Voor de eerste maal, in een armoedige herberg tusschen Knin en
Sebenico; voor de tweede maal te Ragusa, in een kruidenierswinkel;
voor de derde maal eindelijk in een pover kroegje te Borgho-Pille,
waar de karavanen een teug van den nationalen drank, de slivovitza
(pruimebrandewijn) komen drinken,--heb ik de guzlars de nationale
volksliederen van Servië hooren zingen.
De guzla, het instrument dat dezen zang begeleidt, is minder dan
eenvoudig: het is bijna barbaarsch: een enkele snaar over een soort
van lederen mandoline, met een buitengewoon langen steel, gespannen,
ziedaar alles. De strijkstok is een soort van houten boog, waaraan
mede een enkele snaar bevestigd is. De guzla hangt in de slavische
herberg aan den wand, even als in Spanje de guitaar of pandero aan
den wand der posada; en diegene onder de gasten, die de servische
zangen het beste uit zijn hoofd kent, neemt het instrument van
den muur en begint te zingen. Hij houdt de guzla tusschen de beide
knieën, even als een violoncel, en begint met enkele hooge noten;
weldra groepeert zich de schare om hem heen; aanvankelijk luistert
men met zeer weinig aandacht: men gaat en komt, loopt heen en weer,
verricht allerlei bezigheden en hindert den zanger; inmiddels gaat
hij voort met zijn lied; de toehoorders worden aandachtig; er vormt
zich een kring om hem, die telkens aangroeit; weldra heerscht er
algemeene stilte en belangstelling. Sommigen leunen zwijgend tegen
den muur; anderen, op zakken liggende, neergehurkt, met de beenen
onder het lijf gevouwen, zitten roerloos; niemand spreekt een woord;
de voorbijgangers, die een kop koffie of iets anders verlangen, treden
voorzichtig naar binnen en geven zwijgend een teeken. De stem van
den zanger is al hooger geklommen; hij windt zich op en zijne oogen
schitteren; de slavische versregel wordt afgebroken door zonderlinge
geluiden, die elke frase van den zang doen uitkomen. Voorzeker is
dit geen muziek in den eigenlijken zin des woords; men zou haast
zeggen, dat hier noch melodie, noch harmonie, noch maat, noch klank
te vinden is; en toch ondanks dit alles, heeft deze eentonige melodie
iets bekoorlijks, iets onwederstaanbaars; zij is somber en treurig,
maar nu en dan breekt eensklaps, als een bliksemstraal, een wilde
zegekreet, een luid gejubel door dien doffen weemoed heen. Dit lied
is een beeld van de geschiedenis van het servische volk zelf, zoo
vol rouw en smart, en toch ook wederom doortinteld van onsterfelijke
hoop; het is hun Ilias, hun Odyssee en hun Romancero: de afspiegeling
van het leven der Serviërs, hunne geschiedenis met al haar legenden,
de verheerlijking hunner nationale helden.
De millioenen Slaven, die Bosnië, Herzegowina, noordelijk Albanië,
Slavonië, Dalmatië, een deel van Istrië, Batchka, Syrmië, het Banaat,
Montenegro en Servië bewonen, hebben deze aloude zangen en liederen
broksgewijze bewaard; zij worden alom gezongen: te Belgrado, te Agram,
te Zwornick, te Banjaloeka, te Knin, te Dernis, aan de golf van
Cattaro en in de Zwarte-Bergen. Deze machtige propaganda valt buiten
het bereik van wetten en verordeningen, van policie en gendarmerie;
deze liederen, van de vaderen geërfd, zijn de heilige verbondsark
dezer slavische stammen, die daarin de herinnering van hun grootsch
verleden, den troost onder het lijden en den jammer van het heden,
en eene profecie van aanstaande verlossing en vrijheid bewaren.
Ook nu, nu langs de boorden van de Drina, de Morawa, de Narenta,
weder de heilige krijg is ontbrand; nu andermaal het zwaard is
uitgetogen en de Kruisbanier opgeheven om eindelijk, eindelijk de
slavische Christenen te bevrijden van het juk der mohammedaansche
barbarenhorde; ook nu klinken alom die zangen door het wijde slavische
land. Des avonds, als de dalende nacht het kamp in haar sluier hult,
als de laatste glans aan den hemel wegsterft, en in het bivouak de
nachtvuren worden ontstoken:--dan rijzen uit de groepen der strijders,
die zich straks ter ruste zullen begeven, de oude nationale liederen;
dan klinken alom de tonen van de guzla, die de krijgslieden medenamen
naar hun tent; en luisterende naar die aloude gewijde zangen, zoo
vol van der vaderen roem en der vaderen lijden, rijpt te vaster het
besluit om het zwaard niet neder te leggen, voor de gevloekte tyran
van der vaderen erfgrond zal verdreven zijn.
Van ganscher harte zij hun de overwinning toegewenscht!
Deze zoo beroemde servische zangen, die tegenwoordig eene eigene
letterkunde vormen, waren voor omstreeks veertig jaar, buiten de
slavische landen bijna geheel onbekend. In Frankrijk werden zij voor
het eerst bekend gemaakt door Mérimée, die beweerde deze liederen,
op een reis door Dalmatië, te hebben opgeschreven uit den mond van
een ouden guzlar. Hij gaf eene gansche verzameling daarvan uit, onder
den titel van La Guzla, die in Frankrijk grooten opgang maakte; het
duurde niet lang, of de zoogenoemde servische volksliederen kwamen in
de mode. Eenige jaren later bekende de heer Mérimée, in de voorrede
voor eene nieuwe uitgave, dat hij, in overleg met zijn geleerden vriend
Ampère, die zangen zelf gemaakt had, en dat zij hoogstens geacht konden
worden nabootsingen te zijn van oorspronkelijke liederen, waarvan hij
den tekst onder de oogen gehad had. Hij voegde daarbij, dat hij, zeer
gaarne een reis naar Dalmatië wenschende te doen, maar niet over de
vereischte middelen kunnende beschikken, begonnen was met zijn boek te
schrijven, en voor het geld, dat hij daarmede verdiend had, later naar
Dalmatië was gegaan om te onderzoeken of het boek juist en getrouw was.
De echte servische zangen hebben ongetwijfeld een zeer sterk sprekend
karakter, zoodat het een dichter, die zin heeft voor lokale kleur
en zich eenige studie getroosten wil, niet zoo bijster moeilijk kan
vallen, ze na te volgen. Maar Vouk Stephanovitch Karadjitch is toch
de eerste, die een juist en nauwkeurig denkbeeld van deze zangen
gegeven heeft in zijn boek: Servische Volksliederen, Spreekwoorden
en Verhalen. Herder is misschien de eerste geweest, die ze in
westelijk Europa heeft bekend gemaakt; ook Goethe heeft een enkel
dezer liederen in het duitsch vertaald. In 1823 gaf een Serviër, die
zijn naam niet heeft bekend gemaakt, te Leipzig een verzameling van
servische volksliederen uit, onder den titel Narodné Serbske pesmé;
maar aangezien de servische taal zeer weinig bekend is, werden deze
zangen eerst opgemerkt en gewaardeerd, nadat Mrs. Robinson, onder den
pseudoniem Talvi, daarvan een duitsche vertaling bezorgd had. In 1836
gaf de italiaansche dichter Tommaseo--van Dalmatië geboortig--zijne
Canti popolari uit, waaronder hij eene ruime plaats toekende aan de
"illyrische zangen."
Nu was het ijs gebroken, en in Frankrijk, Duitschland en Engeland
werd steeds meer de aandacht op dezen dichterlijken schat gevestigd,
zagen vertalingen of bewerkingen dezer servische liederen het
licht. Mickiewicz, zelf een der grootste dichters van het slavische
ras, spreekt aldus, in bezielde taal, over deze liederen:
"Volkszangen, arke des verbonds tusschen den ouden en den nieuwen
tijd, in u legt de natie de zegeteekenen harer helden neder, de hoop
en verwachting harer innigste gedachten, de bloem harer teederste
gevoelens! Heilige arke, niemand kan u slaan, u verbrijzelen, zoolang
uw eigen volk de schennende hand niet tegen u heeft opgeheven! O, zang
des volks, gij zijt de tempelwachter der nationale herinneringen;
uwer zijn de vleugelen en de stem des aartsengels, uwer ook vaak
zijne wapenen! De vlam verteert de scheppingen van het penseel, de
roovers plunderen de schatten: het lied ontkomt aan het verderf en
blijft leven. Als het vernederde en ontaarde volk zijne herinneringen
en zijn hoop vergeet en het lied laat kwijnen, dan vlucht het naar
de bergen en hecht zich aan de puinhoopen, en van daar klinkt zijn
stem, verhalende van den ouden tijd. Zoo vlucht de nachtegaal van het
brandende huis en zet zich een oogenblik op het dak; maar als ook het
dak bezwijkt, dan vliegt hij heen naar de bosschen, en zingt met luider
stem een lied van rouw en smart, te midden van ruïnen en graven."
Inderdaad leeft in deze liederen de nationale geschiedenis. Even als
de rhapsoden der oudheid, zoo hebben ook de rondtrekkende guzlars,
dank zij hun dichterlijk instinkt, de namen der helden, de gedachtenis
der doorgestane beproevingen, der behaalde overwinningen, voor het
servische volk bewaard. Om zijn eersten bundel bijeen te brengen,
ging Stephanovitch van dorp tot dorp, overal onderzoekende of er zich
daar ook een guzlar of zanger bevond, die om zijn uitstekend geheugen
beroemd was.
Op zekeren dag, zoo verhaalt Mickiewicz, vindt hij een ouden
marskramer, die een aantal liederen van buiten kent; hij neemt den man
mede naar zijn huis, geeft hem te drinken, en beweegt hem zoo doende al
zijn liederen, een voor een, op te zeggen, terwijl hij zo middelerwijl
opschrijft, en de verminkte regels weer in hun oorspronkelijke
zuiverheid herstelt. Een ander maal verhaalt men hem van een man,
die een geheel gedicht van buiten kent; om dien man te vinden, riep
hij de hulp in van Prins Milosch, een held die niet schrijven kon,
maar in wiens ziel niettemin het heilige vuur gloeide en die ten volle
de waarde en de beteekenis dezer vaderlandsche liederen begreep. De
Prins beveelt dat men dien guzlar opspore. Nu bleek het dat deze
beroemde zanger een oude roover was, bedekt met litteekenen, en die
zich nog altijd niet had verzoend met de pandoeren en de gendarmen;
hij begreep niet wat de Vorst van hem verlangde; hij vreesde dat men
hem een strik spande en deed geen mond open. Om hem aan de praat te
krijgen, werd hij half dronken gemaakt: nu droeg hij zijn gedicht voor,
en de slavische litteratuur telde een meesterstuk te meer.