Hydra verlatende, wendden wij ons westwaarts, om de golf van
Egina in te stevenen. Deze golf, die tusschen kaap Skyli en kaap
Kolonna of Sunium eene breedte heeft van acht-en-veertig mijlen, is
verreweg de grootste der vele baaien en inhammen langs de oostkust
van Griekenland; zij is als het ware de voortzetting van de golf van
Lepanto, waarvan zij slechts door eene smalle en niet hooge landtong
gescheiden is. Juist in het midden der golf ligt het eiland Egina,
en de prachtige waterkom is verder aan alle zijden omlijst door de
beroemdste streken van het oude Griekenland. Links ligt Argos, rechts
Attika; achter de golf verrijst Korinthe, voorts Megara, Eleusis,
Salamis, overschaduwd door de hooge toppen van den Kitheron. Welke
herinneringen roepen deze enkele namen niet voor den geest!
Wij moesten aan de kust van Argos ophouden, te Poros, waar het rijks
marine-arsenaal is gevestigd, en waar onze boot een gebrek aan de
machine herstellen moest. Het voorkomen der kust was sedert gisteren
geheel veranderd. De bergen waren met groen en hout bedekt, en op
de lagere hellingen trokken gansche bosschen van olijven, oranje-
en citroenboomen het oog.
Na kaap Skyli te zijn omgevaren, bereikt men, door eene nauwe straat,
waarvan de toegang door een versterkt eilandje verdedigd wordt,
de reede van Poros, eene ruime, prachtige baai, door groene bergen
omgeven. De stad Poros heeft niets bijzonders; het arsenaal verkeert
in min of meer vervallen toestand, en op de werven wordt niet gewerkt;
de sommen, ten behoeve der marine op het budget uitgetrokken, zijn
onvoldoende om iets degelijks tot stand te brengen, en bovendien
worden die gelden juist niet altijd gebruikt voor het doel waarvoor
zij bestemd zijn. Echter heeft men in de laatste jaren een droog dok
aangelegd, tot groot gemak voor de vreemde schepen, die anders bij de
minste averij genoodzaakt waren naar Constantinopel of naar Marseille
te gaan.
Tijdens den onafhankelijkheidsoorlog heeft Poros eene belangrijke
rol gespeeld; gedurende eenigen tijd was deze op een eiland gelegen
stad de hoofdstad van den om zijn bestaan worstelenden staat. Te
Poros had, in 1828, de conferentie plaats tusschen de engelsche,
fransche en russische gevolmachtigden, die over het toekomstig lot van
Griekenland moesten beslissen; te Poros stak, in 1831, de admiraal
Miaoulis de grieksche vloot in brand, liever dan te gehoorzamen aan
het bevel van Capo d'Istria, en haar in handen van den russischen
admiraal over te leveren.
Wij steken de golf in hare volle breedte over, en laten het eiland
Egina aan onze linkerhand liggen; uit de verte groet ons de oude
tempel, op een kegelvormigen heuvel gebouwd. Een smetteloos blauwe
hemel, stralende van licht, welfde zich over ons; met vluggen
gang kliefde de boot de donkerblauwe golven. Telkens duidelijker
teekenden zich voor onze starende blikken alle trekken en lijnen van
het wonderschoone landschap, dat zich als eene onmetelijke schilderij
voor onze oogen ontrolde.
Boven eene lage, rossige vlakte verheffen zich twee hooge bergen, en
steken met hunne breede lijnen scherp tegen den helderen hemel af:
dat zijn de Pentelikon, beroemd om zijn schitterend wit marmer, en
de Hymettos, eens rijk aan honig en welriekende bloemen. Tusschen die
beiden, verrijst uit de vlakte een eenzame steile rots, gekroond met de
zuilen van het Parthenon. Rondom die rots scharen zich eenige lagere
hoogten, en achter haar stijgt, in koene majesteit, de Lykabettos
omhoog. Stort over dit onbeschrijfelijk schoon panorama al den gloed,
al de verwen, al de kleurenpracht, al den wondervollen lichtglans uit,
die een zonsondergang in deze oostersche zeeën tooverend scheppen kan,
en misschien zult ge u eenigermate een flauw denkbeeld kunnen maken van
de heerlijkheid van dit tooneel, dat ik niet wagen zal te beschrijven.
Eensklaps verdwijnt dit gansche tafreel achter een vooruitspringend
voorgebergte, en wij varen de haven van den Piraëus binnen, langs
een zware gemetselde paal, die vroeger een der oude leeuwen droeg,
tegenwoordig voor de poort van het arsenaal te Venetië geplaatst. In
de oudheid dienden de beide zuilen, waarop de roode en groene vuren
waren geplaatst, die den nauwen mond der haven aanwezen, tevens tot
bevestiging van een zwaren ijzeren ketting, waarmede in tijd van
oorlog de ingang der haven voor vijandelijke schepen werd afgesloten.
Dat smalle bochtige kanaal daar ginds, ter linkerhand, achter het
eiland Psytalia, kenbaar door zijn vuurtoren, dat is de beroemde reede
van Salamis, ingesloten tusschen het bergachtige eiland van dien naam
en de hooge kust van Attika. Op gindsche vooruitspringende rotspunt
stond de gouden troon van Koning Xerxes, die van deze rotsige hoogte
de nederlaag zijner vloot aanschouwde.
Welke herinneringen knoopen zich aan dien naam van Salamis! En nu,
stelt de werkelijkheid u niet te leur? Ja zelfs, begint ge niet te
twijfelen aan de waarheid der berichten, die omtrent dezen eeuwig
gedenkwaardigen zeeslag tot ons gekomen zijn? In die smalle zeeëngte
zouden nauwelijks tien onzer hedendaagsche oorlogschepen ruimte
kunnen vinden om te manoeuvreeren: en naar men verhaalt, kampten hier
tweeduizend vaartuigen, een ganschen dag lang.
Is het niet zoo, dat wij tot de erkentenis moeten komen, dat de
eigenliefde en nationale trots der grieksche schrijvers, die ons de
heldendaden hunner landgenooten hebben verhaald, zich niet altijd
voor overdrijving heeft weten te wachten? Bij Salamis betoonden
de Grieken nu juist niet zoo grooten ijver om den strijd aan
te binden. Zij aarzelden en bedachten zich vrij lang, eer zij het
durfden wagen de Perzen te lijf te gaan; als naar gewoonte twistten
zij onder elkander, wierpen elkander van boord tot boord scheldwoorden
naar het hoofd, en daagden elkander uit om den aanval te beginnen:
niemand wilde de eerste zijn. De Peloponnesiërs beweerden dat hunne
eigene haardsteden werden bedreigd, en wilden onverwijld vertrekken
om die te verdedigen. Zij waren bevreesd, en zouden ongetwijfeld op de
vlucht gegaan zijn, zoo niet Themistokles de krijgslist verzonnen had,
waardoor ieder misleid werd. Toen er eenmaal geen ontkomen meer aan
was, en de strijd onvermijdelijk was geworden, ja gewis, toen deed
juist de onderlinge naijver den heldenmoed nog te feller ontbranden
en vochten allen als leeuwen. Maar niet zoodra was het gevaar voorbij,
of het oude gekijf begon op nieuw: nu wilde ieder het eerst den aanval
begonnen zijn. Is het ook niet waar, dat den avond voor den slag,
in het grieksche kamp, aan de goden menschenoffers werden gebracht,
en dat de Grieken, zelfs in dezen bloeitijd hunner beschaving,
de gewoonte hadden om hun krijgsgevangenen de duimen af te houwen,
zoo als na den slag van Thespiae gebeurde?
Van de drie oude havens van Athene, Phaleros, die te open lag,
Munychia, die te klein was, en de Piraëus, wordt tegenwoordig
alleen de laatste nog gebruikt. De haven is ruim genoeg, maar slecht
onderhouden; en aan de noordzijde is een vrij uitgestrekt terrein in
een ongezond moeras herschapen, waaronder men nog groote marmeren
zerken vindt, de overblijfsels van den vloer van een voormalig dok
voor do krijgsgaleien. Dit thans geheel aangeslibde dok of bekken ligt
nevens het station van den spoorweg naar Athene, en zou uitstekend
geschikt zijn voor spoorweghaven. Tot dusver is daar echter nog
niets aan gedaan, hoewel het toch niet zoo moeilijk zou vallen dien
modderpoel op te ruimen.
De haven van den Piraëus ligt doorgaans vol met allerlei vreemde
oorlogschepen, waarvan de gezagvoerders zich meestal niet veel
bekommeren om de bevelen van den havenmeester maar ten anker
komen zoo als dat hun het beste bevalt, zeer dikwijls dwars in het
vaarwater. Verschijnt er een pakketboot van honderd en meer ellen
lengte aan den ingang der haven, dan heeft het dikwijls moeite genoeg
in om aanvaring met een of ander zwaar gepantserd russisch of engelsch
fregat te vermijden, dat eenvoudig den doortocht verstopt.
In 1835 bestond de Piraëus uit niet meer dan een tiental ellendige
hutten, langs een moerassig, hoogst ongezond strand verspreid. In
1861, toen ik hier voor de eerste maal aan land stapte, begonnen
ruime pakhuizen en eenige groote fraaie huizen uit den grond te
verrijzen. Er ontstonden straten; zelfs was er reeds eene openbare
wandelplaats aangelegd, die in al de frischheid van het eerste groen
prijkte. Deze verschillende werken dankten voor een groot deel hun
ontstaan aan het fransche bezettingskorps, dat gedurende den Krimoorlog
hier in den Piraëus lag, om het grieksche volk in bedwang te houden;
en het park, waar twee- of driemaal in de week militaire muziek wordt
gemaakt, draagt zelfs den naam van den admiraal Tinan, die het deed
aanleggen. Men moet erkennen, dat de fransche zee-officieren deden
wat in hun vermogen was, om het krenkende en beleedigende van deze
soort van voogdij over een onafhankelijken staat te temperen: eene
voogdij, te grievender omdat zij, hoewel door de toenmalige politiek
der westersche mogendheden geboden, niettemin bepaaldelijk ten doel
had, het grieksche volk tegen te houden in zijn meest wettig streven:
de verlossing zijner broeders, die nog zuchten onder het turksche juk.
De laatste maal, dat ik den Piraëus bezocht, was in 1874, veertig
jaar nadat een vreemde gezant, die des avonds hier was ontscheept,
zich genoodzaakt zag den nacht door te brengen in een loods, waardoor
de wind speelde, en geen glas water kon krijgen om zijn dorst te
lesschen. Ik zou wel wenschen dat zij, die beweeren dat het grieksche
volk geen toekomst heeft, eens eene vergelijking wilden maken tusschen
den Piraëus in 1834 en in 1874; ik houd mij overtuigd dat zij dan
wel gedwongen zouden zijn een minder streng en eenzijdig oordeel over
het jonge koningrijk uit te spreken. Ik geef toe, dat de vooruitgang
nergens duidelijker in het oog valt, dan hier in den Piraëus en in de
beide havensteden Syra en Patras; maar het is toch wel niet mogelijk
dat de zoo belangrijke vooruitgang en ontwikkeling van deze drie steden
geheel zonder invloed zou zijn gebleven op het overige des lands. Dit
zou in strijd zijn met alle regelen der staathuishoudkunde, en ook,
wat vrij wat meer zegt, met de ervaring.
Wie tegenwoordig aan de kaaien van den Piraëus aan wal stapt, wordt
niet enkel getroffen door de handelsdrukte en het levendige verkeer. De
zeer groote uitbreiding en voortdurende vermeerdering der straten en
wijken is het sterkste bewijs voor de toenemende welvaart. Fabrieken,
uit wier hooge schoorsteenen rookwolken opstijgen, doen u denken aan
onze fabrieksteden. Langs de hellingen van den steenachtigcn en vroeger
geheel verlaten heuvel, die de haven van den Piraëus van die van
Munychia scheidt, verrijzen smaakvolle en sierlijk ingerichte woningen
met roode daken en groene zonneblinden. In de nabijheid der haven vindt
men verschillende kerken en eene Beurs, waarvan de bovenverdieping tot
sociëteit voor de kooplieden is ingericht. Sommige buurten, het is zoo,
hebben nog een min of meer aartsvaderlijk voorkomen behouden; maar de
breede straten, die in aanleg zijn, de riolen en andere werken in het
belang der gezondheid, die vol ijver worden ondernomen, de plantsoenen
die worden aangelegd, die allen bewijzen dat de stedelijke regeering
van den Piraëus haar roeping in het belang der gemeente begrijpt,
en daarvoor meer over heeft dan die van Athene.
De bevolking neemt voortdurend toe. In 1835 waren er geen honderd
inwoners; in 1861 bedroeg de bevolking zesduizend-vierhonderd zielen;
in 1870 was dit cijfer tot ruim elfduizend geklommen, en in 1874
tot minstens dertienduizend, waaronder vijf-en-twintig-honderd
werklieden. In de laatste tien jaar zijn er in den Piraëus
verscheidene belangrijke fabrieken opgericht: eene zijdeweverij, zes
katoenspinnerijen, zeven stoommolens, eene fabriek van zoogenaamde
parijsche spijkers, branderijen, meubelfabrieken, eene glasblazerij en
meer anderen. Er zijn thans in het geheel in den Piraëus dertig meer
of min belangrijke industriëele inrichtingen, met een gezamenlijk
stoomvermogen van meer dan tweeduizend paardekrachten. Slechts twee
etablissementen behooren aan vreemden, al de anderen aan Grieken. In
de glasblazerij zijn al de werklieden uit Pruissen afkomstig; de
stoommachines in de fabrieken zijn voor het meerendeel in Frankrijk
vervaardigd.
Nauwelijks hebt ge uw voeten gezet op de witmarmeren trappen van de
aanlegplaats, of aanstonds ziet ge u omgeven door een zwerm ciceroni,
die u het hoofd doen duizelen door hun kosmopolitisch gebabbel en den
ijver, waarmede zij u hunne diensten opdringen. De bewoners van den
Levant, en met name de Grieken, hebben van oudsher eene sterke neiging
gevoeld voor die soort van beroepen en bedrijven, waarbij veel praten
te pas komt. Op de onderste sporten van de maatschappelijke ladder
vindt ge de ciceroni en commissionnairs, indringend, onbeschaamd
en onuitputtelijk in woordenpraal; hooger op, de agenten en tolken
der handels- en bankiershuizen, geslepen, handig en gansch niet
afkeerig van intrige en sluw overleg; en op de bovenste sport, de
drogmans der gezantschappen en consulaten en van de Verhevene Porte,
vol ijver, listig, oneerlijk en meester in de kunst van misleiding
en omkooping, daarbij zeer machtig door den grooten invloed, dien
zij zich doorgaans weten te verwerven. Overal hervindt ge dezelfde
trekken: groote gevatheid en vlugheid des geestes, welbespraaktheid
en gave der overreding, en dit alles bovenal dienstbaar gemaakt aan
de bevordering van het eigen belang.
Dien eigen avond word er in de societeit boven de Beurs een bal
bij inteekening gegeven, waarop ik door een mijner bekenden werd
geïntroduceerd. De zalen waren schitterend verlicht on prachtig
versierd. Er werd ijverig gedanst, ook door de officieren van een in
de haven liggend fransch oorlogschip. Onder de dames, helaas voor
het meerendeel in parijsche kleederdracht, waren er verscheidene,
die de aandacht trokken door hare schoonheid. De heeren waren mede
in europeesch bal-kostuum; hadden niet de rijke welluidende klanken
der muziekale grieksche taal mij van het tegendeel overtuigd,
dan had ik mij gemakkelijk kunnen verbeelden, in eene of andere
fransche provinciestad te zijn. Het orchest was voortreffelijk,
en de ververschingen lieten niets te wenschen over.
Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, ging ik eene
wandeling maken langs de haven; daarna vertrok ik naar Athene.
De weg, die den Piraëus met Athene verbindt, is maar acht mijlen
(kilometer) lang, en voor het grootste gedeelte belommerd. Tusschen
de zilverachtige stammen der slanke virginia-populieren, die den
weg omzoomen, zien wij de toppen van den Parnessos, door de rijzende
zon met een zachten purpergloed overgoten, terwijl de vlakte nog in
blauwachtige schaduw is gehuld. Een groot ongerief van dezen weg is het
fijne, witte kalkachtige stof, dat in dichte wolken omhoog stuift, u
half verstikt en het voorkomen geeft van een molenaarsknecht. Een groot
aantal wagens en karren, met kisten, tonnen, balen, bouwmaterialen
enz. beladen, rijden ons voorbij. Aan onze rechterhand zien wij
tusschen de olijven en wijngaarden een spoorweg, waarlangs zich een
trein met zeer middelmatige snelheid voortbeweegt.
Overeenkomstig eene vaste, overoude gewoonte, houden wij halverwege
stil in een klein koffiehuis, waar wij een glas raki gebruiken. Nu
vertoont zich voor onze oogen het Parthenon, hoog boven de rotsen van
den Pnyx, en duidelijk uitkomende tegen den helderblauwen hemel. Weldra
worden dan ook de witte huizen van Athene zichtbaar, tusschen de
Akropolis en den Lykabettos. Een breede singel, met jonge boompjes,
amsterdamsche boompjes, beplant, die vergaan van het stof, voert ons
naar het hotel van Groot-Brittannië. Uit onze vensters, die uitzien
op het plein der Constitutie en een groot square, met oranjeboomen en
bloeiende heesters beplant, kunnen wij onze blikken laten rusten op de
plompe smakelooze massa van het koninklijk paleis met het aangrenzende
park; vlak tegenover ons verrijst de indrukwekkende rotsburcht van
de Akropolis, met haar onsterfelijke ruïnen.
Wij zijn in Athene.