Welke was de regeeringsvorm van Ragusa, gedurende het duizendjarig
bestaan dezer republiek? Welke staatsinstellingen hebben het mogelijk
gemaakt, dat een staat met zoo uiterst beperkt grondgebied, een zoo
belangrijke rol heeft gespeeld?
In zijn Droit public de l'Europe, zegt de abt Mably, sprekende van
Ragusa: "Haar republikeinsche regeeringsvorm is ouder dan Venetië." Wij
zullen ons bepalen bij een handelstraktaat, ten jare 997 tusschen de
stad en den griekschen Keizer gesloten, en aangegaan in naam van den
gonfaloniere, "president der stad Ragusa, verbonden met al de edelen
van genoemde stad." Uit dit traktaat blijkt dus, dat er destijds
reeds een raad van edelen bestond. Sedert het tijdstip, waarop, zoo
als wij boven reeds zagen, de republiek, in een oogenblik van gevaar
(1204), de hulp van Venetië inriep en een venetiaansch patriciër,
als rector of president, aan het hoofd der regeering werd geplaatst,
deed zich ook in de innerlijke huishouding van Ragusa de invloed der
machtige republiek van Sint-Marcus gevoelen; de regeeringsvorm is
dan ook, in hoofdtrekken, dezelfde als te Venetië.
Sedert het begin der dertiende eeuw bestonden er te Ragusa drie
raden of collegiën, in verband met de splitsing der burgers in
drie klassen: de edelen, de eigenlijke burgers (cittadini) en de
ambachtslieden. De regeering berust eigenlijk in handen der edelen
(nobili), en de republiek is streng aristokratisch: ongetwijfeld
een der hoofdoorzaken van haar langdurig bestaan. De burgers zijn
verdeeld in twee broederschappen of gilden, dat van Sint-Antonius en
dat van Sint-Lazarus; de leden dier gilden zijn voor zekere ambten
verkiesbaar: de benoeming geschiedt door den Senaat.
In den Grooten Raad hebben alle edelen zitting, krachtens hun
geboorterecht en zoodra zij den ouderdom van achttien jaar hebben
bereikt. Deze Groote Raad benoemt den president der republiek of
Rector, die slechts ééne maand aan het bewind blijft; op den 25sten
van iedere maand heeft eene nieuwe verkiezing plaats. Het spreekt van
zelf, dat een president, wiens mandaat na verloop van dertig dagen
verstreken was, niet veel invloed kon uitoefenen.
Den 15den December van elk jaar, werden, mede door den Grooten Raad,
de overheidspersonen der stad gekozen, de schepenen, die ook met de
handhaving der wetten en de rechtspleging waren belast en nog andere
regeeringsfunctien uitoefenden.
De tweede raad heet, even als te Venetië, de Raad der Pregati of de
Senaat; hij bestaat uit vijf-en-veertig leden. Van zijne beslissingen
is geen beroep. Hij stelt de belastingen en alle heffingen vast,
spreekt vonnis in civiele zaken, benoemt de gezanten, sluit vrede
en verklaart den oorlog; zendt om de drie jaar commissiën van
onderzoek naar de verschillende districten, vaardigt de wetten uit,
en beraadslaagt over alles wat met de binnen- of buitenlandsche
politiek in verband staat. Deze Senaat vergadert viermaal per week,
later tweemaal; in geval van nood, kan hij door den Rector worden
bijeengeroepen.
De Raad, het derde regeeringscollege, uit zeven senatoren bestaande,
onder voorzitterschap van den Rector, vertegenwoordigt het uitvoerend
gezag: deze raad heeft geheel dezelfde functiën als de Signoria te
Venetië. Hij is belast met de uitvoering der besluiten van den Grooten
Raad en den Senaat; elk zijner leden heeft eene bijzondere afdeeling
van het bestuur voor zijne rekening. De Raad voert briefwisseling met
andere mogendheden, ontvangt de gezanten, den aartsbisschop, Vorsten
en andere vreemdelingen van hoogen rang, en onderwerpt belangrijke
kwestiën aan de beslissing van den Senaat. De leden van dit college
worden voor een jaar benoemd.
De eerste magistraat der republiek, de Rector, voerde aanvankelijk
den titel van Prior, daarna dien van Graaf. Vroeger bleef de Rector
een jaar in functie, maar na de poging van Damiano Judas om zich in
het gezag te handhaven, werd die termijn ingekort en werd de Rector
voor een maand benoemd; hij moest gedurende dien tijd het paleis
bewonen. Slechts bij sommige gelegenheden mocht hij in het publiek
verschijnen. In de openbare uitoefening van zijn ambt, droeg hij een
wijden, met bloemen geborduurden mantel van karmozijn damast, benevens
een groote pruik met krullen. In het paleis bestond zijne kleeding uit
eene eenvoudige toga van roode wollen stof; hij werd door de lakeien
van den staat bediend, en mocht zijne vertrekken niet verlaten, dan
om ter kerk te gaan. Dan werd hij vergezeld door de leden van den
kleinen Raad en de secretarissen van de Staatskanselarij; voor hem uit
gingen de lakeien en een troep muziekanten met blaasinstrumenten. Een
deurwaarder droeg voor hem een zonnescherm, met karmozijn roode
stof bekleed.
Dit laatste herinnert aan het Oosten: het is de zonnescherm der
rajahs, der sultans, der emirs, der pasjas; ook Venetië heeft dit
symbool van het oppergezag overgenomen. Als Hendrik III, na zijn
vlucht uit Polen, te Venetië een bezoek komt afleggen, worden de
vier dienstdoende procuratoren aangewezen om hem te vergezellen,
en Marc-Antonio Barbaro, om den umbrellino te dragen.
De zonnescherm van Ragusa had een gedraaiden, gebeeldhouwden en
vergulden stok: hij werd altijd gebruikt, onverschillig of de zon
scheen of niet.
De Rector velt, in zijn paleis, vonnis in sommige geschillen; maar
hij is slechts vrederechter, want die geschillen mogen over niet meer
loopen dan de waarde van een sequin. Zijne belooning bedraagt niet
meer dan een sequin per dag; hij trekt echter nog eenige inkomsten
uit de inkomende rechten op levensmiddelen.
De eerste magistraatspersoon is letterlijk een gevangene in zijn
paleis; hij mag alleen des avonds uitgaan, maar incognito en
zonder toga, opdat de waardigheid der republiek geen schade zou
lijden. Niemand kan tweemaal in het jaar Rector zijn; ieder lid van
den Senaat bekleedt die waardigheid op zijne beurt.
De burgers of volburgers (cittadini) mogen eene toga en eene pruik
dragen; even als de edelen kunnen zij en hunne zonen door den Senaat
benoemd worden tot secretarissen van de Staatskanselarij; bezitten
zij bijzondere bekwaamheid, dan kunnen zij tot kanselier opklimmen:
ook dit in navolging van het te Venetië heerschende gebruik. In sommige
gevallen mogen zij ook met bijzondere vertrouwelijke zendingen belast
worden, zoo als bij de pâsjas in Turkije, of bij de regeeringen der
staten langs de kust van Afrika. Zij worden gebruikt bij verschillende
gelegenheden, waarbij geen edelen gebezigd worden.
Telken jare, op den feestdag van Sint-Blasius, beschermer en patroon
der republiek, wordt een burger door den Senaat benoemd tot kapitein
der artillerie. In den schouwburg zitten de vrouwen der burgers ter
linkerhand van de adellijke dames: een voorrecht, dat haar door de
vrouwen van den derden stand zeer benijd wordt.
De volburgers worden door den Senaat benoemd. Om de citadinanza of het
burgerrecht te verkrijgen, moet men minstens vijf-en-twintigduizend
francs aan vaste goederen bezitten, geen kleinhandel drijven, en
nimmer eene onteerende straf hebben ondergaan.
De derde stand bestaat uit de scheepsgezagvoerders, de kleinhandelaars
en winkeliers, en eindelijk uit de ambachtslieden. Als de
scheepsgezagvoerders op hunne reizen fortuin gemaakt hebben, kunnen
zij op hunne aanvrage de citadinanza verkrijgen. De stand der burgers
breidt zich op die wijze aanmerkelijk uit; met den adel is dit niet
het geval, want de edelen zijn zeer naijverig op hunne voorrechten
en hechten zeer aan het prestige van hun stand. In 1790 bericht de
consul-generaal van Frankrijk, dat sedert honderd jaren geen brieven
van adeldom waren verleend geworden.
Ten slotte vermelden wij nog, dat de burgerlijke rechtspleging,
behalve aan de genoemde regeeringscollegiën, was opgedragen aan een
rechtbank van vier leden: de consuls der burgerlijke zaken. Het
beheer der schatkist was toevertrouwd aan drie administrateurs,
de tresoriers van Santa-Martha, uit de senatoren gekozen. Verder
bestond er ook nog een soort van rekenkamer, de raad of commissie
delle cinque Ragioni genoemd.
Deze staatsregeling is, zonder ingrijpende veranderingen en ook zonder
inwendige beroeringen van ernstigen aard, omstreeks tien eeuwen
van kracht gebleven. Voor ons, die gewoon zijn dat sommige volken
hun grondwet en hun regeeringsvorm zoowat om de tien of twintig jaar
veranderen, en voor wie de normale toestand deze is, dat de regeering
beschouwd wordt als eene prooi, om welker bezit eenige eerzuchtigen,
voor wie het algemeene welzijn wel de allerlaatste zaak is waarom
zij zich bekommeren, met elkander worstelen;--voor ons klinkt,
in dezen tijd van gedurige spanning en onrust, deze historische
getuigenis welhaast als een sprookje. Ongetwijfeld had Ragusa, even
als Venetië, deze zeldzame vastheid en stabiliteit--te merkwaardiger
in dit geval omdat de republiek naar buiten zoo weinig macht kon
ontwikkelen, en voortdurend door elkander bekampende vijanden omringd
was--in de allereerste plaats te danken aan het streng aristokratisch
karakter harer constitutie. De vaderlandsliefde, de strenge tucht, de
voorzichtigheid, de gematigdheid en het zeldzame beleid, waarvan de
regeerende klasse van Ragusa zoo doorslaande bewijzen gegeven heeft
en waardoor dit miniatuurstaatje het hoofd heeft kunnen bieden aan
machtige potentaten, verdienen de hoogste bewondering; maar deze
deugden zijn juist het tegenovergestelde van de eigenschappen,
waardoor de demokratie zich overal en te allen tijde hoeft gekenmerkt.
Bij het nasnuffelen van de archieven en oude staats-papieren werd
mijne aandacht ook getrokken door sommige bepalingen en regelen op
het stuk van kleeding, levenswijze, enz., die mij toeschijnen niet
zonder belang te zijn.
In April 1763 werden door den raad der Pregati (den Senaat) eenige
leden aangewezen, om maatregelen te beramen ter beteugeling der
weelde, ten einde de onnoodige en overtollige uitgaven te beperken,
waardoor de inkomsten der gezinnen werden verslonden en zij in een
toestand gebracht, die hen naar hulp van de overheid deed uitzien. Die
commissie stelde een ontwerp-keur voor, waarvan ik de voornaamste
bepalingen hier laat volgen:
I. De vrouwen van stand, zelfs de Antoninen en Lazarinen (dat zijn de
dames der broederschappen of gilden van Sint-Antonius en Sint-Lazarus)
mogen niet meer dan twee soorten van kleederen hebben: een stel
staatsiekleederen, en een voor gewoon gebruik.
II. Geene andere dan deze staatsiekleederen mogen gedragen worden in de
hoofdkerken, dat wil zeggen in de kathedraal van Sint-Blasius, en in
de kerken der Dominicanen en Franciscanen, waar de Zeer Doorluchtige
en Zeer Eerwaardige Heer onze Rector mocht verschijnen; en zulks op
de bekende straffen.
III. Alle andere vrouwen mogen geen andere kleederen dragen dan
van effen zijde, wol, linnen of katoen, waarvan de kleur door haar
gekozen mag worden, behalve zwart; ook mogen zij geene queue dragen
en ook geen andere dan lederen schoenen; de weduwen alleen moeten in
het zwart gekleed gaan, maar uitsluitend in wollen stof; op verbeurte
van het vierde harer bezitting.
IV. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken rang of stand ook,
om galon van gouddraad te dragen.
V. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken stand ook, om de
kleederen te versieren met echt of valsch goud of zilver.
VI. Verbod aan alle vrouwen, onverschillig van welken stand, om zich
nieuwe kleederen te laten vervaardigen van goud- of zilverbrokaat,
of van niet effen zijde.
VII. Geen vrouw, met uitzondering der dames van adel en de Antoninen
en Lazarinen, zal voortaan een geborduurden sluier of kap, of
gefestonneerden mantel mogen dragen; het is haar echter vergund kappen
of huiven te dragen van zwarte stof.
VIII. De edelen mogen over dag niet zonder het aan hun rang passend
gewaad uitgaan.
IX. Het is den mannen op straffe van verbanning verboden, het beroep
van kapper uit te oefenen, of in dat beroep onderricht te geven.
Of deze bepalingen en regelen, waarvan ik hier slechts enkelen heb
aangehaald, inderdaad doel hebben getroffen, weet ik niet. Ik zou er
bijna aan twijfelen, als ik zie, hoe reeds in Mei 1773 het edict van
1765 wordt vernieuwd, maar nu met bijvoeging eener nieuwe bepaling
tegen de fransche kleederdracht, die ook in Ragusa was doorgedrongen
en daar navolgers vond. Bij besluit van 18 Mei 1773 verbood de Senaat
aan alle heeren en edelen, om zich naar fransche mode te kleeden,
en in het publiek te verschijnen anders dan met de toga; op straffe
voor eerstgenoemden, om gedurende drie jaren geen zitting in den
Senaat te mogen nemen; en voor de anderen, om gedurende dienzelfden
tijd geen lid te kunnen worden van den Raad.
Zoo als men ziet, waren deze aristokraten voor zich zelven niet minder
streng dan voor anderen, veeleer het tegendeel. Trouwens, ook deze
trek heeft Ragusa met Venetië gemeen. De jonge edellieden, die op hun
achttiende jaar rechtens in den Grooten Raad zitting mochten nemen,
gedurende drie jaar van dat recht te berooven, omdat zij een vreemde
mode volgen, is zeker bar genoeg.