XIII.

Welke was de regeeringsvorm van Ragusa, gedurende het duizendjarig

bestaan dezer republiek? Welke staatsinstellingen hebben het mogelijk

gemaakt, dat een staat met zoo uiterst beperkt grondgebied, een zoo

belangrijke rol heeft gespeeld?

In zijn Droit public de l'Europe, zegt de abt Mably, sprekende van

Ragusa: "Haar republikeinsche regeeringsvorm is ouder dan Venetië." Wij

zullen ons bepalen bij een handelstraktaat, ten jare 997 tusschen de

stad en den griekschen Keizer gesloten, en aangegaan in naam van den

gonfaloniere, "president der stad Ragusa, verbonden met al de edelen

van genoemde stad." Uit dit traktaat blijkt dus, dat er destijds

reeds een raad van edelen bestond. Sedert het tijdstip, waarop, zoo

als wij boven reeds zagen, de republiek, in een oogenblik van gevaar

(1204), de hulp van Venetië inriep en een venetiaansch patriciër,

als rector of president, aan het hoofd der regeering werd geplaatst,

deed zich ook in de innerlijke huishouding van Ragusa de invloed der

machtige republiek van Sint-Marcus gevoelen; de regeeringsvorm is

dan ook, in hoofdtrekken, dezelfde als te Venetië.

Sedert het begin der dertiende eeuw bestonden er te Ragusa drie

raden of collegiën, in verband met de splitsing der burgers in

drie klassen: de edelen, de eigenlijke burgers (cittadini) en de

ambachtslieden. De regeering berust eigenlijk in handen der edelen

(nobili), en de republiek is streng aristokratisch: ongetwijfeld

een der hoofdoorzaken van haar langdurig bestaan. De burgers zijn

verdeeld in twee broederschappen of gilden, dat van Sint-Antonius en

dat van Sint-Lazarus; de leden dier gilden zijn voor zekere ambten

verkiesbaar: de benoeming geschiedt door den Senaat.

In den Grooten Raad hebben alle edelen zitting, krachtens hun

geboorterecht en zoodra zij den ouderdom van achttien jaar hebben

bereikt. Deze Groote Raad benoemt den president der republiek of

Rector, die slechts ééne maand aan het bewind blijft; op den 25sten

van iedere maand heeft eene nieuwe verkiezing plaats. Het spreekt van

zelf, dat een president, wiens mandaat na verloop van dertig dagen

verstreken was, niet veel invloed kon uitoefenen.

Den 15den December van elk jaar, werden, mede door den Grooten Raad,

de overheidspersonen der stad gekozen, de schepenen, die ook met de

handhaving der wetten en de rechtspleging waren belast en nog andere

regeeringsfunctien uitoefenden.

De tweede raad heet, even als te Venetië, de Raad der Pregati of de

Senaat; hij bestaat uit vijf-en-veertig leden. Van zijne beslissingen

is geen beroep. Hij stelt de belastingen en alle heffingen vast,

spreekt vonnis in civiele zaken, benoemt de gezanten, sluit vrede

en verklaart den oorlog; zendt om de drie jaar commissiën van

onderzoek naar de verschillende districten, vaardigt de wetten uit,

en beraadslaagt over alles wat met de binnen- of buitenlandsche

politiek in verband staat. Deze Senaat vergadert viermaal per week,

later tweemaal; in geval van nood, kan hij door den Rector worden

bijeengeroepen.

De Raad, het derde regeeringscollege, uit zeven senatoren bestaande,

onder voorzitterschap van den Rector, vertegenwoordigt het uitvoerend

gezag: deze raad heeft geheel dezelfde functiën als de Signoria te

Venetië. Hij is belast met de uitvoering der besluiten van den Grooten

Raad en den Senaat; elk zijner leden heeft eene bijzondere afdeeling

van het bestuur voor zijne rekening. De Raad voert briefwisseling met

andere mogendheden, ontvangt de gezanten, den aartsbisschop, Vorsten

en andere vreemdelingen van hoogen rang, en onderwerpt belangrijke

kwestiën aan de beslissing van den Senaat. De leden van dit college

worden voor een jaar benoemd.

De eerste magistraat der republiek, de Rector, voerde aanvankelijk

den titel van Prior, daarna dien van Graaf. Vroeger bleef de Rector

een jaar in functie, maar na de poging van Damiano Judas om zich in

het gezag te handhaven, werd die termijn ingekort en werd de Rector

voor een maand benoemd; hij moest gedurende dien tijd het paleis

bewonen. Slechts bij sommige gelegenheden mocht hij in het publiek

verschijnen. In de openbare uitoefening van zijn ambt, droeg hij een

wijden, met bloemen geborduurden mantel van karmozijn damast, benevens

een groote pruik met krullen. In het paleis bestond zijne kleeding uit

eene eenvoudige toga van roode wollen stof; hij werd door de lakeien

van den staat bediend, en mocht zijne vertrekken niet verlaten, dan

om ter kerk te gaan. Dan werd hij vergezeld door de leden van den

kleinen Raad en de secretarissen van de Staatskanselarij; voor hem uit

gingen de lakeien en een troep muziekanten met blaasinstrumenten. Een

deurwaarder droeg voor hem een zonnescherm, met karmozijn roode

stof bekleed.

Dit laatste herinnert aan het Oosten: het is de zonnescherm der

rajahs, der sultans, der emirs, der pasjas; ook Venetië heeft dit

symbool van het oppergezag overgenomen. Als Hendrik III, na zijn

vlucht uit Polen, te Venetië een bezoek komt afleggen, worden de

vier dienstdoende procuratoren aangewezen om hem te vergezellen,

en Marc-Antonio Barbaro, om den umbrellino te dragen.

De zonnescherm van Ragusa had een gedraaiden, gebeeldhouwden en

vergulden stok: hij werd altijd gebruikt, onverschillig of de zon

scheen of niet.

De Rector velt, in zijn paleis, vonnis in sommige geschillen; maar

hij is slechts vrederechter, want die geschillen mogen over niet meer

loopen dan de waarde van een sequin. Zijne belooning bedraagt niet

meer dan een sequin per dag; hij trekt echter nog eenige inkomsten

uit de inkomende rechten op levensmiddelen.

De eerste magistraatspersoon is letterlijk een gevangene in zijn

paleis; hij mag alleen des avonds uitgaan, maar incognito en

zonder toga, opdat de waardigheid der republiek geen schade zou

lijden. Niemand kan tweemaal in het jaar Rector zijn; ieder lid van

den Senaat bekleedt die waardigheid op zijne beurt.

De burgers of volburgers (cittadini) mogen eene toga en eene pruik

dragen; even als de edelen kunnen zij en hunne zonen door den Senaat

benoemd worden tot secretarissen van de Staatskanselarij; bezitten

zij bijzondere bekwaamheid, dan kunnen zij tot kanselier opklimmen:

ook dit in navolging van het te Venetië heerschende gebruik. In sommige

gevallen mogen zij ook met bijzondere vertrouwelijke zendingen belast

worden, zoo als bij de pâsjas in Turkije, of bij de regeeringen der

staten langs de kust van Afrika. Zij worden gebruikt bij verschillende

gelegenheden, waarbij geen edelen gebezigd worden.

Telken jare, op den feestdag van Sint-Blasius, beschermer en patroon

der republiek, wordt een burger door den Senaat benoemd tot kapitein

der artillerie. In den schouwburg zitten de vrouwen der burgers ter

linkerhand van de adellijke dames: een voorrecht, dat haar door de

vrouwen van den derden stand zeer benijd wordt.

De volburgers worden door den Senaat benoemd. Om de citadinanza of het

burgerrecht te verkrijgen, moet men minstens vijf-en-twintigduizend

francs aan vaste goederen bezitten, geen kleinhandel drijven, en

nimmer eene onteerende straf hebben ondergaan.

De derde stand bestaat uit de scheepsgezagvoerders, de kleinhandelaars

en winkeliers, en eindelijk uit de ambachtslieden. Als de

scheepsgezagvoerders op hunne reizen fortuin gemaakt hebben, kunnen

zij op hunne aanvrage de citadinanza verkrijgen. De stand der burgers

breidt zich op die wijze aanmerkelijk uit; met den adel is dit niet

het geval, want de edelen zijn zeer naijverig op hunne voorrechten

en hechten zeer aan het prestige van hun stand. In 1790 bericht de

consul-generaal van Frankrijk, dat sedert honderd jaren geen brieven

van adeldom waren verleend geworden.

Ten slotte vermelden wij nog, dat de burgerlijke rechtspleging,

behalve aan de genoemde regeeringscollegiën, was opgedragen aan een

rechtbank van vier leden: de consuls der burgerlijke zaken. Het

beheer der schatkist was toevertrouwd aan drie administrateurs,

de tresoriers van Santa-Martha, uit de senatoren gekozen. Verder

bestond er ook nog een soort van rekenkamer, de raad of commissie

delle cinque Ragioni genoemd.

Deze staatsregeling is, zonder ingrijpende veranderingen en ook zonder

inwendige beroeringen van ernstigen aard, omstreeks tien eeuwen

van kracht gebleven. Voor ons, die gewoon zijn dat sommige volken

hun grondwet en hun regeeringsvorm zoowat om de tien of twintig jaar

veranderen, en voor wie de normale toestand deze is, dat de regeering

beschouwd wordt als eene prooi, om welker bezit eenige eerzuchtigen,

voor wie het algemeene welzijn wel de allerlaatste zaak is waarom

zij zich bekommeren, met elkander worstelen;--voor ons klinkt,

in dezen tijd van gedurige spanning en onrust, deze historische

getuigenis welhaast als een sprookje. Ongetwijfeld had Ragusa, even

als Venetië, deze zeldzame vastheid en stabiliteit--te merkwaardiger

in dit geval omdat de republiek naar buiten zoo weinig macht kon

ontwikkelen, en voortdurend door elkander bekampende vijanden omringd

was--in de allereerste plaats te danken aan het streng aristokratisch

karakter harer constitutie. De vaderlandsliefde, de strenge tucht, de

voorzichtigheid, de gematigdheid en het zeldzame beleid, waarvan de

regeerende klasse van Ragusa zoo doorslaande bewijzen gegeven heeft

en waardoor dit miniatuurstaatje het hoofd heeft kunnen bieden aan

machtige potentaten, verdienen de hoogste bewondering; maar deze

deugden zijn juist het tegenovergestelde van de eigenschappen,

waardoor de demokratie zich overal en te allen tijde hoeft gekenmerkt.

Bij het nasnuffelen van de archieven en oude staats-papieren werd

mijne aandacht ook getrokken door sommige bepalingen en regelen op

het stuk van kleeding, levenswijze, enz., die mij toeschijnen niet

zonder belang te zijn.

In April 1763 werden door den raad der Pregati (den Senaat) eenige

leden aangewezen, om maatregelen te beramen ter beteugeling der

weelde, ten einde de onnoodige en overtollige uitgaven te beperken,

waardoor de inkomsten der gezinnen werden verslonden en zij in een

toestand gebracht, die hen naar hulp van de overheid deed uitzien. Die

commissie stelde een ontwerp-keur voor, waarvan ik de voornaamste

bepalingen hier laat volgen:

I. De vrouwen van stand, zelfs de Antoninen en Lazarinen (dat zijn de

dames der broederschappen of gilden van Sint-Antonius en Sint-Lazarus)

mogen niet meer dan twee soorten van kleederen hebben: een stel

staatsiekleederen, en een voor gewoon gebruik.

II. Geene andere dan deze staatsiekleederen mogen gedragen worden in de

hoofdkerken, dat wil zeggen in de kathedraal van Sint-Blasius, en in

de kerken der Dominicanen en Franciscanen, waar de Zeer Doorluchtige

en Zeer Eerwaardige Heer onze Rector mocht verschijnen; en zulks op

de bekende straffen.

III. Alle andere vrouwen mogen geen andere kleederen dragen dan

van effen zijde, wol, linnen of katoen, waarvan de kleur door haar

gekozen mag worden, behalve zwart; ook mogen zij geene queue dragen

en ook geen andere dan lederen schoenen; de weduwen alleen moeten in

het zwart gekleed gaan, maar uitsluitend in wollen stof; op verbeurte

van het vierde harer bezitting.

IV. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken rang of stand ook,

om galon van gouddraad te dragen.

V. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken stand ook, om de

kleederen te versieren met echt of valsch goud of zilver.

VI. Verbod aan alle vrouwen, onverschillig van welken stand, om zich

nieuwe kleederen te laten vervaardigen van goud- of zilverbrokaat,

of van niet effen zijde.

VII. Geen vrouw, met uitzondering der dames van adel en de Antoninen

en Lazarinen, zal voortaan een geborduurden sluier of kap, of

gefestonneerden mantel mogen dragen; het is haar echter vergund kappen

of huiven te dragen van zwarte stof.

VIII. De edelen mogen over dag niet zonder het aan hun rang passend

gewaad uitgaan.

IX. Het is den mannen op straffe van verbanning verboden, het beroep

van kapper uit te oefenen, of in dat beroep onderricht te geven.

Of deze bepalingen en regelen, waarvan ik hier slechts enkelen heb

aangehaald, inderdaad doel hebben getroffen, weet ik niet. Ik zou er

bijna aan twijfelen, als ik zie, hoe reeds in Mei 1773 het edict van

1765 wordt vernieuwd, maar nu met bijvoeging eener nieuwe bepaling

tegen de fransche kleederdracht, die ook in Ragusa was doorgedrongen

en daar navolgers vond. Bij besluit van 18 Mei 1773 verbood de Senaat

aan alle heeren en edelen, om zich naar fransche mode te kleeden,

en in het publiek te verschijnen anders dan met de toga; op straffe

voor eerstgenoemden, om gedurende drie jaren geen zitting in den

Senaat te mogen nemen; en voor de anderen, om gedurende dienzelfden

tijd geen lid te kunnen worden van den Raad.

Zoo als men ziet, waren deze aristokraten voor zich zelven niet minder

streng dan voor anderen, veeleer het tegendeel. Trouwens, ook deze

trek heeft Ragusa met Venetië gemeen. De jonge edellieden, die op hun

achttiende jaar rechtens in den Grooten Raad zitting mochten nemen,

gedurende drie jaar van dat recht te berooven, omdat zij een vreemde

mode volgen, is zeker bar genoeg.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 56 / 92 题