XX.

De conservatieven.

Generaal Mac-Enery laat ons door een adjudant uitnoodigen een bezoek

aan het conservatieve hoofdkwartier in de Kanaalstraat; en vergezeld

van mijn ouden vriend, den consul De Fonblanque, verlaten wij ons

hotel, nu bekend als het "hoofdkwartier van de Golf."

Generaal Mac-Enery bewoont een appartement, in de Kanaalstraat, het

uitzicht hebbende op het standbeeld van Henry Clay; in welk appartement

hij een soort van nederige hofhouding heeft ingericht. "Gij zijt

niet bang om binnen te gaan, vraagt een senator die ons op de trap

tegenkomt, hoewel wij bandieten zijn?"

In den salon vinden wij den gouverneur Mac-Enery, den

luitenant-gouverneur Penn en verscheidene leden van den Senaat,

die weigeren zitting te nemen met de aanhangers van Kellogg, onder

het presidentschap van Cesar C. Antoine. Beschaafder en deftiger

lieden dan deze conservatieve senatoren, zoudt ge zelfs te Oxford

of te Westminster niet kunnen vinden. Gij behoeft deze heeren,

echte gentlemen, slechts aan te zien, om aanstonds te begrijpen

dat, al mogen zij in sommige opzichten gelijk of ongelijk hebben,

het niet gemakkelijk zal vallen hen te verdringen uit de stelling,

die zij eens hebben ingenomen.

"Wij beweeren, zegt generaal Mac-Enery, dat wij vijf-en-negentig

percent vertegenwoordigen van den rijkdom dezer stad, acht-en-negentig

percent van het kapitaal in den geheelen staat."--Naar hetgeen wij van

elders vernomen hebben, bestaat er alle reden om dit als de zuivere

waarheid aan te nemen.--"En toch, voegt Penn er lachende bij, zijn

wij, in wier handen bijna de gansche rijkdom van den staat berust,

bandieten!

"In den regel zijn bandieten geen mannen van fortuin: noch in Spanje,

noch in Griekenland, noch in Klein-Azië, noch in Californië, worden

zij tot de bezittende klasse gerekend. Zoo een collega van Vasquez

de dagbladen kon lezen, zou het hem zeker genoegen doen te vernemen,

dat, naar de verzekering van generaal Sheridan, onder de leden van

de magistratuur en van de balie een aantal zijner confraters zijn

te vinden."

"Niemand, antwoordde ik, ontkent dat gij den rijkdom van Nieuw-Orleans

vertegenwoordigt; het komt hier echter aan op personen, en niet

op fortuin; en zoo ik mij niet vergis, beweert gij ook dat de

conservatieve kandidaten inderdaad de meerderheid van stemmen op zich

hebben vereenigd?

--Dat is ook zoo, hernam de gouverneur; onze meerderheid is niet

groot, maar toch groot genoeg, om, als men ons rustig laat begaan,

het bewind te voeren en de wet te herstellen.

--Hebben de kleurlingen niet de meerderheid van stemmen in den geheelen

staat--negentig-duizend tegen zes-en-zeventigduizend?

--Volgens de tegenwoordige kiezerslijsten, ja; maar die

lijsten zijn blijkbaar valsch. Hoe zou het mogelijk zijn, dat

de kleurlingen meer stemmen hebben dan wij? In aantal staan wij

bijna gelijk--driehonderd-twee-en-zestig-duizend blanken tegenover

driehouderd-vier-en-zestig-duizend zwarten. Die getallen zijn niet

van ons afkomstig: de volkstelling had plaats onder het bestuur

van Warmoth. Wij weten stellig dat ook hier sommige opgaven onjuist

zijn--en onjuist in het belang der kleurlingen. Maar laten wij de

cijfers aannemen, zooals zij daar staan. Hoe kan een verschil van

tweeduizend in de bevolkingsstaten samengaan met een verschil van

veertienduizend in de kiezerslijsten?

--Inderdaad, dat is niet makkelijk te verklaren.

--Behalve door bedrog, door openbaar en schaamteloos bedrog. Het is

een feit, dat de negers, onder verschillende namen en in verschillende

kerspelen, zijn ingeschreven. Doode negers blijven op de lijsten staan;

minderjarige negers zijn als kiezers ingeschreven. Vrouwen zijn als

mannen opgegeven. Overal waar ge zwarte beambten hebt, ondersteund

door eene zwarte policie, kunt ge zeker zijn van valschheid en bedrog.

--Is het waar, generaal, dat de conservatieven in beginsel gekant

zijn tegen het toekennen van staatkundige rechten aan negers?

--Daaromtrent loopen de gevoelens uiteen. Velen onzer zijn van meening

dat het een grove fout was, aan de kleurlingen het stemrecht te

geven; maar de regeering der Vereenigde-Staten, die hun de vrijheid

gaf, oordeelde het ook nuttig, hun het stemrecht te verleenen. Wij

onderwerpen ons aan de feiten. Er zijn menschen, die den neger zoowel

zijne persoonlijke vrijheid als zijn staatkundigen invloed zouden

willen ontnemen; maar de meerderheid der burgers heeft elk denkbeeld

van een terugkeer tot den vorigen staat van zaken laten varen. De

conservatieven zouden wenschen dat het stemrecht bij de wet bepaald

en geregeld werd. In alle vrije landen zijn sommige kathegoriën

van personen, zooals armen, idioten, gevangenen, van het stemrecht

uitgesloten. In sommige landen worden zij die lezen noch schrijven

kunnen, niet als kiezers erkend. Behoudens dergelijke beperkingen,

zouden de conservatieven van Louisiana niet ongezind zijn, aan de

negers staatkundige rechten toe te kennen.

--Gij zoudt dus niet bang zijn voor goed onderwezen kiezers?

--In het geheel niet: wel opgevoede en onderwezen lieden

zullen zich nooit laten leiden door scalawags. Zelfs nu doet de

invloed der opvoeding zich gelden. Als al de negers eendrachtig

samenstemden--negentigduizend tegenover zes-en-zeventigduizend--dan

zouden zij Pinch tot gouverneur kunnen verkiezen, en van eene

sterke meerderheid in de Kamers verzekerd zijn. Maar wij hebben wel

opgevoede negers in Louisiana, zooals Tom Chester: en geletterde

Afrikanen zijn het in de politiek al even weinig met elkander eens

als geletterde Angelsaksers. Zoodra een neger een weinig lezen kan,

werpt hij zich op als leider; hij volgt niemand, en allerminst iemand

van zijn eigen kleur. Zoodra hij een stuk grond en een hut bezit,

wordt de neger ook conservatief en stemt tegen de scalawags. In elke

parochie van Louisiana bestaat een conservatieve negerclub; en in spijt

van Kelloggs belofte, dat iedere neger, die voor Grant zou stemmen,

veertig bunders land en een goed muildier zou ontvangen, hebben, bij

de jongste verkiezingen, duizenden negers met ons gestemd. Zoodra de

bondstroepen zich terugtrekken, zullen tienduizenden hetzelfde doen."

Wij nemen nu afscheid van generaal Mac-Enery, en begeven ons naar

de conservatieve Kamer, in de straat Saint-Louis, waar wij door

den voorzitter Wiltz zeer vriendelijk ontvangen worden. Als wij de

vergadering binnentreden, is kapitein Kidd aan het woord, een man als

soldaat en als rechtsgeleerde evenzeer bekend en bekwaam. Hij stelt

voor, dat al de conservatieve leden zich gezamenlijk naar het Kapitool

zullen begeven, en vorderen dat hun gelegenheid worde gegeven, zitting

te nemen. Zes-en-zestig leden zijn tegenwoordig: drie-en-vijftig

wier geloofsbrieven in orde zijn bevonden, en dertien anderen, wier

verkiezing ten onrechte door het bureau van Kellogg is vernietigd.

"Gij beweert, niet waar, de wettige Kamer te zijn? vroeg ik den

voorzitter.

--Neen, antwoordt Wiltz, op stelligen toon. Wij beweeren alleen dat

wij de bij de wet vereischte meerderheid bezitten. Maar wij geven

onszelven den naam van bijeenkomst, en niet van vergadering, want zelfs

in woorden willen wij strikt binnen de palen der wettigheid blijven."

Terwijl Kidd de conservatieven aanspoort om eene meer besliste houding

aan te nemen, wordt er een telegram naar Washington gezonden, om het

advies in te winnen van den senator Thurman. Thurman is een van de

hoofden der demokratische partij, die in het Congres zitting heeft

voor Ohio, en die bij de conservatieven van het Zuiden in hoog aanzien

staat. "Hebt geduld!" is het wijze antwoord.

"Onze politiek is geduld, zegt de voorzitter; wij moeten ons bepalen

tot afwachten. De tijd zal ons recht doen wedervaren. Het kunstje

met de veertig bunders en den muilezel kan niet voor de tweede

maal vertoond worden. Dergelijke middelen duren maar voor een

tijd. Wij kunnen wachten. Gewisselijk lijden wij door dit uitstel;

maar door geweld zouden wij nog meer lijden. De heeren op deze

banken zijn of zelven eigenaars, of vertegenwoordigen de eigenaars,

van bijna alle magazijnen, schepen, pakhuizen, banken en hotels van

Nieuw-Orleans. Meent gij dat zij eenig belang hebben bij wanorde en

straatrumoer? Als er een glasruit wordt stuk geslagen, moeten wij de

kosten betalen. De scalawags hebben niets te verliezen dan hunne huid,

en zij dragen wel zorg, die niet bloot te stellen. Wat geven Kellogg

en Packard, Antoine en Pinchback er om, of de nationale rijkdom toe-

dan wel afneemt? Voor ons hangt alles af van de handhaving van vrede

en orde. Onze broeders in de steden van het Noorden begrijpen dit

nog niet, maar de loop der gebeurtenissen zal hun wel spoedig de

oogen openen."

Generaal Warmoth, die nog altijd beweert de eenige wettige gouverneur

van Nieuw-Orleans te zijn, en aan wien wij vervolgens een bezoek

gaan brengen, is een type van die talrijke klasse van burgers, die

zich noch om blanken, noch om zwarten bekommeren, zoolang zij hun

handel kunnen drijven en hun winkel niet stil staat. Deze lieden

wenschen in vrede te leven, hun dagelijksch brood te verdienen,

en hunne woning ongestoord te bezitten. Zij bemoeien zich niet met

theoriën over rassen: in hun oog zijn allen, die iets bij hen wenschen

te koopen, broeders. De dollar van een neger heeft voor hen juist

dezelfde waarde als de dollar van een blanke, in ruil voor een paar

schoenen of whisky. Wat heeft een koopman te maken met dat gehaspel

over gelijkheid van rechten? Als zij hun huur en belasting kunnen

betalen, zijn zij tevreden, en laten al die lastige twistvragen over

voor rechtsgeleerden en afgevaardigden.

Zelfs onder de negers telt Warmoth een zeker aantal aanhangers. Hij

heeft hen nooit bedrogen, en verkreeg hunne stemmen zouder eene

toezegging van veertig bunders en een goeden muilezel. Aan hem danken

de negers de inrichting der stedelijke policie, waarin velen hunner

de eenige waarborg zien voor hunne persoonlijke vrijheid. Naar gelang

de ster van Kellogg verbleekt, keeren de negers hunne blikken naar

Warmoth, als naar een verstandig, gematigd man, die eene gevaarlijke

botsing met de blanken zal weten te voorkomen.

Een man van veel aanleg en beschaving, een krijgsman ook, met een

bleek gelaat en diepliggende doordringende oogen, maakt Warmoth,

in zijn voorkomen en manieren, eenigermate den indruk van een

romanheld; men zegt, dat de dames van het Zuiden zijne schoonheid

zeer bewonderen. Hij is uitermate beleefd en heeft zelfs iets

gedistingeerds. Terwijl de carpet-baggers over het algemeen in

geen fatsoenlijk gezelschap ontvangen worden, stelt Warmoth hoogen

prijs op sociale onderscheiding, en wordt hij ook somwijlen bij de

voornaamste familiën van Nieuw-Orleans genoodigd. Deze onderscheiding

is voor hem een voorrecht en eene beproeving tevens. Hij is daardoor

in vriendschappelijke aanraking gekomen met zulke onverdachte en

onverzettelijke conservatieven als Mac-Enery en Penn. Wiltz heeft

hem bij zich ontvangen; Ogden heeft hem in den kerker een bezoek

gebracht. Door zijne innemende manieren en zijne gematigde denkwijze

heeft de Yankee Warmoth de aristokratie van Nieuw-Orleans bijkans

weten te verzoenen met zijne tegenwoordigheid in haar stad.

Maar door het verwerven van deze voorrechten, waarin zij niet deelen

kunnen, heeft hij natuurlijk den naijver en de woede van zijne vroegere

makkers, de scalawags, opgewekt. Toen Warmoth te Nieuw-Orleans kwam,

met eene reputatie van dapper soldaat en geslepen politikus, werd hij

door de trouw gebleven burgers gekozen tot president van het "Groote

leger der republiek" in Louisiana. Dit Groote leger der republiek is

eene vereeniging van liberale patriotten, die tijdens den burgeroorlog

de wapens hebben gedragen: het leger is thans wel ontbonden, maar

de voormalige wapenbroeders gevoelen zich nog onderling vereenigd

door de herinnering aan de te zamen doorleefde gevaren en gewonnen

lauweren. In elken staat der Unie vindt men zulk eene vereeniging,

die, vooral in het Zuiden, de bijzondere bescherming der regeering

geniet. De president van zulk een genootschap bekleedt een belangrijken

post en kan zeer grooten invloed uitoefenen: en generaal Warmoth wist

daarvan zoo goed gebruik te maken, dat hij, na de uitvaardiging der

Reconstruction Act, tot gouverneur van Louisiana werd verkozen.

Het oordeel over zijn bestuur verschilt naarmate van de politieke

partij, waartoe de beoordeelaar behoort. Zijne vrienden beweeren

dat hij de orde handhaafde en den handel aanmoedigde; terwijl zijne

tegenstanders, naar amerikaansche wijze, hem een schurk, een dief,

een lafaard en een moordenaar noemen. Conservatieven, die geen reden

hebben om genegenheid voor hem te gevoelen, geven toe dat hij, in

eene moeilijke betrekking, waarin eene zware verantwoordelijkheid op

hem drukte en hij aan groote verzoekingen blootstond, getoond heeft,

een man van niet alledaagsche bekwaamheid en betrekkelijk lofwaardige

eerlijkheid te zijn.

Billijke vijanden laten hem dit recht wedervaren; maar niet zoo

zijne vroegere vrienden, dweepzieke republikeinen of afvallige

conservatieven. De fanatieke republikeinen geven hem de schuld van

den val hunner partij in Nieuw-Orleans, die door zijn overgang in

twee kampen werd verdeeld en machteloos gemaakt. Nog scherper is

het oordeel der afvallige conservatieven, die hem in hunne dagbladen

op de grofste wijze aanvallen, niet wegens verschil van beginselen,

maar naar aanleiding van allerlei ellendige kwesties, samenhangende

met den grooten strijd der rassen.

Zal het, bij voorbeeld, den negers vergund zijn, in de openbare

rijtuigen plaats te nemen? De dames antwoorden, neen. De eigenaars

der rijtuigen, die met hun klanten gaarne op een goeden voet

blijven, antwoorden ook, neen. De carpet-baggers, die afhankelijk

zijn van de stemmen der negers, antwoorden, ja; zij beweeren dat

de maatschappelijke gelijkstelling van blanken en zwarten een

noodzakelijk gevolg is van de politieke gelijkheid van rechten. De

kwestie maakt de hoofden warm en wint de gemoederen op, niet minder

dan de telegrammen van Sheridan of de handelingen van Grant. Ieder doet

een middel ter oplossing aan de hand, en spreekt zijn meening uit over

een schikking. Generaal Warmoth stelt voor, dat van de Kanaalstraat

bijzondere omnibussen zullen rijden, met een ster geteekend, waarin

negers zullen plaats nemen, en diegenen onder de blanken, die geen

bedenking hebben tegen hun gezelschap. Hij deelt dit denkbeeld mede

aan zijn ouden vriend, den senator Jewell, met verzoek een artikel

in dien geest op te nemen in het door hem uitgegeven dagblad: The

Commercial Bulletin. Jewell weigert de opneming. "Dan zal ik het

elders beproeven," zegt Warmoth. "Zoo ge dat artikel laat drukken,

roept Jewell, dan zijt ge een verloren man."

Warmoth laat toch het artikel drukken; en zijn verzoenend voorstel

wordt, als eene billijke oplossing van het lastige geschil, aangenomen

door de twee conservatieve leiders: Mac-Enery en Wiltz. Den volgenden

morgen verschijnt er in Jewell's krant een hoofdartikel, waarin Warmoth

wordt uitgemaakt voor "Lazarus, door Satan uit de dooden opgewekt;"

voor "een vermetel, slecht mensch, uitvinder en voorstander van alle

misbruiken;" voor een "stamgenoot van de ratelslang;" voor een man

"van infame reputatie."--Warmoth verdedigt zich hierop, door Jewell

te beschuldigen van "leugen, schaamtelooze leugen." Hij voegt daarbij

dat Jewell's kwaadaardigheid voortspruit uit zijne weigering om den

senator te begunstigen met het openbaar maken der officieele berichten

van het gouvernement!

Daarop zendt Jewell iemand naar het huis van Warmoth, in de straat

Saint-Louis, om te vernemen of hij duelleeren wil. Warmoth antwoordt

dat hij niet kan duelleeren met iemand als Jewell. Zoodra de senator

dit bescheid verneemt, zendt hij aan Warmoth eene uitdaging, die tot

zijne groote verbazing wordt aangenomen.

Wat nu volgt werpt een eigenaardig licht op de amerikaansche

toestanden. Daniel C. Byerley, gewezen luitenant in het leger

der geconfedereerden en mededeelgenoot van Jewell's drukkerij,

trekt zich persoonlijk de zaak met Warmoth aan. Hoewel hij zijn

linkerarm heeft verloren, is hij een man van groote lichaamskracht

en vaardigheid. Hij loert op Warmoth en volgt hem in de Kanaalstraat,

waar hij hem onverwachts aanvalt en met een stok twee hevige slagen op

het hoofd toebrengt. Half bedwelmd, wankelt Warmoth eenige schreden

terug; Byerley werpt zich op hem: zij grijpen elkander aan en vallen

op den grond. Vechtende en worstelende rollen de beide mannen over het

voetpad: Byerley houdt niet op met Warmoth op het hoofd te slaan; maar

Warmoth, die zijn mes heeft kunnen trekken, steekt dat zijn vijand

in de zijde. Eindelijk worden de vechtenden door de toeschietende

menigte gescheiden. Byerley, zijn rotting zwaaiende, gaat heen,

leunende op den arm van twee vrienden, die hem naar een naburig

hospitaal brengen. Warmoth geeft zijn mes over aan een hoofdman der

stedelijke policie, en laat zich als gevangene medevoeren.

Eenige uren later was Byerley overleden. Daar hij gevallen was

in den strijd tegen een indringer, werd Byerley als de held van

Nieuw-Orleans gevierd: een lange sleep van rijtuigen volgde zijn lijk

naar het graf. De gouverneur Mac-Enery was een der slippedragers,

en meer dan tweeduizend burgers gingen in optocht achter den

lijkwagen. Echter lijdt Warmoth's reputatie er in het minste niet

onder, dat hij een manslag heeft begaan. Zijn gevangenis is een salon;

de aanzienlijkste personen laten zich inschrijven op het daarvoor

bestemde register. Mac-Enery bezoekt hem in den kerker. Ogden en

Penn zijn niet minder beleefd, en de president Wiltz brengt hem een

officieel bezoek. Op een enkelen dag ontvangt hij niet minder dan

vijfhonderd burgers. Nooit is Warmoth zoo populair geweest. Niemand

rekent hem de schuld van het vergoten bloed toe; en toen de zaak voor

den rechter werd gebracht, volgde onmiddellijk vrijspraak.

"Ik dacht dat Byerley ten volle gewapend was, zegt Warmoth, om het

gebruik van zijn mes te rechtvaardigen; en ik trof hem niet dan

in zelfverdediging. Hij overviel mij bij verrassing, en sloeg mij

tweemaal eer ik hem zag. Zijn rotting was een degenstok: een wapen,

zoo gevaarlijk als een degen en vrij wat erger dan een mes."

Deze moord op de openbare straat heeft den toestand nog meer

gespannen en verward gemaakt; want, hoe men ook moge denken over

straatgevechten, toch zal geen verstandig man de hoogste waardigheid

in den staat gaarne willen toevertrouwen aan iemand, wiens handen met

bloed bevlekt zijn. In schier elk ander land zou een man, die zulk

eene daad had bedreven, nimmer meer in het openbare leven kunnen

optreden; en voor het oogenblik is Warmoth, zelfs in Louisiana,

dan ook onmogelijk geworden. Maar hoe lang zal dit interdict duren?

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 38 / 92 题