XXIV.

Charleston.--Richmond.

Als de koepel van Sint-Paul boven Londen, zoo verheft zich boven

Charleston de toren van een nieuw weeshuis, die de vroolijke stad en

de ruime baai, de fraaie torenspitsen en bloeiende tuinen, en ook de in

puin liggende gebouwen, beheerscht. Op het plat van dien toren gekomen,

vinden wij daar een wachter, die, in een hoek geleund, zijn pijp rookt

en naar de lucht ziet. "Hoe laat mag het wel zijn? vraagt hij ons.--Hoe

laat? even over twaalven.--Over twaalven! Dan moet ik de klok luiden!"

Bang! Bang!

Eenige voorbijgangers beneden in de straat kijken naar boven. Het is

middag, zeggen de lotus-eters.

Ja, het is middag, de ure des gebeds. Allah hu Akbar!

"Ge schijnt niet op eenige minuten te letten?

--Wel neen, Mijnheer; wij zijn niet zoo dwaas om ons over eenige

minuten meer of minder te bekommeren. Wien kan dat iets schelen?"

Die torenwachter is een inboorling vau Zuid-Carolina, en zijne woning

in de wolken is het hart van Zuid-Carolina. Welk een trotsch en

zorgeloos volk! wat een zonnige, schilderachtige stad! Zie daar

de Ashley en de Cooper, de twee rivieren die de stad omarmen,

zoo als de Hudson en de Oostrivier New-York omvatten; hoe rustig

en weelderig langzaam rollen zij hare wateren voort naar de baai,

zacht de stranden kussende en zich behagelijk kabbelend slingerende

tusschen de eilandjes, langs de forten Ripley en Sumter, tot zij

eindelijk zich verliezen in den Atlantischen-oceaan. Werp een blik op

die bosschages en priëelen van myrthen en palmen aan onze voeten: wat

weelderige groeikracht in den grond, wat rijke kleurschakeering in het

geboomte! Kunt ge u iets bekoorlijkers denken dan deze villa's langs

de baai, met het uitzicht op het kasteel Pinckney en op de batterij

van King-Street, met balkons, door rozen en palmen overschaduwd,

met bloeiende oranjeboomen, wier gouden vruchten boven het water

wiegelen? En wat heerlijke vrouwengestalten wandelen door deze tuinen,

zien uit door deze jalousiën, zitten op deze balkons! Voorwaar, wel

vloeit in hare aderen nog iets van het bloed der hooggeboren dames,

wier portretten ons door Lely en Van Dijck zijn nagelaten!

En toch, wat kracht en vuur hier, beiden bij mannen en vrouwen. Het is

een spreekwoord in Charleston, dat geen neger of mulat een gentleman

vlak in het gelaat durft zien. Hoevele negerinnen en mulattinnen

zouden den blik van eene dezer blanke jonkvrouwen kunnen verdragen?

De regeering is niettemin afhankelijk van de zwarte kiezers,

en voor het oogenblik is Zuid-Carolina een neger-republiek, die,

even als een italiaansch gemeenebest uit de middeleeuwen, door

een vreemdeling wordt geregeerd. De naam van dien amerikaanschen

podestà is Daniel H. Chamberlain. Robert H. Gleaver, een neger,

is luitenant-gouvorneur. Van de drie-en-dertig senatoren zijn er

veertien zwarten; van de honderdvier-en-twintig leden der Tweede Kamer

zijn er niet minder dan drie-en-zeventig negers. Gleaver, de zwarte

luitenant-gouverneur, is voorzitter van den Senaat; de voorzitter van

de Kamer, Elliot, is ook een neger. Onder die senatoren en Kamerleden

zijn er maar weinigen, die hun naam kunnen teekenen; niettemin willen

zij de hoogste regeeringsposten bekleeden. De staatssecretaris is een

neger. Betrekkingen, die zekere vaardigheid in het lezen en schrijven

vereischen, zoo als die van prokureur-generaal en superintendent van

het onderwijs, worden aan de blanken overgelaten; maar de ambten,

waaraan hooger traktement en meer invloed verbonden is, behouden

de zwarten voor zich. De directeur van financiën, de adjudant en de

inspecteur-generaal zijn negers. De opperrechter Moses is een blanke;

maar zijn assessor, Wright van Beaufort, is een kleurling.

Even als in Engeland, plachten ook in Carolina de rechters voor

hun leven benoemd te worden, en even als in het moederland,

werden zij ook hier niet dan in zeldzame gevallen van hun ambt

ontzet; maar dit conservatieve stelsel is onder de heerschappij der

Reconstruction-Act ter zijde gezet. Een rechter wordt nu slechts voor

vier jaren aangesteld, en maar zeldzaam herbenoemd. Zijn mandaat

duurt kort, en hij moet dus zorgen er zooveel mogelijk profijt van

te trekken. Sommige rechters--naar mij van bevoegde zijde verzekerd

wordt,--drijven handel in katoen, rijst en andere artikelen, en

verschijnen niet zelden als partij in rechtsgedingen. Een domme neger,

door de stemmen van partijgangers op den rechterstoel geplaatst,

staat aan velerlei verzoekingen bloot!

Een neger kan maar niet begrijpen, dat er voor het bekleeden van een

ambt zekere voorbereiding, om niet te zeggen een natuurlijke aanleg,

noodig is. Een ambt is voor hem niets anders dan een vrijbrief om naar

hartelust te kunnen rooken, stil te zitten, onbeschofte antwoorden

te mogen geven, en vooral een goed salaris te ontvangen. Het ambt

is om den mensch, en niet de mensch om het ambt. Als gij een neger

vraagt wat hij begeert, zal hij u antwoorden: "eene betrekking";

terwijl het hem verder tamelijk onverschillig is of ge hem rechter

dan wel cipier maakt.

Eenige weken geleden ontmoette ik te Philadelphia een kleurling,

Henry Griffin genaamd, vijf-en-dertig jaren oud en portier van zijn

beroep. Dit scheen hem niet langer te bevallen; hij wilde hooger

op. Zijn buren en kameraden ontvingen hun aandeel van den algemeenen

buit: waarom hij ook niet? Daarom had hij zich, tot groot vermaak

van zijn patroons, kandidaat voor de Kamer gesteld in het zevende

arrondissement van Philadelphia.

"Tot welke politieke partij behoort gij? vroeg ik den kandidaat.

--Ik ben republikein, Mijnheer.

--Republikein! Maar dan stelt gij u tegenover Bardsley en Patterson,

mannen van uw eigen partij, en geeft daardoor aan uw tegenpartij,

de demokraten, een kans op de overwinning.

--Dat mag zijn; maar wij willen ook ons deel hebben, en de

republikeinen bedriegen ons op allerlei manier.

--Zoo? Ik dacht dat zij u de vrijheid geschonken en voor u tegen

hunne broeders in het Zuiden gevochten hadden?

--Ja, dat is al lang geleden. Dat is dood en begraven. Ik spreek van

nu. Wij, kleurlingen, stemmen voor de republikeinsche lijst. Maar als

zij, door onze stemmen, het winnen, dan geven zij ons toch niets. Wij

hebben een blanken gouverneur, een blanken staatssecretaris, een

blanken opperrechter.

--Zoudt ge dan willen dat een zwarte opperrechter de plaats innam

van Daniel Agnew?

--Wel, Mijnheer, zouden wij dan geen raadsheer, geen brievenbesteller,

geen policie-agent van onze kleur mogen hebben? In New-Jersey, aan de

overzijde van de Delaware, vindt ge zwarte policie-commissarissen en

zwarte magistraten. In Pennsylvanië noemen wij ons ook republikeinen,

maar geen enkele kleurling bekleedt daar eene openbare betrekking,

behalve die van portier in de gevangenissen: en die beambten moeten

hun eigen kamer aanvegen en hun eigen muren witten! Is dat gelijkheid?"

Griffin is openhartig. Hij heeft de kunst niet geleerd om leelijke

zaken in fraaie woorden te kleeden, en zegt u zonder omwegen, dat

hij gaarne ook zijn vingers in de schatkist wil steken.

De staat van zaken te Charleston is bevredigend: bevredigender dan

men zou verwachten onder het bestuur van carpet-baggers, met eene

Kamer voornamelijk uit negers bestaande, en met een federaal leger

in bezetting.

Daniel H. Chamberlain, de gouverneur, is uit Nieuw-Engeland

geboortig, en te Charleston gekomen, zoo als William P. Kellogg te

Nieuw-Orleans kwam: met een reiszak, aangename manieren en een gladde

tong. Hij is een geruimen tijd aan het bestuur geweest, en door

de conservatieven, trouwens niet zonder goede reden, allerheftigst

bestreden; maar tegenwoordig wijzigt hij zijn politiek: hij beteugelt

de uitspattingen van zijne vrienden de kleurlingen, en luistert

meer en meer naar de blanke minderheid. Gematigde conservatieven,

zoo als kapitein Walker en George A. Trenholm, zijn niet ongezind

hem te steunen en te helpen, in plaats van tegen hem te stemmen,

te spreken en te intrigeeren. Chamberlain heeft veel kwaad gesticht,

en zal misschien nog meer kwaad stichten. Bekwamer dan Kellogg, zijn

hem daarbij de omstandigheden in Zuid-Carolina gunstiger. Chamberlain

wordt gesteund door eene overwegende zwarte meerderheid. Hij heeft

ook in het Noorden meer invloed dan Kellogg: niet omdat de burgers

van Boston en New-York hem beter kennen of hooger schatten dan zijn

mededinger, maar omdat de schuld van Charleston hun levendiger voor

den geest staat dan de schuld van Nieuw-Orleans. Welke maatregelen

van bedwang en onderdrukking hij ook mocht voorstellen, steeds zou

Chamberlain kunnen rekenen op den steun van het Congres en de sympathie

van alle steden van het Noorden. Want de schuld van Charleston kan

niet vergeten en vergeven worden. Hier werd het plan der afscheiding

ontworpen; hier werd de vlag der Unie voor het eerst beleedigd. [15]

Duizenden en tienduizenden in het Noorden zijn van meening, dat deze

stad met den grond gelijk had moeten gemaakt worden, dat men haar

werven en dokken had moeten vernielen, haar havens dempen, en haar

bevolking verstrooien naar de vier winden!

Tegenover een man, die zoo groote macht bezit en zoo onverzoenlijken

haat vertegenwoordigt, is bedachtzame gematigdheid in woorden

en handelingen voor de conservatieven dubbel noodig. Even als

vele andere vreemdelingen, is ook Chamberlain niet ongevoelig voor

beleefdheden en voorkomende bejegening. Hij zit gaarne aan de wel

voorziene tafels der aanzienlijken, en hunkert naar den welwillenden

glimlach der bekoorlijke, aristokratische dames. Een podestà in Verona

of Ferrara, zal, in den regel, ook wel niet ongevoelig zijn geweest

voor de bekoringen van het maatschappelijk verkeer: en de podestà

van Zuid-Carolina beantwoordt deze voorkomendheid en beleefdheid der

blanken zoo veel hij maar eenigszins kan, zonder gevaar te loopen, de

voor hem onontbeerlijke sympathie zijner zwarte vrienden te verliezen.

"Het gaat tegenwoordig beter met u, niet waar? vragen wij aan een

volbloed conservatief.

--Zoo, zoo. Wij wachten en dragen, want de tijd werkt in ons

voordeel. Chamberlain, hoewel een vreemdeling, zoo als Kellogg in

Louisiana, is ten minste ten naasten bij een fatsoenlijk man. Hoewel

wij ons noch met zijn herkomst, noch met zijn politiek verzoenen

kunnen, is het althans mogelijk, in het algemeen belang, hem onze

medewerking te schenken."

Naar onze consul mij verzekert, begint de handel langzamerhand te

herleven, maar de oude, ietwat zorgelooze en voorname manier van zaken

te doen is thans voorbij. Jongelieden, van New-York en Chicago gekomen,

hebben daarin eene geheele verandering gebracht. Zij hebben oog noch

hart voor iets anders dan voor hunne zaken, en zwoegen en arbeiden

op de werven en op de kantoren, van den vroegen morgen tot den laten

avond. Het is te begrijpen, dat zulke lieden spoedig fortuin maken.

In leeszalen en clubs hooren wij hetzelfde verhaal. Door haar

overhaasting, gaf Charleston aanleiding tot het uitbarsten van den

burgeroorlog. Geen koopstad had meer te verliezen, geene heeft

zoo zwaar geleden. Haar hoogmoed is tot den grond vernederd en

doodelijk gekwetst; maar zij doet haar best om, met prijselijke

zelfverloochening, haar tegenwoordige ellende te vergeten, haar

vorige verkeerdheden weer goed te maken, en zich eene betere toekomst

te bereiden.

"Wat nuttigheid heeft het, den demokraat te spelen? zegt de

eigenaar van een katoenplantage, met wien ik in de club over de

toekomst van Zuid-Carolina spreek.--Het dient tot niets. Onze

afdeeling der amerikaansche demokratische partij is dood. Zie deze

kiezerslijsten. Men zegt dat die lijsten valsch zijn, en wij weten ook

wel dat dit inderdaad het geval is. Maar hier liggen zij voor ons, en

de federale officieren houden staande dat zij met stipte eerlijkheid

zijn opgemaakt. De wet heeft aan de negers het stemrecht gegeven,

en in eene republiek is het stemrecht alles in alles. Waarom zullen

wij dan met ons hoofd tegen den muur loopen?

In 1868 hebben wij het beproefd. En met welk gevolg? Wij werden overal

reddeloos geslagen. Te Charleston werd geen enkele conservatieve

kandidaat verkozen. Een derde van de Kamer bestond uit schuim van

blanken--vreemdelingen, bankroetiers, scalawags; er was niemand onder,

in wien onze burgers vertrouwen konden stellen. Verder bestond de

vergadering uit negers en mulatten, waarvan er ter nauwernood éen lezen

en schrijven kon. Door Chamberlain geholpen, plunderden en mishandelden

ons die schavuiten; wij verdroegen geduldig die beleedigingen--onder

de bedreiging hunner kanonnen, het is waar:--tot de tijd voor eene

nieuwe verkiezing gekomen was. Door de ondervinding geleerd, sloegen

wij nu een anderen weg in, wel niet met de gewenschte beslistheid en

eenstemmigheid--het is niet zoo gemakkelijk, den ouden Adam uit te

schudden!--maar toch met zoodanig gevolg, dat wij moed kregen, verder

op dien weg voort te gaan. Hoewel wij het nog niet zoo ver gebracht

hebben, dat er te Columbia eene conservatieve regeering zetelt [16],

zoo hebben wij toch reeds eene blanke meerderheid in den Senaat,

en eene sterke blanke minderheid in de Kamer. In het graafschap

Charleston, waar de negers tweemaal zoo talrijk zijn als de blanken,

hebben wij toch door onze nieuwe taktiek de helft der zetels veroverd.

--Hoe is dat in zijn werk gegaan?

--Door overleg en goed oordeel; door de kunst der blanken om zich

te organiseeren en te kombineeren. In sommige graafschappen zijn wij

te zwak, om den strijd te wagen. Waarom zouden wij zeven kandidaten

stellen in het graafschap Beaufort, waar het getal der negers zes

tegen éen bedraagt; of drie kandidaten in het graafschap Georgetown,

waar zij zeven tegen éen sterk zijn? Waarom zouden wij dingen naar al

de achttien zetels voor Charleston-county, waar de negers tweemaal

zoo sterk zijn als wij? Zoolang wij niet meester zijn van het fort

Sumter en van de citadel, valt er aan deze valsche kiezerslijsten

niets te veranderen. Is het daarom niet beter, zoo vroegen wij ons af,

in eene schikking te treden?

--En...?

--Wel, enkelen waren van meening dat elke poging ijdel zou zijn;

anderen geloofden, dat er kans op welslagen bestond. De negers

hebben hunne leiders, en die leiders wenschen niets vuriger, dan

vooruit te komen. Het is voor een neger een zaak van groot gewicht,

met een fatsoenlijk man te mogen praten; en ondanks al hetgeen gedaan

was om de voormalige slaven tegen hunne oude meesters op te zetten,

behielden de negers toch de diep gewortelde gehechtheid aan de plaats

hunner geboorte. De meesten onzer waren van meening, dat er eene

overeenkomst zou te treffen zijn.

--En werd de proef gewaagd?

--Ja; kapitein Dawson, een onzer bekwaamste mannen, begaf zich tot de

negers, die hem goed ontvingen en naar zijne woorden luisterden. Hij

bracht hun onder het oog, wat ook waar is, dat blanken en kleurlingen

in hetzelfde schuitje varen, en te zamen moeten bovendrijven of

vergaan; en hij vroeg hun, of het niet beter zou zijn, indien zij te

zamen arbeidden in plaats van elkander tegen te werken? Zij waren

dat met hem eens. Dawson zeide hun daarop, dat de blanken er niets

tegen hadden dat de negers, waar zij de meerderheid hadden, hunne

eigene kandidaten kozen; maar hij voegde er bij, dat de blanken, in

het algemeen belang, er prijs op moesten stellen, dat zij geschikte

personen kozen. Uit naam van zijne vrienden, beloofde hij, dat

wanneer de negers in die distrikten geschikte personen wilden kiezen,

hetzij blanken of zwarten, de blanken daar geen kandidaten tegenover

zouden stellen, waardoor aan de negers veel moeite en kosten zou

worden gespaard. Zijn voorstel beviel hun, ook door de flinke wijze

waarop het werd gedaan; en ondanks den tegenstand van scalawags

en andere intriganten, werd de overeenkomst getroffen en eerlijk

nageleefd. Er werden gematigde republikeinen gekozen, in plaats van

vreemde fortuinzoekers, bankroetiers en communisten, zoodat wij nu,

in spijt van de overmacht der negers, een machtigen invloed op de

wetgeving uitoefenen."

Naar men ons verzekert, heeft de goede uitkomst van deze nieuwe

politiek op den gouverneur Chamberlain een sterken indruk gemaakt. Het

is gebleken, dat, ter bereiking van het beoogde doel, samenwerking met

de negers bepaald de voorkeur verdient boven openbaren strijd tegen

hen. Dit heeft gewerkt: Chamberlain verandert van taktiek; want hij

weet zeer goed, dat hij met de nieuwe Kamer nimmer te Columbia zou

kunnen verrichten, wat Kellogg te Nieuw-Orleans poogt te doen.

Er is juist onlangs iets voorgevallen, dat zijne oprechtheid op

de proef heeft gesteld. Sedert verscheidene maanden kwamen er bij

hem voortdurend klachten in over verregaande wanordelijkheden in

Edgefield-county. Dit graafschap wordt bespoeld door de Savannah, en

grenst aan Lincoln-county in Georgië; de zwarte bevolking heeft hier

verreweg de meerderheid. De milicie bestaat uit negers, de generaal

en de officieren van zijn staf zijn negers; de sheriff, de rechter en

andere ambtenaren zijn mede allen negers. De blanke bewoners worden

als verwonnelingen behandeld. Als een blanke in verzet komt tegen

eene of andere beleediging, dan wordt aanstonds de zwarte milicie

onder de wapenen geroepen. "Gij moogt de milicie van den staat niet

oproepen, zeggen de burgers: dat is in strijd met de constitutie;"

maar wat weten de neger-kapiteins en kolonels in Edgefield-county

van de constitutie? Ontstaat er twist tusschen een zwarte en een

blanke, dadelijk roept de neger-kapitein zijn kompagnie op, en het

komt onvermijdelijk tot eene bloedige botsing. Twee jaar geleden,

weigerde gouverneur Chamberlain tusschenbeiden te komen. Met zijn

zoetsappigsten glimlach vertelde hij aan dengeen, die zijne bescherming

inriep, dat men veel beweging maakte over niets; zijn secretaris,

openhartiger van aard, kwam er rond voor uit, dat de oude tyrannen

hun verdiende loon ontvingen.

Maar de gouverneur luistert nu naar rede; en daar op nieuw klachten

uit het graafschap inkwamen, heeft hij een republikeinsch magistraat,

den rechter Mackey, gezonden, om een onderzoek in te stellen en

middelen tot herstel aan te wijzen. Mackey is juist onlangs van

zijne zending teruggekeerd, en heeft verslag uitgebracht. Hij zegt

daarin, dat, in openbaren strijd met een artikel der constitutie van

den staat, de zwarte officieren in het graafschap Edgefield de vaste

gewoonte hadden om hunne kompagniën onder de wapenen te roepen en aan

straatrumoeren en vechtpartijen deel te nemen. Hij wijt de schuld van

bijna alle wanordelijkheden aan het wanbestuur en de schromelijke

misbruiken der negers; en verklaart dat sinds de dagen, waarin de

normandische baronnen hun saksische hoorigen dwongen een ijzeren ring

om den hals te dragen, nimmer eene engelsch sprekende bevolking zulke

onwaardige behandeling heeft ondergaan, als de blanke bevolking van

Edgefield-county. Mackey eindigt zijn rapport met den gouverneur voor

te stellen, den neger-regimenten te ontbinden en te ontwapenen.

Chamberlain is geneigd dien raad te volgen, maar dit is niet zoo

gemakkelijk. De negers zijn nu aan het gebruik van wapenen gewend, en

zullen zich misschien niet op die wijze laten ontwapenen. Er heerscht

alom een onrustige, strijdlustige geest, en een neger-opstand behoort

niet tot de onmogelijkheden. Als Chamberlain zijn zwarte troepen

ontbindt, dan zal hij genoodzaakt zijn steeds meer zijn steun bij de

blanken te zoeken.

Russell, Trenholm en Dawson hebben metterdaad getoond, dat de echte

geest van staatsmansbeleid in hen woont; de overwinning door de

conservatieven te Charleston behaald, is een aanmoediging en een

gelukkig voorteken voor alle andere zuidelijke staten.

In de bibliotheek van het Kapitool staat een beeld, bekend onder den

naam van de Pupil der Natie, en voorstellende een negerknaap, in al de

frischheid zijner jeugd en al de onmacht van zijn ras. De neger-type

is gewijzigd, hoewel niet zóó als in Story's Afrikaansche Sibylle,

waarin de kunstenaar zoo aangrijpend de smart en het lijden van een

onderworpen volk heeft uitgedrukt. Bij den Pupil der Natie straalt

het gelaat van zonneschijn, en het gansche beeld is als doorademd

van physieke bewegelijkheid en zinnelijken levenslust. De opwaarts

gerichte oogen schijnen het licht te zoeken. Vrij, en zich zijner

vrijheid bewust, staat de jonge neger toch verward en verlegen. Wat

zal hij doen met dit ontzaglijk geschenk? Vol kracht en levensmoed,

onvermoeid bij den arbeid en vlug in het leeren, is het toch nog

noodig dat hem de weg gewezen worde, dien hij te volgen heeft.--Dit

is de dichterlijke, ideale voorstelling van den negerknaap.

Voor de vensters der winkels van Richmond kunt ge eene andere

voorstelling van hetzelfde beeld zien, maar ditmaal door een

kunstenaar, die niet idealiseert: door de zon. De onverbiddelijke

lens heeft den neger weergegeven, zoo als hij werkelijk is: zittende

aan den ingang eener metselaarswerkplaats, op een hoop gruis en puin

en stof. De plaats moet aangeveegd worden, en den negerjongen was die

taak opgedragen: maar de verleiding van den zonneschijn is hem te sterk

geweest. Van nature is de neger afkeerig van iederen arbeid; luieren en

soezen is zijne geliefkoosde bezigheid. In plaats van de straat aan te

vegen, heeft Sam zich te midden van den rommel neergezet. Hij speelt

met den steel van zijn bezem, laat zijn hoofd op zijn hand rusten,

en verliest zich al spoedig in het land der droomen. Hij voelt er

niet de minste behoefte aan, dat iemand hem voorthelpe en den weg

wijze, dien hij in het leven volgen moet. Hij verlangt eenvoudig,

dat men hem met rust zal laten, opdat hij zijn oogen kunne sluiten,

en zich bakeren in den zonnegloed.--Dit is de prozaïsche voorstelling

der nuchtere werkelijkheid.

"Ge zult de meesten van onze nationale pupillen wel in slaap

vinden, juist als Sam," zegt lachende een mijner vrienden. Langs

de James-rivier ontmoet men echter enkele exemplaren eener soort

van negers, die door eigen arbeid zich eene positie hebben weten te

verwerven. Men verhaalt mij van kleurlingen, die, de steden met al

haar ongerechtigheden verlatende, zich op het land gevestigd hebben,

die na harden arbeid kapitaal zijn begonnen op te leggen en voor hunne

spaarpenningen boerderijen hebben gekocht. Vele negers zijn op die

wijze kleine grondbezitters geworden, en leggen zich vooral toe op de

winstgevende tabakskultuur. Deze kleurlingen zenden hunne kinderen

naar school. Mulatten hebben aan amerikaansche universiteiten een

akademischen graad verworven, en zich eene wetenschappelijke loopbaan

gekozen, waartoe de weg hun open staat, ook in Virginië.

Doch, met hoeveel blijdschap men ook dergelijke verschijnselen moge

begroeten, zij zijn en blijven zeldzame uitzonderingen. In den regel

is de neger landbouwer van beroep, en tracht hij ook naar niets

hoogers--tenzij de hartstocht der politiek zich van hem meester

make. Hij heeft geen prikkel, die hem tot iets anders drijft. Is

hij geen huisbediende, dan is hij boerenarbeider. In beide gevallen

verdient hij met zijn arbeid een vijfde van hetgeen een blanke met

denzelfden arbeid verdient; maar zijn voedsel is goedkoop, zoodat hij

van de opbrengst van zijn ruwen en onzekeren arbeid gemakkelijk leven

kan. Hij kent de waarde van een dollar, die eene zekere hoeveelheid

druiven en spek, bonen, whisky en tabak vertegenwoordigt; maar hij

heeft geen besef van de waarde van een tweeden en derden dollar,

omdat hij niets anders kan doen dan den ganschen dag door eten,

drinken, pruimen en rooken. Morgen is de toekomst, en de neger leeft

alleen voor en in het tegenwoordig oogenblik. In die toekomst is er

slechts éene zaak, die hem genoeg ter harte gaat om daarvoor te zorgen:

zijne begrafenis.

"Wat ons arm maakt, zegt Bill, de bediende in mijn logement, dat is

de uitgaaf voor onze begrafenis." Inderdaad zou het geld, dat een

neger voor zijne begrafenis uitgeeft, voldoende zijn om zijn gezin

voor een paar jaar te onderhouden.

"Gisteren is een vriend van mij gestorven, zegt Bill; hij wordt van

middag begraven:--eene mooie begrafenis.

--Gaat ge hem ook de laatste eer bewijzen?

--Neen, Mijnheer; ik behoor niet tot zijn maatschappij.

--Wat bedoelt ge?

--De begrafenis-maatschappij. Iedere zwarte is lid van twee of drie

dezer maatschappijen. Hij moet daar veel voor betalen. Als hij sterft,

krijgt hij dan ook eene mooie begrafenis."

Op zekeren dag wandelde ik, door Jackson's-Ward (een der

wijken van Richmond) naar buiten, om een blik te werpen op de

schilderachtige ravijnen en smalle dalen, die de stad omringen en

haar eene flauwe gelijkenis met Jeruzalem geven. Wij dalen langs een

heuvel af, gaan een stroom over, en beginnen eene andere helling te

beklimmen:--plotseling wordt onze aandacht getrokken door een luid

gejammer en geklaag. Opziende, bemerk ik dat zich op den heuvel boven

ons een kerkhof bevindt, met eenige witgeverfde palen en steenen. Bij

den rand der groene glooiing staan eenige negerinnen, die luid

weenen en snikken; terwijl een zwarte predikant teksten uitgalmt, en

vier of vijf negers bezig zijn met in de aarde te delven. Toen wij

den top bereikten, was de plechtigheid reeds geëindigd en het graf

weer gesloten; maar terwijl deze stoet zich verwijderde, was reeds

een andere in aantocht. Een prachtige lijkwagen met groote glazen

portieren; en in dien wagen een kist, zoo rijk versierd, dat die

in Engeland voor een hertog of prins zou kunnen dienen; daarachter

volgen acht koetsen, elk met twee fraaie zwarte paarden bespannen,

en begeleid door een twaalftal personen in uniform, met standaarden

en opgerolde banieren.

"Wie wordt daar begraven? vraag ik aan een der negers, die staan

te kijken.

--Mozes Crump.

--Wie is Mozes Crump?

--Een arbeider.

--Een boerenarbeider?

--Ja."

De paarden trappelen en komen met moeite voort over dien ongelijken

grond. Onder luid geschreeuw en gejammer wordt de kist naar het

gat--nauwelijks een grafkuil--gedragen, waarin zij nedergelaten

zal worden; en hier wordt nu, bij het neigen der banieren en het

spelen der muziek, Mozes Crump ter ruste gelegd. De gansche familie

is tegenwoordig--mannen en vrouwen, knapen en meisjes. Er wordt

zeer luid gesnikt en gejammerd; maar de zwarte dominee overstemt

al dit rumoer, behalve de klagelijke stem van eene oude vrouw, die,

half snikkende en gillende, onophoudelijk roept: "Ik zie mijn zoon

nooit weer! Ik zie mijn zoon nooit weer!"--De dominee tracht haar tot

bedaren te brengen. Zijne stem verheffende, schreeuwt hij haar toe:

"Wees stil; leef zooals hij, dan zult ge uw zoon weerzien!"--De zwarte

Rachel weent en jammert, en weigert vertroost te worden, zelfs door

haar eigen dominee. Als de mannen in uniform hunne spaden opnemen,

en onder een eentonig gezang het graf beginnen te vullen, roept de

oude vrouw nog luider: "Neen, ik zal mijn zoon nooit weerzien!" Arme

ziel, zij alleen kent haar eigen smart.

De jongeren lachen en huilen beurtelings; en als het graf gedicht is,

verspreiden zij zich in groepen, praten met hunne vrienden, nemen

dan weer plaats in hunne koetsen, en rijden weg, dwars door eene

saamgevloeide gapende menigte van negers, negerinnen en mulattinen,

gekleed in blauwe omslagdoeken en rose mutsen, vast overtuigd dat zij

bewonderenswaardig zijn, en zeer gestreeld door de tegenwoordigheid

van twee vreemde heeren.

Mozes Crump blijft alleen achter, zonder een steen om de plaats aan

te wijzen waar hij rust. Zijn gezin blijft ook alleen achter, met

een weinig brood en een weinig zoete aardappelen, en verstoken van

den arbeid des vaders. De kosten van die begrafenis zouden voldoende

zijn geweest om de jonge Crumps gedurende eenige jaren te onderhouden.

Er zal veel tijd noodig zijn om de negers te doen beseffen, dat zij

voor zich zelven moeten zorgen. Sedert langen tijd gewoon op de blanken

te steunen, valt het hun moeielijk nu op eigen beenen te staan. In de

meeste gevallen verstaat de neger onder persoonlijke vrijheid niets

anders dan de vrijheid der werkeloosheid. Wat toch was, in zijn oogen,

het voornaamste kenmerk van den blanke? Vrijstelling van arbeid. Een

blanke nam nimmer ploeg of spade ter hand. Voor den neger bestaat

het wezen der vrijheid hierin, dat hij met over elkander geslagen

armen mag staan kijken, terwijl anderen arbeiden en spinnen. Hij

heeft immers den blanke nooit iets anders zien doen. Waarom zou hij

dat voorbeeld niet volgen?

(Wordt vervolgd.)

Herinneringen van den Stillen-Oceaan.

(Vervolg van bladz. 110).

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 40 / 92 题