-half uur noodig gehad.
Cettinjé, in eene vrij ruime, door bergen omringde vlakte gelegen,
is sedert het jaar 1485 de hoofdstad van het vorstendom. Als wij de
geschiedenis van dit land zullen verhalen, zullen wij zien, door welk
een samenloop van omstandigheden Iwan Tzernojewitch, die nabij de
boorden van het meer van Skutari woonde, in het kasteel van Zabljak,
zich genoopt zag, den aartsbisschoppelijken zetel en den troon der
Vorsten van Zèta naar herwaarts over te brengen.
Het voorkomen der kleine stad heeft niets grootsch noch
schilderachtigs; voor ongeveer dertig jaar telde men er niet veel
meer dan een twintigtal woningen, rondom het klooster gegroept. Het
plan van aanleg is zeer eenvoudig, overeenkomende met dat der meeste
steden in Kroatië: eene zeer breede straat, omzoomd door zeer lage
huizen, en in het midden afgebroken door een plein, waarop zich
een gewone waterput bevindt, door een prachtigen moerbeziënboom
overschaduwd. Rechts opent zich eene tweede straat, die met de eerste
een rechthoek vormt, en even breed, maar veel minder bewoond is. Links
staat een vierkant gebouw, met een balkon versierd en door een muur
omgeven, waarvoor eenige gewapende Montenegrijnen op wacht staan:
dat is het paleis van den Vorst; iets verder, aan de andere zijde,
staat een tweede, nog grooter, maar eenvoudiger gebouw, met een
voorhof door muren met hoektorens omgeven: dit is het oude paleis,
dat sedert den dood van Vorst Danilo ledig staat. Tegenover ons,
tegen de hellingen van den Lowchen geleund, verrijst het klooster, de
zetel van den archimandriet, met twee hoven boven elkander, een kerk
en vrij uitgestrekte gebouwen. Nog iets hooger tegen de berghelling,
op de rots gebouwd, verheft zich de toren van het klooster, een toren,
waarvan alle reizigers verhalen. Tegenwoordig hangen er klokken in,
om de geloovigen tot het gebed op te roepen; maar tot voor eenige
jaren werden aan dien toren de hoofden der Turken gespijkerd, die in
de onophoudelijke gevechten aan de grenzen waren gedood.
Keeren wij naar den put terug en zien wij recht voor ons uit, dan stuit
onze blik tegen het eenige hotel van Cettinjé, een eenvoudig, maar bij
vergelijking zeer ruim gebouw. Dit hotel werd in 1867 gesticht, voor
rekening van het gouvernement, dat welwillend de zorg voor het gemak
der reizigers op zich nam. Ter linkerhand verrijst de meisjesschool,
die onder de bescherming staat der Keizerin van Rusland, en bestuurd
wordt door eene zeer beschaafde en zeer ontwikkelde dame, mejuffrouw
N. Patzévitz.--Dit kleinsteedsche geheel heeft hoegenaamd niets
bijzonders of aantrekkelijks; zelfs de minst-eischende toerist gevoelt
zich teleurgesteld door het volslagen gemis van alles wat pittoresk
mag heeten: een gemis, te sterker gevoeld na de sombere grootheid en de
aangrijpende, angstwekkende verhevenheid van den weg van Cattaro naar
hier. Zulk eene teleurstelling bleef ons gespaard, omdat wij niets
anders verwacht hadden, daar ons verblijf in de dalmatische dorpen,
die ook allen hoogst onschilderachtig zijn, ons op iets dergelijks had
voorbereid. Vóór het jaar 1870, hadden deze ruwe, schier vormelooze
huizen althans nog iets eigenaardigs door hun rieten daken; maar deze
bedekking was uiterst gevaarlijk in eene stad, waar de huizen tegen
elkander zijn aangebouwd, en waar in de woningen geen uitgang voor
den rook en geen stookplaats voor het vuur wordt gemaakt. Het gebruik
van pannen is dan ook bij iederen nieuwen aanbouw verplichtend gesteld.
Ik meen reeds gezegd te hebben, dat de vlakte van Cettinjé niet dan
met zeker voorbehoud op den naam van vlakte aanspraak maken mag: het
is eigenlijk een bergplateau, tusschen de zeven- en achthonderd el
boven de zee verheven. Als ge, in die vlakte staande, rondom u ziet,
dan rust uw oog aan alle zijden op een krans van bergen of heuvelen;
de voornaamste die ten westen en ten noordwesten, verheffen zich ter
hoogte van drie- en vierhonderd el boven den beganen grond, en zijn
langs hunne hellingen geheel bedekt met kreupelhout, steeneiken,
dennen en berken; de bergen ten noorden en oosten zijn minder hoog,
grauw van kleur, kaal en naakt. De zon is ondergegaan; het is dat stil
en weifelend uur, waarin het nog geen nacht en niet meer ten volle
dag is; de bergachtige achtergrond, waartegen de omtrek van het hotel,
aan het einde der groote straat, scherp uitkomt, hult zich in donkere,
harmonische, warme tinten, als violetkleurig fluweel, gelijk aan die
der heuvelen op de heide, tegen het einde van den herfst. Mij dunkt,
wij behoeven niet lang te twisten over den oorsprong van den naam des
lands: Tzerna-Gora, Montenegro, Zwarte-bergen. Even als de Turken
hunne goede redenen hebben om de bergbewoners met den naam van de
Verschrikkelijken aan te duiden, zoo kan ook zeer goed de eerste
reiziger, die van dit voor hem nieuwe landschap eene beschrijving
wilde geven, getroffen door de eigenaardige kleurschakeering, welke
hier op sommige uren van den dag valt waar te nemen, dien naam van
Montenegro hebben bedacht, als het best zijn indruk wedergevende [22].