De Tahitianen behooren mede tot de groote volkenfamilie, die al
de eilanden bewoont, begrepen binnen een lijn, die, uitgaande
van Nieuw-Zeeland, de Wallis-eilanden, den Samoa-archipel, de
Sandwich-eilanden en het Paascheiland omvat.
Al de eilanden binnen en langs den omtrek van dien wijden veelhoek
zijn bewoond door een koperkleurig ras, dat zich van de naburige
volksstammen kennelijk onderscheidt door de kleur zijner huid,
de schoonheid zijner vormen, door zijne ver boven het middelmatige
reikende gestalte, en door de over het algemeen zachte en vriendelijke
uitdrukking zijner gelaatstrekken: dit laatste natuurlijk alleen
voor zoover men zich niet, ten einde er verschrikkelijk uit te zien,
het gelaat op kunstmatige en vaak pijnlijke wijze misvormt, hetzij
door zich te tatouëeren of met schelle kleuren te beschilderen. Deze
eilanders zijn aanstonds op het eerste gezicht kenbaar als behoorende
tot dezelfde familie, die zij, volgens hunne verschillende dialekten,
met den naam van mahori of mahoi noemen. [17]
Dat al deze eilandengroepen, wat de nationale traditiën en de taal
aangaat, door een gemeenschappelijken band verbonden zijn, is een
onloochenbaar feit voor ieder, die ze immer bezocht. Mijne reis
met de Vaudreuil, waarmede ik de Markiezen-eilanden, de Toeamotoe,
de Gambier-eilanden, den archipel van Tahiti, de Tonga, de Samoa, de
Wallis- of Oewea-eilanden, de groep van Hoorne en de Sandwich-eilanden
aandeed, heeft mij ten volle overtuigd van den gemeenschappelijken
oorsprong van al deze volken.
De bewoners der Sandwich-eilanden zeggen nog heden, afkomstig te
zijn van Borabora, het kleinste der Gezelschaps-eilanden; hunne
kosmogonische overleveringen verschillen ter nauwernood van die van
Tahiti en Nieuw-Zeeland; de regels hunner taal zijn dezelfden.
De eerste zeevaarders, die deze eilanden bezochten, meenden dat de
bewoners, de passaatwinden volgende, van het oosten gekomen waren:
mitsdien zou Zuid-Amerika hun oorspronkelijk vaderland zijn. Ik kan
deze meening niet deelen. Eene meer nauwkeurige bekendheid met deze
zeeën heeft geleerd, dat op zekere tijden des jaars, de westenwinden
telkens gedurende een tijdperk van drie tot veertien dagen achtereen
heerschen. Ligt het niet voor de hand, dat de landverhuizers juist
van dezen wind hebben gebruik gemaakt voor hun steeds verder naar
het oosten reikenden tocht? Bovendien kunnen wij ons beroepen op het
voorbeeld van den archipel van Toeamotoe, die geheel aan het eiland
Anaa onderworpen is. De bewoners van dit eiland hebben, in eene lange
reeks van krijgstochten, die misschien vele eeuwen geduurd hebben en
waarvan de laatste nog tot onzen tijd behoort, al de oostwaarts van hen
gelegen eilanden voor en na gedwongen hun oppergezag te erkennen. Zij
vertrokken met den westenwind naar die deels bekende, deels nog te
ontdekken eilanden, wel wetende dat de doorgaans heerschende wind hen,
na korter of langer tijd, den terugkeer naar hun vaderland mogelijk
zou maken. Nog tegenwoordig leggen de bewoners der Marshall-eilanden,
in hunne pros of prauwen, zeer aanzienlijke afstanden af.
In den archipel van Tahiti is het eiland Raiatea het heilige land, de
bakermat der godsdienst en van het vorstelijk gezag. De koningen van
Tahiti dragen er roem op, van daar af te stammen; bij sommige plechtige
gelegenheden moesten de voornaamste en oudste marae van Tahiti en
Moorea derwaarts menschenoffers zenden. De overlevering, die, hoe ook
verzwakt, nog niet geheel is uitgestorven, bevestigt mede de meening
van hen, die zeggen dat de archipel bevolkt is door landverhuizers
uit het westen. In de eerste tijden van ons protektoraat, plachten de
grijsaards, over den oorsprong huns volks ondervraagd, zonder aarzelen
te antwoorden dat de bakermat van hun geslacht stond aan de zijde waar
de zon ondergaat. De inboorlingen van den Tahiti-archipel schijnen ten
allen tijde kennis te hebben gedragen van het bestaan van Tonga-Taboe,
van de Samoa-eilanden, van Cook's archipel en van de Toeboeaï-eilanden;
daarentegen hebben zij de Gambier- en de Markiezen-eilanden eerst
leeren kennen door de Europeanen. Toch liggen de Gambier-eilanden dicht
bij de Toeamotoe, eene kolonie van Tahiti, bevolkt door inboorlingen
van het distrikt Afaáhiti, die door hunne buren uit het distrikt Hitiaá
waren verjaagd. Deze uitgewekenen of ballingen zijn dan toch van het
westen gekomen. Waarschijnlijk was het aanvankelijk hun voornemen,
met de doorgaans heerschende oostenwinden weer terug te koeren; zij
hebben zich vervolgens nedergezet op de eilanden, die zij toevallig
op hun weg ontmoetten, zouder dat de tijding hunner vestiging in
hun vaderland bekend werd. De Toeamotoe-eilanden konden nog niet
geheel op zich zelven staan en afgezonderd blijven: daar zij pas
voor korten tijd bevolkt waren, werden de bewoners nu en dan, hetzij
door behoefte, hetzij door oude gehechtheid en herinnering, genoopt
naar Tahiti terug te koeren. Maar is het, in het algemeen genomen,
niet zeer begrijpelijk en waarschijnlijk dat zij, die, misschien ten
gevolge van den oorlog of om andere redenen, min of meer gedwongen,
hun land hadden verlaten, als zij eindelijk, na een avontuurlijken
en gevaarlijken tocht, een veilig strand hadden aangetroffen en een
bodem waar zij het noodige voor hun levensonderhoud vinden konden,
nu ook daar bleven, zonder ooit meer aan terugkeer te denken?
Er is nog een ander bewijs: de geleidelijke en toenemende verdwijning
van de eigenaardige kenteekenen van het maleische ras, namelijk het
stroeve stugge lange hair, en de schrale maar gespierde ledematen:
kenteekenen, die op Tonga-Taboe nog vrij algemeen voorkomen, maar die
op Tahiti reeds veel zeldzamer zijn, en op de Toeamotoe-eilanden bijna
in het geheel niet meer gevonden worden. Hoe verder naar het oosten,
hoe meer de verbastering van het oorspronkelijk maleische ras in het
oog valt, en dat niet alleen ten aanzien van den lichaamsbouw, maar ook
met opzicht tot de taal, die evenzoo gaandeweg verbastert. Deze feiten
schijnen te wijzen op eene latere volksverhuizing, die denzelfden
weg als de eerste heeft gevolgd, en die de oorspronkelijke bewoners
heeft onderworpen en er zich later mede vermengd. De sporen dezer
vermenging zijn duidelijker en van blijvender aard, naarmate men
dichter bij het uitgangspunt bleef.
Om de toenemende ontvolking dezer eilanden te verklaren, heeft men
verschillende oorzaken opgegeven: onderlinge oorlogen, epidemiën,
kindermoord zijn daarvan de voornaamste. Maar ook als men de
waarschijnlijke verliezen optelt, die het totaalcijfer der bevolking
door deze verschillende oorzaken heeft kunnen ondergaan, dan nog
schijnt men ver beneden de werkelijke vermindering der bevolking
te blijven. Het is aan geen twijfel onderhevig, of de verschijning
der blanken is voor deze eilanders allernoodlottigst geweest, een
feit van doodelijke gevolgen, even als in alle landen, waar wij met
het koperkleurige ras in aanraking zijn gekomen. Wat de ontvolking
door oorlogen aangaat--deze kan niet zoo groot zijn, als men in
aanmerking neemt dat de inboorlingen geen andere wapenen kenden dan
knods, pijl en boog, dat gevechten van man tegen man zeldzaam waren,
en dat de strijd meestal geleverd werd in een bosch, waardoor de
verslagen partij overvloedig gelegenheid vond om zich spoedig door
de vlucht te redden. In den hardnekkigsten en bloedigsten veldslag,
waarvan de herinnering tot heden is bewaard gebleven, sneuvelden
nog geen vierhonderd man.--Kindermoord was vrij algemeen. Deels
werd die misdaad bedreven door zeer jonge meisjes, die zich wilden
onttrekken aan de lastige verzorging harer kinderen; deels door de
aanhangers van de sekte der arioi, waarbij het gebruikelijk was de
kinderen te dooden: maar deze sekte, waarover straks nader, was van
streng aristokratische natuur en in verhouding tot de bevolking
des lands zeer weinig talrijk. Bovendien wisten vele aanhangers
der sekte hunne kinderen te verbergen, en stelden zij zich liever
bloot aan het gevaar, uit de vereeniging gebannen te worden, dan
naar het bevel hun kroost te vermoorden. Daar staat tegenover, dat
de vrouwen van haar zestiende tot over haar veertigste jaar kinderen
ter wereld brachten; gezinnen van vijftien kinderen waren toen niet,
als nu, eene zeldzaamheid. Men mag dus met eenigen grond aannemen,
dat ook de kindermoord geene belangrijke vermindering heeft te weeg
gebracht bij eene bevolking, die zich zoo sterk vermenigvuldigde.
Ongetwijfeld hebben tot die vermindering het meest de epidemiën
bijgedragen. Bijna allen hebben zij het karakter aangenomen van
dyssenterie, alleen met uitzondering van de oovi. En toch openbaart
ook deze ziekte zich het eerst in de ingewanden, van waar zij zich,
van ondragelijke pijnen vergezeld, door al de leden verspreidt,
zoodat zij, die er niet van sterven, toch in den regel een hunner
ledematen verliezen, dat verlamd en verdord is, en somwijlen tot
verrotting overgaat. Eene andere ziekte, die soms de bevolking van
gansche distrikten deed uitsterven, is de ohoeretoto, mede een soort
van dyssenterie.
De melaatsheid of fefe (elephantiasis) is een soort van chronische
ziekte, ongeveer zoo als de jicht, die niet kan genezen worden,
maar waarmede men zeer oud worden kan. Men vindt weinig lieden van
zekeren leeftijd, die van deze ziekte vrij zijn gebleven. In den
aanvang vertoonen zich op het lichaam geen builen of gezwellen; de
lijder heeft hevige pijn, vergezeld van koorts; de zetel der ziekte
is bij de onderscheidene patiënten verschillend, maar zij keert bij
denzelfden patiënt meermalen in dezelfde lichaamsdeelen terug. De
heupen, de ruggegraat met inbegrip van de hersenen, en de onderbuik
worden doorgaans het eerst en het meest aangetast; later openbaart
zich de zwelling bij voorkeur in de beenen, maar ook dikwijls in de
handen en armen; die zwelling, eens begonnen, neemt voortdurend toe,
met meer of minder snelheid, naar gelang van het individu, en wordt
eindelijk zoo hinderlijk, dat de patiënt in het gezwollen lid eenige
insnijdingen moet laten doen: hij raakt dan eene groote hoeveelheid
water kwijt, waardoor de zwelling tijdelijk vermindert. Na verloop van
zekeren tijd vormen zich builen en zweeren, die van zelve schijnen te
zullen opengaan. Vrouwen zijn minder onderhevig aan deze ziekte, die
bij haar zelden verder gaat dan de periode der zwelling. Op sommige
plaatsen heerscht de fefe sterker dan op andere; de inboorlingen
schrijven dit voornamelijk toe aan de hoedanigheid van het drinkwater.
De blanken, die naar de wijze der inlanders leven, worden er ook
zeer dikwijls door aangetast; opmerkelijk is het, dat een reisje van
eenige maanden naar de kust van het vaste land gewoonlijk volledige
genezing aanbrengt; maar als men dan terugkeert, kan men er ook bijna
zeker van zijn, onmiddellijk weer aangetast te worden. Rhumatiek is
zeer algemeen, zelfs bij jonge menschen; maar het klimaat ontneemt
daaraan het gevaarlijke en blijvende karakter; de lijders wrijven
zich als zij pijn gevoelen en gaan dan een bad nemen. Bij bejaarde
menschen wordt de rhumatiek een onafscheidelijke metgezel, die hen
bitter lijden doet. Het klimaat en de levenswijze der inlanders maken
verkoudheid tot eene zeer algemeene kwaal. Daar men er in den regel
geen acht op slaat, gebeurt het dikwijls dat de borst wordt aangedaan:
van daar een aantal teringlijders van iederen leeftijd.
Vroeger, voor de aankomst der protestantsche zendelingen, bestonden
er op Tahiti drie onderscheidene standen of kasten, die scherp van
elkander onderscheiden waren. De eerste was die der arií of vorsten;
de tweede die der raátira, kleine opperhoofden of wel eenvoudige
grondbezitters; de derde omvatte de manahoene of het volk.
De arií waren heilig en met bovennatuurlijke vermogens begaafd;
de spijs, die zij hadden aangeraakt, was taboe, en een doodelijk
vergif voor allen, behalve voor degenen, die ook tot de kaste der
vorsten behoorden. Onder deze arií was er een familiehoofd, waaraan
alle anderen ondergeschikt waren. Dit was dikwijls een kind, en bijna
altijd een jonkman, want zoodra hij een zoon had, werd dit kind het
wettige hoofd, en de vader vervulde van nu aan de rol van regent. Eene
soortgelijke gewoonte heerschte toen in alle familiën; en zelfs nog
tegenwoordig heeft deze eigenaardige vereering der kindschheid stand
gehouden, in weerwil van het toenemend zedenbederf, en heeft zij
alleen de aloude voorvaderlijke overleveringen overleefd.
Deze arií waren waarschijnlijk de afstammelingen van de laatste
veroveraars, die deze eilanden onderworpen hadden. Zij hadden zoo
vele rechten en voorrechten en zoo weinig plichten, het volk was hun
zoo volkomen onderdanig en vereerde hen zoo hoog, dat hunne macht
reeds vóór lang moet gevestigd zijn geweest. De naam arií vindt men
met geringe afwijkingen, zooals ariki, akariki, kariki, enz., overal
terug, van de grenzen van oostelijk Polynesië tot Nieuw-Caledonië,
Nieuw-Holland, en zelfs op Madagaskar, zoowel als op de westelijke
eilanden; waarschijnlijk brachten de veroveraars dien naam met zich:
van waar hij afkomstig is, weet ik niet.
De raátira (ook deze naam vindt men in alle archipels, van de
Toeamotoe tot Madagaskar), waren blijkbaar in rang verheven boven
de lieden, die niets bezaten, maar stonden ver beneden de arií, die
met even onbeperkte macht over hen heerschten als over de massa des
volks. Het eenige wat de raátira met de arií gemeen hadden, was dat
ook zij met het adellijke meervoud werden aangeduid.
De manahoene konden hunne kaste niet dan door bijzondere gunst
verlaten; zij konden tot raátira worden verheven, als de grond, dien
zij slechts in vruchtgebruik bezaten, hun in eigendom geschonken werd;
maar dit gebeurde niet dikwijls. Zij konden ook teoeteoe arií, dat wil
zeggen dienaars van een vorst, worden; dan bezaten zij dikwijls eene
groote mate van macht en invloed, maar slechts als vertegenwoordigers
van den vorst, dien zij dienden: alleen in den geheiligden naam van
den arií konden zij gehoorzaamheid en eerbied vorderen. Dit was het
hoogste toppunt, waartoe zij zich verheffen konden.
De marae of oude tempels waren hoogst eenvoudig. In zijn
oorspronkelijksten vorm bestond die tempel uit eene ongeveer
rechthoekige omwalling, en uit een altaar, dat omstreeks in
het midden der ruimte stond en de gedaante had van een recht
parallelepipedum. [18] In de marae, op Tahiti en Moorea gevonden,
heeft het altaar doorgaans eene andere gedaante: het parallelepipedum
eindigt in trappen, die zich over de gansche lengte van de groote
zijde, aan de voorzijde van den marae, uitstrekken. Het getal dier
trappen verschilde; doorgaans bedroeg het niet meer dan drie. Deze
altaren hadden veel overeenkomst met die, welke men in onze kerken
ziet; slechts was de bewerking veel ruwer, en waren zij ook van veel
grooter afmetingen, want sommigen moeten wel eene hoogte van vijftien
el hebben bereikt.
Voor den bouw dezer tempels gebruikte men rotsblokken of ook wel
koraal.
Onder de eigenaardige instellingen van deze eilandengroep komt
ongetwijfeld eene eerste plaats toe aan het beruchte genootschap der
arioi, dat tegelijk met het heidendom verdwenen is. Als stichter
dezer vereeniging noemt men zekeren Horotetefa; aanvankelijk van
weinig beteekenis, had zij zich gaandeweg over al de eilanden van den
archipel uitgebreid. In de laatste jaren van haar bestaan, omvatte zij,
naar men beweert, een vijfde deel der geheele bevolking van elk eiland.
De hoofdvoorwaarde voor het lidmaatschap was, geen kinderen te hebben:
die moesten bij hunne geboorte aanstonds gesmoord worden. Het lichaam
van den kandidaat werd ingesmeerd met de roode kleurstof van den mati
(ficus tinctoria). De hoofden werden alleen verkozen op voorwaarde
dat zij geene levende afstammelingen mochten hebben. Er waren onder
hen verschillende rangen; de lageren waren niet meer dan de bedienden
van de hooger geplaatsten, die, als lieden van rang geëerd, geene
andere bezigheid hadden, dan zich voor zonsondergang in de rivier
te gaan baden, zich het hoofd te bekransen met bloemen, door anderen
voor hen geplukt, en den mond open te doen om de spijs te ontvangen,
dien arioi van minderen rang hun aanboden. Het leven dezer lieden
was een voortdurend feest, verdeeld tusschen dans en zingenot; de
vrouwen waren onderling gemeen. De arioi, wien een kind geboren word,
werd als onteerd beschouwd en uit het genootschap gebannen, indien
hij het niet aanstonds om het leven bracht.
Even als de anderen, gingen ook zij naar den marae, en namen getrouw
hunne godsdienstplichten waar. Zij bezaten sommige privilegiën,
volgens hun rang; zoo mochten zij zich, bij voorbeeld, sommige zaken
zonder betaling toeëigenen; zij kwamen ook bijeen voor de woningen
der vorsten, van wie zij kleedingstoffen ten geschenke ontvingen,
want zelven vervaardigden zij niets.
Doch alleen in vredestijd leidden de voornaamste arioi dit weelderige
leven. In den oorlog waren zij de getrouwste wapenbroeders des konings,
en muntten zij in den regel door hunne dapperheid boven anderen
uit. De vereeniging was eene ware kweekplaats van krijgslieden, die
zich echter niet door voortplanting, maar door aanwerving in stand
hield en uitbreidde. Staatkundigen invloed bezaten de arioi niet;
zij bleven steeds aan de vorsten en hoofden onderworpen. Uitnemende
soldaten in tijd van oorlog, sleten zij in vredestijd hunne dagen in
uitspatting en zingenot: hunne vereeniging had nooit een hooger doel
dan bevrediging van den lust der zinnen. Zij konden dus moeielijk
iemands achterdocht opwekken, en vooral aan deze omstandigheid moet
het lange bestaan dezer zonderlinge vereeniging worden toegeschreven.