IV.

Eenige dagen na de begrafenis der kleindochter van Pomare, ontving

ik eene uitnoodiging, die mij hoogst welkom was. Een officier van

administratie bij de koloniale dienst, de heer E..., met wien

ik dadelijk na onze komst te Papeete kennis had gemaakt, moest

naar Moorea gaan, om de europeesche bevolking van dat eiland te

tellen; hij verzocht mij nu, met hem te gaan. Men had hem, voor de

uitvoering zijner taak, een der notabelen van het eiland, den heer

B... lid van den raad van bestuur, dien ik ook kende, toegevoegd,

benevens een ondergeschikt ambtenaar, die de functiën van secretaris

zou waarnemen. De kommandant van de Vaudreuil schonk mij, met zijne

gewone welwillendheid, de vereischte vergunning.

Zonder verwijl hield de heer E... zich nu onledig met de

toebereidselen voor onze reis: alles werd zoo ingericht, dat ons

verblijf zoo aangenaam en gemakkelijk mogelijk zou zijn. Daar

wij ongeveer een week op Moorea zouden vertoeven, was het noodig

een goeden voorraad levensmiddelen mede te nemen, tenzij wij ons

tevreden wilden stellen met de inlandsche keuken, waartoe wij niet

veel lust gevoelden. De eenige plaats, waar wij op een europeesch

gastvrij onthaal konden rekenen, was in de baai van Papetoai, waar

de heer M..., een italiaansch geneesheer, een fraaie suikerplantage

bezat. Een mijner kennissen van de militaire societeit te Papeete,

de heer Vallès, gepensioneerd kapitein der mariniers, die mede in

dit gedeelte van het eiland woont en zich met landbouw bezig houdt,

had mij doen beloven dat, zoo ik ooit op Moorea kwam, ik bij hem

mijn intrek zou nemen. Doch daar de baai van Papetoai zoo wat ter

halverwege op onze voorgeschreven reisroute lag, moesten wij toch

een aanzienlijken voorraad mondbehoeften medenemen.

Wat de vervoermiddelen aangaat, was de heer E... spoedig en geheel naar

wensch geslaagd. Hij had eene overeenkomst getroffen met het opperhoofd

van Afareaitoe, die naar Papeete was gekomen om bij de begrafenis

van Teriínoeïmoanaiterai tegenwoordig te zijn: hij zou eerlang naar

Moorea terugkeeren, en wij zouden in zijne sloep medevaren. Dag en

uur van vertrek was bepaald; maar toen onze bagage ter inscheping op

de kaai gereed lag, deelde de bemanning der sloep ons mede, dat er

nog geen bevel gegeven was om te vertrekken. De heer E..., die in

den loop van den ochtend het opperhoofd in niet volkomen nuchteren

toestand had ontmoet, begrijpt aanstonds waaraan dit oponthoud is

te wijten. Wij gaan mitsdien onzen vriend opzoeken, en vinden hem,

tamelijk beschonken, drinkende in gezelschap van den jongsten zoon

der koningin. De kerel zegt ons, dat hij niet wil vertrekken.

Wat nu te doen? De heer E... is woedend, maar met dien dronkaard

valt niet te redeneeren. Wij keeren naar de kaai terug, waar de heer

B... is achtergebleven om op de bagage te passen; hij deelt ons mede,

dat de eigenaars van onderscheidene sloepen vurig wenschen naar hunne

woning terug te keeren, maar dat zij op last der koningin verplicht

zijn te Papeete te blijven.

De heer E... zegt, dat hij in het belang der dienst opheffing van dat

verbod zal vragen, wanneer een der eigenaars wil beloven, dat hij

onmiddellijk vertrekken zal, zoodra Pomare daartoe toestemming zal

gegeven hebben. Een hunner is daartoe gaarne bereid, en wij begeven

ons zonder verwijl naar de koningin, bij wie wij ook aanstonds worden

toegelaten. De arme vrouw zit neergehurkt op een mat; haar gelaat

draagt nog de duidelijke sporen van het verdriet, door het overlijden

harer kleindochter haar veroorzaakt. Een harer schoondochters, de

"Prinses van Joinville", legt haar uit wat wij eigenlijk verlangen. De

koningin antwoordt, dat zij niemand verboden heeft te vertrekken,

zoodat hier waarschijnlijk aan een misverstand is te denken. Wij danken

haar voor haar welwillendheid, en keeren haastig naar de kaai terug. In

een oogwenk is nu onze bagage aan boord gebracht, en wij zijn op weg.

Van Tahiti gezien, schijnt het eiland Moorea bij uitnemendheid schoon,

vooral door de fantastische gestalten der eigenaardig gevormde

bergtoppen. Een daarvan, die tot de hoogste en steilste behoort,

is juist onder den bovensten top geheel doorboord. Reeds op onzen

tocht van Papeete naar de haven van Phaeton, had deze zonderlinge

opening in den berg onze aandacht getrokken. Volgens de legende,

zou dat gat veroorzaakt zijn door de lans van een der aloude reuzen,

die zijn wapen met kracht tegen den rotswand had geslingerd.

Ongelukkig is het bladstil; de zonnestralen vallen loodrecht op ons

neder. Al de Kanaks zijn bezig met roeien; zij zijn aan dien arbeid

gewoon, en dank aan hunne stevige vuisten, gaan wij vlug vooruit. In

mijne hoedanigheid van zeeman, wordt mij het roer toevertrouwd;

ik stuur zoo dicht mogelijk langs de Vaudreuil, die op het water

ingedommeld schijnt. Wij moeten elf zeemijlen afleggen, eer wij aan

het dorp Afareaitoe komen, waar wij zullen ophouden. Wel is er geen

wind, maar onze roeiers zullen wel zorgen dat wij vóór den nacht

aankomen, want de zee is spiegelglad en doodstil. Het is smoorheet;

om mijn brandenden dorst te lesschen, verslind ik een aantal versche

kokosnoten, die, zoo als men weet, eene aanzienlijke hoeveelheid vocht,

zoogenoemde kokosmelk, bevatten.

Een uur na ons vertrek, beginnen zich op de spiegelgladde oppervlakte

der zee enkele rimpels te vertoonen, de welkome boden van den zoo

lang verwachten wind. Viktorie! Na eenige aarzelingen, begint er

inderdaad, en wel uit de goede richting, een fiksche bries te waaien;

de roeispanen worden naar binnen gehaald, en de twee zeilen der

sloep geheschen.

Er zijn in het geheel een dozijn menschen aan boord, waaronder

eenige vrouwen en kinderen. Allen zijn even opgewekt en vroolijk;

sommigen rooken of zingen, om den tijd te verdrijven; anderen houden

hunne siësta. De inlandsche sigaren worden op de eenvoudigste

wijze vervaardigd: een op het vuur gedroogd tabaksblad wordt in

een pandanusblad gewikkeld--en de sigaar is gereed. Die de sigaar

aansteekt, doet er twee of drie trekken aan, blaast den rook door

zijn neus uit, en reikt de sigaar vervolgens aan zijn buurman over;

zoo gaat zij van mond tot mond, tot zij geheel opgerookt is.

Zoodra de zeilen geheschen zijn, neemt de eigenaar mijne plaats

aan het roer in. Een uur voor zonsondergang varen wij een ruime

baai binnen, gevormd door het rif, dat, even als bij Tahiti, het

eiland op eenigen afstand als een gordel omgeeft. Wij leggen aan

voor het dorp Afareaitoe: het is bijna verlaten, daar schier al de

inwoners naar Papeete waren gegaan, om bij de begrafenis der prinses

met den onuitsprekelijken naam tegenwoordig te zijn. De vader van

onzen drinkebroer, die te Papeete is achtergebleven, neemt, bij de

afwezigheid van zijn zoon, de functiën van opperhoofd waar; hij komt

ons plechtstatig begroeten en welkom heeten. Onze bagage wordt naar

de woning van het opperhoofd gebracht, waar de ambtenaren der kolonie

het recht hebben, hun intrek te nemen.

Het uur voor het middagmaal, waarnaar wij zeer verlangden, was

daar. Hetgeen het opperhoofd ons had aan te bieden, was voor

europeesche magen van niet veel beteekenis. Echter gelukte het

ons, eenige versch gevangen visch te koopen; gevogelte was er in

het dorp in overvloed. Wij kochten een jongen haan, die verschrikt

wegvluchtte toen men hem wilde pakken: ik joeg hem een kogel na, die

hem neervelde. Terwijl de heer B.... en de secretaris der commissie

zich onledig houden met het bereiden van onzen maaltijd, en de heer

E.... aan den mutoi van het distrikt de noodige bevelen geeft om de

hier gevestigde Europeanen van de komst der commissie te verwittigen,

ga ik het dorp eens bekijken, hetgeen niet veel tijd vordert.

Een beek, die ten oosten langs het dorp vloeit, biedt eene uitmuntende

gelegenheid aan om een bad te nemen. De oevers zijn geheel bezet

met zwaar geboomte, waarvan de overhangende takken boven het heldere

murmelende water een dicht gewelf vormen, waardoor de zonnestralen

zich niet dan met moeite een weg kunnen banen. Bijna al die beeken

en riviertjes vormen zoo, van afstand tot afstand, liefelijke, wel

beschaduwde kommen, die u uitlokken tot het nemen van een verfrisschend

en weldadig bad.

Terugkomende, vond ik de tafel gereed onder de veranda voor het

huis. De maaltijd liet niets te wenschen over, en onze geïmproviseerde

koks verdienden ten volle de complimenten, die hun wegens hunne

bekwaamheid werden gebracht. Het opperhoofd, uitgenoodigd met ons aan

te zitten, liet zich de spijzen voortreffelijk smaken, zoodat onze

voorraad erg verminderde; wij besloten dadelijk, dat deze uitnoodiging

niet zou worden herhaald. Welk een virtuoos in het eten was die man!

Na afloop van den maaltijd, dien wij gedeeltelijk bij lamp- en

kaarslicht genoten--de lamp was met gezuiverde kokosolie gevuld--,

begaf zich ieder naar de voor hem bestemde kamer. De dag was vrij

vermoeiend geweest, en na nog een uurtje gepraat te hebben, gingen

wij ter welverdiende ruste. De overige bewoners van het dorp en onze

gastheer hadden zich reeds te bed begeven.

De volgende dag was een zondag; den geheelen morgen door regende

het onophoudelijk: aan uitgaan viel niet te denken, en wij hadden

geen enkel boek bij ons. Wij wisten geen beter middel om den tijd te

dooden, dan te gaan kaartspelen. Gelukkig bracht de namiddag ons eenige

afwisseling; de weinige bewoners, die in het dorp waren achtergebleven,

begaven zich, als naar gewoonte, ter kerk, die nabij de woning van

het opperhoofd staat. Ook wij gingen daarheen. De houding der kleine

gemeente was alles behalve stichtelijk; de toehoorders, meest vrouwen

en kinderen, zaten en lagen, in de meest achtelooze houdingen, op de

matten, die den vloer bedekten. Bij afwezigheid van den engelschen

zendeling, nam het opperhoofd zelf de dienst waar.--Wij keeren naar

huis terug, om onze siësta te houden. De heer E.... komt nu tot

de ontdekking, dat de oude vrouw, die bij het opperhoofd inwoont,

de deur heeft opengebroken van de kamer, waar onze voorraad bewaard

wordt. Het blijkt dat zij den wijn en de sterke dranken duchtig heeft

aangesproken; trouwens haar gelaat vertoont daarvan de onmiskenbare

sporen, al houdt zij sterk en stijf staande, dat zij niet meer dan

een slokje geproefd heeft. Wat zij gebruikt had, zou voldoende geweest

zijn om drie sapeurs dronken te maken!

Intusschen was het nog harder gaan regenen; wij moesten dus wel

rustig onder de veranda blijven zitten. Het opperhoofd is een suffige

grijsaard, dien wij vergeefs aan het praten trachten te brengen;

hij verstaat ons maar half, en schijnt meer of min kindsch.

Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, gaan wij--de

heer E.... en ik, vergezeld van eenige Kanaks--op weg, om wilde

varkens te schieten; onze gidsen verzekeren ons, dat wij die dieren

op korten afstand van het dorp zullen aantreffen. Intusschen keeren

wij, na een uiterst vermoeienden marsch door het dichte kreupelhout,

terug, zonder een varken gezien of een schot gelost te hebben. De

heer E.... houdt zich dien dag verder bezig met de inschrijving van de

europeesche bevolking uit den omtrek. Drie of vier arme drommels, half

verwilderd en verstompt door een langdurig verblijf in het eiland,

komen zich aanmelden. Een hunner, een gewezen scheepstimmerman,

heeft bijna al de sloepen van het eiland gemaakt.

Wij hebben nu te Afareaitoe niets meer te doen; ons vertrek wordt

mitsdien tegen den volgenden morgen bepaald.

Door den aanhoudenden regen was de toch niet al te goede weg van

het eiland totaal onbegaanbaar geworden; er was maar één paard

te krijgen; de voorraad, dien wij medegenomen hadden, was reeds

belangrijk geslonken. Ik voelde weinig lust om de reis voort te

zetten, die waarschijnlijk vrij lang zou duren en de moeite niet

loonen. Ik besloot dus naar Papeete terug te keeren, te meer daar

ik geen misbruik wilde maken van het mij toegestaan verlof. Toen

ik mijn besluit aan den heer E.... mededeelde, trachtte hij mij wel

beleefdheidshalve te overreden bij hem te blijven: maar het kostte mij

niet veel moeite om hem te overtuigen dat dit niet wel mogelijk was,

daar zijn reis te lang zou duren. Op onze navraag, vernamen wij, dat

den volgenden dag een sloep met katoen naar Papeete zou vertrekken:

ik besloot van dit gunstig toeval gebruik te maken, en kwam met den

eigenaar overeen dat ik mede zou varen.

Bij het aanbreken van den dag, is ieder op de been. Mijne vrienden

brengen hunne bagage in een vaartuig, dat zij gehuurd hebben om hen

naar het dorp te voeren, dat de heer E.... moet bezoeken. De mutoi van

Afareaitoe komt met het eenige paard, dat hij heeft kunnen vinden; de

heer E.... zet zich in den zadel; ik neem afscheid van mijne vrienden,

en wij wenschen elkander goede reis.

Ik wacht nu rustig het uur van vertrek af. Eindelijk verschijnt

de eigenaar van het vaartuig, natuurlijk dood op zijn gemak. Door

zes sterke armen opgetild, waarbij ik mijne zwakke pogingen voeg,

is de sloep weldra te water gebracht, waarna de riemen, de zeilen

en de reusachtige katoenbalen aan boord worden gedragen. Wij volgen

op onze beurt: drie mannen, twee oude vrouwen, een kind en ik. Ik

kijk nog eens naar het weer: in de baai is het stil, maar uit het

zuidoosten komen met groote snelheid zwarte lage wolken opzetten,

die ons overvloedig met regen overstroomen. Ik maak de eigenaar

opmerkzaam op het ongunstige voorkomen der lucht. Hij antwoordt:

"Mea matai!" (zeer goed)--"Dan, vooruit maar!"

Onze roeiers brengen ons spoedig aan de andere zijde der baai: er

is nog geen wind. Het buitenste rif ligt achter ons; daar gaat een

geweldige branding: de hooge woeste golven schijnen zich te willen

vereenigen met de zwarte wolken, die daarover heen jagen. De zeilen

worden geheschen: naarmate wij in de open zee komen, laat de wind

zich sterker gevoelen; de hemel wordt al donkerder; de wind groeit

tot een storm, en weldra zijn wij verplicht onophoudelijk het water

uit te scheppen, dat over den rand der sloep heenslaat. Een felle

windvlaag verbrijzelt onzen mast; de regen valt bij stroomen neder;

en hoewel wij vrij dicht bij Tahiti zijn, kunnen wij toch niets

van de kust onderscheiden. De wind drijft ons met snelheid voort,

en ik begin mij ernstig ongerust te maken over den afloop van onzen

tocht. Het kanaal van Papeete is, zooals ik zeide, niet meer dan

eene smalle opening in het rif: missen wij die, dan zal de sloep

ongetwijfeld op de koraalbank verbrijzeld worden.

Weldra hooren wij het donderend gebrul der golven, die met woest geweld

op het rif aanrollen: het kritieke oogenblik nadert. Bij het voor

een oogenblik doorbrekend licht, zien wij gedurende eenige sekonden

het eilandje Motoe-Oeta, waarvan de kokosboomen door den storm heen

en weer worden geschud: wij zijn dus in de goede richting. Echter

is het gevaar nog niet geweken: geweldige golven bewegen zich in

schuine richting door het kanaal: het is bijna onmogelijk, dat

wij zonder ongelukken daar doorkomen. Wij zijn voor den ingang:

en dank zij de vastberadenheid en bekwaamheid onzer manschappen,

dank zij ook de bescherming des hemels, komen wij zonder ongeval,

door de machtige golven gedragen, in de kalme baai van Papeete, van

nu af veilig achter de zware dijken van koraal, waarop de machtelooze

oceaan vergeefs zijne woede verspilt.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 47 / 92 题