XXI.

Carpet-baggers.--De rotonde.

De partikuliere secretaris van William P. Kellogg brengt in ons hotel

de boodschap, dat indien ik wenschen mocht een bezoek te brengen aan

de wetgevende en aan de uitvoerende macht, de voorzitter Hahn en de

gouverneur Kellogg mij met zeer veel genoegen op het Kapitool zullen

ontvangen. In gezelschap van onzen consul, begeef ik mij dus op weg

langs de Koningsstraat, daar de ingang in de straat Saint-Louis nog

steeds gesloten is.

Na eenige woordenwisseling met zwarte soldaten en policie-agenten,

wordt ons de deur geopend. Onwillekeurig treden wij terug, half

verstikt door een afschuwelijken stank, een verpesten atmosfeer

van slechte sigaren en gemeene spiritualiën. De ruime zaal is bijna

donker; in een der hoeken brandt een gasvlam. De deuren en vensters

zijn met planken betimmerd; de vloer is bezaaid met kurken, gebroken

glazen, broodkorsten en afgeknaagde beenderen. De zaal is opgevuld

met leegloopers en ambtenaren, voor verreweg het meerendeel negers,

allen rookende, babbelende, joelende, doelloos heen en weer loopende

en dringende. Hier schreeuwt een katoenplukker, dat hij naar boven

wil, om de Kamer aan het werk te zien. Daar tracht een carpet-bagger

een zwarten kiezer aan het verstand te brengen, waarom de negers nog

niet de door Kellogg toegezegde veertig bunders en een goeden muilezel

ontvangen hebben. De trap opgaande, loop ik bijna een kerel tegen het

lijf, die al stotterende uitroept: "Dat's hetzelfde! de kleurlingen

hebben nu ook hun rechten!"

Na vrij lange onderhandelingen met de zwarte policie, die ons als

blanken natuurlijk voor spionnen of verraders aanziet, komen wij

aan de zaal der Tweede Kamer: een langwerpig, smerig vertrek met een

houten vloer. Overal staan spuwbakken, en sommige neger-afgevaardigden

zitten op hun gemak te rooken en heen en weer te wiegelen op hun

zetels. Er heerscht een bedompte, bedorven lucht. Elk lid heeft een

fauteuil, waarop zijn naam met groote letters geschilderd is; maar

het schijnt hun niet mogelijk stil te zitten. Zij drentelen rond,

staan telkens op, babbelen onder elkander. Vijf of zes leden voeren

te gelijker tijd het woord, en betichten elkander luide van leugen

en bedrog. "Stilte daar!"--"Mijnheer de Voorzitter!"--"Ga zitten,

leelijke neger, en zwijg!" Het is een leven, als op een boerenkermis.

Michael Hahn, die deze vergadering presideert, doet ons nevens zijn

zetel plaats nemen, on tracht ons eenige opheldering te geven omtrent

hetgeen wij zien.

"Het verwondert u, dat het geoorloofd is, in de vergadering te

rooken? Ja, gij moet weten dat het eigenlijk niet geoorloofd, dat het

zelfs verboden is; maar hoe zal ik dat verbod handhaven? Pruimen is

niet verboden; en toch is pruimen een nog walgelijker gebruik dan

rooken. Reglementen baten niets. Negers willen en zullen pruimen

en rooken.

--Waarom laat gij hen dan niet rooken in andere kamers?

--Dat is gemakkelijk gezegd. Maar laat ik u mogen zeggen, mijnheer,

dat het niet gemakkelijk te doen, dat het volstrekt onmogelijk is.

--Waarom?

--Omdat ik geen enkel lid kan missen. Zooals gij ziet, hebben wij

juist het vereischte getal. Zoodra een enkel lid zijne plaats verlaat,

kunnen wij niet voortgaan."

Een neger, Demas genaamd, lid voor Sint-Jansparochie, staat op en

interpelleert de Kamer met een daverende stentorstem. Daar is eene

zekere welsprekendheid in hetgeen hij zegt. "Ja, zegt de president

Hahn, daar steekt iets in deze kerels. Bijna allen zijn zij geboren

slaven. Een dozijn jaren geleden, zou het nauwelijks een hunner hebben

durven wagen, in tegenwoordigheid van een blanke zijn mond te openen."

De president beweert niet te weten, hoe veel leden van zijn parlement

zwart, en hoevelen blank zijn. "Wij letten niet op de kleur," zegt

hij. Maar terwijl Massa Demas met heftige gebaren staat te oreeren,

tellen wij de hoofden, en bevinden dat er vier-en-twintig blanken

zijn tegen acht-en-twintig zwarten. Vier-en-twintig en acht-en-twintig

maakt te zamen twee-en-vijftig: dat is dus vier leden minder dan het

vereischte getal! Toch heeft de voorzitter ons zoo even verzekerd

dat de Kamer voltallig is. Wij tellen nog eens over, en komen tot

dezelfde uitkomst.

"Houdt gij deze vergadering voor eene wettige Kamer, mijnheer de

Voorzitter?

--Ja, gewis is zij eene wettige Kamer, de Tweede Kamer van Louisiana.

--Maar er zijn niet meer dan twee-en-vijftig leden tegenwoordig.

--Zes-en-vijftig hebben bij het appel nominaal geantwoord."

O, Michael Hahn!

Wij gaan naar de Eerste Kamer, waar wij den voorzittersstoel zien

ingenomen door een rijzigen, bleeken neger met een klein hoofd en

verflenste trekken. Er zijn dertien blanke en vijftien zwarte senatoren

tegenwoordig, die bezig zijn te overleggen of het niet wenschelijk zou

zijn, den heeren senatoren te Washington eens een lesje te geven, door

op nieuw Pinchback af te vaardigen als senator voor Louisiana. Deze

vuilgrauwe, verloopen neger is niemand anders dan Cesar C. Antoine,

luitenant-gouverneur van den staat, en als zoodanig president van

den Senaat. Er zijn geen conservatieve leden tegenwoordig.

Cesar C. Antoine is een volbloed Afrikaan, hoewel hij minder zwart is

dan de meesten zijner broederen aan de boorden van den Niger of den

Senegal. Klein van gestalte en van zwakken lichaamsbouw, schijnt al

zijn kracht te liggen in eene soort van vrouwelijke sluwheid. Antoine

was sjouwer bij het Tolkantoor. Voor hij zich in de politiek begaf,

kon hij met moeite zijn brood verdienen; maar aangezien hij een

gouvernementspost bekleedde, vond hij zich den weg gebaand tot het

publieke leven. Zijne verheffing ging wonderlijk snel: bijna zonder

overgang verwisselde hij het zitbankje der pakkedragers met den zetel

van luitenant-gouverneur. Vroeger de knecht der klerken van de douane,

is hij tegenwoordig de meester der senatoren. Sedert de Khalief zijn

sloffendrager tot pâsja verhief, is het niet gezien dat een man van

zijn stand tot zoo hooge betrekking geroepen werd. Wel mag hij de

fortuin zegenen, want zonder haar zou hij het door eigen verdienste

nooit verder dan zijn eigenlijk beroep hebben gebracht.

Deze zwarte Caesar in Nieuw-Orleans is wel zoo goed mij te doen

gevoelen, dat hij het eens is met den blanken Caesar in Washington. Op

zijn pruim tabak kauwende en het vuile vocht in een grooten bak

spuwende, verzekert hij ons, "dat hij nooit zoo iets beleefd heeft

als die zaak van Wiltz"; en ook "dat de kleurlingen in Louisiana er

niets tegen hebben, dat generaal Grant voor de derde, of als hij zulks

verkiest, zelfs voor de zesde maal herkozen wordt." Twee Caesars in

hetzelfde schuitje!

Terwijl wij met Antoine naar het kabinet van Kellogg gaan, komen wij

Pinch tegen. Deze neger is boven de wolken, want de zwarte senatoren

hebben hem zoo even nogmaals tot senator voor Louisiana benoemd,

en Antoine heeft zijne geloofsbrieven medegebracht, die door den

gouverneur geteekend en gezegeld moeten worden. Uitgedost met een

reusachtig papieren halsboord, zijn kroeze hairen glimmende van

pomade, onophoudelijk glimlachende en gezichten trekkende, staat

Pinch voortdurend te buigen en te knikken. Hij is zoo bespottelijk

en zoo jammerlijk, dat ge geneigd zoudt zijn, hem een fooitje in de

hand te stoppen. Kellogg sehijnt den kerel te verachten, maar hij kan

zijne onderteekening en zijn zegel niet weigeren. Wie zal zeggen,

wat er inmiddels in zijn ziel omgaat? Pinch verliest hem niet uit

het oog, kauwt zenuwachtig op zijn pruim, en spuwt onophoudelijk

tegen de wanden en op het vloerkleed. Het is in waarheid een hoog

komisch tooneel. Zoodra de papieren geteekend en gezegeld zijn, pakt

Pinch ze bijeen, steekt een versche pruim in zijn mond, en gaat met

Antoine gearmd de kamer uit, om zich daarbuiten door zijn kameraden

te laten bewonderen.

"Het is een klucht, zegt de gouverneur Kellogg.--Pinchback is

nu evenmin senator als vroeger. Hij wordt beet genomen, maar die

kleurlingen zijn kinderen, die men zoet moet houden. Zoodra hij te

Washington komt, zullen zij wel uit hun droom ontwaken."

Kellogg is hoffelijk, ernstig en blijkbaar zichzelven meester. Naar

het algemeene zeggen, leeft hij letterlijk van leugens. Een vriend,

dien ik in de Kanaalstraat ontmoette, zeide tot mij: "Gij gaat

naar Kellogg? Laat mij u mogen zeggen, dat de man, dien gij gaat

bezoeken, een wonder is. Hij is voor niets bevreesd. Al de federale

soldaten in Nieuw-Orleans zouden hem niet kunnen dwingen, de waarheid

te zeggen."--De gouverneur heeft iets beminnelijks en innemends,

dat zijne vijanden geveinsdheid en bedrog noemen; maar hij ziet

iemand vrij in het gelaat, en de toon zijner stem is openhartig en

ernstig. Hij maakt op mij eer den indruk van een onrustigen dweeper,

diep doordrongen van de waarheid zijner meening, en volkomen bereid om

alles, en ook zijn eigen persoon, ten offer te brengen voor wat hij de

"goede zaak" acht. Na het vertrek van Pinch, vraagt hij ons of wij

de Kamer hebben gezien: eene vraag, die ons gelegenheid geeft hem te

vragen, of hij de Tweede Kamer als eene wettige vergadering beschouwt?

"Neen, antwoordt hij met een glimlach; zoolang wij het vereischte

getal niet hebben, zijn wij geene wettige Kamer. Over dat vereischte

getal loopen de gevoelens uiteen: onze raadgevers zeggen ons dat

vier-en-vijftig leden voldoende zijn, maar de gewoonte eischt

zes-en-vijftig; en zoolang dit punt niet door de rechters is

uitgemaakt, onthouden wij ons van elke handeling.

--Hebt gij dan vier-en-vijftig leden?

--Neen, drie-en-vijftig. De voorzitter Hahn heeft aan drie kandidaten,

wier verkiezing door het kiesbureau niet was goedgekeurd, toch vergund,

zitting te nemen. Dat is verkeerd. Daar de vergadering niet voltallig

is, mag zij ook niet over zetels beschikken.

--En ook geen voorzitter verkiezen.

--Gij hebt gelijk. Deze handelingen zijn onwettig en zonder mijne

goedkeuring geschied. Michael Hahn is evenmin voorzitter der Kamer,

als ik President der Unie ben. Mijne Kamer is slechts een club,

en niets meer, maar Hahn voert graag een titel, en de zwarte

leden zijn er op gesteld als leden eener wetgevende vergadering

te worden aangesproken. Wij wachten op eene schikking. Als de

President standvastig blijft, zal de andere partij spoedig genoeg

tot onderhandelen komen. Ik zou wel drie leden kunnen vinden,

om de Kamer voltallig te maken, maar ik wil den verlangden prijs

niet betalen. Ik verlang eene eerlijke regeering, en het zou mij

zelfs genoegen doen, indien de conservatieven in de Tweede Kamer de

meerderheid hadden. Blanken zijn beter te voldoen dan zwarten.

--Waarom dan de Kamer laten vergaderen, beraadslagen en verslagen

openbaar maken, alsof zij de wettige vertegenwoordiging ware?

Ik kan er niets aan doen. Onze tegenstanders zijn rijk, en wij zijn

arm. De aanhangers van Mac-Enery, allen welgestelde lieden, kunnen

hun traktement missen; onze partijgenooten, allen behoeftige lieden,

moeten noodwendig betaald worden. Als wij geen voorwendsel kunnen

vinden om hun drie dollars per dag te geven, dan kunnen zij niet

in Nieuw-Orleans blijven. Binnen een week zouden er dertig van de

vijftig gevlogen zijn. Ik laat ze vergaderen, over onverschillige zaken

beraadslagen en hun salaris ontvangen; maar ik verbied hun, ernstige

zaken te behandelen, zoo lang wij niet zeker zijn van den afloop.

--Gelooft gij dat wanneer de President er toe kan besluiten om

Sheridan te ondersteunen, de nieuwe wetgevende macht inderdaad iets

zal kunnen uitrichten?

--Ik hoop er het beste van; maar mijne taak valt mij zeer zwaar. Ik

verlang hartelijk naar het oogenblik, waarop ik mij zal kunnen

terugtrekken.

--Wel, niemand belet u immers om onmiddellijk Nieuw-Orleans te

verlaten?

--Het besef van mijn plicht houdt mij terug. Ik ben een partijman. Vast

overtuigd, dat de beginselen van mijne partij de beste zijn voor elk

deel van Amerika, heb ik gedaan wat in mijn vermogen was, om ze ook

hier in het Zuiden in toepassing te brengen. Mijn werk is nog niet

voltooid; maar ik ben tien jaar ouder geworden. Ik heb wel verdiend

te mogen rusten, maar ik mag niet terugtreden, zoo lang er nog eenige

kans is om te voltooien wat ik hier in dezen staat heb aangevangen."

Hij spreekt op ernstigen, bijna weemoedigen toon.

"Wat is mijn leven in Nieuw-Orleans, dat ik zou verlangen hier te

blijven? Als een vreemde indringer beschouwd, als een avonturier

gescholden te worden, dat is nog het minste. Maar iedereen vermijdt en

schuwt mij, behalve de schooier, die om een postje solliciteert. Geene

dame richt ooit een woord tot mij. Geen fatsoenlijk man reikt mij

immer de hand. Het gemeen jouwt mij uit; het is een wonder, dat ik

nog niet vermoord ben, en ik zal blijde zijn als ik er het leven

afbreng. Ik hoop dat ik eens zal kunnen heengaan, maar niet voor ik

mijn werk heb volbracht."

Tooneel:--De Rotonde in het hotel Saint-Charles te Nieuw-Orleans:

een marmeren vloer; open galerijen, rustende op dunne

kolommen--Tijd:--Woensdag, 13 Januari 1875, ten acht uur

des avonds.--Personen:--Generaal Sheridan met zijn staf; de

luitenant-gouverneur Penn, senatoren, leden van het Congres,

vreemde consuls, scheepgezagvoerders, korrespondenten van

dagbladen, ordonnans-officieren, koeriers, telegraafbeambten,

en voorts eene groote menigte, waaronder twee engelsche

reizigers.--Temperatuur:--kookpunt van het kwik.

"Bereidt u voor op eene vechtpartij," zegt eene welbekende stem,

als wij uit de eetzaal in de Rotonde komen. De zaak is aan den gang

en moet nu tot eene beslissing komen. Treedt Grant terug, dan zal

het vrede zijn; zoo niet, oorlog. Let op! Voor gij naar bed gaat,

zal het uitgemaakt zijn."

De middenzaal of hal van ons hotel is een reusachtig vertrek--de

rotonde van een gebouw, dat in Italië den naam van paleis zou dragen:

zij dient tegelijk tot conversatiezaal, tot wandelplaats, tot divan,

tot societeit en tot beurs. Hier komen handelaars om te koopen en

te verkoopen; spelers om hunne schulden te vereffenen; duellisten

om getuigen te zoeken; hier komt iedereen vooral ook om nieuws te

vernemen en zijne kennissen te ontmoeten. Hier komen telegrammen aan

uit alle oorden der wereld. Hier gaan de dagbladen van hand tot hand,

en wordt ijverig over de politiek geredekaveld. Alle vreemdelingen

nemen hun intrek in dit hotel, en de burgers van Nieuw-Orleans, die

hen over zaken te spreken hebben, komen hen zoeken in deze hal, het

centraal-punt der stad, waar ge bijna van alles krijgen en iedereen

ontmoeten kunt.

Dezen avond vooral levert onze Rotonde een zeer eigenaardigen aanblik

op. Generaal Sheridan, in burgerkleeding, staat bij een pilaar, zijn

sigaar rookende en met zijn vrienden pratende. Is het bloot toeval

of voorbedachtelijk, dat hij met zijn rug tegen dien pilaar leunt,

zoodat hij van achteren tegen iederen aanval gedekt is? Rondom

hem beweegt zich eene onrustige, opgewonden menigte van burgers,

waaronder velen die beroemde historische namen dragen. Onder hen

bevinden zich ook de generaals Ogden, Tailor en Penn. Die kreupele,

die zich daar een weg door de menigte baant, is generaal Badger,

nauwelijks van zijne wonden hersteld. De heeren nevens Sheridan,

mede in burgerkleeding, zijn generaal Emory en kolonel Sheridan,

een jonger broeder van den opperbevelhebber.

Bandieten! Hoe de zuidelijke trots en de zuidelijke drift opvlammen

in het oog dier senatoren en generaals, als zij statig en ernstig de

zaal doorgaan, zoowel door beleefdheid als door bedachtzaam overleg

weerhouden van een aanval op den man, die hen roovers en vagebonden

durft noemen, en die alleen op een enkel woord wacht om hen aan de

galg te brengen! Met wat koude en verachtende hoogheid gaan deze

aristokratische heeren langs den pilaar, waartegen Sheridan leunt!

"Vreest gij niet voor ongelukken? vraag ik aan generaal Penn.

--Niet bepaald, antwoordt hij. Men heeft ons het vuur na aan de

scheenen gelegd, maar wij kunnen, zoo noodig, veel verdragen.

--Maar ik geloof dat velen van deze heeren gewapend zijn; en een of

andere opgewonden dweeper zou, door drift vervoerd, lichtelijk tot

eene algemeene uitbarsting aanleiding kunnen geven.

--Dat is zeker mogelijk; maar de Bond staat onder vaste leiding. Geen

enkel lid draagt een wapen, zelfs geen zakmes, bij zich. Wij zijn sterk

genoeg, om het zonder messen en pistolen af te doen. Komt het tot een

strijd, dan zullen wij ons gedragen als soldaten, en niet als negers of

Kickapoos. Maar het zal zoover niet komen--de President treedt terug."

Het geruisch der stemmen rijst en daalt onder den hoogen koepel,

als de eb en vloed der zee op het strand. Nu stijgt het zoo hoog,

dat het de militaire muziek daar buiten bijna geheel overstemt;

dan weer verdooft het geheel, en de stilte is zoo volkomen, dat

men het getik van de telegraafnaald duidelijk hoort. Eensklaps laat

zich een tromgeroffel hooren. Aller oogen keeren zich naar de klok,

als ware de wijzerplaat een aangezicht, waarop de geheimen van het

kabinet van den President te lezen staan. Aller ooren zijn gewend

naar den telegrafist, als school in zijn toestel een verborgen geest,

die de mysteriën van het Kapitool ontsluieren kon. De berichten volgen

elkander onafgebroken op, zoodat de beambten nauwelijks tijd hebben,

ze te lezen: aldus vernemen wij, hier in de Rotonde, wat ten onzen

behoeve wordt gezegd en gedaan, niet alleen te Charleston en Richmond,

maar ook te New-York en te Saint-Louis, even spoedig als dit in de

Broadway bekend wordt. Wij staan in rechtstreeksche verbinding met

het Kapitool, zoodat wij kennis dragen van hetgeen daar voorvalt,

nog eer de bewoners van Washington dit vernemen.

Wij hooren dat de President zeer verlegen is en elk oogenblik van

besluit verandert. Gisteren was hij vast als een rots; heden morgen

is hij kneedbaar als deeg. Hartstochtelijk en koppig van aard, wil

hij zijn land regeeren op dezelfde wijze als hij zijn kamp regeerde,

en het verbaast en verbijstert hem dat zijn landgenooten van geen

militair bestuur gediend willen zijn.

De geweldige beweging, door de tijdingen uit Nieuw-Orleans in de steden

van het Noorden en Westen verwekt, was voor den President een geheel

onverwacht verschijnsel. Boston en New-York zijn onder de wapenen,

even als Chicago en Philadelphia, Saint-Louis en Cincinnati. Eene

algemeene blanke manifestatie antwoordt op de bedreiging van het

caesarisme. Welsprekende woorden worden alom gehoord; de republikeinen

vereenigen zich met de demokraten in de veroordeeling der politiek van

President Grant. De eerwaardige Bryant verheft zijne stem in New-York;

de liberale Adams spreekt uit naam van Massachusetts. Evarts leent zijn

naam aan een stuk, dat weinig minder is dan een formeele aanklacht

tegen den President en zijn kabinet. Kellogg en Packard, Antoine en

Pinchback zijn vergeten, en al de toorn en verontwaardiging treft den

hoofdschuldige in het Witte-Huis. Duizenden stemmen dringen er op aan

dat de President in staat van beschuldiging zal worden gesteld. Men

spoort aan tot afstand, men eischt dien als onvermijdelijk. Het gansche

land is in opschudding, de geheele blanke bevolking sluit zich samen

tot verdediging van het geschonden recht.

Gisteren scheen de President besloten, om zijn luitenant te

handhaven. De Senaat noodigde hem uit, verslag te geven van hetgeen

in Nieuw-Orleans voorviel, en mede te deelen, wat hij voornemens was

te doen; want de rapporten van Forster, Phelps en Potter, waarin de

onschuld der blanke bevolking van Nieuw-Orleans werd erkend en de

schuld der verwarring enkel aan de militaire partij werd geweten,

hadden een diepen indruk gemaakt. Wanneer zulke hartstochtelijke

partij-mannen als Forster en Phelps zelfs geen woord ten voordeele

van hunne politieke partijgenooten kunnen vinden, dan is de zaak wel

ontwijfelbaar verloren;--en toch scheen President Grant besloten,

op den ingeslagen weg voort te gaan, de verantwoordelijkheid voor

hetgeen geschieden zou op zich te nemen, en Sheridan de vrije hand te

laten. In dien zin zond hij een boodschap aan het Congres. Maar buiten

de bureaux van het departement van oorlog, waar zijn adjudanten

tieren en rooken, vond hij weinig personen, genegen om hem op

dien weg te volgen. Senatoren van zijn eigen partij en van erkende

ervaring en bekwaamheid, kwamen tot hem in zijn kabinet, om hem te

waarschuwen dat hij zijn partij te gronde richtte, indien al niet

zijn vaderland. Generaal Sherman aarzelt geen oogenblik zijne meening

uit te spreken, en die meening is niet gunstig voor den President. De

Vice-President der Unie, Wilson, komt openlijk in verzet, en sommige

invloedrijke dagbladen dringen er op aan, dat Grant het Witte-Huis

zal verlaten en het gezag in handen van Wilson overdragen. Nog meer:

Hamilton Fish verklaart, dat als de President Sheridan ondersteunt en

de handelingen van Durell en Packard goedkeurt, hij zijne betrekking

als staatssecretaris zal nederleggen. Dit werkt. Fish toch is

niet slechts de bekwaamste man in Grant's kabinet, maar ook een

der bekwaamste mannen van geheel Amerika. Bristow, secretaris van

financiën, schaart zich aan de zijde van Fish. Zonder deze leden,

kan het kabinet van den President geen week stand houden; en zal de

val van het kabinet niet wellicht de voorbode zijn van nog erger val?

De gouverneurs der machtigste staten voeren ook eene alles behalve

geruststellende taal. "Een staat is verdwenen, zegt gouverneur Allen

tot het volk van Ohio; een der souvereine staten van de Unie bestaat

sedert gisteravond niet meer." Een souvereine staat! Waarom heeft

de partij van Grant dan eigenlijk den oorlog gemaakt, indien niet om

dit begrip van souvereiniteit der staten voor goed uit te roeien? En

hier komt een gouverneur van een der groote staten, in een der rijke

en dicht bevolkte steden van het Noorden, spreken van Louisiana als

van een "souverein" lid der Unie! Tilden, gouverneur van New-York,

voert nog dreigender taal. "Voor handelingen als deze, hebben onze

engelsche voorvaderen Karel I op het schavot gebracht, en Jacobus II

van den troon verdreven."

Blijkbaar is de politiek van den sabel aan een keerpunt gekomen:

deze avond zal moeten uitmaken of zij een stap vooruit zal doen,

dan wel vele stappen terugtreden. De uitkomst schijnt aan een zijden

draad te hangen! Terwijl de President het voor en tegen overweegt,

kan een enkel pistoolschot, door een dwaas afgevuurd, den burgeroorlog

doen ontbranden. Sheridan is op alles voorbereid; en de verwoester

der vallei van Shenandoah zou ongetwijfeld, zonder eenige aarzeling

ook Nieuw-Orleans aan moord en verderf prijs geven. Heeft er eenmaal

bloed gevloeid, dan zal de President de partij zijner officieren

kiezen; maar wie kan zeggen, welke staten zich dan aan de zijde van het

gouvernement zullen scharen? Sedert de jongste verkiezingen is de staat

van zaken veranderd. Eene beweging ten gunste der blanken is begonnen;

het zwaartepunt der politiek is verplaatst. In de nieuwe Kamer zullen

de demokraten over eene aanzienlijke meerderheid beschikken. Komt het

tot eene botsing, wie zal zeggen welke afmetingen en welke richting

de blanke reactie dan nemen zal? Is het waarschijnlijk dat zij,

die zeven weken geleden met het Zuiden stemden, nu de wapenen zullen

opnemen om datzelfde Zuiden onder den voet te halen?

Van de galerij der Rotonde zien eenige dames nieuwsgierig neder op

die golvende zee van donkere en gebaarde aangezichten, onophoudelijk

naar de klok opgeheven. Onder die dames bevindt zich ook de verloofde

van Sheridan, wier pleizierreisje haar hierheen heeft gevoerd. Arm

kind! Zij ziet die gefronste wenkbrauwen, die dreigende gebaren;

zij kan met zekerheid vermoeden dat al die mannen gewapend zijn. Zij

weet ook dat allen haar minnaar haten met een onverzoenlijken haat,

die zelfs niet door bloed kan worden uitgedelgd. Wie kan haar de

verzekering geven, dat de avond niet met een algemeen bloedbad zal

eindigen?

Een kreet gaat op van den lessenaar van den telegrafist.--Een

bericht--een bericht--van Washington!

"Lees! lees!" schreeuwen honderden stemmen. Een der klerken springt

op een bank, met het telegram in zijn hand; hij wuift er mede heen en

weder, en roept vroolijk juichend: "Heeren, de President treedt terug!"

Eerst wil men het niet gelooven; bleek en sidderend vraagt de een den

ander: "Treedt hij terug?" en het antwoord is: "Ja, hij treedt terug!"

Nu komt er ontspanning; een glimlach speelt om de lippen, de oogen

stralen van vreugde, en allen beginnen luidkeels te praten en elkander

de hand te drukken. Enkelen ijlen heen, om het heugelijk nieuws ook

elders bekend te maken. De groepen ontbinden en verstrooien zich;

sommigen wachten de nog steeds aankomende telegrammen af, om nadere

bijzonderheden te vernemen.

"Het stuk is uit, zegt een wel bekende stem; Durell verstooten,

Belknap verloochend, Sheridan alleen gelaten. De President wijst

alle verantwoordelijkheid van zich af. Sheridan wordt niet gesteund,

en zijn lastgevingon worden onwettig genoemd. Ja, inderdaad het

stuk is uit. Sheridan kan nu tijd vinden voor zijn pleizierreisje,

en dan kan hij huiswaarts keeren om bruiloft te vieren. Een derde

verkiezing? Die is dood en begraven, 't Is gedaan. Exit Caesar!"

XXII.

Georgië.--Zuid-Carolina.

Atlanta, de hoofdstad van Georgië, verrijst weder uit haar asch. Op

zijn beruchten tocht van Chattanooga, vermeesterde Sherman de jonge

schoone stad, ter nauwernood zeventien jaren oud, en verwoestte haar

zoo volkomen, dat haar rivier vurige lava scheen, en van al haar

vroegere heerlijkheid niets meer was overgebleven dan hier en daar een

enkele rozenstruik. Atlanta viel als slachtoffer van den gruwelijken

burgeroorlog: thans herrijst zij uit haar graf, even als Georgië zelf.

Op een heuvel gebouwd, omringd met een gordel van groenende esch- en

pijnboomen, verheft zij fier haar torens en koepels boven het weelderig

geboomte en overschouwt de omringende vlakte: wel maakt zij den indruk

van eene hoofdstad, tot welken rang zij, na haar vreeselijke ramp,

door een trotsch en dankbaar volk verheven werd. [12] De grond is

uiterst vruchtbaar; weelderige akkers met katoen en rijst beplant,

malsche weiden, strekken zich aan alle zijden uit. Maïs en tabak

bloeien in frissche kracht, en boven het rijke landschap welft zich

een hemel, zoo rein en blauw als die van Cyprus. Hier grazen runderen;

elders wandelen herders met hunne kudden. Negers, met balen katoen

op hun hoofd, gaan met langzamen loomen tred de stad in. Het is een

echt landelijk, dichterlijk tafereel; in de hoofdtrekken engelsch,

maar toch in vele bijzonderheden van vorm en kleur u meer herinnerende

aan den Nijl dan aan de Trent.

Wit geschilderde houten huizen, met kolonnaden en tuinen, schuilen weg

in den lommer der boschjes en groepeeren zich langs de hellingen der

heuvelen. Rondom deze villa's spelen en dartelen knapen en meisjes

met frissche rozen op de wangen, met oogen stralende van moed en

levenslust. Dit is het onmiskenbare edele bloed van Oud-Engeland, zoo

krachtig en vol in Georgië als in York en Somerset. Denk haar zwarte

bevolking weg, en Georgië zou een engelsch graafschap kunnen zijn.

Doch ook in Georgië is de zwarte bevolking een zeer belangrijk,

hoewel gelukkig geen alles overwegend element. In tegenstelling

met Louisiana, Mississippi en Zuid-Carolina,--staten, waarin de

zwarte bevolking het in getalsterkte van de blanke wint;--hebben

in Georgië de blanke kiezers de meerderheid; maar die meerderheid

is gering, en de zwarte bevolking is in verscheidene graafschappen

zoo opeengehoopt, dat zij daar de verkiezing geheel beheerscht. Bij

voorbeeld--in Baldwin-county, Early-county en Sumter-county zijn

er ongeveer twee negers tegenover een blanke; in Baker-county,

Camden-county, Columbia-county, Effingham-county en Troup-county,

zijn er meer dan twee negers tegenover één blanke; in Liberty-county

heeft men omstreeks drie negers tegen één blanke; in Bullock-county

en Hurston-county is de verhouding ruim drie negers tegen één blanke;

en in Lee-county vindt men vier negers tegen één blanke. Wanneer

al de negers in deze en andere graafschappen zich aaneensloten en

de leiding volgden van de carpet-baggers, zouden zij, met behulp

van de bondstroepen, zoo goed als in Louisiana en Mississippi, ook

hier negers tot rechters, sheriffs en magistraten kunnen benoemen,

en zwarte senatoren naar Atlanta, indien al niet naar Washington,

kunnen zenden. Het graafschap Lee zou zijn Antoine kunnen bezitten,

al mocht ook Georgië zich niet kunnen beroemen op het bezit van een

Pinchback. Voor het oogenblik echter zijn de meeste negers nog rustig

aan den arbeid op hunne hoeven en in hunne woningen, en bemoeien zich

gelukkig niet met politiek; maar elk oogenblik kan een wachtwoord

van Vicksburg of Jackson, Shreveport of Nieuw-Orleans hen, als een

alarmkreet, in beweging brengen en het bewustzijn hunner noodlottige

macht in hen wakker roepen.

De zitting van 1875 wordt te midden van groote spanning en onrust

geopend. Gelukkiger dan haar naburen, Florida en Zuid-Carolina,

heeft Georgië haar onafhankelijkheid herkregen. Haar gouverneur,

James M. Smith, is in het land zelf geboren. De wetgevende macht en

de regeering zijn beiden in handen der conservatieven, en dus als

zoodanig hoogst vijandig gezind jegens President Grant.

Hoewel Georgië minder van den oorlog geleden heeft dan Virginië en

Zuid-Carolina, is de bevolking hier toch meer verbitterd dan in

de andere geconfedereerde staten. Het verbranden van Atlanta, de

plundering van Milledgeville, de opzettelijke en algemeene vernieling

van wegen en spoorbanen, van kanalen en bruggen:--dit waren, althans

in haar schatting, niet de onvermijdelijke gevolgen van een eerlijken

krijg, maar zuivere daden van woeste wraakzucht en blinden haat. Zulke

handelingen worden niet spoedig vergeten, en kunnen, zoo lang zij

niet vergeten zijn, ook niet vergeven worden.

Tien jaar geleden woedde in al deze steden van het Zuiden de

gruwelijkste burgeroorlog, ooit door zonen van hetzelfde vaderland

tegen elkander gevoerd. Legers van ettelijke honderd-duizenden

soldaten vertraden de bloeiende wijngaarden, de rijke plantages:

elke zuidelijke staat was het tooneel van bloedige belegeringen,

van moorddadige veldslagen. Prachtige wouden werden moedwillig

in brand gestoken, groote rivieren buiten hare bedding geleid,

bloeiende steden en dorpen vernield. Overal heerschte verderf

en moord en toomelooze balddadigheid. Wat wonder, dat de toen

met zoo ruwe hand geslagen wonden pijnlijke litteekenen hebben

nagelaten? De verscheurde en zwart gebrande muren van Atlanta

zijn nog niet verdwenen; de wrok en bitterheid in de harten der

wreed mishandelde, vertrapte bevolking van het Zuiden is nog niet

gestorven. De wonden, in den burgeroorlog geslagen, genezen niet dan

zeer langzaam. Een krijg tusschen de stammen verdeelde voor immer de

kinderen Israëls. De worsteling tusschen de patriciërs en plebejers

heeft eeuwen lang de ontwikkeling van Rome tegen gehouden. Inwendige

tweespalt leverde Sevilla in handen der Mooren, en Dublin in handen

der Saksers; straatgevechten en onlusten openden de poorten van

Constantinopel voor de Turken. Godsdienstoorlogen verzwakten Frankrijk

en putten Duitschland uit. De aanslag op Freiburg heeft een nog niet

gedoofden wrok achtergelaten in het hart der katholieke kantons van

Zwitserland. Maar geen feller en bitterder burgeroorlog, dan die,

waaraan een sociale kwestie tot oorzaak of voorwendsel strekt. Lange

jaren moesten er verloopen, eer Rome zich had hersteld van haar kamp

met Spartacus. De engelsche maatschappij werd door den opstand van

Cade tot in haar grondslagen geschokt. De bevolking van Wurzburg

en Rothenburg denkt nog met schrik aan den opstand van Münzer. De

strijd der Commune in Frankrijk is noch vergeten noch geëindigd,

en evenmin de communistische en federalistische beweging in Spanje.

"Zijn er veel leden van den Blanken Bond in Georgië? vroeg ik aan

een lid van den Senaat te Atlanta.

--Ja, antwoordde hij onbewimpeld; in alle distrikten waar ge blanken

en zwarten te zamen vindt, vindt ge ook leden van de blanke en van de

zwarte ligue. Dit is een noodzakelijk gevolg van den toestand. Ook in

Atlanta hebben wij blanke verbondenen; maar gij moet niet meenen dat

daaronder hier in Georgië zulke eerlooze schurken zijn, als waarvan

Sheridan spreekt en waarvan de republikeinsche bladen zoo veel weten

te verhalen. Daar is een echte en een valsche Blanke Bond. De echte

Bond bestaat uit eene vereeniging van conservatieven, die de orde

wenschen te handhaven en den eigendom te beveiligen; de valsche,

uit een hoop avonturiers, die den vrede wenschen te verstoren,

en huizen en landgoederen willen plunderen. Tot welk van deze twee

Bonden zouden wij, naar uwe meening, wel behooren: wij, die genoegzaam

al het land in Georgië bezitten en bebouwen? Bonden en onderlinge

vereenigingen zullen volstrekt noodig blijven, zoo lang de federale

troepen onze steden bezet houden. Indien wij onze stad en ons land van

den ondergang willen redden, dan moeten wij onze krachten vereenigen

en vast aaneengesloten blijven. De valsche blanke Bond echter is

slechts eene schepping van het partikulier kabinet van den President.

--Gij zijt dus van meening, dat de tegenwoordige verwarring eigenlijk

door de Regeering zelve wordt uitgelokt en bestendigd, ten einde eene

tweede herkiezing van generaal Grant als President te bevorderen?

--Met geen ander oogmerk. Al dat rumoer in Vicksburg en Nieuw-Orleans

komt hem uitnemend te stade. Als Billy-Ross President was en Beere-Poot

zijn minister van oorlog, dan zoudt ge niets meer van al die bonden

en vereenigingen hooren; maar dan zoudt ge dagelijks in de dagbladen

uitvoerige verhalen lezen van de misdaden der negers in Caddo, en

van de overweldigingen der blanken langs de Red-River. Als wij een

demokratischen President hebben, dan zult ge meer hooren spreken van

den zwarten dan van den blanken Bond.

--Die zwarte Bond bestaat dus werkelijk?

--In elk negerdorp en in elk negerkamp bestaat een zwarte bond. Na

den moord van Jemmy Gray, is het wel geene vraag meer, of er in

Mississippi een geheime zwarte bond bestaat."

In al de steden van het Zuiden is deze moord van Jemmy Gray en de

bekentenis, door den moordenaar afgelegd, het onderwerp van schier

alle gesprekken. Gray was een jonge neger, die van zijne plantage

naar Vicksburg kwam, en daar vermoord werd door een anderen neger,

Olivier genaamd, welke laatste echter handelde op bevel van een derde,

Jeff Tucker, mede een neger. Na zijne gevangenneming, heeft Olivier

eene volledige bekentenis afgelegd. Gray, zelf een lid van den zwarten

bond, beluisterde in zijne hut de beraadslagingen en geheime plannen

van zijne opperhoofden. Zoo vernam hij dat Vicksburg zou worden

aangevallen door zwarte soldaten, bijgestaan door het neger-gepeupel,

en dat al de blanke burgers zouden worden vermoord. Gray spoedde zich

weg, om enkele personen, die hem vriendelijk bejegend hadden, voor het

naderend gevaar te waarschuwen, en verijdelde alzoo den aanslag. Jeff

Tucker, een der hoofden en leiders van den bond, had vermoeden op Gray,

en beval dat hij gedood zou worden. Olivier betuigde diep berouw te

gevoelen, want Gray had hem nimmer eenig leed gedaan; maar Tucker was

zijn chef, en hij had zich bij eede verbonden alles te doen wat hem

geboden werd, al ware het ook de moord van een broeder. Toen Tucker

hem gelastte Gray te dooden, volbracht hij dien last, zonder zelfs

naar de reden te vragen. Hij beweert, dat hij dit niet durfde en,

door vrees gedreven, handelde. Indien hij Gray niet had gedood,

zou hij zelf zijn leven verbeurd hebben.

In Georgië schijnen de kleurlingen tevreden; maar wie zal zeggen, hoe

lang die kalmte duren zal? De neger is een geheimzinnig, raadselachtig

wezen: niemand kan voorzien wat hij al of niet zal doen. Stemmen

wijzen hem den weg; fetischen bezielen en geleiden hem. Zelfs hier

op de schoolbanken en in de kerk, blijven de onverdelgbare sporen van

zijn oud afrikaansch bijgeloof hem bij. Hij laat zich altijd verlokken

door de onzinnigste beloften, zoo als die van de "veertig bunders en

een muilezel"; en het ontbreekt nooit aan carpet-baggers, die, als het

oogenblik gunstig is, hem dergelijke beloften in het oor blazen. Hij

heeft eenmaal de macht in handen gehad, en de bedwelming van dat

oogenblik is sedert niet geweken. Welk een glorierijke dag voor het

kroost van Cham! Niets streelt den neger meer, dan een publiek ambt te

kunnen bekleeden; hoe innig goed doet het hem, zich met den titel van

"Edel-Achtbare" te hooren aanspreken, en op blanke losbollen de boete

wegens dronkenschap te mogen toepassen. "Hi! Hi! grinnikt hij op zijn

rechterstoel. Jij deugniet ... Jij dronken .... Tien dollars! Hi! Hi!"

Even als alle wilden, hebben ook de negers in Georgië een

onweerstaanbaren dorst naar rang en gezag. Het baat niet, of ge hun

al aan het verstand tracht te brengen, dat zij minder in aantal zijn

dan de blanken, en dat de minderheid zich aan de meerderheid dient

te onderwerpen. Naar hunne meening, moet ieder op zijn beurt heer en

meester zijn. De blanken hebben hun beurt gehad: nu moeten de negers

hun beurt krijgen.

Duizenden van deze negers zijn door de roekelooze regeering van den

staat gewapend en in den wapenhandel geoefend. De milicie-regimenten

bestaan voor het meerendeel uit kleurlingen, en deze neger-regimenten

worden gekommandeerd door scalawags en carpet-baggers, die,

uit de steden van het Noorden, als een verdelgende uitgehongerde

sprinkhanenzwerm, op de rijke katoenplantages en vruchtbare rijstvelden

zijn neergestreken. Geen wonder, dat deze troepen, in plaats van een

waarborg van orde en veiligheid, zelven de bron van wanorde en een

oorzaak van voortdurend wantrouwen zijn.

Sommige scalawags maken de negers wijs, dat de President aan het

zwarte ras de eerste plaats in den staat wil bezorgen, en hun

de vrije beschikking geven over de bezittingen en het leven der

blanken. En de negers en mulatten houden zich ten volle overtuigd,

dat deze scalawags de waarheid spreken. Arme drommels! zij kunnen

lezen noch schrijven. In hunne jeugd waren zij slaven. Van politiek

en geschiedenis hebben zij minder begrip dan de domste boerenarbeider

in Engeland. De zedewet en de regelen der samenleving zijn voor hen

ijdele klanken; maar de armste neger in Georgië begrijpt zeer goed

het onderscheid tusschen een vuil krot en een fatsoenlijk huis,

tusschen een welbezette tafel en een ledige spijskamer, tusschen

een warm kleed en een lap katoen, tusschen een plaats in de goot

en een zetel in het wetgevend lichaam. "Ziet, roepen de scalawags,

ziet naar Louisiana en Mississippi! Daar zijn de negers sheriff's

en assessors, rechters en wetgevers. Te Nieuw-Orleans en te Jackson

vindt ge neger-senatoren en neger-luitenant-gouverneurs; daar worden

de blanken door de bondstroepen in bedwang gehouden. Louisiana

zendt Pinchback, Mississippi zondt Rush, om de kleurlingen in het

nationale Congres te vertegenwoordigen. Sluit u dan aaneen en bezorgt

de overwinning aan uw eigen kandidaten...!"

Door deze voorspiegelingen verrukt, begint Sam [13] er ernstig over te

denken, om naar eene plaats in de wetgevende macht van den staat te

dingen. Is hij al niet zoo gelukkig als Pinchback, misschien brengt

hij het toch wel zoo ver als Antoine, of althans als Demas. Als Piet

in de Kamer te Jackson of te Nieuw-Orleans zit, waarom zou Sam dan

niet in de Kamer te Atlanta mogen zitten? Men zegt hem, dat de minste

senator drie dollars per dag verdient, zonder dat hij daarvoor iets

anders behoeft te doen dan te dommelen in een leuningstoel, tabak te

kauwen, te antwoorden als zijn naam wordt afgeroepen, en nu en dan

naar de koffiekamer to slenteren om whisky te drinken. In Louisiana en

Mississippi kwijten zijn zwarte broeders zich uitnemend van die taak:

waarom hij niet in Georgië?

"Gij zoudt schik hebben in sommigen onzer zwarte politieke mannen,

zeide mij zeker welbekend persoon. Van morgen, toen mijn zwarte knecht

mijn laarzen poetste, zag hij mij aan, en vroeg mij, met een dommen

lach, hoe hij het moest aanleggen om tot lid der Kamer benoemd te

worden. De kerel kan nauwelijks lezen en in het geheel niet schrijven;

hij slijpt mijn messen en verzorgt mijn paard; en toch wil hij wetten

maken voor mij...!"

Wat de verhouding tusschen het blanke on het zwarte ras betreft,

is Zuid-Carolina wel de ongelukkigste staat van de geheele Unie. In

Louisiana wegen de beide rassen ongeveer tegen elkander op. Na verloop

van negen of tien jaar, zal de schaal waarschijnlijk ten voordeele

van de blanken overslaan, want hun aantal wast aanhoudend, terwijl

dat der negers afneemt. Zelfs in Mississippi is de meerderheid der

kleurlingen niet groot: zeven zwarten tegen zes blanken. In geen

dezer beide ongelukkige staten is het afrikaansche element zoo

overwegend, dat elke strijd bij de stembus hopeloos moet worden

geacht. In Zuid-Carolina is dit anders. Hier is het overwicht van

het afrikaansche element volkomen: de neger en zijn bastaardbroeder

de mulat heerschen hier oppermachtig.

Volgens de laatste volkstelling, zijn er in Zuid-Carolina tien

zwarten tegen zeven blanken. In zeven graafschappen hebben de

blanken eene belangrijke, in drie andere een zwakke meerderheid;

maar in de twee-en-twintig overige graafschappen hebben de negers eene

verpletterende meerderheid. In de graafschappen Richland en Charleston,

staan zij als twee tegen een. In de bayous en de savannahs hebben de

kleurlingen bijna geheel de blanken verdrongen. In het graafschap

Beaufort telt men bijna zes negers tegen één blanke; in dat van

Georgetown, bijna zeven. De graafschappen Greenville, Anderson en

Spartanburg mogen blanke geleerden, advokaten en grondbezitters naar

de Kamers afvaardigen; maar de stem van een Trenholm of een Russell

heeft niet meer waarde dan die van een neger uit de moerassen; en voor

iederen Trenholm of Russell in het Parlement van Zuid-Carolina, zijn

er drie negers uit de moerassen. Wat vermag, onder de heerschappij

van zulk eene verstandige en billijke wet van gelijkheid, door de

federale troepen stipt gehandhaafd, de blanke volkplanter?

Het vooruitzicht is voorwaar somber genoeg, en toch vreezen de

burgers van Zuid-Carolina dat hun nog erger dingen te wachten

staan. De uitgestrekte gordel van moerassen en savannahs, die

van kaap Fear tot den Mississippi, en weder van dezen stroom tot

Saint-Andrew's-Sound reikt, schijnt voor de Afrikanen een nieuw

vaderland te zijn geworden. Daar leven en tieren en vermenigvuldigen

zij; en zoo de negers voor eene bepaalde streek binnen dien gordel

eene zekere voorkeur toonen, dan is het voor de heete en vochtige

landstreek tusschen Columbia en de zee. Klimaat en bodem zijn daar

voor hun gedijen even gunstig. Kalebassen kosten er bijna niets, de

tabak groeit er in 't wild, en er is overvloed van suikerriet. Zoo

ergens, dan zal de neger zich daar kunnen staande houden; en naar

het schijnt worden de Afrikanen ook inderdaad naar deze streek

heengetrokken, door de werking dier machtige en geheimzinnige wetten

van verwantschap, die na de emancipatie ongestoord haar invloed

kunnen doen gelden. Elders neemt het afrikaansche ras voortdurend

af. Boven deze voor hen zoo gunstige streek, maar toch nog altijd

binnen de grenzen van het Zuiden, strekt zich van de Chesapeake tot den

Missouri en den Arkansas een gebied uit, waar de negers vroeger als

slaven woonden en zich vermenigvuldigden. Maar tegenwoordig trekken

zij zich uit deze streken terug, om zich naar het Zuiden en naar de

zee te begeven. Missouri en Kentucky worden gaandeweg door hun zwarte

burgers verlaten: niet omdat de negers van daar met geweld verdreven

worden, maar ten gevolge van onnaspeurlijke oorzaken. Maryland en

Virginië verkeeren in hetzelfde geval.

Vanwaar die verhuizing van het afrikaansche ras van het noorden naar

het zuiden? Wie zal dat raadsel oplossen? Wie heeft tot dusver de

verklaring gevonden van deze periodieke verhuizingen, die aan mensch

en dier gemeen zijn? Welk toovenaar heeft het geheim doorgrond van de

zwaluw en de sprinkhaan, den haring en den springbok? Wie zal zeggen,

waarom, in vroeger dagen, de Gothen hun geboorteland verlieten;

waarom nu in dezen tijd de Chineezen hun heiligen grond verlaten? Men

zegt, dat Gothen en Chineezen tot deze verhuizing gedreven werden,

omdat het in hun land aan voedsel begon te ontbreken. Dit mag in

sommige gevallen een der medewerkende oorzaken geweest zijn en

nog zijn, maar daardoor wordt het verschijnsel in zijn geheel niet

verklaard. Reeds voor de vogels en de visschen is deze verklaring

onvoldoende, hoeveel te meer voor de hooger georganiseerde dieren en

bovenal voor den mensch. Sommige schepselen worden aangetrokken door

licht en warmte; anderen worden, onbewust, geleid door geheimzinnige

aandriften en neigingen, die dienstbaar moeten zijn aan het behoud of

de voortplanting des levens. Doch zeer dikwijls worden de menschen ook

gedreven door hooger behoeften dan die van warmte en voedsel. Het was

geen hongersnood, die de Kruisvaarders naar Syrië en de Pelgrimvaders

naar Nieuw-Engeland dreef. Het was niet de begeerte om in hutten te

wonen en zich met antilopenvellen te kleeden, die anderen naar Paraguay

en weder anderen naar Mexiko deed gaan. Wat doet de Russen naar

Troïtza, do Mooren naar Mekka, de Mormonen naar het Zoutmeer trekken?

"Gij meent dus dat de kleurlingen van Kentucky en Virginië naar

Zuid-Carolina trekken? vroeg ik aan een dagbladcorrespondent, met

wien wij over deze zaak spraken.

--Zonder twijfel, was zijn antwoord. Ten gevolge van mijn beroep, ben

ik voortdurend op reis, en onophoudelijk zie ik de negers, mulatten en

quadronen, bij gansche scharen, naar het Zuiden heentrekken. Ziekte

dunt echter die karavanen--want de zwarten zijn aan verschillende

epidemiën onderhevig; de meesten sterven eer zij ons land bereiken."

Wat moet men hieruit besluiten? Stort de gansche stroom der verhuizing

uit Missouri en Kentucky, Virginië en Maryland zich over Alabama,

Mississippi en vooral Zuid-Carolina uit? Of wordt de bestaande

verhouding tusschen de rassen, behalve door deze verhuizing, ook

nog door een andere oorzaak verbroken, die wijst op een algemeenen

achteruitgang van het zwarte ras? De vraag kan ook zoo gesteld worden:

neemt het afrikaansche ras over het algemeen in Amerika in aantal

toe?--en zijn de individuen van dit ras nu beter gehuisvest en gevoed

dan vroeger?

Over de vraag, of het getal der Afrikanen in Amerika toeneemt, loopen

de gevoelens uiteen. Zeker is het, dat de mate der vermeerdering, in

verhouding bij vroeger, is afgenomen. Dat de zwarten niet in gelijke

mate als de blanken in Amerika vermenigvuldigen, is een feit, dat

door niemand betwijfeld wordt. Ieder beoefenaar der statistiek zal ook

toegeven, dat zij na hunne vrijverklaring minder snel toenemen dan in

den staat der slavernij. Verder is men het er tamelijk over eens, dat,

behoudens enkele uitzonderingen, de negers en mulatten tegenwoordig

in slechter huizen wonen en minder gezond voedsel gebruiken dan vóór

de emancipatie. Zij zuigen meer suikerriet en kauwen meer tabak, maar

woning en voedsel zijn van minder gehalte. Kindermoord, de eigenaardige

ondeugd der wilde stammen, is onder hen zeer algemeen geworden.

De negers zijn in den regel afkeerig van het opvoeden hunner kinderen,

die veel moeite en last veroorzaken, veel geld kosten, en veel zorg

vorderen. Als slavin, was de negerin wel gedwongen haar kroost op

te voeden, want die kinderen vertegenwoordigden een kapitaal. Vrij

verklaard, kan zij haar natuurlijke neiging volgen: en even als bij de

Chineezen en de bewoners der Fidji-eilanden, drijft deze natuurlijke

neiging ook bij de negerin meermalen tot kindermoord. In Afrika

dooden de Papals en Bulloms hunne kinderen; en men is er in Amerika

nog niet in geslaagd, deze afrikaansche gewoonte uit te roeien. In

Zuid-Carolina moet een vrije neger voor eigen rekening zijn kind

kleeden en voeden, en iederen dollar, dien hij daarvoor uitgeeft,

moet hij missen voor de bevrediging zijner hoogste begeerten: tabak

pruimen en whisky drinken. Naar men mij verzekert, is kindermoord

thans in de negerkoloniën even algemeen als in de steden van China

of in de tartarijsche steppen.

Dat is de eigenlijke negerkwestie; en in vergelijking met haar

verdienen zulke kinderachtigheden als deze: zullen de zwarten in

dezelfde rijtuigen mogen rijden en aan dezelfde tafel zitten als

de blanken? of wel: zullen de zwarten, even als de blanken, het

stemrecht mogen uitoefenen, leden van wetgevende vergaderingen zijn en

wapenen dragen?--ter nauwernood de aandacht. De echte negerkwestie

in Zuid-Carolina en elders komt hierop neêr: zullen de zwarten,

in den vrijen staat, kunnen blijven voortbestaan?

Aan de slaven is landlooperij natuurlijk verboden. De grootste stap

in den overgang van wilde tuchteloosheid tot maatschappelijke orde, is

waarschijnlijk wel deze beperking der persoonlijke vrijheid, waardoor

de nomade tot een gezeten burger wordt. Er zijn wilde stammen, voor

wie deze overgang onmogelijk is. Kan men den Afrikaan aan eene vaste

woonplaats binden? Als vrije man, kan hij onbelemmerd zijn luimen

volgen. Hij gaat en komt naar het hem invalt:--de eene week is hij in

Missouri, de volgende week in Tennessee, de derde aan de Golf. Turkije

poogt enkelen harer arabische stammen aan vaste woonplaatsen te binden:

maar tot dusver zijn die pogingen ijdel gebleken. De kolonisatie der

russische steppen heeft tot de lijfeigenschap geleid; en eerst na ruim

drie eeuwen van onverbiddelijke, ijzeren tucht, waagde het de russische

regeering die banden te verbreken, in het vertrouwen dat de oude zucht

tot zwerven bij het volk nu zou zijn uitgedoofd. Zijn de negers rijp

voor kolonisatie en vestiging? Het is onmogelijk, een vrije Sioux of

een vrije Apache aan eene vaste woonplaats te binden. Een roodhuid

kan de mededinging met zijn blanken buurman onmogelijk volhouden:

hij gaat heen of bezwijkt. Heeft de neger wel de kracht om op zich

zelven te staan? In de slavernij wies het getal der zwarten aan;

na hunne vrijverklaring, slonk het getal der roodhuiden. Staat den

zwarten ook een gelijk lot te wachten? Indien het eens bleek dat de

vrome en welmeenende mannen, die niet rustten voor de negers waren vrij

verklaard, in hunne volslagen onbekendheid met de wetten der natuur,

ondanks de beste bedoelingen, inderdaad niets anders hadden gedaan

dan het vonnis geveld der langzame, maar onvermijdelijke verdelging

van het negerras?

"Wees van één ding verzekerd, zegt kolonel Binfield, een zuidelijk

officier, die de negerkwestie heeft bestudeerd op het slagveld, op de

tabaksplantages en in de openbare scholen;--wij hebben niet meer voor

wanorde op straat te vreezen. Wij zullen ons verder niet laten leiden

door bekrompen hartstocht. Wij hebben een fout begaan, door ons van

onze vlag te scheiden; maar wij hebben sinds lang die dwaling ingezien,

en zullen niet weder in dezelfde fout vervallen. Wij hebben nu ons

vertrouwen gesteld op de onveranderlijke wet des levens. De neger

heeft de macht in handen gehad. Zijn dwaasheid en wispelturigheid

ergerden ons, maar nooit heeft hij ons door zijn kracht ontzag

ingeboezemd. Zelfs nu, nu de gouverneur te Columbia op zijne hand is,

nu zijne vrienden de meerderheid hebben in de Kamers, en over alle

openbare machten beschikken,--zelfs nu vreezen wij hem niet. Geen

Afrikaan is tegen een Europeaan opgewassen. Zeker kan hij u in den

donker een dolksteek toebrengen of een brandende fakkel in uwe kamer

werpen, maar overigens kan een kleurling u niet licht ernstig kwaad

doen. De strijd van een blanke met een neger is als de strijd van een

man met eene vrouw. En dit geldt evenzeer van de massa. Neem er de

proef van. Sticht een kolonie, een Utopia, aan de oevers van de Santee

of den Edisto; [14] plaats tien Europeanen te midden van negentig

negers; geef aan elk der honderd kolonisten een gelijk aandeel in den

grond, een gelijke hoeveelheid werktuigen, gereedschappen, zaad, geld;

geef hun de meest mogelijke vrijheid en gelijkheid van recht; laat hen

den grond bebouwen, wetten maken en zich zelven regeeren. Na verloop

van tien jaren, zal de grond met de opbrengst en al het kapitaal

uitsluitend in handen der blanken zijn. De natuur heeft nu eenmaal

aan den blanke meer verstand en kracht, meer scheppend vernuft, meer

moed en volharding, in één woord, hooger gaven naar lichaam en geest

geschonken, dan aan den neger. Dit is een feit, en alle gemoedelijke

bespiegelingen en quasi-humanitaire droomerijen kunnen daaraan niets

veranderen. Ten spijt van voorbijgaande verwarringen, moet de blanke

in dit land meester zijn. Waarom zouden wij dan op nieuw onze toevlucht

tot de wapenen nemen? Slechts een vijand der blanke beschaving kan naar

een tweeden burgeroorlog verlangen. Wij behoeven slechts onzen tijd

af te wachten, zeker dat de overwinning in 't eind aan ons zal zijn."

Mijn vriend heeft gelijk. De neger is niet bestand tegen het leven

der vrijheid, dat hem verlamt en vernietigt. Alles in deze wereld

heeft zijn eigen tijd en plaats; en sedert twintig eeuwen is Europa

de kweekplaats van alle waarlijk levende krachten. Europa voorziet

de andere werelddeelen van leven op elk gebied. Een denneboom, van

Europa naar Amerika overgebracht, zal daar een woud verwekken en al de

inlandsche boomen in den omtrek dooden. Breng een paard en een stier

uit Europa over: zij zullen den buffel en den eland verjagen. Overal

treedt de lagere vorm voor den hoogeren terug.

Zelfs ondanks den tijdelijken steun van de bondstroepen, zal de

overmacht der negers ten slotte voor de wetenschap en beschaving

der blanken zwichten, zoo zeker als een woud van lagere planten

verdwijnt voor een engelschen denneboom, en een kudde vee voor een

engelsch paard.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 39 / 92 题