's Nachts was de noordenwind opgestoken. Huilend gierde hij
bijwijlen om het huis, floot door de reten der deuren en deed de
vensters klapperen. Hij kwam van de nog met sneeuw bedekte bergen
van Phthiotis, en was zoo ijzig, doordringend koud, dat ik huiverde
onder mijn winterjas. Weldra begon het te regenen, en een grauwe nevel
spreidde zich uit over het prachtige panorama, dat mij den vorigen
dag zoo in verrukking had gebracht, maar nu als uitgewischt was in
doffe grijze tinten. Ai mij! wat was er nu van al die heerlijkheid
geworden? De Hymettos was slechts een zeer alledaagsche, vervelende
heuvel; het Parthenon een vuile steenklomp.
Drie dagen achtereen hadden wij, in het laatst van April, een weer,
als bij ons in December. Niet minder, ik zou haast zeggen nog meer,
dan andere landen, heeft Griekenland zon noodig, om recht begrepen
en gewaardeerd te worden. Die ernstige, strenge lijnen moeten
zich afteekenen tegen den helderen, lichtenden, blauwen hemel,
klaar als kristal; de zon moet haar warmen stralengloed, haar
wondere kleurenpracht uitgieten over die naakte, grijze rotsen
en heuvelklingen, zoo arm aan groen en lommer. Door de grieksche
zon verlicht, is het grieksche landschap, voor wien het verstaat,
wonderschoon; maar wee, als de grauwe nevels en grijze tinten van het
noorden zich uitbreiden over eene natuur, wie het aan alles hapert
wat ook dan nog aan de noordsche landschappen eene eigenaardige
bekoorlijkheid bijzet. De maanden Maart en April zijn hier trouwens,
in den regel, de onaangenaamste van het geheele jaar; het is volstrekt
niets vreemds dat de oranjeboomen in den tuin van het koninklijk
paleis, die in Januari in vollen bloei staan, in April bevriezen
en sterven. Op die doordringende koude volgt dan dikwijls eensklaps
de brandende zomerhitte. Dan is het, of er vuur van den hemel valt;
van 's morgens negen tot 's namiddags vijf uur kunt ge niet op straat
komen, zonder dat de hitte, die van den doorgloeiden grond uitstraalt,
u het gelaat blakert; uwe oogen worden verblind door de weerkaatsing
van het felle licht op de witte muren; een warm fijn stof verdroogt
en schroeit u mond en keel: ge snakt naar adem, en uw hoofd gloeit
en bonst, ondanks de bescherming van uw met blauw gevoerden parasol.
Echter moeten wij billijk zijn en erkennen dat er ook dan nog,
in dit half afrikaansche klimaat, oogenblikken, ja zelfs uren zijn
van onwaardeerbaar genot. Des morgens vroeg, als de zon, in volle
stralenpracht, in den rooskleurigen hemel, achter den top van den
Hymettos opstijgt, terwijl beneden in de vlakte nog de frissche koelte
van den nacht u tegenwuift, en de dauwdroppels nog bevend hangen
aan de trillende bladeren; des avonds, als de vlammende zonneschijf
wegzinkt achter de bergen van den Peloponnesus, die als met vloeiend
vuur zijn overgoten, en het gansche wijde landschap, hemel en aarde en
zee, straalt en schittert in een kleurenpracht, waarvan geen bewoner
van het Noorden zich een denkbeeld maken kan;--dan, ja, ga uit,
zet u neder op een heuveltop, aan den oever der zee, en tracht dan
de onuitsprekelijke schoonheid van het attische land te begrijpen en
te waardeeren.
In de laatste twintig jaar is er eene groote verandering gekomen
in het voorkomen der moderne stad. In 1850 was Athene eigenlijk nog
niet veel meer dan een groot dorp; tegenwoordig is het eene fraaie,
nette, vroolijke stad, met breede straten, singels en boulevards,
met smaakvolle, niet hooge huizen, en liefelijk plantsoen. De in den
gevel gevatte marmeren zuilen, de wit marmeren lijsten om deuren en
vensters, levendig afstekende bij de licht blauwe of rooskleurige
tinten der muren, de blauw geschilderde frontons: dit alles geeft
aan de huizen een eigenaardig, artistiek karakter.
Ieder gezin bewoont doorgaans zijn eigen huis, dat in den regel van
de aangrenzende woningen is afgescheiden door een tuin of eene ruime
plaats, met oranjeboomen, laurieren of thuyas beplant. De kamers zijn
groot, zeer hoog en luchtig. Het ameublement is hoogst eenvoudig en
tot het strikt noodige beperkt; maar deze soberheid past zeer goed
bij het klimaat en de eenvoudige levenswijze.
Des zomers neemt de familie de wijk naar de kelderverdieping, het
hypogeum genoemd, in den rotsgrond uitgehouwen en van genoegzaam
licht voorzien; de temperatuur is hier altijd drie of vier graden
lager dan in het overige gedeelte van het huis.
Elke verbetering of vooruitgang, sedert de laatste jaren, niet
alleen in de hoofdstad, maar ook in het geheele koningrijk tot
stand gebracht, heeft men uitsluitend te danken aan het persoonlijk
initiatief van partikulieren. Als men te weten tracht te komen,
welk aandeel de stedelijke of de landsregeering aan de meeste
verfraaiingen of verbeteringen heeft gehad, dan komt men al spoedig
tot de overtuiging dat dit aandeel niet alleen gelijk nul is, maar
dat zelfs meermalen de ijverige pogingen van partikulieren door de
regeering werden tegengewerkt.
De straten zijn slecht onderhouden, vol spleten en gaten, uitgehold
door de regens, die de aarde medevoeren en groote steenen blootwoelen,
waartegen de rijtuigen stooten en breken. Sommige wegen en straten
zijn volstrekt onbegaanbaar, ten gevolge der kuilen, die toch zoo
gemakkelijk met eenige spaden zand en aarde konden worden gevuld,
maar die het stedelijk bestuur eenvoudig aan hun lot overlaat. In
de fraaiste wijken en op sommige der meest bezochte punten, zijn
de voetpaden zoo ongelijk, dat men, des avonds of des nachts, elk
oogenblik gevaar loopt, armen of beenen te breken op de rotspunten,
die boven de oppervlakte uitsteken; de riolen vallen in en worden
verstopt, den ganschen omtrek verpestende; de waterbuizen barsten,
en eene gansche buurt kan dorst lijden; niet dan na eindelooze moeite
en gehaspel en na weken vertraging, wordt er eindelijk iets gedaan
om verbetering aan te brengen. Zoo men te Athene nooit hoort van
nachtelijke aanvallen of gewelddadige inbraak, dan heeft men die
veiligheid veelmeer te danken aan den aard des volks, dan aan de
zorg en waakzaamheid van eenige slecht gekozen en slecht uitgeruste
policie-agenten.
Maar het partikulier initiatief heeft zich niet bepaald tot de
verbetering en versiering der bijzondere woningen. Er zijn door
partikulieren collegiën gasthuizen, bewaarscholen, gymnasiën,
in menigte gesticht, misschien te veel zelfs; ook geschiede dit
niet altijd uit zuivere vaderlandsliefde of philanthropie, maar
zeer dikwijls uit ijdelheid. Van daar dikwijls een ijver zonder
verstand. Men besteedt aanzienlijke sommen voor de stichting van
eene of andere inrichting van dien aard, zonder te bedenken dat
reeds verscheidene dergelijke etablissementen, als overtollig,
ledig staan. Men wil iets groots, iets dat de aandacht trekt, tot
stand brengen, en zijn naam in gouden letteren voor den gevel zien
prijken. Het nut en de doelmatigheid der zaak zelve komt minder in
aanmerking; men begint te bouwen, zonder de kosten te berekenen, en
aldra ontbreken de noodige middelen om den bouw te voltooien: het dak
blijft ongedekt en de ledige vensteropeningen grijnzen u aan; ofwel,
er is geen geld om in de behoeften der inrichting, hetzij gasthuis
of kweekschool, te voorzien. Het aantal der liefdadige instellingen
en der inrichtingen van onderwijs te Athene zou voldoende zijn voor
eene zesmaal sterker bevolking, dan de stad thans bevat: geen wonder,
dat vele van deze stichtingen onvoltooid blijven of van dag tot
dag vervallen. Niettemin openbaart zich in dezen onverstandigen en
overdreven ijver toch een edel streven, dat, goed geleid en van de
thans heerschende verkeerdheden gezuiverd, zeer veel goeds tot stand
zou kunnen brengen, en voor eene verlichte en vaderlandslievende
regeering van onberekenbaar nut zou kunnen zijn.
Onder deze inrichtingen staat, als de oudste en voornaamste, de
Universiteit boven aan, door vrijwillige giften gesticht, toen de
nieuwe hoofdstad, nog schier een puinhoop, nog geen paleis had om
haar Koning te huisvesten, ja zelfs ter nauwernood betamelijke
woningen voor haar eigen burgers. De Hellenen mogen dan ook wel
trotsch zijn op hunne hoogeschool; en al valt er wel wat af te dingen
op de beweering der Grieken, dat er in geene andere stad van Europa
meer opgewekt geestelijk leven en meer werkzaamheid op intellektuëel
gebied gevonden wordt dan te Athene, zou het toch onbillijk zijn, de
groote belangstelling der Grieken voor alles wat de wetenschappelijke
ontwikkeling betreft en den ernstigen ijver en lust voor studie bij
het jongere geslacht te miskennen.
De Universiteit mag ook inderdaad genoemd worden. Zij telt onder hare
hoogleeraren eenige mannen van onmiskenbaar talent; haar groote gebrek
is de oppervlakkigheid der studie, misschien wel een gevolg van haar
jeugd: het ontbreekt haar nog aan eene degelijke wetenschappelijke
traditie. En dit kan niet wel anders: de jonge Universiteit van Athene
is de eenige inrichting voor hooger onderwijs, die in geheel het Oosten
te vinden is. Deze omstandigheid draagt trouwens niet weinig bij tot
haar roem en haar beteekenis. Telken jare komen meer dan twaalfhonderd
jongelieden, waarvan ruim de helft in het ottomannische rijk te huis
behoort, naar Athene, om hetzij in de rechten of in de medicijnen,
hetzij in de letteren, de exacte wetenschappen of de theologie
te studeeren. Na verloop van drie, vier of vijf jaar, keeren die
jongelieden naar hunne haardsteden terug, en worden op hun beurt
de dragers en de ijverige apostelen van beschaving en vooruitgang,
maar vooral ook van den helleenschen geest. Er zijn weinig steden
in Turkije, waar ge niet althans een geneesheer, een onderwijzer en
ettelijke advokaten vindt, die hunne opleiding te Athene ontvingen.
De invloed der Universiteit op de intellektuëele ontwikkeling en op
geheel de denkwijze der bevolkingen van het Oosten zou ongetwijfeld
nog veel sterker zijn, indien niet Griekenland zelf, maar al te vaak,
door het treurige schouwspel van innerlijke verdeeldheid, partijschap
en anarchie, zijn trouwste vrienden, ja zijn eigen kinderen, van
zich vervreemdde. Kon het zich zelven beter beheerschen, dan zou het,
juist door den intellektuëelen invloed zijner hoogere beschaving, eene
macht uitoefenen, die de tot dusver nog van het moederland gescheiden,
maar door bevolking en historie daartoe behoorende gewesten veel
spoediger en zekerder met Hellas verbinden en vereenigen zou, dan
de onbezonnen militaire demonstratiën, die nu en dan op touw worden
gezet, dit immer vermogen. Zeker zou dit ook het beste middel zijn
om zich de sympathie en de achting van geheel Europa te verzekeren.
Toen de oude Kolokotroni de fondamenten van het Universiteitsgebouw
boven den grond zag verrijzen, sprak hij deze beteekenisvolle woorden:
"Ziedaar een paleis, dat somwijlen het paleis des Konings in den
weg zal staan; maar dit zal Turkije verslinden, en meer voor het
vaderland doen, dan wij, onwetende Klephten, immer met onze karabijnen
doen konden."
De hoogeschool heeft tot dusver Turkije nog niet veroverd; maar wel
is zij, reeds meermalen, een bron van moeite en last geweest voor de
regeering van Griekenland zelf.
Als alle studenten aan alle plaatsen en van alle tijden, zijn ook de
studenten van Athene onrustig en revolutionnair van nature, altijd
vijandig gezind jegens het gezag, en steeds gereed om, op de eerste
oproeping van de leden der oppositie, een opstandje te organiseeren,
de ministers uit te fluiten, en met groot rumoer bij troepen door
de straten te trekken, om echter dadelijk bij de verschijning der
gendarmen uiteen te gaan. Opgestookt en aangevuurd door de radikale
raddraaiers, door het volk gesteund, had het meermalen al den schijn
of zij inderdaad de regeering naar goedvinden konden omverwerpen;
en deze dwaze waan heeft er niet weinig toe bijgedragen om bij de
studenten dien verderfelijken hartstocht voor de politiek aan te
wakkeren, die over het algemeen de vloek is van hun volk, en voor
hen bovendien de grootste belemmering op den weg van ernstige studie.
Onder deze jongelieden zijn er dan ook zeer velen, voor wie de studie
niets anders is dan het middel of het voorwendsel, om naderhand
in hunne provincie eene politieke rol te kunnen spelen; en om dit
doel te bereiken getroosten sommigen zich de grootste ontberingen:
zij verhuren zich als huis- of winkelbedienden, slechts eenige
uren per dag vrijhoudende om de colleges te kunnen bijwonen, en des
nachts werkende, maanden lang van water en brood levende, ten einde
de noodige boeken voor hunne studie te kunnen koopen. Vele van die
studenten zijn zonen van arme grieksche landlieden uit de verwijderdste
provinciën van Turkije; van alle hulpmiddelen ontbloot, worden zij
door dit brandpunt van intellektuëele ontwikkeling aangetrokken als
de muggen door de kaars; om slechts naar Athene te komen, verhuren
zij zich als muilezeldrijvers of matrozen; daar, in de hoofdstad,
kunt gij hen ontmoeten, slecht gekleed, armoedig, uitgehongerd,
ondanks de spreekwoordelijke matigheid van hun volk.
Zij, die over ruimer middelen kunnen beschikken en werkelijk liefde
koesteren voor degelijke studie, blijven niet te Athene: zij gaan naar
het Westen, om daar rechtstreeks aan de bronnen zelven de wetenschap
te beoefenen; en zoowel in Griekenland als in Turkije, onderscheiden
zij, die de hoogescholen van Frankrijk, Engeland of Duitschland hebben
bezocht, zich door hunne echt wetenschappelijke vorming en grootere
bekwaamheid boven hunne minder begunstigde landgenooten. Het ware
wel te wenschen, dat nog meer studenten en begaafde jongelieden in
het Westen hunne opleiding ontvingen; en de regeering zou een goed
werk doen, indien zij hen, wier middelen dit niet veroorloven, door
geldelijke ondersteuning te hulp kwam. Dit zou voor Griekenland een
dubbel voordeel opleveren. Die jongelieden zouden niet alleen rijker
aan kennis en wetenschap in hun land terugkeeren, maar zij zouden ook,
door rechtstreeksche persoonlijke waarneming, de maatschappelijke
en ekonomische wetten hebben leeren kennen, van welker naleving de
voorspoed en ontwikkeling van elk land, groot of klein, afhankelijk
is. Hun gezichtskring zou uitgebreid, hun ervaring verrijkt, hun geest
van menig vooroordeel bevrijd worden. Aan den anderen kant zouden
deze jongelieden aan Europa kunnen toonen, dat de Grieken niet enkel,
zoo als hunne vijanden beweeren, politieke warhoofden en intriganten,
wispelturige rumoermakers en half onbeschaafde wilden zijn, maar
dat er integendeel in dat volk groote en edele krachten sluimeren,
die waarborgen kunnen zijn voor eene betere toekomst.
Onder de andere inrichtingen, door de partikuliere liefdadigheid
gesticht en in bloeienden toestand verkeerende, vermelden wij in
de eerste plaats het Arsakion, eene inrichting van onderwijs voor
meisjes. Aanstonds na hunne politieke vrijmaking, hebben de Grieken
begrepen, dat er van werkelijke moreele emancipatie geen sprake
kon zijn, zoolang zij niet voor goed hadden gebroken met de oude
oostersche traditie, die ook de christelijke vrouw tot onwetendheid
en afzondering van de buitenwereld veroordeelde. In de eerste plaats
kwam het er op aan, in de samenleving en in de maatschappij aan de
vrouw den rang te hergeven, die haar toekomt, en waarop zij zich
alleen door onderwijs en ontwikkeling behoorlijk handhaven kan.
In alle steden werden mitsdien meisjesscholen opgericht; maar
weldra gevoelde men behoefte aan eene bijzondere inrichting, waar de
aanstaande onderwijzeressen hare opleiding zouden kunnen ontvangen. Met
behulp van giften, legaten, geldelijke ondersteuning en tegemoetkoming
van allerlei aard, heeft men het groote, reeds in 1835 aangevangen
gebouw geheel kunnen voltooien, beurzen kunnen stichten, leerlingen
plaatsen: in één woord, een soort van groote normaalschool kunnen
inrichten, waar negenhonderd jonge meisjes haar opleiding ontvangen
en haar studiën voltooien onder de leiding van de hoogleeraren der
Universiteit. Dit is het Arsakion.
Het Varvakion (door den heer Varvakis gesticht) is een lyceum
voor knapen, en tegelijk het merkwaardigste museum van de geheele
stad. Het Bizarion (gesticht en begiftigd door den heer Bizaris)
is een seminarie voor theologische studiën.
De ambachts- en handwerkschool voor weezen, eene stichting van
de familie Hadji-Kostas, het opvoedingsgesticht voor ouderlooze
meisjes, het gesticht voor ooglijders, een allersierlijkst gebouw in
byzantijnschen stijl, zijn allen door partikulieren uit eigen middelen
in het leven geroepen. Het fraaie observatorium op den Nymphenheuvel
en het prachtige marmeren gebouw, nevens de Universiteit, dat tot
Akademie moet dienen, zijn stichtingen van baron Sina.
Een groot gebouw, op kosten van den heer Bernardakis opgericht,
om tot bewaarplaats van antiquiteiten te dienen, is tot dusver nog
onvoltooid. Hetzelfde is het geval met eene polytechnische school,
door den heer Hournaris gesticht; sedert jaren staat zij verlaten;
om haar te voltooien, zou stellig meer dan een millioen noodig zijn.
In 1873 heeft men den eersten steen gelegd van een paleis, bestemd
voor de nationale tentoonstellingen (Olympiën), die alle vier jaar
gehouden zullen worden. Dit gebouw zal den naam dragen van Zapion,
naar den rijken griekschen bankier, te Odessa gevestigd, die bij
legaat de noodige gelden voor de stichting geschonken heeft. Zal ook
dit gebouw, als zoo vele andere, onvoltooid blijven?
Aan een der voornaamste singels staat een zeer ruim gebouw, tot
weeshuis bestemd, en waarin hoogstens acht of tien kinderen zijn
opgenomen. Niettemin was men juist bezig, vlak daartegenover, de
laatste hand te leggen aan een niet minder kolossaal gebouw, tot
hetzelfde doel bestemd. Nu zou het toch wel zoo verstandig en eenvoudig
zijn geweest, indien de milde gever aan het bestaande gesticht de
aanzienlijke som geschonken had, waarop dit nieuwe paleis hem zal
te staan komen. Waarschijnlijk zou men hem ook de voldoening niet
geweigerd hebben, van zijn naam, in groote gouden letters, aan den
gevel te zien prijken, versierd met het traditioneele on.
Wie zich overtuigen wil, hoe bitter weinig de elkander zoo snel
opvolgende ministeriën zich bekommeren over zaken, die met de
politiek niets te maken hebben, heeft slechts een bezoek te brengen
aan de verschillende lokalen, waarin de opgedolven overblijfselen
der oudheid worden bewaard. De fragmenten van standbeelden, de
opschriften, de basreliefs, zijn zonder een schijn van orde, op en
over elkander gestapeld in tempels, op binnenplaatsen, op openbare
pleinen, blootgesteld aan al de wisselvalligheden van het weder en met
stof en vuiligheid bedekt. Uit niets blijkt, van waar zij afkomstig
zijn, noch waartoe zij eigenlijk behooren. Overblijfselen, die voor
de archeologische wetenschap van het hoogste gewicht konden zijn,
indien men slechts wist tot welk monument of tot welk tijdvak zij
behooren, of ook maar waar zij gevonden werden, zijn nu niet veel
meer dan karakterloze brokken steen, ten gevolge der onverschoonlijke
slordigheid, waarmede men bij de ontdekking is te werk gegaan. Een
groote grafsteen, onlangs nabij den Ilyssus ontdekt, en die tot de
schoonste voortbrengselen der grieksche kunst behoort, waardig genoemd
te worden na de beeldwerken van het Parthenon en de Venus van Milo,
is eenvoudig uit de hand gezet op een slecht afgesloten terrein van den
weg van Patissia, nabij de in aanbouw zijnde Akademie. In den duisteren
kleinen tempel van Theseus zijn standbeelden weggestopt, waarvan het
hoofd in het Varvakion, en de armen in het museum van de Akropolis
berusten; en ge moet u niet al te zeer ergeren, als ge metopen het
onderste boven ziet staan. Voor den kunstenaar of den geleerde zijn
dergelijke verzamelingen niet alleen eene ergernis, maar bovendien
een warboel zonder waarde; en zelfs de gewone toerist kan daarin
niets vinden, wat zijne belangstelling zou kunnen wekken. Wat mij
steeds ten zeerste verwonderd heeft, is, dat dit volk, zoo uitermate
trotsch op zijn verleden en zoo hoogelijk met zich zelven ingenomen,
nog niet op de gedachte is gekomen om deze kostbare overblijfselen
van een schitterenden bloeitijd, behoorlijk gerangschikt, in één
waardig en doelmatig ingericht gebouw bijeen te brengen.
Inderdaad, zulk een bewijs dat het hedendaagsche grieksche volk nog
niet geheel van den kunstzin zijner voorvaderen is ontaard, zou niet
overtollig wezen. Immers, men zou nu dikwijls zeer geneigd zijn,
het tegendeel te gelooven: want zelfs de oude monumenten heeft men
niet gespaard. De tempel van Theseus, door een rood geverwde houten
balustrade omringd en door grasperken, waarop de trommelslagers en
trompetters van het garnizoen zich oefenen, heeft tegenwoordig veel
weg van een douanenkantoor. Deze kleine, maar door de harmonie zijner
deelen zoo uitnemend schoone tempel maakte vroeger, toen hij eenzaam
en verlaten daar stond, een grootschen, aangrijpenden indruk. Nu
heeft hij bijna alle bekoorlijkheid, alle poëzie verloren.
Naar het scheen, moest althans de Akropolis, door haar ligging zelve,
voor dergelijke schennis beveiligd zijn; maar zij, die bovenal
geroepen zijn haar te eerbiedigen, aan wie de zorg voor haar behoud
is toevertrouwd, gaan dagelijks voort met haar te bederven en van
haar eigenaardige schoonheid te berooven. Al de aarde en het puin
namelijk, uit de opdelvingen rondom het Parthenon afkomstig, wordt
eenvoudig over den rand der muren weggegooid. Het gevolg daarvan is
natuurlijk, vooreerst dat de muren worden beschadigd, maar vooral--en
dit is nog erger--dat er langzamerhand rondom de rots groote aardhoopen
gevormd worden, die haar eigenlijke gestalte misvormen en onzichtbaar
maken. Deze wonderschoone piedestal, met zijn kantige, sobere en
scherp geteekende lijnen, die de bewondering opwekte van allen, die
Athene bezochten, zal, als men zoo voortgaat, na verloop van eenige
jaren, in een wanstaltigen aardheuvel herschapen zijn. De portieken
van Eumenes, die men zoo gemakkelijk had kunnen ontblooten, zullen
verdwijnen en onder dit opgestapeld puin verbrijzeld worden. Een
weinigje kunstzin zou toch, naar het schijnt, voldoende zijn geweest
ons van deze barbaarsche handelwijze terug te houden.
Eerst als ge u op de Akropolis zelve bevindt, en u nederzet aan
den voet der Propylaeën of van het Parthenon, gevoelt ge de oude
helleensche wereld, in al haar ongeëvenaarde schoonheid, in al haar
soberen en zinrijken rijkdom, weer rondom u verrijzen.
Op dien naakten, rossigen rotsburcht, waar het gerucht der bezige stad
verstomt, waar ge niets hoort dan de scherpe kreten der roofvogels
hoog in de lucht, waar ge niets ziet dan den stralenden gloeienden
hemel en de violetkleurige toppen van den Hymettos en den Pentelikon;
tegenover die zwijgende marmeren kolommen, die uit den grond schijnen
op te rijzen, te midden van die diepe stilte en volstrekte eenzaamheid,
gevoelt ge u zelven geheel vermeesterd en doordrongen van een groote,
rustige kalmte. Al die wanklanken, die u ontstemd en geërgerd hebben,
zijn verdwenen en hebben zich opgelost in verhevene harmonie. De
ruïnen, die ge hier om u ziet, zijn het werk der barbaarschheid en niet
van den wansmaak. De soldaten van den aga Yoesoef beseften niets van
de waarde dezer muren, die zij aan de vlammen prijs gaven; de bommen
van Morosini vernielden zonder opzet of bijgedachte; lord Elgin,
van allen het minst te verontschuldigen, werd ten minste nog door een
zucht tot behoud gedreven, toen hij de marmersteenen stuksloeg en de
triglyphen schond. Bovendien doen deze verwoestingen geen merkbare
afbreuk aan den algemeenen indruk, dien deze onsterfelijke ruïnen op
den aanschouwer maken, terwijl de onverantwoordelijke handelingen van
de moderne bewaarders en herstellers der oude monumenten wel degelijk
het genot bederven. [19]
Als ge uw blikken van de ruïnen afwendt om het panorama rondom u te
overzien, dan zult ge een niet minder eigenaardigen indruk ontvangen.
De epitheta van bekoorlijk, mooi, bevallig, verrukkelijk, die ge
met volle recht op de landschappen van Ionië en de oevers van den
Bosporus kunt toepassen, gelden niet van Griekenland, en vooral
niet van Attika. Harer is eene schoonheid, die niet op het eerste
gezicht, die niet door iedereen gevoeld en begrepen wordt: eene
schoonheid, wier elementen zijn: het licht, de lijnen, de vorm,
de kleur der bergen. Aan uwe voeten ziet ge niets dan eene naakte
en dorre vlakte. Van oudsher was Attika een weinig vruchtbaar land:
Strabo noemt het een ondankbaren grond, Pindarus dor, Thucydides
onvruchtbaar, Homerus steenachtig en rotsachtig. Deze onvruchtbaarheid
is het noodwendig gevolg van de geologische vorming des lands en de
vele marmerrotsen, die men er aantreft. Overal waar die rotsen de
overhand hebben, is de plantengroei zeer schraal. Deze harde kalksteen
wordt niet dan uiterst langzaam door de werking van lucht en licht
en vochtigheid ontbonden; de dunne aardlaag, die zich mettertijd
langzamerhand gevormd heeft, wordt op de steile hellingen weer
weggespoeld door het regenwater, dat door niets in zijn loop wordt
tegengehouden. Die groote marmerwanden weerkaatsen met verblindende
felheid de zonnestralen en worden in den zomer gloeiend heet; de
weinige planten, die in de lente ontloken zijn, verdorren dan en
sterven; een felle wind, door geen bosschen of boomen getemperd, waait
verwoestend en verschroeiend over de vlakte en doet daar de planten
verkwijnen. Het regenwater loopt over de naakte steenen weg, zonder
op de hoogten door struikgewas of wat ook te worden tegengehouden,
om vervolgens als levenwekkende, vruchtbaarheid verspreidende bron of
beek naar de vlakte af te dalen; het graaft nu slechts sporen in de
heuvelen en maakt de aarde veeleer nog onvruchtbaarder door de kalk-
en zoutdeelen, waarmede het bezwangerd is. Droogten van zes en acht
maanden maken bijna iedere kultuur onmogelijk, voor 't minst buiten
den smallen zoom, die door het water van het zeer kleine rivierke
de Kephissos gedrenkt kan worden; dit water, dat met de grootste
zuinigheid wordt verdeeld, ontbreekt vaak in den zomer geheel, en
de terreinen, die voor bebouwing geschikt zijn en vruchten konden
voortbrengen, blijven dor en onvruchtbaar, zoodra dit onmisbaar
element wordt gemist.
De bekoorlijkheid, de schoonheid van dit zonderlinge land moet ge dus
niet zoeken in de afwisseling der natuurtafereelen, in de weelderigheid
van een rijken plantengroei, in de malsche schakeeringen van het
frissche sappige groen, in de betoovering van ruischende bosschen en
murmelende wateren, in al datgene wat gewoonlijk tot de onontbeerlijke
vereischten van eene schoone natuur gerekend wordt. Neen, zij ligt
uitsluitend in die wisseling van zuivere, sierlijke, sobere lijnen,
in die opeenvolging van verschillend gekleurde en getinte bergen,
in dien warmen kleurengloed, in die kristallen klaarheid van den
dampkring, in dat wondervol geheel, streng zonder eentonig te zijn,
vol grootheid en stijl, in die onbeschrijfelijke harmonie, die haar
hoogste uitdrukking vond in den schoonheidszin van dit zoo zeldzaam
begunstigde volk.
Ter linkerhand, aan gene zijde der vlakte, die zij van het westen
naar het oosten omlijst, trekt de keten van den Parnessos tegen den
helderen hemel haar fijne omtrekken, in het midden afgebroken door
den loodrechten rotskegel van Philé, dien de oude dichters bij een
wagen vergeleken. Ter rechterhand verrijst de Hymettos, schijnbaar in
de onmiddellijke nabijheid, dank zij de weergalooze doorschijnende
helderheid der lucht. Op den achtergrond, achter de scherpe rotsen
van den Lykabettos, verheft zich, midden uit de vallei, de eenzame
Pentelikon, wiens eigenaardige gestalte een zoo sprekend karakter
geeft aan het attische landschap; donkerpaars gekleurd, teekent hij
zich met zoo scherpe duidelijkheid af, dat ge van hier de gapende
marmergroeven kunt onderkennen, waaruit Perikles de zuilen van het
Parthenon liet houwen.
Als ge u boven op de trappen van dezen tempel plaatst en u naar
het westen wendt, dan breidt zich een panorama voor u uit, dat in
schoonheid door weinige overtroffen wordt. Op den achtergrond, in een
lichten zilveren nevel gehuld, de bergen van Argos, de Akro-Korinthe,
het schiereiland Methana, de noordelijke landpunt van het eiland Hydra;
links de zee, de zee met haar onbeschrijfelijke kleurenmengeling
in alle overgangen van fluweelig blauw; ginds, aan den uitersten
gezichtseinder, eilanden, badende in een doorschijnenden glans van
purperkleurig licht: Sint-George, Therma, Serpho, Milo; meer op den
voorgrond, het eiland Egina met de hooge bergspits van Sint-Elias;
dan de steile rotsen van het eiland Salamis, en tusschen die beiden
eene groep van kleine eilandjes, hier en daar verspreid, als een vloot
voor anker. Nog dichter bij, de bochtige kust met haar inhammen en
voorgebergten, en de havens van Phaleros, van Munychia en van den
Piraëus, en de baai van Salamis.
Als ge over dit weergaloos panorama uwe blikken dwalen laat, dan kunt
ge eenigszins begrijpen, welken invloed de eigenaardige gesteldheid
des lands op het karakter en de nationale ontwikkeling der Grieken
hebben moest.
Die talrijke eilanden, als zoo vele rustpunten en handelskantoren over
de wateren gestrooid; die kustenlijn, telkens afgebroken door baaien
en inhammen, die diep in het land indringen en het binnenland voor de
schepen openen: moest deze gedaante van hun land, niet als van zelf bij
de Grieken de lust doen ontwaken voor scheepvaart en handel, bovendien
zoo geheel passende bij hun levendigen, bewegelijken aard? Lokkend en
noodigend omspoelde de heerlijke zee overal hunne kusten; wat wonder,
dat zij die noodiging volgden, zich met hunne vlugge schepen aan de
blauwe golven vertrouwden, en zich lieten voeren naar verwijderde
stranden, waar nieuwe avonturen hen wachtten?
Het was trouwens niet enkel eer- en heerschzucht, het was ook de
noodzakelijkheid, die met name bij de Atheners den zin voor avonturen
en verre ondernemingen ontwikkelde. Door hun uitgebreiden handel
en hunne zee-oorlogen werden zij, in korten tijd, de beheerschers
van Griekenland en van de Middellandsche-zee. Tijdens haar bloei,
was Athene de eerste zeemogendheid der toenmalige wereld, en met
het verlies harer maritieme grootheid, was ook het tijdperk van haar
macht en bloei als staat voorbij. Die kleine, engbegrensde vlakte,
zonder boomen en zonder graan, beteekende niets; en ware zij niet
door de zee bespoeld, wel nimmer zou Athene geworden zijn wat het
thans is geweest. Nu werd deze in zich zelve zoo schraal bedeelde
plek gronds een brandpunt van handel en nijverheid, de kweekplaats
van wetenschap en kunst; nu leefden hier vierhonderd-duizend slaven en
vijftigduizend vrijen. Overal, waar weelde en rijkdom gevonden werd,
werden de werken der atheensche kunstenaars gezocht en duur betaald;
Perikles begreep dit volkomen, en wist zeer goed wat hij deed, toen
hij zich boven alles beijverde om aan zijn volk op het gebied der
kunst den eersten rang te verzekeren. Voorwaar, het was niet om zijne
persoonlijke ijdelheid te streelen, dat deze groote staatsman voor den
bouw van het Parthenon eene som besteedde, die gelijk stond met het
drievoudige der jaarlijksche inkomsten van den staat. Hij begreep zeer
goed dat deze stichting, waarbij de bouwkunst, de beeldhouwkunst en
de schilderkunst zich hadden vereenigd om het hoogste en volmaaktste
te scheppen waartoe de toenmalige wereld in staat was, voor langen
tijd aan Athene den voorrang zou verzekeren: een rang, die haar door
geen anderen helleenschen staat kon worden betwist, en met dien rang
tevens de heerschappij over geheel de helleensche wereld. Die macht
is snel gedaald: het schitterende tijdperk van Athene's heerlijkheid
duurde maar kort, korter waarschijnlijk dan de geniale staatsman zich
had voorgesteld; doch wat hij gewrocht had, was onvergankelijk; hij
had meer gedaan dan hij zich had voorgesteld: hij had niet alleen aan
Athene den eersten rang verzekerd onder de helleensche staten, maar
haar tevens eene eerste plaats verworven in de geschiedenis van de
beschaving der wereld, een macht en invloed, die de eeuwen tarten zou.
In de stad Athene zelve worden nog maar weinig antieke monumenten
gevonden. Ieder kent, al is het dan ook uit photografiën, de portiek
van Hadrianus, de zuilen van den tempel van Zeus Olympios, den toren
der Winden, het theater van Bacchos, de tribune van Demosthenes. Maar
zoo de touristen nooit zullen verzuimen, in dikwijls maar al te zeer
geveinsde bewondering voor deze monumenten stil te staan, zijn er
maar weinigen, die zich verwaardigen eenige aandacht te schenken aan
de fraaie byzantijnsche kerken, door geheel de stad verspreid. En
toch zijn die alleszins de aandacht waard.
In de eerste eeuwen der christelijke jaartelling schijnen er in
Griekenland weinig of geen kerken te zijn gebouwd. Het Evangelie had
bij de massa des volks geen ingang gevonden; de oude eeredienst was
nog in stand gebleven, en Julianus bracht nog zijne hulde aan Pallas
Athene in het Parthenon. Later, toen het Christendom voor goed over
het oude polytheïsme had gezegevierd, werd dit natuurlijk anders;
onder Justinianus werden de oude tempels voor de christelijke
eeredienst ingericht, en de gelden en inkomsten, oorspronkelijk
voor de dienst der goden en godinnen bestemd, werden nu aangewezen
tot onderhoud der geestelijkheid. Maar het oude heidendom wreekte
zich, door den verderfelijken invloed, dien het al spoedig op de
oostersche Kerk uitoefende. De atheensche prelaten begaven zich ter
kerk, gezeten op witte paarden en omstuwd door prachtig uitgedoste
geestelijken; de archonten verschenen te paard in het heiligdom, en de
atheensche dames lieten zich, onder het geleide van eunuken, in haar
draagstoel derwaarts voeren, om de jonge geestelijken, die het best
gezongen hadden, toe te juichen. Nog schadelijker werkten het doode
formalisme, het ziellooze ceremonieel, het strakke en spitsvindige
orthodoxisme, die welhaast het geestelijk leven uitdoofden, en de
eenmaal zoo krachtige en bloeiende oostersche Kerk rijp maakten voor
den diepen val, waaruit zij zich sedert nooit meer heeft kunnen
opheffen. Intusschen worden nu kerken in menigte gebouwd, en voor
het meerendeel van zeer kleine afmetingen. Zij zijn doorgaans van
minder omvang dan onze gewone dorpskerken, maar zij vertoonen een
eigenaardig karakter en verdienen de belangstelling als scheppingen
eener geheel bijzondere, ons schier onbekende kunst.
Men kan deze kerken in drie kathegoriën splitsen, die tevens drie
tijdperken vertegenwoordigen. Het eerste tijdperk, dat van de derde tot
de vijfde eeuw reikt, heeft bijna geen sporen meer achtergelaten; de
eerste onderzoekers, die na de emancipatie in Griekenland verschenen,
hebben ter nauwernood nog enkele overblijfselen uit deze periode
kunnen vinden; tegenwoordig zijn die geheel verdwenen. De kerken uit
dien tijd waren kleine ronde of vierkante kapellen, waarvan het platte
dak met een koepel gedekt was.
Het tweede tijdvak loopt van de zesde tot de elfde eeuw. Dit is de
ware bloeitijd der byzantijnsche kunst, die haar hoogste ontwikkeling
bereikt om vervolgens als het ware te verstijven. De oorspronkelijke
type wordt gewijzigd, ruimer en vrijer opgevat en verfraaid; de
koepels worden vermeerderd; de absiden worden veelhoekig uitgebouwd;
de vensters, door een of twee dunne zuiltjes in vakken verdeeld. Vier
stevige vierkante pilaren schragen den grooten koepel, die eene
bijkans halfronde gedaante aanneemt, en waarvan het bovenste gedeelte
van talrijke openingen voorzien is. Van binnen worden de gewelven en
bogen versierd met mozaïeken op gouden grond. Het niet zeer lange
schip heeft somwijlen een narthex of voorportaal, waarboven eene
tribune voor de vrouwen is aangebracht. Het altaar wordt aan de oogen
der geloovigen onttrokken door een meer of minder rijk beschilderd
en gebeeldhouwd scherm, het zoogenoemde iconostasia.
Het derde tijdperk reikt tot de vijftiende eeuw, en kenmerkt
zich hoofdzakelijk door eene vermenging van de byzantijnsche
met de italiaansche bouwkunst: een gevolg van de heerschappij
der Venetianen. Boven de gevels worden frontons aangebracht; de
constructie der gewelven ondergaat eene merkbare verandering, en de
mozaïeken worden door fresco-schilderijen vervangen. Overigens is
dit een tijdperk van toenemend verval.
De kerken van Athene behooren vooral tot de tweede periode. Zij zijn
opgetrokken van gehouwen steen, met rijen van dunne baksteenen
daartusschen. De bogen der vensters en deuren zijn mede van
langwerpige, smalle baksteenen, door cement verbonden; de koepels
en daken zijn gedekt met groote ronde pannen. Allen, zonder eenige
uitzondering, zijn met het koor naar het Oosten gericht, juist het
tegenovergestelde van de heidensche tempels.
Omstreeks de achtste of negende eeuw, telde men te Athene driehonderd
kerken of kapellen. Dit cijfer staat in hoegenaamd geene verhouding
tot de bevolking; het groote aantal der kerken vindt zijne verklaring
in den regel van den griekschen ritus, volgens welken het niet
geoorloofd is meer dan eenmaal per dag in dezelfde kerk de mis te
bedienen. Tegenwoordig zijn er te Athene tusschen de veertig en
vijftig kerken en kapellen, waaronder slechts zes of zeven van oude
dagteekening.
Vóór den bouw der tegenwoordige kathedraal was de kerk aan Sint-George
gewijd de hoofdkerk. Zij kon hoogstens twintig personen bevatten; de
menigte, op het plein geschaard, was door de geopende deur getuige van
de heilige dienst. De kerk schijnt inderdaad een stuk speelgoed; het
is de kleinste en tevens de oudste van alle byzantijnsche kerken van
Athene. In de buitenmuren, uit groote gehouwen steenen, waarschijnlijk
van eene of andere ruïne afkomstig, opgetrokken, zijn enkele antieke
bas-reliefs ingemetseld: onder anderen, boven de deur, eene kleine
fries, waarop de teekens van den dierenriem zijn afgebeeld.
Sint-Nikodemus, nabij het koninklijk park, is weder hersteld en is
thans de russische kerk. Dit was de grootste byzantijnsche kerk van
geheel Griekenland. Met haar drie veelhoekige koornissen, haar in
drie vakken verdeelde vensters, haar eigenaardige decoratie, behoort
zij zeker tot de merkwaardigste monumenten van dat tijdvak. De andere
oude kerken onderscheiden zich door niets bijzonders; aan een paar, met
name aan die van Sint-Theodorus, zijn de deuren bij wijze van hoefijzer
gewelfd. Dit motief, aan de mohammedaansche kunst ontleend, schijnt,
op het eerste gezicht, zeer vreemd; wij weten echter, dat onder de
regeering van Justinianus onderscheidene perzische bouwmeesters naar
Constantinopel werden geroepen: het is dus waarschijnlijk, dat deze
soort van gewelf door hen of hunne volgelingen in de byzantijnsche
architectuur is ingevoerd.
De moderne kerken zijn in denzelfden stijl gebouwd, maar missen alle
oorspronkelijkheid en artistieke waarde. Zelfs de nieuwe kathedraal is,
althans uitwendig, een plomp bontkleurig gebouw, zonder schoonheid
of stijl. Van binnen maakt de kerk evenwel een beteren indruk;
het schilderwerk, dat de wanden en gewelven geheel bedekt, geeft
aan het gebouw een zeer bijzonder karakter. Toen ik voor de eerste
maal de kathedraal betrad, zag ik daar de grieksche geestelijkheid
in al haar pracht en den luister van den byzantijnschen ritus; de
metropolitaan en zijne coadjutors, de archimandriten, waren gehuld in
rijk met goud geborduurde kleederen, en droegen op het hoofd prachtige
oostersche myters, fonkelende van edelgesteenten. Ongelukkig hebben
de Grieken vrij algemeen de gewoonte om door hun neus te spreken;
de valsche, brommende tonen van het gezang werkten zoo onaangenaam
op mijne zenuwen, dat het mij onmogelijk was de behoorlijke aandacht
te schenken aan deze oude, eerwaardige gezangen, die tot de eerste
eeuwen onzer jaartelling opklimmen. Op groote feestdagen, als de Koning
en de Koningin de dienst in de kathedraal bijwonen, wordt het Kyrie
Eleison en de andere oude hymnen door de zangers der russische kerk,
met hunne zuivere en zielvolle stem, aangeheven. Maar de burgers van
Athene nemen het der Koningin zeer kwalijk, dat zij aan het schoone
en welluidende gezang der russische zangers de voorkeur geeft boven
het onaangenaam geschreeuw der grieksche.