Wij besluiten met een blik op het tegenwoordige Tahiti. Wij zullen hier
geen verhaal geven der gebeurtenissen, die tot onze tusschenkomst op
Tahiti voerden. De eerste aanleiding daartoe was de komst op het eiland
van de heeren Laval en Carret, fransche katholieke missionarissen,
die vroeger op de Gambier-eilanden gevestigd waren. Hunne prediking
lokte botsingen uit met de regeering, die onder den invloed stond
der engelsche protestantsche zendelingen; er ontstond eene vervolging
tegen de Katholieken, die Frankrijk eindelijk noodzaakte tusschenbeiden
te komen. Er moesten echter verscheidene bloedige gevechten geleverd
worden, eer de fransche vlag voor goed op het eiland woei, dat later
onder fransch protektoraat werd geplaatst.
Pomare, de tegenwoordige koningin van Tahiti, is in 1813 geboren;
in 1822 huwde zij voor de eerste maal met Tapoa, welk huwelijk
kinderloos bleef; zij liet zich daarom van hem scheiden en huwde
toen met Ariífaáite, een der schoonste mannen van den geheelen
archipel. Haar oudste zoon is den 13den Mei 1855, in den ouderdom van
achttien jaar, aan eene borstziekte overleden, meer dan waarschijnlijk
het gevolg der woeste uitspattingen van allerlei aard, waaraan hij
zich had overgegeven. De tegenwoordige troonopvolger, Ariíaoëe, is
in 1839 geboren. De andere kinderen der koningin zijn: de prinses
Teriímaevaroea, in 1840 geboren, en sedert den 3den Augustus 1860
koningin van Borabora; prins Tamatoa, in 1842 geboren, en den 19den
Augustus 1857, onder den naam van Tamatoe V, tot koning van Raiatea
uitgeroepen, maar eenige jaren later door zijne onderdanen, die hij
op gruwelijke wijze mishandelde, afgezet; naar men zegt, is hij,
ondanks zijn buitensporig liederlijk leven, de gunsteling zijner
moeder; voorts prins Teriítapoenoeï, die kreupel is, in 1846 geboren,
de minst bekende der zonen van de koningin. De in 1848 geboren prins
Teriítoea Toeavira, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft,
is onlangs mede gestorven.
Het grondgebied der tot het protektoraat behoorende staten,--zijnde de
eilanden Tahiti, Moorea, Tetoearoa en Maïtea, de eilanden Toeboeaï,
Vavitoe en Rapa, de Toeamotoe- en de Gambier-eilanden,--is in
distrikten verdeeld; de bevolking is in dorpen gegroept. Elk inwoner
is verplicht, eene hut te bezitten, die in behoorlijken staat
van zindelijkheid moet worden onderhouden. Is de bevolking van een
distrikt weinig talrijk, dan wordt zij met die van een of meer naburige
distrikten vereenigd, om te zamen een dorp of gemeente te vormen.
Sedert 1855 wordt elk dorp bestuurd door een raad, die een zeer
uitgebreide macht bezit, en eigenlijk voor al de belangen der
gemeente te zorgen heeft. Deze raad bestaat uit het opperhoofd
(tavana, verbastering van het engelsche governor), tevens president;
uit den rechter, den eersten mutoi en twee raadsleden, die door de
ingezetenen gekozen worden. Als er in het dorp geen rechter is, wordt
hij vervangen door een opzettelijk daartoe benoemd raadslid. In elk
dorp moet eene school zijn. In elk dorp zijn ook eenige inlandsche
policie-agenten, die onder den naam van mutoi imiroa, den hoofd-mutoi
bij de uitoefening zijner functiën behulpzaam zijn. Deze hulpagenten
worden door den raad gekozen.
De opgaven der verschillende zeevaarders omtrent de
bevolking van Tahiti loopen zeer uiteen. Cook schat die
op ruim tweehonderd-veertigduizend zielen; Forster op
honderd-twintigduizend. In 1797 geeft de zendeling Wilson het
vermoedelijk cijfer der bevolking op, als bedragende zestienduizend
personen van elken leeftijd in het geheele eiland. Het is waar,
dat Wilson reeds toen ten tijde gewag maakte van eene zeer snelle
vermindering der bevolking; maar zelfs wanneer men aanneemt, dat de
bevolking tusschen 1767, toen Wallis Tahiti bezocht, en 1797, met de
helft verminderd is--stellig een zeer overdreven cijfer--dan nog blijft
men ver beneden de fabelachtige cijfers van Cook en Forster. Trouwens,
de uitgestrektheid van het bewoonbare gedeelte des eilands en de
hoeveelheid zijner voortbrengselen bewijzen reeds voldoende dat deze
opgaven ver van de waarheid moeten afwijken.
Bij de voor hen zoo vreemde en verrassende verschijning der europeesche
schepen, zullen de toenmalige bewoners van Tahiti stellig op ruime
schaal hebben gedaan, wat hunne nakomelingen heden nog dikwijls
doen: namelijk de schepen overal op hun tocht volgen. Zoo zijn Cook
en Forster waarschijnlijk onwillekeurig misleid geworden, en hebben
zij de rondtrekkende bewoners van een zeker deel des eilands voor de
vaste bevolking van een bepaald distrikt aangezien.
Bij het doorkruisen van het binnenland van Tahiti, vindt men in
onderscheidene groote valleien sporen van oude woningen en grafsteden,
waaruit men heeft afgeleid, dat de bevolking, te talrijk om lang
de kust plaats te kunnen vinden, in lang vervlogen tijden voor een
deel naar het binnenland is verhuisd. De ondervinding tijdens onzen
krijg met de inboorlingen opgedaan, schijnt deze meening voldoende
te wederleggen. De overwonnen partij, door den overwinnaar, van wien
zij geen genade te hopen had, achtervolgd, verliet haar woningen
en akkers, en trok zich terug naar de dalen en valleien in het
gebergte, waar zij zich gemakkelijker kon verdedigen, en waar men
het niet licht zou wagen haar te volgen. Daar werden nieuwe woningen
gebouwd en nieuwe plantages aangelegd; daar werden marae gesticht
en werden de dooden begraven, tot een keer in de krijgskans of wel
een dikwijls maar zeer voorbijgaande vrede, den uitgewekenen vergunde
naar hun distrikt terug te keeren, en naar den oever der zee, die de
inlander zoo lief heeft. De valleien van het eiland, de voornaamste
niet uitgezonderd, leveren te weinig op, dan dat men daar immer voor
goed zijne woonplaats zou hebben gevestigd: zij zijn zeker nooit iets
meer geweest dan een tijdelijk toevluchtsoord. Een ander bewijs van
de overdrijving in de eerste opgaven ten aanzien der bevolking van
Tahiti, vinden wij in de voorschriften van dat genootschap der arioi,
waarvan wij boven spraken. Wij zeiden dat de kindermoord een wet was
voor de leden van dat genootschap. Van de verschillende redenen, die
men ter verklaring van dit barbaarsche gebruik heeft kunnen aanvoeren,
komt mij nog altijd deze de waarschijnlijkste voor, dat de vorsten en
hoofden de noodzakelijkheid hadden ingezien, om door alle mogelijke
middelen een al te snellen en te sterken aanwas der bevolking te
stuiten, en te voorkomen dat zij nooit zekere grenzen overschreed,
omdat anders het land niet meer in het onderhoud zijner bewoners zou
kunnen voorzien.
In het begin van 1848 heeft er eene volkstelling plaats gehad. Door het
bestuur waren alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, en niets
was verzuimd wat strekken kon om de juistheid der verkregen cijfers
te waarborgen. Blijkens de uitkomst dier telling was de bevolking
aldus verdeeld: op Tahiti, achtduizend-vijfhonderd-zeven-en-vijftig
zielen; op Moorea, veertienhonderd-twaalf zielen: alzoo in het geheel,
negenduizend-negenhonderd-negen-en-zestig inwoners.
In 1829 gaf de volkstelling op Tahiti, destijds door de engelsche
zendelingen met groote zorgvuldigheid verricht, dit resultaat:
achtduizend-vijfhonderd-acht-en-zestig personen: een cijfer, dat
op merkwaardige wijze overeenstemt met dat van 1848. Als men nu
in aanmerking neemt, dat verschillende ernstige epidemiën en een
tweejarige oorlog met Frankrijk niet onbelangrijke verwoestingen
moeten hebben aangericht, dan schijnt het wel als zeker te mogen
worden gesteld, dat de bevolking van Tahiti, van 1829 tot 1848,
eer is vermeerderd dan verminderd. Destijds was trouwens het bestuur
over het eiland in vaste en niet onbekwame handen; de oorlogen, die de
voornaamste hoofden tegen elkander voerden, hadden opgehouden; aan den
kindermoord, aan de menschenoffers, aan vele andere buitensporigheden
van allerlei aard, had het Christendom, door de engelsche zendelingen
gepredikt en ingevoerd, althans een einde gemaakt. Vóór dien tijd
is de bevolking van Tahiti waarschijnlijk wel sterker geweest dan
tegenwoordig, maar onmogelijk kan het verschil zoo groot geweest zijn,
als men zich dit doorgaans wel voorstelt. De heer Lessou, heelmeester
aan boord van de Coquille, schijnt mij toe, niet ver van de waarheid
te zijn, als hij de oorspronkelijke bevolking des eilands op circa
twaalfduizend zielen schat.
De volkstelling van 1 Januari 1863, de laatste die wij kennen,
had plaats onder gunstiger omstandigheden dan die van 1848. De
gemeente- of dorpsraden begonnen hunne functiën in de distrikten
uit te oefenen; de nauwkeurige uitvoering der kieswet van 22 Maart
1852, gewijzigd den 16den Februari 1857, waarbij bepaald is dat een
inlander om kiezer te zijn vijf jaar in een distrikt moet hebben
gewoond, gaf het middel aan de hand, om met volkomen juistheid het
cijfer te kennen der inwoners in elk der distrikten van Tahiti en
Moorea. Volgens deze telling bedroeg het totaal cijfer der bevolking
tienduizend-driehonderd-zeven-en-veertig inwoners van polynesisch
ras. Men mag veilig aannemen, dat dit cijfer het naast bij de
waarheid komt.
1 Maart 1873. De gepantserde korvet Atalante, die wij sedert eenige
dagen verwachtten, is de haven binnengeloopen. Dit schip voert
de vlag van den schout-bij-nacht kommandant der divisie van den
Stillen-Oceaan, waartoe ook de Vaudreuil behoort. De komst van de
Atalante is eene gebeurtenis van gewicht voor de gansche bevolking. De
muziek van de korvet speelt bijna iederen avond op het plein voor het
gouvernementshuis. Daarna trekken de muziekanten, met begeleiding
van fakkellicht, onder het spelen van een vroolijken marsch, naar
de kaai, om weer naar boord terug te keeren. Onnoodig te zeggen,
dat zij daarbij door de gansche menigte, eene wonderlijke mengeling
van Europeanen en inboorlingen, al zingende gevolgd worden.
Het vriendschappelijk verkeer, dat wij aanstonds met onze kameraden
van de Atalante hadden aangeknoopt, werd eensklaps afgebroken
door het bericht van het overlijden van de koningin van Borabora,
dochter van Pomare. Den 10den Maart stevenden wij naar Borabora, om
bij de begrafenis tegenwoordig te zijn. De echtgenoot der koningin,
Ariífaáite, die met ons medeging, scheen niet bovenmatig bedroefd over
den dood zijner dochter. Wij keerden dadelijk na de begrafenis naar
Papeete terug, waar, op den 18den Maart, de schout-bij-nacht inspectie
hield. Ondanks haar pas geleden verlies, kwam koningin Pomare aan boord
van de Atalante, om den opperbevelhebber een tegenbezoek te brengen.
De Atalante verliet ons den 21sten Maart; en ook voor ons naderde
met snelheid de dag van het vertrek; de Bruat, die de Vaudreuil kwam
aflossen, verscheen den 3den April.
Niet zonder diepen weemoed namen wij afscheid van het heerlijke
eiland Tahiti, zoo rijk aan natuurschoon, en waar wij een zoo gastvrij
onthaal gevonden hadden, ons dubbel welkom, na de vermoeienissen en
onberingen eener langdurige zeereis. De tijd, dien ik op dat eiland
gesleten heb, zal voor immer in mijne herinnering blijven leven,
als een der liefelijkste beelden uit mijn zeemansloopbaan.
Reis door Griekenland.