I.

Wij zaten aan tafel. Er was een vrij talrijk en vroolijk gezelschap

aan boord van de stoomboot; een aangename toon heerschte onder de

passagiers, ondanks--of misschien wel omdat--verschillende en zeer

uiteenloopende nationaliteiten onder ons vertegenwoordigd waren. Een

onzer medereizigers, een Franschman, die veel gereisd had, was

juist bezig ons een zijner avonturen in Nieuw-Caledonië te verhalen,

waarbij hij groot gevaar had geloopen, door de inboorlingen opgegeten

te worden; wij allen en hij zelf het eerst lachten hartelijk om het

fantastisch tooneel, dat hij ons voor de oogen schilderde, toen

plotseling de gezagvoerder binnentrad en ons mededeelde, dat wij de

kust in het gezicht hadden.

Dat moest de kust van Griekenland zijn. In zonderlinge spanning,

spoedde ik mij naar het dek. Vlak bij ons, aan de linkerhand,

zag ik een donker, roodachtig gekleurd voorgebergte, dat loodrecht

uit zee oprees, en door de sterke branding met vlokken schuim werd

overspat; daarachter verhieven zich, amphitheatersgewijze, dorre

naakte heuvelen, en ver op den achtergrond, met het hoofd in de

wolken, een met sneeuw bedekte bergtop. Nergens, in dit sombere,

woeste landschap eenig teeken van leven: geen enkele woning, geen

levend wezen, geen boom, geen grasspriet zelfs: niets dan doodsche

eenvormigheid en verlatenheid. Slechts een kleine brik laveerde met

moeite langs de kust, en deed haar best, om nog voor het vallen van

den avond uit dit vaarwater te komen, waar het, bij den opstekenden

zuidenwind, voor zeilschepen zeer gevaarlijk worden kon.

En dit was Griekenland, het land, waarvan de naam alleen, als een

zoete tooverklank, zoo vele liefelijke herinneringen mijner jeugd

wakker riep! Hoe menigmalen hadden wij niet, aan de akademie, met die

onvergetelijke klassieke herinneringen, met het oude Hellas, gedweept;

hoe menigmalen was niet de vurige wensch in ons opgerezen, dit land

te mogen aanschouwen, dien gewijden bodem te mogen betreden! Nu stond

die wensch voor mij vervuld te worden ... en dit was de eerste indruk!

Echter, laat ons niet te haastig oordeelen. Deze kaap Matapan of

Tenaros, zoo als zij eigenlijk heet, stond van oudsher in een kwaden

roep. Geheel aan de zuiden- en zuidwestenwinden, de heerschende in

de Middellandsche-zee, blootgesteld, werd en wordt zij nog heden met

volle recht door de zeevaarders gevreesd, die groot gevaar loopen om

door de branding tegen de onherbergzame rots geworpen te worden.

Een tempel van Poseidon, rustende op een onderbouw van dat prachtige

roode marmer, dat uitsluitend aan de groep van den Taygetos eigen

schijnt, blikte weleer van deze rotshoogte op de zee neder, als een

waarschuwing en eene vertroosting tevens voor de zeelieden, die daar

beneden met de golven worstelden en uit wier hart zeker menigmalen

eene bede tot den god is opgestegen. Door de werking van wind en

weder is deze tempel langzamerhand geheel gesloopt: tegenwoordig is

er zelfs geen spoor meer van te vinden.

Maar nog andere gevaren dan die der golven plachten hier de zeevaarders

te bedreigen. Als windstilte de schepen aan hunne plaats boeide, of als

zij, door den orkaan van hun zeilen beroofd, machteloos ronddreven op

de onstuimige wateren, dan gebeurde het maar al te vaak, dat vlugge

kapers, plotseling uit kreek en inham te voorschijn schietende als

roofvogels op hun prooi, de schepen overvielen, de bemanning over

den kling joegen en gingen strijken met den buit. Het is nog niet

zoo lang geleden, dat deze wateren van de plaag der zeeschuimers zijn

verlost. Wel had admiraal Paulicci een aantal dezer roovers opgehangen,

maar eerst de krachtige tusschenkomst van de vloten der westersche

mogendheden gedurende den Krimoorlog, maakte voor goed een einde aan

deze kaapvaart, die voor de kustbewoners bijna tot een geoorloofd

bedrijf geworden was.

Aan gene zijde van kaap Matapan opent zich de wijde golf van

Marathonisi, ten noorden door de vallei van Sparta begrensd. Zeker

schrijver, even weinig ervaren in de botanie als in de aardrijkskunde,

heeft den Peloponnesus bij een moerbeziënblad vergeleken. De

vergelijking is zoo onjuist mogelijk. Wilde de man zijn voorbeeld

volstrekt aan het plantenrijk ontleenen, dan kon hij in Griekenland

een boom vinden, die hem de eenig juiste vergelijking aan de hand

zou doen: de plataan. Een plataanblad toch geeft inderdaad vrij wel

den vorm van Morea weer, met zijn drie, naar het zuiden gerichte

voorgebergten, waarvan het middelste de beide anderen in lengte

overtreft. De eerste landpunt, van het westen komende, is die van

Koron, uitloopende in kaap Gallo; daarop volgt het schiereiland Maina,

welks hooge en woeste rotsgebergten afdalen naar kaap Matapan; het

oostelijke voorgebergte eindigt in kaap Malea.

Tegenover deze kaap, eene groote bruine rotsmassa, en slechts door een

zeearm van twaalf mijlen breedte van het vasteland gescheiden, verheft

het eiland Cerigo zijn lage, naakte heuvelen uit de wateren. Deze

zee-engte levert voor de zeilvaartuigen dikwijls groote moeielijkheden

op: als in den Archipel de noordenwind heerscht, zijn zij dikwijls

genoodzaakt het anker uit te werpen aan den ingang der zeeëngte,

in de golf van Marathonisi, en daar geduldig, soms dagen lang, te

wachten tot de wind naar het zuiden of het zuidwesten loopt. Blijft

het slechte weder aanhouden, dan ziet men daar soms meer dan honderd

schepen, vooral grieksche en italiaansche, bijeen. Thans zagen wij

er slechts enkelen, die zwaarmoedig op hunne ankers dobberden.

De zwarte wolken, die wij in haastige vlucht over de bergtoppen

zuidwaarts zagen spoeden, verwittigden ons, dat ook wij, bij het

verlaten der straat, met tegenwinden zouden te kampen hebben. De

moeielijkheden en gevaren, aan dezen waterweg, die de belangrijkste

havens en stations van den Levant verbindt, eigen, hebben al meermalen

naar een middel doen omzien om daarin verbetering te brengen. Het meest

voor de hand lag wel het denkbeeld, om de landengte van Korinthe,

die noordelijk Griekenland met den Peloponnesus verbindt, door te

graven. Op het eerste gezicht schijnt dit plan zich alleszins aan te

bevelen; maar bij nader onderzoek op de plaats zelve, zal het ons

duidelijk worden dat de voordeelen hoegenaamd in geene verhouding

zouden staan tot de moeielijkheid van het werk en het bedrag der

kosten, vooral nu niet, nu de stoomvaart steeds meer en meer de

zeilschepen verdringt.

Het eiland Cerigo, het oude Kythera, dat wij ter rechterhand laten

liggen, is niet veel meer dan een groote, steile, onvruchtbare

rotsmassa. Vroeger behoorde het, met de andere Ionische eilanden,

aan Engeland; door deze steenklomp aan Griekenland af te staan, heeft

Groot-Brittannië niet veel verloren. Eenige witgepleisterde huizen,

met platte daken, aan den voet eener naakte en door de zon geblakerde

rots--ziedaar alles wat thans nog de herinnering bewaart aan het oude

Kythera, wellustiger gedachtenis.

De hoofdplaats van het eiland, het vlek Sint-Nicolaas, heeft geen

haven en geen drinkwater, geen tuinen en geen boomen: ik zou bijna

zeggen ook geen inwoners, indien niet enkele wijngaarden, hier en

daar verspreid, het bewijs leverden dat hier toch inderdaad menschen

wonen. In de valleien en langs de minder steile hellingen, waar eene

dunne laag vruchtbare aarde den steenigen bodem bedekt, wordt een

weinig gerst geteeld en wijn verbouwd; eenige olijvengaarden leveren

de olie, die de bewoners van het eiland voor hun gebruik noodig hebben.

Volgens de officiëele opgave, telt Cerigo eene bevolking

van tienduizend-zeshonderd zielen, verdeeld tusschen

tweeduizend-achthonderd gezinnen, ongeveer even veel huizen

bewonende. De meest bevolkte stad is Potamos, aan de noordoostkust

van het eiland. Scheepvaart en handel behooren tot de voornaamste

bronnen van bestaan.

De nacht was donker en zeer slecht; de zee stond hol; het woei hard,

en geweldige regenvlagen, met half gesmolten sneeuw doormengd, maakten

het verblijf op het dek alles behalve aangenaam. Toch waren wij in het

begin van April, in de valleien van Ionië de maand der rozen; maar zij,

die zich hunne voorstellingen van het Oosten gevormd hebben naar de zoo

vaak schitterende en gloeiende beschrijvingen en zangen der dichters,

waaraan de fantazie meer deel had dan de ervaring, moeten zich op

menige teleurstelling voorbereiden. Toen de dag aanbrak, bleek het

dat wij nog niet verder waren gekomen dan ter hoogte van Monemvasia,

aan de oostkust van den Peloponnesus, op twintig mijlen afstands van

kaap Malea. Daar het weder zich hoe langer hoe dreigender liet aanzien,

besloot de gezagvoerder eene schuilplaats te zoeken in deze kleine,

zeer onvoldoende haven, maar waar men althans eenigermate voor den

noordenwind gedekt is.

Ons oponthoud zou niet langer duren dan volstrekt noodig was: niettemin

kregen wij van den gezagvoerder verlof om aan land te gaan, mits wij

binnen drie uren weer terug waren.

Monemvasia, het oude Malvesia, is een eilandje van drie mijlen in

omtrek, dat aan alle zijden steil uit de golven oprijst. Ten zuiden

heeft zich, aan den voet van dien rotsmuur, een soort van glooiing

gevormd, waar eenige olijven groeien. Eene kleine stad, aan den oever

der zee gebouwd, is met het vasteland verbonden door middel van een

steenen brug, die eene lengte heeft van honderd-vijftig el; aan de

zijde van het eiland, verrijst op die brug een venetiaansche toren,

die blijkbaar tot verdediging dienen moest. Boven de poort is nog de

leeuw van Sint-Marcus uitgehouwen.

Boven op den berg ziet men nog oude middeleeuwsche vestingwerken, die

een zeer schilderachtig effect maken. Die vestingwerken dagteekenen

uit den tijd der Kruistochten, want Monemvasia of Malvesia was een der

belangrijkste vestingen van het vorstendom Achaië, dat de kruisvaarders

in de dertiende eeuw stichtten.

Willem van Villehardouin, de neef van den beroemden kroniekschrijver,

vermeesterde de stad in 1205, met behulp der Venetianen, na een

beleg van drie jaar. De inwoners, die goed van levensmiddelen waren

voorzien, lachten eerst, van hunne hooge sterke muren, de Franschen

uit; maar Villehardouin maakte ernst met zijn beleg, en liet drie of

vier blijden of katapulten aanvoeren, waarmede hij rotsblokken van

meer dan tweehonderd ponden zwaarte op de stad slingerde, die de

huizen vernielden, de verdedigers verpletterden en de muren deden

instorten. Na verloop van drie jaar, toen de inwoners, nadat de

voorraad was opgeteerd, aan het nijpendste gebrek ten prooi waren,

bood de kloeke stad eindelijk hare onderwerping aan. Monemvasia had

in vervolg van tijd nog vier belegeringen door te staan, en viel

driemalen in handen der Venetianen. Het laatste en meest beroemde

beleg is wel dat van 1821.

De meeste Turken van oostelijk Morea, door den griekschen opstand

verrast, hadden destijds de wijk genomen naar deze stad, die nu

door Kantakouzenos, een der krijgsoversten van prins Ypsilanti,

werd belegerd. Na al de Grieken, die zij in hunne macht hadden,

onder de afgrijselijkste martelingen ter dood te hebben gebracht,

zagen de Turken zich eindelijk genoodzaakt hun honger te stillen

met de lijken hunner gevangenen en hunne eigene kinderen. Op hunne

knieën moesten zij in 't eind de genade des overwinnaars afsmeeken,

die hun vergunde naar Klein-Azië te trekken. Deze zegepraal, een der

eersten door de Grieken behaald, wakkerde hun moed aan, en maakte

alom in Europa een diepen indruk.

Onze landing ging alles behalve gemakkelijk. Eenige rotsen, waarover

iedere hooge golf heensloeg, dienden als aanlegplaats; en onze matrozen

hadden al hun behendigheid en de inspanning van al hunne krachten

noodig, om te zorgen dat de sloep niet te pletter gestooten werd.

De wandeling door de stad leverde niets merkwaardigs op. De

huizen hebben voor het meerendeel een zeer armoedig, verwaarloosd

voorkomen; sommigen prijken nog met beeldwerk van venetiaanschen

oorsprong. Eene kleine, half verwoeste kerk, weleer door de Franschen

gebouwd, draagt nog, op een harer muren, het wapenschild der familie

Villehardouin. Voor het beklimmen van den berg ontbrak ons de tijd;

ook was daar niets te zien dan vervallen muren en kudden geiten. De

rots van Monemvasia herinnert, op kleine schaal, aan die van Gibraltar,

en is, even als deze, eene natuurlijke vesting. Maar bij de middelen

van vernieling, waarover de hedendaagsche krijgskunst beschikt, heeft

deze vesting haar belang verloren: zij wordt dan ook niet meer door

den Staat onderhouden. De stad drijft geen noemenswaardigen handel

en ontvolkt zich gedurig meer; tegenwoordig telt zij ter nauwernood

duizend inwoners. De eenmaal zoo beroemde Malvesie-wijn groeit sinds

lang niet meer in den omtrek; indien de heuvelen van het vasteland,

tijdens de venetiaansche heerschappij, inderdaad met wijngaarden

waren beplant, dan zijn die nu al sedert geruimen tijd door steenen

en doornen vervangen. De zoogenoemde Malvezye komt tegenwoordig uit

het eiland Tinos.

Den volgenden morgen was de lucht opgehelderd en konden wij onze reis

naar het noorden hervatten. Ook nu hielden wij altijd de bergachtige,

woeste, naakte kust in het gezicht. Van tijd tot tijd teekende zich

tegen de grauwe, kale rotshellingen een witte streep: dat was de

uitgedroogde bedding van een bergstroom. Somwijlen ook, aan den mond

van een smal dal, verhieven zich, dicht bij den oever, eenige wilde

olijven, wier grijsachtig groen gebladerte eigenaardig paste bij dit

onbeschrijfelijk treurige, sombere landschap. Nergens was een huis,

nergens was een akker of tuin te zien; zelfs geen pad verlevendigde

deze eentonige verlatenheid.

Als wij langs den mond der golf van Nauplia heenvaren, verliezen wij

de kust uit het gezicht; maar weldra duikt zij weder voor ons op, en

straks stoomen wij door de smalle straat tusschen Kastri en het eiland

Hydra, dat zich als een reusachtig zeemonster uit de golven verheft.

De stad van denzelfden naam is zeer schilderachtig gelegen,

aan den oever eener kleine baai, aan drie zijden door de rotsen

ingesloten. Tegen den steilen rotswand op den achtergrond verrijzen,

boven elkander, de groote en fraaie huizen der stad, ten getale van

ruim drieduizend, die met haar platte daken en haar witte muren een

zeer eigenaardigen, verrassenden indruk maken. De smalle straten zijn

als trappen in de rots uitgehouwen.

De geschiedenis van dit plekje gronds is zeer merkwaardig en toont,

in een sterk sprekend voorbeeld, van welke schijnbaar zeer verwijderde

oorzaken de bloei en het verval van steden kunnen afhangen.

Tot in de achttiende eeuw was Hydra eene onbekende en geheel onbewoonde

rots; maar omstreeks 1730 vestigden zich hier eenige albaneesche

uitgewekenen, door de dwingelandij der turksche ambtenaren uit

hun vaderland verdreven. Op deze naakte verlaten rots waren zij

nu wel veilig voor de schraapzucht en afpersingen hunner tyrannen,

maar tevens ontbrak het hun aan elk middel van bestaan. Wil men hier

een tuin aanleggen--een weelde, waaraan toen niemand dacht, maar die

eerst later in zwang kwam;--dan moet de aarde, met groote kosten, op

een afstand van vijf-en-twintig mijlen, uit den Peloponnesus worden

gehaald en naar het eiland gebracht. Water is hier evenmin te vinden;

het regenwater wordt zorgvuldig in groote bakken opgevangen, en is

er geen regen genoeg gevallen, dan moet het drinkwater, in kleine

langwerpige vaatjes, van de kust worden aangevoerd.

Daar hun eiland volstrekt niets opleverde waarvan zij leven konden,

waren de Hydrioten wel gedwongen op zee naar middelen van bestaan om te

zien. Bekwame en stoutmoedige zeevaarders, werden zij in korten tijd de

voornaamste agenten van den geheelen handel in den Levant. Gedurende

de oorlogen der revolutie en van het eerste fransche keizerrijk,

doorkruisten zij, onder de bescherming der neutrale turksche vlag,

de Middellandsche-zee in alle richtingen, in hunne handelsoperatiën

gesteund door de rijke kooplieden van het eiland Chio. In de havens

van westelijk Europa verkochten zij hunne ladingen tegen hooge

prijzen, en kochten voor een spotprijs de artikelen, waarmede men

dikwerf geen weg wist, weder in; zij verbraken de blokkade, tartten de

oorlogschepen, en wisten zich ook in het dreigendste gevaar te redden

met eene onverschrokkenheid, een behendigheid en eene bekwaamheid in

de zeemanskunst, die de bewondering van alle deskundigen opwekten.

Het is niet mogelijk te berekenen, wat in die jaren door het Westen

aan Griekenland werd betaald. Te Hydra werden kolossale fortuinen

gegrondvest; koffers met goud gevuld werden in de kelders dezer

eilanders opgestapeld. De belasting, aan den Sultan verschuldigd,

kweten zij door jaarlijks een zeker aantal matrozen te leveren voor

de keizerlijke vloot. Zij regeerden verder zich zelven, en geen

muzelmansch ambtenaar oefende op het eiland eenig gezag uit. Hydra

was metterdaad eene kleine, onafhankelijke republiek, bestuurd door

haar eigen primaten, die bijna altijd uit dezelfde familiën gekozen

werden. Een raad der oudsten besliste zonder hooger beroep de weinige

rechtsgedingen, die nu en dan mochten voorkomen.

Toch had deze weergalooze voorspoed en de noodwendig daarmede

gepaard gaande weelde de liefde voor het vaderland en de behoefte

aan onafhankelijkheid in de harten der Hydrioten niet uitgedoofd of

verzwakt. Het hun zoo overvloedig toebedeelde goud had het gemoed

dezer kloeke zeevaarders niet verweekelijkt; en toen, in 1821, het

teeken van den griekschen onafhankelijkheidsoorlog gegeven werd, waren

zij de eersten, die met blakende geestdrift voor de heilige zaak der

nationale vrijheid partij kozen. Hun fortuin, hun leven, alles brachten

zij ten offer om den kamp te kunnen volhouden. De familie Kondouriotis

geeft aan Griekenland anderhalf millioen; anderen geven een millioen,

vijfhonderd-, vierhonderdduizend franken; de vrouwen staan haar

juweelen en sieraden af; de matrozen zelfs doen afstand van hun

aandeel in de winst. Al die koopvaardijschepen, die de ottomannische

vlag voerden, worden nu in even zooveel onverschrokken kaapvaarders

herschapen, die de vloot van den Sultan, tot zelfs onder het geschut

der aziatische vestingen, gaan bestoken. Men rust branders uit, die

de turksche matrozen met schrik en verbijstering slaan. Tombazis,

Tzamados, Miaoulis vooral, alle drie Hydrioten, wonnen zich een

onsterfelijken naam door hunne heldendaden, in dezen heiligen krijg,

dien geheel Europa met de grootste belangstelling gadesloeg.

Maar de Hydrioten ruïneerden zich door de met zooveel ijver gebrachte

offers; en de grieksche regeering, die bij herhaling heeft verklaard

dat zij tegenover hen een heiligen plicht had te vervullen, heeft

tot dusver nog niets gedaan om hen schadeloos te stellen voor

de ontzaggelijke verliezen, die zij geleden hebben. Hun handel,

reeds zeer bedreigd door de stichting van Syra, kreeg vooral een

doodelijken slag door de ontwikkeling der stoomvaart. Het eiland

is thans schier ontvolkt; in plaats van veertigduizend, telt

het tegenwoordig nauwelijks zevenduizend inwoners, en dit getal

vermindert nog voortdurend. Sommigen hebben zich te Syra gevestigd;

anderen in den Piraëus, en hebben hunne oude woningen verlaten, die

langzamerhand in puin vallen. Als men tegen de smalle straten der

stad opklautert, ziet men overal hooge huizen, waarvan de gesloten

vensters, de geschonden muren, de ingestorte terrassen, de groote

eenzame voorhuizen, aan Hydra het voorkomen geven van eene verlaten,

gezonken stad en den vreemdeling met weemoed vervullen.

Toch, ondanks dit diep verval, is het vaderland van Miaoulis nog wel

de belangstelling van den vreemdeling waard, al ware het alleen omdat

het grieksche volksleven zich hier op eene zoo hoogst eigenaardige

wijze ontwikkeld heeft, en een karakter vertoont, dat op het punt

staat te verdwijnen en nergens elders wordt wedergevonden.

Men heeft dit eiland, dat achttien mijlen lang en slechts vier mijlen

breed is, meermalen vergeleken met de kiel van een omgekeerd schip;

maar men had de vergelijking nog verder kunnen uitstrekken, want

zoodra ge de kleine haven zijt binnen gevaren, treft u aanstonds

het eigenaardig maritiem karakter van alles wat u omgeeft. Langs de

kaaien hangen, aan ijzeren haken, sloepen en booten, even als aan

boord van een schip; in de rots zijn windassen, hefboomen en andere

werktuigen bevestigd, even als op het dek van een fregat. In ruime

pakhuizen, van ruwe grijze marmerblokken opgetrokken en van smalle

ijzeren deuren voorzien, liggen of lagen vroeger balen en pakken

gerangschikt, als in het ruim van een schip.

Waarheen ge ook uwe oogen wendt, overal ziet ge zeelieden, kenbaar aan

hunne buizen, aan hun wijde broeken, aan hun eigenaardigen slingerenden

gang, vooral ook aan hun door de zon gebruind gelaat, aan hun rustig,

vastberaden voorkomen. Nergens bespeurt ge een rijtuig, zelfs geen

handwagen; ook zijn er geen andere dieren, dan eenige honden. De

straten in de bovenstad zijn als uitgestorven; slechts enkele

malen wordt er eene lage deur geopend, en hoort ge het geruisen van

vrouwen-voetstappen op de steenen. Want ge vindt hier bijna niets

dan vrouwen en kinderen, daar de mannen schier zonder uitzondering

op zee zijn.

Laat ons een dier oude huizen binnengaan, in de rijke dagen van Hydra

gebouwd, en waarvan de fondamenten, in de rots uitgehouwen, meer

gekost hebben dan die der prachtigste paleizen in onze hoofdsteden. De

ruime zalen en vertrekken zijn met marmer geplaveid en met fraaie

smyrnasche tapijten belegd; de vensters zien op zee uit. De muren zijn

witgepleisterd, en laten uit het oogpunt van reinheid niets te wenschen

over. Wij zien geen andere bedienden dan jonge meisjes, knapen, die

nog niet berekend zijn voor den zwaren arbeid huns vaders, of oude

mannen, voor wie het beroep van zeevaarder te zwaar is geworden.

In een afgelegen vertrek vinden wij de vrouwelijke bewoners, de moeder,

de echtgenoote, de dochters van den heer des huizes, bijeen en aan den

arbeid; de oudsten herstellen het linnengoed, de jongeren borduren die

fijne, kunstige, smaakvolle weefsels van zijde met goud doormengd,

die, jammer genoeg! meer en verdrongen worden door de gedrukte

stoffen van Manchester. Zij spreken weinig of niet, en schijnen in

gedachten verzonken. Haar eenzaam, afgezonderd leven heeft aan haar

fraai besneden, bevallig gelaat eene uitdrukking van droefgeestigheid

en stille berusting gegeven. Op het hoofd dragen zij een lichtgelen

zijden doek, met goud geborduurd, die onder de kin wordt saamgevouwen

en het geheele gelaat omlijst, zoodat slechts een smalle hairvlecht op

het voorhoofd zichtbaar is. Een nauwsluitend buisje van rood fluweel,

van voren open, en met nauwe, met goud borduursel versierde mouwen,

wordt onder de borst toegegespt over een fijn batisten hemd. Deze

vrouwen gaan nimmer uit, tenzij om nu en dan een bezoek te brengen

bij hare buren. Waar zouden zij ook heen gaan in dit eiland, waar

geene wandelingen zijn, en waar de wegen en straten meer dan op iets

anders op ladders gelijken?

Buiten de stad is er letterlijk niets te zien. Van alle zijden breken

de golven op loodrechte, ongenaakbare rotswanden, en op de toppen dier

rotsen, waarover onophoudelijk de winden heenstrijken, vinden enkele

kudden geiten een schraal voedsel. Nergens is eene woning te zien,

nergens eenig spoor van bebouwing; volgens de officiëele statistiek,

vindt men op het gansche eiland, dat eene oppervlakte beslaat van

omstreeks negentig vierkante mijlen, niet meer dan tien grondeigenaars

en zeventig herders tegen duizend zeelieden.

Voor wij weder naar boord terugkeerden, wilden wij althans de

voornaamste kerk van Hydra zien, die in Griekenland haars gelijke

niet heeft. Deze kerk, de kathedraal, werd voor omstreeks anderhalve

eeuw gebouwd. Zij is geheel uit wit marmer opgetrokken, en is rijk

versierd met beeldhouwwerk en met fraaie byzantijnsche schilderijen op

gouden grond. Aan het gewelf hangt een reusachtige kroon van massief

zilver, in venetiaanschen smaak bewerkt en met prachtig beeldwerk

versierd. Daarnaast hangt een fraaie kroon van verguld brons, in den

stijl van Lodewijk XIV en prijkende met de koninklijke leliën van

Frankrijk. Naar men zegt, werd deze kroon, tijdens de omwenteling,

uit een der koninklijke kasteelen gestolen en te Marseille door een

koopvaardijkapitein van Hydra gekocht, die bij zijne terugkomst dit

kunstwerk, als een ex-voto aan de Panagia (de Heilige Maagd, letterlijk

de Al-heilige) wijdde. Nevens de kerk, en daarvan afgescheiden, staat

een campanile of klokkentoren, geheel opengewerkt en gebeeldhouwd,

als ware het een reusachtig stuk speelgoed uit ivoor gesneden. De

koepel van dezen wondervollen toren bestaat uit tien open bogen van

wit marmer, waartusschen men den blauwen hemel ziet; de koepel gelijkt

sprekend op eene kroon.

Ik mag het eiland niet verlaten, zonder er aan te herinneren dat Hydra

het vaderland is van een staatsman, die in de diplomatieke wereld van

Europa een welbekenden naam draagt: Demetrius Bulgaris, thans ruim

vijf-en-zeventig jaar oud, en die sedert meer dan vijftig jaar een

zeer werkzaam aandeel heeft genomen aan de politieke geschiedenis van

zijn land. Zijne tegenstanders beschuldigen hem van hartstochtelijke

partijschap en van oneerlijke praktijken en intriges, waaraan hij

meermalen het belang des lands zou hebben ten offer gebracht. Ik

wil zijne politieke loopbaan niet beoordeelen; zeker is het, dat hij

getoond heeft een man van zeldzame geestesgaven te zijn.

Hij is meer dan tienmaal eerste minister geweest; bij de omwenteling

van October 1862, die Koning Otto van den troon stootte, plaatste hij

zich aan het hoofd van het voorloopig bewind; en ondanks zijn hoogen

leeftijd, schijnt zijn ijver en zijn eerzucht nog onverflauwd. Hij

heeft nimmer de nationale kleederdracht willen afleggen; en te midden

der andere ministers en hooge staats-ambtenaren, allen in de vulgaire

moderne liverei uitgedost, maakt deze grijsaard in zijn lang golvend

kleed, met bont omzoomd--het traditioneele kostuum der primaten van

Hydra--eene inderdaad eerbiedwekkende figuur.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 50 / 92 题