De conservatieven.
Generaal Mac-Enery laat ons door een adjudant uitnoodigen een bezoek
aan het conservatieve hoofdkwartier in de Kanaalstraat; en vergezeld
van mijn ouden vriend, den consul De Fonblanque, verlaten wij ons
hotel, nu bekend als het "hoofdkwartier van de Golf."
Generaal Mac-Enery bewoont een appartement, in de Kanaalstraat, het
uitzicht hebbende op het standbeeld van Henry Clay; in welk appartement
hij een soort van nederige hofhouding heeft ingericht. "Gij zijt
niet bang om binnen te gaan, vraagt een senator die ons op de trap
tegenkomt, hoewel wij bandieten zijn?"
In den salon vinden wij den gouverneur Mac-Enery, den
luitenant-gouverneur Penn en verscheidene leden van den Senaat,
die weigeren zitting te nemen met de aanhangers van Kellogg, onder
het presidentschap van Cesar C. Antoine. Beschaafder en deftiger
lieden dan deze conservatieve senatoren, zoudt ge zelfs te Oxford
of te Westminster niet kunnen vinden. Gij behoeft deze heeren,
echte gentlemen, slechts aan te zien, om aanstonds te begrijpen
dat, al mogen zij in sommige opzichten gelijk of ongelijk hebben,
het niet gemakkelijk zal vallen hen te verdringen uit de stelling,
die zij eens hebben ingenomen.
"Wij beweeren, zegt generaal Mac-Enery, dat wij vijf-en-negentig
percent vertegenwoordigen van den rijkdom dezer stad, acht-en-negentig
percent van het kapitaal in den geheelen staat."--Naar hetgeen wij van
elders vernomen hebben, bestaat er alle reden om dit als de zuivere
waarheid aan te nemen.--"En toch, voegt Penn er lachende bij, zijn
wij, in wier handen bijna de gansche rijkdom van den staat berust,
bandieten!
"In den regel zijn bandieten geen mannen van fortuin: noch in Spanje,
noch in Griekenland, noch in Klein-Azië, noch in Californië, worden
zij tot de bezittende klasse gerekend. Zoo een collega van Vasquez
de dagbladen kon lezen, zou het hem zeker genoegen doen te vernemen,
dat, naar de verzekering van generaal Sheridan, onder de leden van
de magistratuur en van de balie een aantal zijner confraters zijn
te vinden."
"Niemand, antwoordde ik, ontkent dat gij den rijkdom van Nieuw-Orleans
vertegenwoordigt; het komt hier echter aan op personen, en niet
op fortuin; en zoo ik mij niet vergis, beweert gij ook dat de
conservatieve kandidaten inderdaad de meerderheid van stemmen op zich
hebben vereenigd?
--Dat is ook zoo, hernam de gouverneur; onze meerderheid is niet
groot, maar toch groot genoeg, om, als men ons rustig laat begaan,
het bewind te voeren en de wet te herstellen.
--Hebben de kleurlingen niet de meerderheid van stemmen in den geheelen
staat--negentig-duizend tegen zes-en-zeventigduizend?
--Volgens de tegenwoordige kiezerslijsten, ja; maar die
lijsten zijn blijkbaar valsch. Hoe zou het mogelijk zijn, dat
de kleurlingen meer stemmen hebben dan wij? In aantal staan wij
bijna gelijk--driehonderd-twee-en-zestig-duizend blanken tegenover
driehouderd-vier-en-zestig-duizend zwarten. Die getallen zijn niet
van ons afkomstig: de volkstelling had plaats onder het bestuur
van Warmoth. Wij weten stellig dat ook hier sommige opgaven onjuist
zijn--en onjuist in het belang der kleurlingen. Maar laten wij de
cijfers aannemen, zooals zij daar staan. Hoe kan een verschil van
tweeduizend in de bevolkingsstaten samengaan met een verschil van
veertienduizend in de kiezerslijsten?
--Inderdaad, dat is niet makkelijk te verklaren.
--Behalve door bedrog, door openbaar en schaamteloos bedrog. Het is
een feit, dat de negers, onder verschillende namen en in verschillende
kerspelen, zijn ingeschreven. Doode negers blijven op de lijsten staan;
minderjarige negers zijn als kiezers ingeschreven. Vrouwen zijn als
mannen opgegeven. Overal waar ge zwarte beambten hebt, ondersteund
door eene zwarte policie, kunt ge zeker zijn van valschheid en bedrog.
--Is het waar, generaal, dat de conservatieven in beginsel gekant
zijn tegen het toekennen van staatkundige rechten aan negers?
--Daaromtrent loopen de gevoelens uiteen. Velen onzer zijn van meening
dat het een grove fout was, aan de kleurlingen het stemrecht te
geven; maar de regeering der Vereenigde-Staten, die hun de vrijheid
gaf, oordeelde het ook nuttig, hun het stemrecht te verleenen. Wij
onderwerpen ons aan de feiten. Er zijn menschen, die den neger zoowel
zijne persoonlijke vrijheid als zijn staatkundigen invloed zouden
willen ontnemen; maar de meerderheid der burgers heeft elk denkbeeld
van een terugkeer tot den vorigen staat van zaken laten varen. De
conservatieven zouden wenschen dat het stemrecht bij de wet bepaald
en geregeld werd. In alle vrije landen zijn sommige kathegoriën
van personen, zooals armen, idioten, gevangenen, van het stemrecht
uitgesloten. In sommige landen worden zij die lezen noch schrijven
kunnen, niet als kiezers erkend. Behoudens dergelijke beperkingen,
zouden de conservatieven van Louisiana niet ongezind zijn, aan de
negers staatkundige rechten toe te kennen.
--Gij zoudt dus niet bang zijn voor goed onderwezen kiezers?
--In het geheel niet: wel opgevoede en onderwezen lieden
zullen zich nooit laten leiden door scalawags. Zelfs nu doet de
invloed der opvoeding zich gelden. Als al de negers eendrachtig
samenstemden--negentigduizend tegenover zes-en-zeventigduizend--dan
zouden zij Pinch tot gouverneur kunnen verkiezen, en van eene
sterke meerderheid in de Kamers verzekerd zijn. Maar wij hebben wel
opgevoede negers in Louisiana, zooals Tom Chester: en geletterde
Afrikanen zijn het in de politiek al even weinig met elkander eens
als geletterde Angelsaksers. Zoodra een neger een weinig lezen kan,
werpt hij zich op als leider; hij volgt niemand, en allerminst iemand
van zijn eigen kleur. Zoodra hij een stuk grond en een hut bezit,
wordt de neger ook conservatief en stemt tegen de scalawags. In elke
parochie van Louisiana bestaat een conservatieve negerclub; en in spijt
van Kelloggs belofte, dat iedere neger, die voor Grant zou stemmen,
veertig bunders land en een goed muildier zou ontvangen, hebben, bij
de jongste verkiezingen, duizenden negers met ons gestemd. Zoodra de
bondstroepen zich terugtrekken, zullen tienduizenden hetzelfde doen."
Wij nemen nu afscheid van generaal Mac-Enery, en begeven ons naar
de conservatieve Kamer, in de straat Saint-Louis, waar wij door
den voorzitter Wiltz zeer vriendelijk ontvangen worden. Als wij de
vergadering binnentreden, is kapitein Kidd aan het woord, een man als
soldaat en als rechtsgeleerde evenzeer bekend en bekwaam. Hij stelt
voor, dat al de conservatieve leden zich gezamenlijk naar het Kapitool
zullen begeven, en vorderen dat hun gelegenheid worde gegeven, zitting
te nemen. Zes-en-zestig leden zijn tegenwoordig: drie-en-vijftig
wier geloofsbrieven in orde zijn bevonden, en dertien anderen, wier
verkiezing ten onrechte door het bureau van Kellogg is vernietigd.
"Gij beweert, niet waar, de wettige Kamer te zijn? vroeg ik den
voorzitter.
--Neen, antwoordt Wiltz, op stelligen toon. Wij beweeren alleen dat
wij de bij de wet vereischte meerderheid bezitten. Maar wij geven
onszelven den naam van bijeenkomst, en niet van vergadering, want zelfs
in woorden willen wij strikt binnen de palen der wettigheid blijven."
Terwijl Kidd de conservatieven aanspoort om eene meer besliste houding
aan te nemen, wordt er een telegram naar Washington gezonden, om het
advies in te winnen van den senator Thurman. Thurman is een van de
hoofden der demokratische partij, die in het Congres zitting heeft
voor Ohio, en die bij de conservatieven van het Zuiden in hoog aanzien
staat. "Hebt geduld!" is het wijze antwoord.
"Onze politiek is geduld, zegt de voorzitter; wij moeten ons bepalen
tot afwachten. De tijd zal ons recht doen wedervaren. Het kunstje
met de veertig bunders en den muilezel kan niet voor de tweede
maal vertoond worden. Dergelijke middelen duren maar voor een
tijd. Wij kunnen wachten. Gewisselijk lijden wij door dit uitstel;
maar door geweld zouden wij nog meer lijden. De heeren op deze
banken zijn of zelven eigenaars, of vertegenwoordigen de eigenaars,
van bijna alle magazijnen, schepen, pakhuizen, banken en hotels van
Nieuw-Orleans. Meent gij dat zij eenig belang hebben bij wanorde en
straatrumoer? Als er een glasruit wordt stuk geslagen, moeten wij de
kosten betalen. De scalawags hebben niets te verliezen dan hunne huid,
en zij dragen wel zorg, die niet bloot te stellen. Wat geven Kellogg
en Packard, Antoine en Pinchback er om, of de nationale rijkdom toe-
dan wel afneemt? Voor ons hangt alles af van de handhaving van vrede
en orde. Onze broeders in de steden van het Noorden begrijpen dit
nog niet, maar de loop der gebeurtenissen zal hun wel spoedig de
oogen openen."
Generaal Warmoth, die nog altijd beweert de eenige wettige gouverneur
van Nieuw-Orleans te zijn, en aan wien wij vervolgens een bezoek
gaan brengen, is een type van die talrijke klasse van burgers, die
zich noch om blanken, noch om zwarten bekommeren, zoolang zij hun
handel kunnen drijven en hun winkel niet stil staat. Deze lieden
wenschen in vrede te leven, hun dagelijksch brood te verdienen,
en hunne woning ongestoord te bezitten. Zij bemoeien zich niet met
theoriën over rassen: in hun oog zijn allen, die iets bij hen wenschen
te koopen, broeders. De dollar van een neger heeft voor hen juist
dezelfde waarde als de dollar van een blanke, in ruil voor een paar
schoenen of whisky. Wat heeft een koopman te maken met dat gehaspel
over gelijkheid van rechten? Als zij hun huur en belasting kunnen
betalen, zijn zij tevreden, en laten al die lastige twistvragen over
voor rechtsgeleerden en afgevaardigden.
Zelfs onder de negers telt Warmoth een zeker aantal aanhangers. Hij
heeft hen nooit bedrogen, en verkreeg hunne stemmen zouder eene
toezegging van veertig bunders en een goeden muilezel. Aan hem danken
de negers de inrichting der stedelijke policie, waarin velen hunner
de eenige waarborg zien voor hunne persoonlijke vrijheid. Naar gelang
de ster van Kellogg verbleekt, keeren de negers hunne blikken naar
Warmoth, als naar een verstandig, gematigd man, die eene gevaarlijke
botsing met de blanken zal weten te voorkomen.
Een man van veel aanleg en beschaving, een krijgsman ook, met een
bleek gelaat en diepliggende doordringende oogen, maakt Warmoth,
in zijn voorkomen en manieren, eenigermate den indruk van een
romanheld; men zegt, dat de dames van het Zuiden zijne schoonheid
zeer bewonderen. Hij is uitermate beleefd en heeft zelfs iets
gedistingeerds. Terwijl de carpet-baggers over het algemeen in
geen fatsoenlijk gezelschap ontvangen worden, stelt Warmoth hoogen
prijs op sociale onderscheiding, en wordt hij ook somwijlen bij de
voornaamste familiën van Nieuw-Orleans genoodigd. Deze onderscheiding
is voor hem een voorrecht en eene beproeving tevens. Hij is daardoor
in vriendschappelijke aanraking gekomen met zulke onverdachte en
onverzettelijke conservatieven als Mac-Enery en Penn. Wiltz heeft
hem bij zich ontvangen; Ogden heeft hem in den kerker een bezoek
gebracht. Door zijne innemende manieren en zijne gematigde denkwijze
heeft de Yankee Warmoth de aristokratie van Nieuw-Orleans bijkans
weten te verzoenen met zijne tegenwoordigheid in haar stad.
Maar door het verwerven van deze voorrechten, waarin zij niet deelen
kunnen, heeft hij natuurlijk den naijver en de woede van zijne vroegere
makkers, de scalawags, opgewekt. Toen Warmoth te Nieuw-Orleans kwam,
met eene reputatie van dapper soldaat en geslepen politikus, werd hij
door de trouw gebleven burgers gekozen tot president van het "Groote
leger der republiek" in Louisiana. Dit Groote leger der republiek is
eene vereeniging van liberale patriotten, die tijdens den burgeroorlog
de wapens hebben gedragen: het leger is thans wel ontbonden, maar
de voormalige wapenbroeders gevoelen zich nog onderling vereenigd
door de herinnering aan de te zamen doorleefde gevaren en gewonnen
lauweren. In elken staat der Unie vindt men zulk eene vereeniging,
die, vooral in het Zuiden, de bijzondere bescherming der regeering
geniet. De president van zulk een genootschap bekleedt een belangrijken
post en kan zeer grooten invloed uitoefenen: en generaal Warmoth wist
daarvan zoo goed gebruik te maken, dat hij, na de uitvaardiging der
Reconstruction Act, tot gouverneur van Louisiana werd verkozen.
Het oordeel over zijn bestuur verschilt naarmate van de politieke
partij, waartoe de beoordeelaar behoort. Zijne vrienden beweeren
dat hij de orde handhaafde en den handel aanmoedigde; terwijl zijne
tegenstanders, naar amerikaansche wijze, hem een schurk, een dief,
een lafaard en een moordenaar noemen. Conservatieven, die geen reden
hebben om genegenheid voor hem te gevoelen, geven toe dat hij, in
eene moeilijke betrekking, waarin eene zware verantwoordelijkheid op
hem drukte en hij aan groote verzoekingen blootstond, getoond heeft,
een man van niet alledaagsche bekwaamheid en betrekkelijk lofwaardige
eerlijkheid te zijn.
Billijke vijanden laten hem dit recht wedervaren; maar niet zoo
zijne vroegere vrienden, dweepzieke republikeinen of afvallige
conservatieven. De fanatieke republikeinen geven hem de schuld van
den val hunner partij in Nieuw-Orleans, die door zijn overgang in
twee kampen werd verdeeld en machteloos gemaakt. Nog scherper is
het oordeel der afvallige conservatieven, die hem in hunne dagbladen
op de grofste wijze aanvallen, niet wegens verschil van beginselen,
maar naar aanleiding van allerlei ellendige kwesties, samenhangende
met den grooten strijd der rassen.
Zal het, bij voorbeeld, den negers vergund zijn, in de openbare
rijtuigen plaats te nemen? De dames antwoorden, neen. De eigenaars
der rijtuigen, die met hun klanten gaarne op een goeden voet
blijven, antwoorden ook, neen. De carpet-baggers, die afhankelijk
zijn van de stemmen der negers, antwoorden, ja; zij beweeren dat
de maatschappelijke gelijkstelling van blanken en zwarten een
noodzakelijk gevolg is van de politieke gelijkheid van rechten. De
kwestie maakt de hoofden warm en wint de gemoederen op, niet minder
dan de telegrammen van Sheridan of de handelingen van Grant. Ieder doet
een middel ter oplossing aan de hand, en spreekt zijn meening uit over
een schikking. Generaal Warmoth stelt voor, dat van de Kanaalstraat
bijzondere omnibussen zullen rijden, met een ster geteekend, waarin
negers zullen plaats nemen, en diegenen onder de blanken, die geen
bedenking hebben tegen hun gezelschap. Hij deelt dit denkbeeld mede
aan zijn ouden vriend, den senator Jewell, met verzoek een artikel
in dien geest op te nemen in het door hem uitgegeven dagblad: The
Commercial Bulletin. Jewell weigert de opneming. "Dan zal ik het
elders beproeven," zegt Warmoth. "Zoo ge dat artikel laat drukken,
roept Jewell, dan zijt ge een verloren man."
Warmoth laat toch het artikel drukken; en zijn verzoenend voorstel
wordt, als eene billijke oplossing van het lastige geschil, aangenomen
door de twee conservatieve leiders: Mac-Enery en Wiltz. Den volgenden
morgen verschijnt er in Jewell's krant een hoofdartikel, waarin Warmoth
wordt uitgemaakt voor "Lazarus, door Satan uit de dooden opgewekt;"
voor "een vermetel, slecht mensch, uitvinder en voorstander van alle
misbruiken;" voor een "stamgenoot van de ratelslang;" voor een man
"van infame reputatie."--Warmoth verdedigt zich hierop, door Jewell
te beschuldigen van "leugen, schaamtelooze leugen." Hij voegt daarbij
dat Jewell's kwaadaardigheid voortspruit uit zijne weigering om den
senator te begunstigen met het openbaar maken der officieele berichten
van het gouvernement!
Daarop zendt Jewell iemand naar het huis van Warmoth, in de straat
Saint-Louis, om te vernemen of hij duelleeren wil. Warmoth antwoordt
dat hij niet kan duelleeren met iemand als Jewell. Zoodra de senator
dit bescheid verneemt, zendt hij aan Warmoth eene uitdaging, die tot
zijne groote verbazing wordt aangenomen.
Wat nu volgt werpt een eigenaardig licht op de amerikaansche
toestanden. Daniel C. Byerley, gewezen luitenant in het leger
der geconfedereerden en mededeelgenoot van Jewell's drukkerij,
trekt zich persoonlijk de zaak met Warmoth aan. Hoewel hij zijn
linkerarm heeft verloren, is hij een man van groote lichaamskracht
en vaardigheid. Hij loert op Warmoth en volgt hem in de Kanaalstraat,
waar hij hem onverwachts aanvalt en met een stok twee hevige slagen op
het hoofd toebrengt. Half bedwelmd, wankelt Warmoth eenige schreden
terug; Byerley werpt zich op hem: zij grijpen elkander aan en vallen
op den grond. Vechtende en worstelende rollen de beide mannen over het
voetpad: Byerley houdt niet op met Warmoth op het hoofd te slaan; maar
Warmoth, die zijn mes heeft kunnen trekken, steekt dat zijn vijand
in de zijde. Eindelijk worden de vechtenden door de toeschietende
menigte gescheiden. Byerley, zijn rotting zwaaiende, gaat heen,
leunende op den arm van twee vrienden, die hem naar een naburig
hospitaal brengen. Warmoth geeft zijn mes over aan een hoofdman der
stedelijke policie, en laat zich als gevangene medevoeren.
Eenige uren later was Byerley overleden. Daar hij gevallen was
in den strijd tegen een indringer, werd Byerley als de held van
Nieuw-Orleans gevierd: een lange sleep van rijtuigen volgde zijn lijk
naar het graf. De gouverneur Mac-Enery was een der slippedragers,
en meer dan tweeduizend burgers gingen in optocht achter den
lijkwagen. Echter lijdt Warmoth's reputatie er in het minste niet
onder, dat hij een manslag heeft begaan. Zijn gevangenis is een salon;
de aanzienlijkste personen laten zich inschrijven op het daarvoor
bestemde register. Mac-Enery bezoekt hem in den kerker. Ogden en
Penn zijn niet minder beleefd, en de president Wiltz brengt hem een
officieel bezoek. Op een enkelen dag ontvangt hij niet minder dan
vijfhonderd burgers. Nooit is Warmoth zoo populair geweest. Niemand
rekent hem de schuld van het vergoten bloed toe; en toen de zaak voor
den rechter werd gebracht, volgde onmiddellijk vrijspraak.
"Ik dacht dat Byerley ten volle gewapend was, zegt Warmoth, om het
gebruik van zijn mes te rechtvaardigen; en ik trof hem niet dan
in zelfverdediging. Hij overviel mij bij verrassing, en sloeg mij
tweemaal eer ik hem zag. Zijn rotting was een degenstok: een wapen,
zoo gevaarlijk als een degen en vrij wat erger dan een mes."
Deze moord op de openbare straat heeft den toestand nog meer
gespannen en verward gemaakt; want, hoe men ook moge denken over
straatgevechten, toch zal geen verstandig man de hoogste waardigheid
in den staat gaarne willen toevertrouwen aan iemand, wiens handen met
bloed bevlekt zijn. In schier elk ander land zou een man, die zulk
eene daad had bedreven, nimmer meer in het openbare leven kunnen
optreden; en voor het oogenblik is Warmoth, zelfs in Louisiana,
dan ook onmogelijk geworden. Maar hoe lang zal dit interdict duren?