XV.

Des morgens ten negen uur verliet ik Ragusa, om met een der booten van

Lloyd rechtstreeks naar Cattaro te gaan, waar ik omstreeks half vijf

aankwam. Deze tocht van zeven en een half uur, op een mooien herfstdag,

als de zon iets van haar kracht verloren heeft en men op het dek der

boot blijven kan, is zeker een der aangenaamste, die men zich kan

denken. Het landschap toch, vooral nadat men kaap Ostro is omgevaren,

behoort buiten kijf tot de schoonste der wereld; volgens sommigen,

zou de Bocca di Cattaro vergeefs hare wedergade zoeken.

Naar den naam te oordeelen, zou men meenen dat de Bocca di Cattaro

(Mond van Cattaro) de uitmonding was van eene of andere rivier,

die zich daar in zee stort. Intusschen is juist het omgekeerde het

geval. Wij hebben hier niet te doen met een riviermond, maar met een

inham der zee, met eene gewelddadige opening, die de Aziatische-zee

in de haar omzoomende bergketen gemaakt heeft. Die opening is echter

niet regelmatig en ook niet op eens gemaakt: de golven hebben om zoo

te zeggen langzamerhand den berg ondermijnd en zijn zoo landwaarts

ingedrongen; de zee kronkelt zich om de bergwanden heen, vormt hier

een breed bekken, ginds een nauw kanaal, dat weder naar een nieuwe

baai voert. Elk kanaal, of zoo ge wilt elke engte, die van de eene

waterkom naar de andere voert, draagt den naam van Bocca, en het geheel

heet Bocche di Cattaro, naar de stad van dien naam, aan de binnenste

baai gelegen. De eerste Bocca ligt aan de Adriatische-zee, tusschen

kaap Ostro en de rots Zaniza; de tweede, tusschen de landpunt van

Cobilla en Lustiza; de derde te Combur; de vierde te Santa-Domenica;

de vijfde te Le Cattene, en de zesde te Perzagno. De vaart van den

ingang der Bocca tot Cattaro duurt twee uren. De vijfde zeeëngte is

de smalste van allen; de doorvaart is hier zoo eng ingesloten, dat in

1381, toen koning Lodewijk van Hongarije Cattaro tegen de Venetianen

wilde verdedigen, op dit punt kettingen van de eene rotspunt naar de

andere gespannen werden. Vandaar de naam Le Cattene, de Kettingen.

De stoomboot, die tusschen Ragusa en Cattaro vaart, legt onderweg

slechts vier keer aan: te Castel-Nuovo, te Perasto, te Risano en

eindelijk te Cattaro. Van Gravosa, waar de boot afvaart, tot den ingang

der Bocca, is er niets bijzonders te zien dan alleen Ragusa-Vecchia,

het aloude Epidaurum in Illyrië, even als het andere Epidaurum in den

Peloponnesus beroemd door zijn tempel van Esculaap. De antieke stad

werd in de derde eeuw verwoest; men vindt hier nog enkele inscripties,

brokken van muren, enz. Ragusa-Vecchia heeft tegenwoordig tusschen

de vier- en vijfduizend inwoners. Men vaart verder langs Gilipyri,

Popovichi en Poglizza; dan volgt kaap Ostro en de ingang der Bocca.

Aan den oever der eerste baai ligt, tegen de bergen geleund, de

niet onbelangrijke stad Castel-Nuovo, vroeger een citadel, in 1373

door Tuartko, koning van Bosnië, gesticht. Zij viel in handen der

Genueezen, en werd door hen aan de Spanjaarden overgeleverd, die er

bezetting legden en een tweede citadel bouwden, die nog den naam van

Spagnuolo voert. In 1687 werd de vesting op nieuw door de Venetianen

belegerd; de pâsja van Bosnië verscheen met vierduizend man om de

stad te ontzetten, maar hij werd tot den aftocht gedwongen. Sedert

dien tijd bleef Castel-Nuovo in de macht van Venetië, tot aan den

ondergang der republiek. In 1806 bezetten de Russen met hunne vloot

de geheele Bocca van Cattaro, en hielden die in bezit tot aan den

vrede van Tilsitt, in 1807. Op hen volgden de Franschen tot 1813,

toen Castel-Nuovo door de Engelschen werd bezet. In 1814 kwam de stad,

met geheel Dalmatië, aan de oostenrijksche monarchie, waartoe zij nog

behoort. Castel-Nuovo is de belangrijkste stad van de geheele Bocca;

zij is veel welvarender dan Cattaro, de hoofdstad, en telt, naar

men zegt, omstreeks tienduizend inwoners, die voor de helft tot de

grieksche Kerk behooren. De vestingwerken maken een grootschen indruk;

de natuur is zeer weelderig en de plantengroei overvloedig. Hier kunt

ge uw oogen weer verkwikken aan prachtige boomgroepen, kleine bosschen

schier; sierlijke witte landhuizen en villa's teekenen zich helder

af tegen het donkergroen; maar iets verder houdt eensklaps weer alle

plantengroei op: steil en naakt en ongenaakbaar stijgt de schitterend

witte bergwand omhoog, aan den top met een lichten nevel omsluierd.

Voorbij Castel-Nuovo verheffen zich langs den zoom dezer

schilderachtige waterkommen een aantal dorpjes, weerspiegelende in de

diepe wateren. Op schier iederen heuvel prijkt een kapel of een kerkje

met klokketoren: ge zoudt meenen, op een der italiaansche meren,

op het Lago di Como of het Lago Maggiore, te varen. Toch bevindt

ge u nog altijd op de zee; maar ge verliest de wederzijdsche oevers

niet uit het oog; ge vaart op prachtige meren, aan alle zijden door

hemelhooge bergen omlijst; door eene opeenvolging van wonderschoone

baaien, breed en diep genoeg om eene veilige ligplaats te bieden voor

de vereenigde vloten der gansche wereld.

Aan gene zijde dezer bergen ligt Turkije: links hebben wij Trebinjé,

rechts Grahovo en Montenegro. Eer wij Castel-Nuovo bereikten, zijn wij

reeds den turkschen oever bij Suttorina voorbij gevaren: deze strook

gronds ten zuiden had de republiek van Ragusa, met een soortgelijke

strook ten noorden, aan de Porte afgestaan. Zij was alzoo aan de

landzijde geheel door de turksche bezittingen afgesloten van alle

aanraking met de heerschzuchtige republiek van Sint-Marcus.

Wij varen door de engten van Curbilla, Combur en Santa-Dominica;

nu komen wij in de grootste en regelmatigste kom, die bijna de

gedaante van een circus heeft. Wij verlaten deze baai weder door een

zoo smal kanaal, dat het op de kaarten te nauwernood zichtbaar is;

het schijnt of de beide landtongen elkander zoo dicht naderen dat

zij geen doorgang openlaten: dat zijn de Cattene, de Kettingen,

waar de zeearm slechts een kilometer breed is.

Zoodra ge deze engte zijt doorgevaren, verandert de natuur van

karakter, en wordt minder bekoorlijk: het is reeds niet meer het

vruchtbare, weelderige landschap van Castel-Nuovo. Ter rechterzijde

heeft men Stolivo, met zijn nog boschrijke hoogten en zijn tusschen

het lommer verscholen kerken. Perasto ligt bijna vlak tegenover de

Kettingen, dicht aan den oever, op een landpunt, welke deze baai

van de laatste en zesde, die van Cattaro, scheidt. In deze baai

van Perasto, vlak aan den uitgang der Cattene, liggen twee kleine,

lage eilandjes, het eilandje Sint-George en dat der Madonna van het

Skapulier. Op het eerste eilandje staat een grieksch klooster; op het

andere eene katholieke kapel, aan Onze-Lieve-Vrouwe gewijd en door

den ganschen omtrek beroemd. Deze kapel bevat namelijk eene schilderij

van de Madonna, in byzantijnschen stijl, waarvan de vervaardiging aan

niemand minder dan aan den evangelist Lucas wordt toegeschreven. Naar

de overlevering verhaalt, zou dit heilige beeld, in 1452, door eene

onbekende hand op dit rotsig eilandje zijn neergelegd, en op zekeren

nacht door visschers zijn ontdekt, stralende van bovenaardschen

lichtglans. De visschers namen de schilderij mede, en brachten haar

in statigen optocht naar de kerk van Perasto, waar zij de Madonna

eerbiedig eene plaats aanwezen:--maar zie, den volgenden morgen was de

Madonna, tot aller verbazing, naar haar eiland teruggekeerd. Driemalen

werd zij naar de kerk van Perasto overgevoerd; driemaal keerde zij,

op wonderdadige wijze, naar haar eerste plaats terug. Men erkende

hierin een duidelijken wenk des hemels, en de inwoners van Perasto

bouwden een kapel op de plek, waar het beeld gevonden was; ieder

eigenaar van een vaartuig moest eene lading steenen aanvoeren, en de

kapel van Onze-Lieve-Vrouwe was weldra voltooid. Op den 12den Juli,

den dag waarop de schilderij van Sint-Lucas gevonden werd, stroomen

nog heden een aantal bedevaartgangers van alle kanten naar het eiland;

op de zondagen in Mei en Juni wordt plechtig de herinnering gevierd

der overwinning, in 1654, dank zij de bescherming der Madonna, op de

Turken behaald. Ook op 15den Augustus wordt eene groote processie

gehouden: het heilige beeld wordt dan uit de kapel op het eiland

naar Perasto gebracht. Tot mijn spijt heb ik geen dezer feesten

kunnen bijwonen: bezwaarlijk zal men zich iets schilderachtigers

kunnen denken, dan zulk eene processie van honderden schuiten,

booten en vaartuigen, allen opgevuld met eene feestvierende schare,

in de schitterendste kleederdrachten uitgedost, en liederen zingende

ter eere der Heilige-Maagd. Denk u daarbij de kleurenpracht van deze

half-oostersche natuur, en rondom het heldere water die weergalooze

omlijsting van stoute bergen, zilverwit van kruin, en aan hun voet

bezaaid met bosschages, met villa's, met dorpjes, wier schilderachtige

groepen weerkaatsen in de kabbelende golven!

Aan dezelfde baai, links van Perasto, ligt Rizano, als tusschen de

rotsen verscholen; boven de witte huizen van het pittoreske stadje

verheffen zich de twee onvoltooide torens van eene fraaie kerk. Nu

naderen wij Cattaro. Langzaam vervolgt de boot haar weg door de smalle

kanalen; ter wederzijde, op eene smalle strook gronds aan den voet

der rotsen, verheffen zich bekoorlijke villa's en landhuizen, wier

bijna onafgebroken reeks nu en dan wordt afgewisseld door enkele

belangrijke vlekken: Persagno, geheel langs het strand gebouwd,

Dobrota, Mulla, Verba, en eindelijk Cattaro. Naarmate wij deze laatste

stad, geheel aan het einde der Bocca gelegen, naderen, neemt de natuur

een strenger, woester karakter aan. De weelderige plantengroei langs de

berghellingen houdt geheel op; ge ziet geen andere boomen, dan enkele

rijen, langs den oever geplant; schier loodrecht stijgt de naakte,

wilde rots omhoog: het is een ontzaglijk tafreel, dat de ziel bijna

met schrik vervult.

Cattaro is de hoofdstad van de kreits, die Castel-Nuovo, Cattaro

en Budua omvat, de laatste stad van Dalmatië, aan de grenzen van

Albanië. De geheele kreits telt honderd-vier gemeenten: zij is de

kleinste van de provincie. De afstand tusschen Dobrota en Cattaro

bedraagt niet meer dan anderhalve mijl; de stad ligt tegen den

berg geleund, geheel aan het einde van de Bocca, aan de uiterste

grens der oostenrijksche monarchie. De afstand tusschen de zee en de

montenegrijnsche grens is zoo gering, dat men met een stuk geschut,

op de bergtoppen van Montenegro geplaatst, de schepen in de baai voor

Cattaro zou kunnen beschieten.

De lezer, die zich een juist denkbeeld wil vormen van de zonderlinge

ligging dezer stad, heeft slechts een blik te werpen op de plaat,

bladz. 248. Tusschen de zee en de rotsen ingeklemd, waartegen hare

vestingwerken opklauteren, schijnt het inderdaad of men, om de

noodige ruimte voor de stad te vinden, den berg heeft uitgehouwen

en de huizen tegen de rots aangeplakt. Ge ziet hier eene kerk,

waarvan de voorgevel op een pleintje uitkomt, dat gelijkvloers

met de kaai ligt, maar die geen achtergevel heeft, omdat zij zich

daar in den berg verliest, wiens dreigende rotswanden hoog boven

hare torens hemelwaarts rijzen. Blijkbaar heeft men, niet zeer lang

geleden, eene breede kaai in het water uitgebouwd, om eene geschikte

aanlegplaats te verkrijgen. Op die kaai, vóór den muur der eigenlijke

stad, staan eenige rijen fraaie boomen; dit is de geliefkoosde

wandelplaats, waar altijd drukte en beweging heerscht. Hier komen

ook de stoombooten aan, die dezen verloren uithoek in verbinding

brengen met de buitenwereld. De laatste baai vormt geen circus,

maar een scherpen driehoek; juist aan den top van dien driehoek

ligt Cattaro, dat rechts en links ingesloten is door hooge bergen,

die de zonnestralen onderscheppen. Als de zon op het hoogst staat,

beschijnt zij toch slechts de toppen der rotsen, die zij met purperen

goudglans tooit. Cattaro, vlak tegen de kale rots gebouwd, is in

den zomer ondragelijk heet; er heerscht dan een temperatuur als in

een oven; te beginnen met September, zijn echter de ochtenduren er

zeer aangenaam. Toen ik voor de eerste maal de stad bezocht, was het

October, en reeds waren de bergen hier en daar met sneeuw bedekt; ook

op de helderste dagen scheen de zon niet voor twee uur des namiddags

in de stad; als hare stralen eindelijk in de straten doordrongen en

alles met nieuw leven bezielden, neigde zij reeds spoedig daarop ten

ondergang. Er valt hier zeer veel regen; en daar zich in den berg eeno

soort van bedding voor den afvoer van het water gevormd heeft, is er

aan de linkerzijde der stad een uitgestrekt terrein onbebouwd gebleven,

omdat men daar telkens gevaar loopt voor overstrooming. Indien de

kalkbergen, die Cattaro van de Adriatische-zee scheiden, minder hoog

waren, dan zou het zonlicht vrij in de stad kunnen doordringen en de

nevels verdrijven, die hier nu als in een trechter blijven hangen, en

de geheele toestand zou beter zijn. Niettemin is het klimaat gezond:

de inwoners zijn eenvoudige, ernstige, onverschrokken lieden, onder

wie men zich spoedig op zijn gemak voelt. De haven is zeker een der

uitmuntendste van de geheele wereld, die, wat ruimte en veiligheid

betreft, door geene andere overtroffen wordt: eene gansche vloot zou

zich hier, zonder eenige moeite, kunnen verbergen.

De aanblik der stad aan de zeezijde is zeer uitlokkend; de fraaie,

breede kaai is met boomen beplant en maakt een aangenamen indruk;

daarachter verheft zich de muur, en men gevoelt dat men zich in

eene vesting bevindt, die nog de sporen draagt van de heerschappij

der Venetianen. De stad bestaat uit eene opeenvolging van kleine,

bochtige, kronkelende straten, omzoomd door hooge huizen, waaronder

een aantal winkels. Naarmate ge verder in de stad doordringt, rijst de

berg steiler en meer van nabij boven uw hoofd op; ge gevoelt dat licht

en lucht gaan ontbreken; maar zeer ver kunt ge niet gaan, want dan

houdt de rotswand u tegen. Toch heerscht hier vrij veel leven; in al

de andere steden en vlekken van de Bocca zijn scheepvaart en landbouw

de hoofdbronnen van bestaan, hier is het de nijverheid. Cattaro is de

groote markt en stapelplaats van de geheele golf en van Montenegro,

dat slechts enkele uren verwijderd is en alles wat het noodig heeft van

hier laat komen. De bevolking bedraagt tusschen de vier- en vijfduizend

zielen, waaronder drieduizend Katholieken. Ik zag hier eenige kleine

bekrompen pleintjes, waar de balkons der huizen aan Venetië herinneren:

die machtige, trotsche republiek heeft overal den onuitwischbaren

stempel harer heerschappij ingedrukt. Op sommige openbare gebouwen

ziet ge nog altijd den gevleugelden leeuw, die dreigend zijn klauw

opheft. De gansche stad is door muren omgeven; zij heeft drie poorten,

waarvan twee bij zonsondergang gesloten worden; de derde, de Zeepoort,

die op de kaai uitkomt, een monumentaal gebouw, met wapenschilden en

inscripties versierd, blijft op de dagen van aankomst der stoomboot

tot middernacht geopend.

Omstreeks vier uur in den middag stapte ik te Cattaro af. Ik had een

aanbevelingsbrief bij mij voor den inspecteur van de Lloyd; en ik had

het voorrecht gehad, veertien dagen vroeger, de reis van Sebenico

naar Spalato te maken in gezelschap van den heer Radamanovich,

koopman te Cattaro, en tevens correspondent en agent van den vorst

van Montenegro in die stad. Hij bewees mij, op mijne reis door het

vorstendom, zeer gewichtige diensten.

Er is te Cattaro geen hotel; men neemt zijn intrek bij enkele

partikulieren, die hunne huizen inrichten en meubelen voor de ontvangst

van reizigers. Men bracht mij, langs allerlei bochtige straten, naar

een vrij donkere steeg, en naar de woning van een zeer ordentelijk man,

die mij eene goede kamer aanbood. Sedert ik de boot, had verlaten,

was mij voortdurend een reus gevolgd, in montenegrijnsch kostuum,

met de ruime bruin gestreepte plaid, die tot de uitrusting dezer

bergbewoners behoort, over den rug geworpen. Hij begreep dat ik te

Cattaro was gekomen met het doel om naar Cettinjé te gaan; en daar

hij paarden verhuurde om de reis over de bergen te doen, wilde hij

mij de belofte afpersen, dat ik mij den volgenden morgen tot hem zou

wenden. Ik had veel moeite om dien kerel kwijt te raken; daar ik de

zorg voor de toebereidselen der reis liefst aan den agent van den Vorst

wilde overlaten, liet hij mij eindelijk toch los. Mijn gastheer, een

Italiaan, was een klein, kreupel man, met een zwaren zwarten baard en

lange hairen; hij was zeer op zijn gemak, geheel in het zwart gekleed,

en droeg een breedgeranden hoed op het hoofd. Hij ontving mij als

een oud vriend, vroeg hoe ik de reis gemaakt had, onderzocht naar

allerlei bijzonderheden met goedmoedige vriendelijkheid, en drukte

mij met de grootste hartelijkheid de hand; ik begreep niet waaraan

ik deze vriendschapsbewijzen te danken had.

De agent van Lloyd stelde zich met groote welwillendheid tot mijne

beschikking en zeide mij hoe ik het moest aanleggen, om hier zoo

goed mogelijk te leven. Eene goede restauratie, buiten den muur der

stad, aan de kaai gelegen, is de algemeene vereenigingsplaats van

de reizigers, de officieren van het garnizoen en de oostenrijksche

ambtenaren. Toen ik daar aankwam, was het geheele gezelschap onder

den lommer langs de haven vereenigd; en daar de gouverneur-generaal

van Dalmatië, baron Rodich, met de stoomboot van Zara moest

aankomen, was de halve bevolking naar de kaai gestroomd, om hem

te ontvangen. De vrouwen volgen bijna allen de italiaansche mode;

de mannen onderscheiden zich door niets bijzonders. De officieren

en ambtenaren beschouwen het verblijf te Cattaro als een soort van

ballingschap, en zien steeds met verlangen uit naar de aankomst der

stoomboot, die hun tijding van hunne vrienden en verwanten en van de

buitenwereld brengt.

Den volgenden morgen begaf ik mij naar den bazar of de markt der

Montenegrijnen: een open veld, of liever een soort van steenen vallei,

door het water uitgegraven. De bergbewoners komen daar van Njégosch

en Cettinjé; zij leggen een weg van zeven of acht uren af, beladen met

zware vrachten, over bergen zoo steil, dan het hart u samenkrimpt bij

het gezicht van die arme, schamel gekleede vrouwen, zwoegende onder

haar zwaren last. De markt levert niet veel op: wat aardappelen,

eenige eieren, eenige magere kippen, en vooral takkebossen--ziedaar

alles. Somwijlen brengen de bergbewoners ook schapen ter markt,

die zij voor zich uitdrijven.

De politie houdt streng toezicht op deze markt, die des dinsdags,

donderdags en zaterdags gehouden wordt, en die dikwijls aanleiding

geeft tot twisten en vechtpartijen tusschen de kooplieden en de

stedelingen. De montenegrijnsche vrouwen mogen in Cattaro komen, maar

van de mannen wordt er, om goede redenen, slechts een bepaald aantal

in de stad toegelaten; ook moeten zij bij de poort hunne wapenen

afgeven. Deze Montenegrijnen, die voor een paar franken eenige

takkebossen komen verkoopen, dragen in hun gordel wapenen van zeer

hoogen prijs, die dikwijls hunne gansche bezitting uitmaken.

De stad Cattaro, op de plaats gebouwd waar tijdens de romeinsche

heerschappij Ascrivium stond, heeft in de lotgevallen van geheel

Dalmatië gedeeld; zij is, in meerdere of mindere mate, onderworpen

geweest aan het gezag der koningen van Servië, van Hongarije, van

Bosnië, tot zij eindelijk in de macht kwam van Venetië, dat ondanks

herhaalde pogingen van de Turken om zich van dit punt meester te maken,

Cattaro behield tot aan den ondergang der republiek. In 1806, toen

Dalmatië aan Frankrijk werd afgestaan, maakten de Russen zich meester

van Cattaro, dat zij evenwel bij den vrede van Tilsitt weder moesten

overgeven. In 1813 werd de stad door de Engelschen, onder Sir William

Hoste, aangevallen; zij gingen aan land en richtten, voor de oogen

van den generaal Gauthier, die het onmogelijk achtte geschut tegen

den berg op te voeren, batterijen op, boven de citadel, op de toppen

der rotsen. Na een beleg van tien dagen moest de stad zich overgeven;

het geheele fransche garnizoen werd gevangen genomen. Ten gevolge van

oneenigheden met de Oostenrijkers ontruimden de Engelschen Cattaro,

dat in handen viel van den Vladika van Montenegro, toen niet minder dan

nu begeerig uitziende naar een haven aan zee. Den 14den Juni 1814 moest

hij de stad aan Oostenrijk afstaan, dat haar tot heden behouden heeft.

De Bocchesi of bewoners der Bocca onderscheiden zich van al de bewoners

van Dalmatië door zekere eigenaardigheden; te Zara zal men u, onder

eene menigte volks, zonder aarzelen iemand aanwijzen en zeggen: dat is

een Bocchese. Zij zijn er in geslaagd, van hun land, dat niet meer is

dan eene smalle strook tusschen de rotsen en de zee, een der rijkste

distrikten van Dalmatië te maken, dank zij hun ijver, hun lust voor

handel en scheepvaart, hun overleg en spaarzaamheid. Zij zijn allen

Slaven, ook de kustbewoners, die elders in Istrië en Dalmatië schier

zonder uitzondering van italiaanschen oorsprong zijn. Het juiste cijfer

der bevolking van de Bocca is mij onbekend; voor twintig jaar bedroeg

dit tusschen de vijftien- en twintigduizend zielen; daarvan behoorden

er ruim elfduizend tot de grieksche en de anderen tot de roomsche Kerk.

De Bocchese is van beroep, ik zou zeggen van nature, zeeman; hij is

ondernemend, moedig, van een zeer sterk gestel; het ras zelf is van

opmerkelijke schoonheid. Zeehandel is zijn voornaamste middel van

bestaan; vooral met Venetië, Triëst en de Zwarte-zee wordt een zeer

levendige handel gedreven. Als de Bocchesi volstrekt geen middelen van

zich zelven hebben, verhuren zij zich als matrozen bij een reeder of

gezagvoerder; anders rusten zij voor eigen rekening een klein vaartuig

uit en bezoeken daarmede de naburige havens langs de kust. De zee is

het groote arbeidsveld der Bocchesi: een jaar van stormen richt dan

ook onder de bewoners droevige verwoestingen aan, en somwijlen ziet

ge dorpen, waar de halve bevolking in rouwgewaad is gehuld. Maar

blijven zij in het leven, dan weten zij dikwijls zeer spoedig eene

vrij aanzienlijke fortuin bijeen te brengen. Is dit het geval, dan

keeren zij naar de Bocca terug, verfraaien hunne ouderlijke woning

of bouwen eene nieuwe, waaraan zij, zoo dit eenigszins mogelijk is,

een lapje grond toevoegen, dat zij met enkele olijven beplanten. Zij

zijn in het minst niet ijdel; zij trachten volstrekt niet te schitteren

en hun buren te toonen hoe rijk zij zijn; zij kennen geen weelde voor

zich zelven; ernstig en stil, leven zij rustig in hun eigen kring. Naar

men zegt, hebben sommige rijke Bocchesi in hunne woning exemplaren

der wapenen van alle landen, die zij bezocht hebben. Waarschijnlijk

dankt deze mode haar oorsprong aan de noodzakelijkheid, waarin men

althans vroeger verkeerde, om steeds gereed te zijn tot het afweren

der aanvallen van Turken en Montenegrijnen.

Tusschen Risano en de grenzen van Herzegowina, op eene aanzienlijke

hoogte in de bergen, niet ver van Grahovo, leest men op de kaart den

naam van een dorp, beroemd wegens den krijgshaftigen aard zijner

bewoners: het dorp Krivoscjé, moeilijk te genaken, volgens de wet

aan Oostenrijk behoorende, maar dat, door zijne ligging, feitelijk

onafhankelijk is. Ook deze dorpelingen zijn Bocchesi; maar zij

wonen in de bergen, en hebben dus andere gewoonten en zeden dan de

kustbewoners. De natuur is niet altijd in harmonie met de kunstmatige

verdeelingen en schikkingen der menschen: zij zelve heeft voor de

verschillende landen der aarde natuurlijke grenzen getrokken, en het

karakter van degenen, die aldus, zij het ook slechts door een berg of

eene rivier, gescheiden zijn, kan zeer wezenlijk verschillen. Maar

als de grenslijn geheel willekeurig is getrokken, hoe zou men

dan zoodanig verschil kunnen verwachten? De Krivoscjianen zijn dus

inderdaad Montenegrijnen, niet alleen wat hun voorkomen, hun kostuum,

hunne gewoonten betreft, maar ook met opzicht tot hun onrustigen,

krijgshaftigen aard. Voor den vreemdeling is het uiterst moeilijk,

een bewoner van Krivoscjé van een bewoner van Cettinjé of Rjeka te

onderscheiden.

In 1869 wilde de oostenrijksch-hongaarsche regeering, die Dalmatië

geheel op gelijken voet met de andere gewesten des rijks had gesteld,

ook hare onderdanen van Krivoscjé aan de conscriptie onderwerpen. De

burgerlijke autoriteit ontving de noodige bevelen; zij bleven

onuitgevoerd. De oostenrijksche regeering is allerminst van hardheid te

beschuldigen, maar tegenover verzet is zij onverbiddelijk. Krivoscjé

moest bezet worden; en daar de dorpelingen de soldaten niet wilden

toelaten, moest men tot geweld de toevlucht nemen.

Het verhaal van deze expeditie herinnert aan de schitterende

wapenfeiten der Franschen in Algiers. Drie- tot vierhonderd mannen

hielden gansche regimenten tegen, en dwongen ze, met schrikkelijk

verlies, tot den aftocht, door op de hoofden der soldaten een regen te

doen nederdalen van steenen, die zij aan den rand der rotsen van hunne

enge bergpassen hadden opgestapeld. Gedurende den geheelen veldtocht

verloren de Krivoscjianen slechts elf man, terwijl er drie-en-zeventig

gekwetst werden; daarentegen verloren de Oostenrijkers, alleen

in het gevecht bij Knyesowatz, vijf officieren, waaronder een

majoor. Eindelijk vroeg men te Weenen om nadere instructies, en de

oostenrijksche regeering beval de staking van dezen moorddadigen

strijd, die haar reeds een gansch regiment en een paar millioen

gulden gekost had. Zoo bleven de dorpelingen van Krivoscjé in 't eind

overwinnaars; zij verkregen vrijstelling van den militairen dienst

buiten hunne woonplaats en vermindering van belasting.

Een bijschrift bij een plaat.

Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien. Wat zal ik aan

deze plaat toevoegen? Eene beschrijving van het panorama, door zoo

velen, eeuw aan eeuw, als een der schoonste geroemd, waarop het eens

menschen oog gegeven is te rusten? Maar geene beschrijving kan ooit

van eenig landschap, welk ook, een eenigszins voldoend denkbeeld,

eene eenigermate juiste voorstelling geven aan hem, die het niet

zelf gezien heeft. En te minder is dit mogelijk, waar het landschap

uitmunt door misschien onovertroffen schoonheid; bovenal wanneer,

zoo als hier, deze schoonheid niet zoo zeer het gevolg is van deze

of die treffende, sterk in het oog vallende bijzonderheid, maar veel

meer van de niet onder woorden te brengen harmonie van het geheel,

van den totaal-indruk, dien deze vereeniging en samenstemming van

land en zee, van lucht en kleur en lijn, van hoogte en diepte, op

den aanschouwer maakt. Hij gevoelt dat dit schoon is, maar hoogst

waarschijnlijk zou het hem moeilijk, indien niet onmogelijk zijn,

dien indruk van volkomen schoonheid te ontleden, en te zeggen waarin

deze schoonheid eigenlijk bestaat. Trouwens met alles wat, hetzij in

de natuur, hetzij op het gebied der kunst, inderdaad en in den vollen

zin des woords schoon is, is dit evenzeer het geval. Schoonheid van

lagere orde laat zich, juist omdat zij onvolledig, fragmentarisch,

min of meer toevallig is, ontleden en beschrijven: de hoogste, de

volkomen schoonheid kan alleen worden gevoeld.

Daarom--ook hier geene beschrijving. Laat mij u slechts, als bijschrift

bij de plaat, eene bladzijde mogen voorleggen uit Taine's Voyage en

Italie, waar hij, in de laatste dagen van Februari 1864 te Napels

gekomen, zijn indrukken beschrijft. En moge de lezing dezer bladzijde

u opwekken tot kennismaking met het boek.

"Ik heb een halven dag op de Villa-Reale doorgebracht, eene

wandelplaats, met eiken en altijd groene heesters beplant, vlak

langs het strand. Enkele jonge boomen, doortinteld van licht,

ontplooien hunne kleine, teedere blaadjes en ontvouwen alreede hunne

gele bloesemkelken. Standbeelden, schoone naakte jongelingsfiguren,

Europa op den stier, buigen hun wit marmeren lichamen tusschen het

zachte, wazige groen der planten. Op de grasperken speelt het licht

in breede plekken; slingerplanten kronkelen zich om de zuilen; hier

en daar schittert het levendig purper der jong ontloken bloemen, en de

fijne, fluweelige kelken trillen en wiegelen op de zwoele koelte, die

tusschen de citroenstammen ruischt. Zee en lucht zijn beiden weldadig;

welk een tegenstelling, als ik denk aan de kusten van den Oceaan, aan

onze stranden van Normandië en Gaskonje, door de winden geteisterd,

door de regenvlagen gegeeseld, waar verschrompelde dwergachtige boomen

wegschuilen in de spleten en holten, waar het helm, het korte schrale

gras, zich als huiverend aandringt tegen de naakte hellingen! Hier

onderhoudt en voedt de nabijheid van het water den plantengroei; ge

voelt de frischheid en zachte zwoelte van den ademtocht, die de bloemen

koost en doet ontsluiten. Ge vergeet u zelven en alles om u heen: ge

luistert naar het geritsel der suizende bladeren; ge volgt het spel

hunner schaduwen op het zand. En toch--op zes passen afstands rolt de

zee, met een dof gemurmel, haar breede golven, die, met vlokkig schuim

overdekt, langzaam uit- en wegvloeien over den zandigen oever. De

nevel verdampt onder de zon; tusschen het gebladerte door, bespeurt

ge den Vesuvius en zijne geburen, de gansche bergketen, die in steeds

duidelijker omtrekken te voorschijn treedt. Zij zijn bleek paars van

kleur; en naarmate de dag ter kimme zinkt, wordt dit paars teerder

en zachter. Eindelijk gaat die tint over in de fijnste schakeeringen

van violet; geen bloemkelk kan bekoorlijker zijn; de hemel is geheel

helder geworden, en de stille kalme zee schijnt een meer van azuur.

"Dit tooneel weder te geven is onmogelijk. Lord Byron heeft wel gelijk:

de schoonheid der natuur kan niet op ééne lijn worden gesteld met

die der kunst. Een schilderij blijft altijd beneden de voorstelling,

die men zich daarvan maakt, een landschap staat steeds daarboven. Dit

is schoon: ik weet er niets anders van te zeggen; dit is grootsch en

dit is aantrekkelijk; dit verkwikt en verheugt den geheelen mensch,

de zinnen en het gemoed; ge kunt u niets weelderigers en niets

edelers denken. Waarom zou men zich, met dit tafereel voor oogen,

de moeite geven van te arbeiden en iets voort te brengen? Het is

overtollige moeite, zich een goed ingericht huis te bouwen, of met

groote inspanning die omslachtige inrichtingen tot stand te brengen,

die men eene constitutie of eene kerk noemt; overtollige moeite ook,

de genietingen der ijdelheid en der weelde na te jagen: ge hebt

slechts uwe oogen te openen, rondom u te zien; u te laten leven;

met een enkelen blik omvat ge de schoonste bloem des levens.

"Ik had mij op een bank neergezet; ik zag den avond vallen, de

kleuren en tinten wegsmelten; en het was mij, alsof ik mij in de

Elyseesche velden der oude dichters bevond. De sierlijke bevallige

vormen der boomen teekenden zich af tegen het heldere blauw. De

ontbladerde platanen, de dorre eiken zelfs, schenen te glimlachen. De

verrukkelijke blijde helderheid des hemels, door het fijne weefsel

hunner takken geschakeerd, scheen zich aan de boomen zelven mede

te deelen. Zij schenen niet dood of verstijfd, zooals bij ons, maar

ingesluimerd en, onder de koesterende aanraking dezer warme lucht,

gereed, hunne knoppen te openen, hunne teedere uitspruitsels toe te

vertrouwen aan de naderende lente. Hier en daar flikkerde een ster;

de maan begon haar zilver licht uit te gieten. De standbeelden, nog

blanker dan straks, schenen in die geheimzinnige schemering als met

leven bezield. Groepen jonge vrouwen, wier kleederen zacht op en neder

golfden, schreden geruischloos voort, als zalige schimmen. Het was mij,

als ware ik getuige van het antieke grieksche leven; als kon de stille

harmonie dier slanke vormen en dier gedempte tinten mij voor altijd

bevredigen, als had ik geen behoefte meer aan pracht en gloed van

lijnen en kleuren. Ik hoorde de verzen van Aristophanes reciteeren;

ik zag zijn jongen athleet, kuisch en schoon, naar geen ander genot

verlangende dan, met een lauwerkroon op het hoofd, te mogen wandelen

tusschen de populieren en bloeiende platanen, in gezelschap van een

wijzen vriend van zijn leeftijd. Napels is eene grieksche kolonie, en

elke nieuwe ervaring doet ons steeds beter begrijpen, hoe machtigen

invloed het landschap en het klimaat uitoefenen op den smaak en den

geest van een volk.

"Omstreeks acht uur was het bladstil geworden. De hemel scheen van

lapis-lazuli. Eene koninginne gelijk, straalde de maan alleen te

midden van het matelooze blauw; haar licht trilde op de groote wateren

en goot daarover een breeden mat zilveren stroom uit. Geen woorden

kunnen de bevalligheid, de zachte gratie uitspreken dezer bergen,

in het schemerend violet van hun nachtelijken sluier gehuld.

"Overal schitteren lantaarns; in de open lucht babbelen de menschen

overluid, lachen en eten. Die hemel is op zich zelven een feest!"

Montenegro.

De strijd in het Oosten is ontbrand. Het geduchte oostersche vraagstuk,

waarvoor de europeesche diplomatie in volslagen radeloosheid stilstaat,

waaraan zij geene oplossing weet te geven, eensdeels omdat zij in

moedwillige verblinding den waren aard van het probleem niet wil zien,

anderdeels omdat zij, door bekrompen zelfzucht en nijdigen naijver

bezield, de eenig mogelijke oplossing verwerpt en hardnekkig blijft

streven naar het onbereikbare, blijft reageeren tegen den onafwendbaren

loop der geschiedenis; dat geduchte, zoo veel omvattende oostersche

vraagstuk, telkens en telkens uitgesteld en verschoven--als werd het

daardoor opgelost!--is op nieuw in vollen ernst aan de orde gesteld. De

oorlog is uitgebroken: en dat het zoo ver gekomen is, wijt het in

de eerste plaats aan die regeeringen, die de teekenen der tijden,

het zoo verpletterend duidelijke Mene Mene, opzettelijk miskennende,

iedere afdoende daad, elk krachtig optreden van het beschaafd Europa

stelselmatig hebben belet, en voortdurend zich tevreden gesteld

met woorden en nog eens woorden, als konden woorden de geduchte,

vreeselijke werkelijkheid bezweeren en omscheppen naar willekeur! Zie,

er zijn toestanden, zoo hopeloos verward, zoo door en door verdorven

door jaren- en eeuwenlang verzuim, dat inderdaad geene andere oplossing

dan door het zwaard mogelijk is; dat de oorlog als een weldaad, als

eene uitkomst na martelende onzekerheid en vernederende weifelingen en

radeloos rondtasten in den duister, moet worden begroet. Voor zulk een

toestand staan wij ook hier. Jaren-, ja eeuwenlang heeft het ontwikkeld

Europa zijn heiligen plicht tegenover de christelijke bevolkingen van

het Balkan-schiereiland, schandelijk verzuimd; het heeft toegelaten dat

eene mohammedaansche Tartarenhorde de schoonste en oudste erflanden der

westersche beschaving in bezit nam en moedwillig ten verderve doemde;

het heeft die schande laten voortbestaan, ook toen het voor ieder

duidelijk was geworden, dat de turksche heerschappij veroordeeld was;

toen de ruwe macht tot verderven, zich niet meer naar buiten kunnende

keeren, toch nog steeds met de oude felheid bleef woeden tegen de

weerlooze Christenbevolkingen, zuchtende onder het smadelijkst juk;

toen in 't eind de logge massa van het doode Turkendom loodzwaar

bleef wegen op de schouders van het nieuw ontwakende, worstelende

leven der zoo lang vertrapte en mishandelde grieksche on slavische

stammen. Voorwaar, aan dien toestand moet een einde komen; en onze

volle sympathie is verpand aan die groote mogendheid, die, alleen

werkelijk wetende wat zij wil, getoond heeft den eisch des tijds te

begrijpen, die nu eindelijk het zwaard heeft getrokken tot bevrijding

der Christenen, tot het voorbereiden en mogelijk maken althans van

eene betere toekomst. Zeker willen wij daarmede niet beweeren, dat

ook Rusland, nevens eene grootsche, rechtvaardige, luid uitgesproken

gedachte, geen zelfzuchtige nevenbedoelingen zou kunnen hebben:--aan

wie der andere machten van het zoo jammerlijk uiteengescheurde Europa

komt echter het recht toe, op dien grond vonnis te vellen? Aan Engeland

misschien, welks staatkunde door het meest cynieke eigenbelang,

door het onbeschaamdste en onedelste egoïsme, dat van den gierigen

gouddorst, gedreven en bezield wordt; dat zich zelven alles geoorloofd

rekent, maar niemand vergunt zijn voorbeeld te volgen? Doch dit staat

vast: van alle europeesche mogendheden plaatst Rusland alleen zich,

ten aanzien der oostersche kwestie, op de historische lijn; weigert

Rusland alleen logens en huichelachtigen schijn voor waarheid aan

te nemen; begrijpt Rusland alleen wat de roeping, de plicht en dus

het recht van het beschaafd Europa tegenover Turkije is; handelt

Rusland alleen overeenkomstig dien plicht. Daarom ook brengt het,

telkens de europeesche diplomatie waar zij eigenlijk niet wezen

wil; daarom schrijdt het onophoudelijk voorwaarts naar het eenmaal,

met volle bewustheid, met historische noodzakelijkheid gekozen, en

nimmer uit het oog verloren doel. En indien eindelijk de vrucht van

al dit streven Rusland in den schoot valt; indien het eens verkrijgt

wat het in het algemeen belang van Europa niet mag verkrijgen--aan

wie zal dan de schuld zijn? Is het niet aan hen, die door tijdige

en doeltreffende samenwerking het najagen van louter zelfzuchtige

bedoelingen hadden kunnen verijdelen en eene voor allen bevredigende

oplossing mogelijk maken; maar die, in laffe vreesachtigheid of

kleingeestige jaloezie, er de voorkeur aan hebben gegeven, zich te

onttrekken aan den onafwijsbaren plicht, hun door de geschiedenis op

de schouders gelegd, en voorts hunne hoogste wijsheid hebben gezocht

in het altijd maar op nieuw verschuiven van het ontzaglijk probleem,

dat, eenmaal gesteld, zich niet meer verwijderen laat en waarvan de

oplossing, door ieder uitstel, moeilijker wordt?

Doch het ligt niet in mijne bedoeling, te dezer plaatse over de

oostersche kwestie uit te weiden; al is de verzoeking groot om,

zoo mogelijk, althans eene poging te doen tot het juist stellen

van het probleem, dat, meer of minder opzettelijk, door onwil of

onverstand, telkens zoo zeer verward en verduisterd wordt. Beschouw

de voorafgaande opmerkingen louter als eene toelichting tot de

keuze van het reisverhaal, dat straks volgen zal. Wij voeren onze

lezers naar Montenegro, en wel aan de hand van dienzelfden gids,

den heer Charles Yriarte, met wien wij zoo even Dalmatië tot aan

zijne uiterste grenzen hebben doorkruist. Dit reisverhaal sluit zich

dus onmiddellijk aan het voorafgaande aan: wij trekken rechtstreeks

van Cattaro naar Montenegro. En dat wij juist nu daarheen gaan,

behoeft, in verband met het zoo even in het midden gebrachte, wel

geene nadere rechtvaardiging. Immers ook Montenegro behoort tot het

tooneel des oorlogs; ook daar wordt de groote strijd gestreden; het

onverwonnen heldenvolk, dat eeuwenlang de worsteling tegen de turksche

overmacht heeft volgehouden, is ook nu op de roepstem ten strijde niet

achtergebleven. God zegene zijne wapenen! Al ware het alleen daarom,

verdient dit kleine land thans dubbel onze aandacht en belangstelling,

waarop het, om zijn verleden, ten allen tijde aanspraak heeft. Volgen

wij dus nogmaals den heer Yriarte, dien wij te Cattaro achterlieten

[21].

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 58 / 92 题