De staatsgreep.
Bij het aanbreken van den dag, terwijl de neger-afgevaardigden zich
nog geeuwend op hunne met koortsmos gevulde matrassen rondwentelen en
voortdurend om meer whisky schreeuwen, vult zich de Koningsstraat met
soldaten, die de voetpaden bezetten en hunne geweren op den rijweg in
rust zetten. Wat heeft dit te beduiden? De gansche stad schijnt reeds
ontwaakt en op de been. De voetpaden wemelen van burgers zoowel als van
soldaten, en bijtende spotternijen, krenkende woorden worden van beide
zijden gewisseld. De mariniers naderen van de zijde der kaaien; nabij
het Tolkantoor is de kavalerie opgesteld. Twee kanonnen staan bij het
havenhoofd, een derde beschermt den toegang tot het Statenhuis. Emory,
met het opperbevel belast, blijft in het Arsenaal, gereed daar heen
te gaan, waar zijne tegenwoordigheid vereischt wordt. Zijn luitenant,
De Trobriand, na zijne troepen in de straat Saint-Louis te hebben
opgesteld, met hun rechtervleugel geleund tegen de gesloten poorten
van het Kapitool, en de linker zich uitstrekkende naar de rivier,
bezet met een deel zijner brigade de Koningsstraat. Tweeduizend
federale soldaten zijn onder de wapenen.
Met uitzondering van de ordonnans-officieren, die nu en dan naar het
hotel rijden waar Sheridan nog altijd vertoeft, wordt de toegang tot
de straat Saint-Louis aan niemand vergund; evenmin wordt iemand in de
Koningsstraat toegelaten, behalve de berichtgevers der dagbladen, de
dienstdoende officieren, en de van een toegangskaart voorziene leden
der Kamer. Potter, lid van de door het Congres benoemde commissie,
toont zijn kaart: vergeefs: de toegang tot het Kapitool wordt hem
geweigerd. Mac-Enery en Wiltz, die er prijs op stellen officieele
getuigen te hebben, noodigen ook de beide andere leden der commissie,
Forster en Phelps, uit, om met Potter bij de opening der zitting
tegenwoordig te zijn. De drie leden verschijnen gezamenlijk: de
schildwachten drijven hen terug. Als voorzitter der commissie, laat
Forster een hoofdofficier roepen, die, na eenige woordenwisseling,
hun vergunt door te gaan, maar volstrekt weigert, de heeren die hen
volgen mede door te laten.
Even voor twaalf uur, verschijnen de conservatieve leden en corps in
de Koningsstraat, en begeven zich naar den ingang van het Kapitool; de
dienstdoende officier houdt hen staande, en verlangt hunne papieren te
zien. Vier hunner, die geen toegangskaarten hebben, worden afgewezen,
tot dat nader omtrent hunne toelating zal zijn beslist. De anderen
vervolgen hun weg door gangen, met soldaten bezet, door kamers,
vervuld met den stank van slechte sigaren en whisky. Afdeelingen
policie-agenten, met knuppels en revolvers gewapend, bewaken de
deuren, en weigeren de toegangen tot de vergaderzaal te ontruimen. Zij
beweeren, dat generaal Campbell hun hunne posten heeft aangewezen, en
zoo lang hij hen niet afroept, mogen zij zich niet verwijderen. Foster
en Phelps houden van dit een en ander zorgvuldig aanteekening.
Voor Wiltz is het nu niet langer twijfelachtig, of, wanneer bedrog
niet mocht slagen, de scalawags tot geweld hun toevlucht zullen nemen;
en Mac-Enery is evenzeer overtuigd dat zij daarbij op de hulp der
federale officieren kunnen rekenen. Een enkel driftig woord, een enkele
ondoordachte stap, kan eene noodlottige botsing uitlokken. "Laat ons
vastberaden en spoedig handelen", fluisteren de burgers elkander toe;
"bovenal, laat ons strikt binnen de palen der wet blijven."
Met klokslag van twaalven begint Vigers de presentielijst af te
lezen; twee-en-vijftig republikeinen en vijftig conservatieven zijn
tegenwoordig.
"Honderd-twee leden zijn present; de vergadering is wettig
geconstitueerd!" roept Vigers, wiens stem bijna door het geschreeuw
en gejoel der negers wordt verdoofd.
"Ik stel voor, zegt Billieu, het conservatieve lid voor La-Farouche,
dat de heer Louis A. Wiltz, gewezen mayor van Nieuw-Orleans, het
presidium op zich neme."
Vigers, die verwacht dat iemand Michael Hahn zal voorstellen, heeft
de onbeschaamdheid te zeggen, dat hij het voorstel van Billieu niet
in omvraag wil brengen. Vigers is griffier--griffier van de vorige
Kamer--en hij heeft niets anders te doen dan de presentielijst te
lezen. Beleefdheidshalve wordt zulk een ambtenaar vergund, om het
eerste voorstel te doen tot benoeming van een president; maar als hij
dit nalaat, heeft, naar amerikaansch gebruik, elk lid der Kamer het
recht, dit voorstel te doen en stemming te vragen door het opsteken der
handen. Ziende dat Vigers aarzelde, staat een der leden op; herhaalt
het voorstel van Billieu; laat stemmen door het opsteken der handen,
en verklaart dat het voorstel is aangenomen. Aanstonds plaatst Wiltz
zich in den voorzittersstoel, en terwijl de negers verbluft zitten
te kijken en beginnen te schreeuwen, roept hij de Kamer tot de orde
en verklaart de zitting geopend.
Een der leden stelt nu voor, dat de nog aanhangig gebleven verkiezingen
zullen worden onderzocht, en dat de vijf leden, die buiten op straat
wachten, inmiddels hunne zetels zullen innemen. Wiltz brengt het
voorstel in omvraag; met groote meerderheid van stemmen wordt
het aangenomen, daar een aantal negers zich verwijderd hebben, om
raad in te winnen bij de leiders der partij, in Kellogg's kabinet
vergaderd. Nadat de vijf heeren hunne plaatsen hebben ingenomen,
kunnen de blanken rekenen op vier-en-vijftig stemmen.
Intusschen heeft geene der beide partijen op zichzelve de wettige
meerderheid, en de republikeinen, ziende dat zij hunne geringe
meerderheid verloren hebben, beginnen de zaal te verlaten. Maar de
conservatieven, aan dergelijke kunstjes gewoon, beletten hen zich
te verwijderen, vóór eene nieuwe telling kan plaats grijpen. Een lid
stelt de benoeming van Louis A. Wiltz tot president voor; een ander
lid doet gelijk voorstel ten behoeve van Michael Hahn. Acht-en-vijftig
leden zijn tegenwoordig; vijf-en-vijftig stemmen voor Wiltz, die,
onder oorverdoovend gejuich, als president wordt geproklameerd.
De rechter Houston, nabij den voorzittersstoel staande, neemt hem
nu den gebruikelijken eed van trouw aan de wet en de constitutie
van Louisiana af. Wiltz houdt op nieuw appel nominaal, en neemt den
tegenwoordigen leden den eed af. Hoewel zich enkelen verwijderd hebben,
is toch het wettig getal nog bijeen. Hahn, onzeker wat te doen, is
gebleven, en legt den eed in handen van Wiltz af. Kapitein Floyd wordt
nu tot serjeant benoemd, en de heer Trevezant tot griffier. De Kamer
is nu geconstitueerd. In zijne hoedanigheid als voorzitter, noodigt
Wiltz den generaal De Trobriand uit, de policie-agenten te verwijderen
die de deuren en toegangen bezet houden, en de generaal voldoet aan
die uitnoodiging. Naar het schijnt, wordt de conservatieve Kamer,
onder presidium van Wiltz, geconstitueerd, dus door de bondstroepen
als de wettige macht erkend. Zijn de scalawags dan inderdaad geslagen,
en de blanke burgers weer meester van de stad? Nog niet.
In zijn kamer gezeten, omringd door officieren en beambten, verneemt
Kellogg, met klimmende woede en verlegenheid, wat er daar in de
Vergadering plaats grijpt. Ondanks zijn whisky en zijn sigaren, ondanks
zijn cantine en zijn matrassen, hebben de conservatieven hem in zijn
eigen huis en met zijn eigen wapenen geslagen. Hoe zal hij zich in
zijne positie handhaven? Met een conservatieven president, griffier
en serjeant, is de Kamer geheel in de macht zijner vijanden. Alleen
de federale bajonetten kunnen het werk van dezen morgen weer ongedaan
maken.
Maar zijn die bajonetten nog tot zijne beschikking? Wiltz roept ze
ter hulpe, en zij gehoorzamen hem. Zullen zij ook aan zijn bevel
gehoor geven? Hij neemt de proef, en zendt een schriftelijken last
aan generaal De Trobriand om de vergaderzaal te bezetten, en de vier
conservatieve leden te verwijderen, aan wie de Kamer vergund heeft
zitting te nemen.
De Trobriand onderwerpt dit bevelschrift aan generaal Emory. Het is
niet uitgemaakt, of Emory ook den raad van Sheridan heeft ingewonnen;
maar na een geruim tijdsverloop, terwijl de beraadslaging in vollen
gang is, treedt De Trobriand, die nu zijn orders ontvangen heeft,
eensklaps de vergaderzaal binnen, en eischt dat hem de "indringers"
zullen worden aangewezen. Wiltz antwoordt dat hem geen "indringers"
bekend zijn; dat al de hier tegenwoordige heeren leden zijn der
Kamer, en dat de persoon van elk lid eener amerikaansche wetgevende
vergadering onschendbaar is.
"Ik ben soldaat en geen opperbevelhebber, ik moet de mij gegeven orders
uitvoeren, antwoordt De Trobriand. Generaal Emory heeft mij gelast,
overeenkomstig de bevelen van den gouverneur Kellogg te handelen.
--Ik moet u uitdrukkelijk doen opmerken, herneemt de president,
dat deze wettig verkozen Kamer zich heeft geconstitueerd door mij
te benoemen tot voorzitter, kapitein Floyd tot serjeant en den
heer Trevezant tot griffier. Daarna hebben wij vijf leden zitting
doen nemen, wier geloofsbrieven door het kiesbureau aan ons zijn
onderworpen. Wilt gij deze heeren uitdrijven?
--Mijn plicht als officier laat mij geen andere keus."
Wiltz noodigt al de leden uit om met hem, ten teeken van protest,
van hunne zitplaatsen op te staan. Al de conservatieven rijzen op,
heffen hunne handen omhoog en roepen den hemel tot getuige aan
van hun protest. De negers, vreezende dat het op een kloppartij
zal uitloopen, springen over de banken, verschuilen zich achter de
lessenaars, verdringen zich in de gangen, en sluiten zich op in de
geheime kabinetten.
"Wijs ze aan! roept De Trobriand tot Vigers.
--Vigers heeft in deze Kamer niets te zeggen, herneemt de
president. Zijne tusschenkomst in de beraadslagingen en handelingen
dezer vergadering is onwettig. Vigers was griffier van de vorige Kamer;
Trevezant is nu griffier.
--Lees de presentielijst!" schreeuwt De Trobriand, waarop Vigers
opstaat en begint te lezen.
"De conservatieve leden zullen niet antwoorden," zegt de voorzitter:
en geen enkel conservatief lid antwoordt op het lezen van zijn naam.
Nu treedt generaal Campbell binnen, om Vigers bij zijn
onderzoek behulpzaam te zijn. Er worden soldaten ontboden. John
O'Quin, lid voor Aroyelles, wordt aangewezen als een der vier
conservatieven. "Verwijdert hem!" gelast De Trobriand. O'Quin roept de
bescherming in van den voorzitter. "Wij zwichten alleen voor geweld,"
zegt deze, zich tot den officier wendende. De Trobriand laat soldaten
met geladen geweren en bajonetten aanrukken, en twee dezer soldaten
voeren O'Quin van zijn plaats. Nu komt de beurt aan Vaughan, lid
voor Rapides. De Trobriand en zijn gewapende satellieten fier in
het aangezicht ziende, rijst Vaughan op, en zegt: "In naam mijner
kiezers, het volk van Louisiana, en als een vrij geboren burger van
de Vereenigde-Staten, protesteer ik tegen deze aanranding."--Toen zich
tot zijne collegas wendende, roept hij hen allen tot getuigen van deze
verregaande geweldenarij tegenover eene vrije vergadering. "Gij ziet,
zij werpen mij uit met bajonetten!"
"Laat het geschieden," zucht Wiltz, en de schanddaad wordt volvoerd.
Elf andere leden worden achtervolgens weggevoerd. Als Floyd, op last
van den president, een der leden poogt te beschermen, wordt hij
zelf gegrepen en door de soldaten vastgehouden. Nadat het laatste
conservatieve lid aldus door geweld was verwijderd, rijst Wiltz op,
geeft met plechtig gebaar een teeken dat stilte gebiedt, en spreekt
op ernstig droeven toon:
"Als wettig voorzitter der Kamer van vertegenwoordigers van Louisiana,
heb ik geprotesteerd tegen deze overrompeling onzer vergadering door
soldaten van de Vereenigde-Staten, met gevelde bajonetten en geladen
geweren. Onze broeders zijn voor onze oogen met geweld aangegrepen en
weggevoerd, in spijt van hun plechtig protest. Een troep soldaten heeft
deze zaal der volksvertegenwoordigers bezet, en wij hebben tegen die
daad geprotesteerd. In den naam van een weleer vrij volk, in den naam
van den weleer vrijen staat Louisiana, in den naam onzer amerikaansche
Unie, protesteer ik op nieuw plechtig tegen dit misbruik der militaire
macht. Mijn voorzittersstoel is door soldaten omringd. Onze ambtenaren
worden door hen gevangen gehouden. Leden der wetgevende macht, ik
verklaar plechtiglijk dat Louisiana heeft opgehouden een souvereine
staat te zijn, en niet langer eene republikeinsche regeering bezit. Ik
noodig alle vertegenwoordigers van ons land uit, met mij voor deze
gewapende tusschenkomst te wijken."
Dit gezegd hebbende, heft Wiltz de zitting op en verlaat de
zaal, gevolgd door al de conservatieven; hij gaat naar de straat
Saint-Louis, vergezeld door eene overtalrijke menigte, die hem
met luide toejuichingen begroet. In het huis N^o. 71 van de straat
Saint-Louis vinden de afgevaardigden een geschikt lokaal, en na daarvan
formeel bezit te hebben genomen, wordt de Kamer op reces gescheiden.
Kellogg heeft niet veel voldoening van zijn zegepraal. Zijne
heftigheid heeft de zaken niet beter, maar veeleer erger gemaakt. De
vier conservatieve leden, hoezeer door geweld verdreven, zijn
niet bij stemming van hun recht vervallen verklaard; en dit kan
nu niet meer geschieden, zelfs niet met een schijn van wettigheid,
want de overblijvende neger-vergadering blijft beneden het voor een
besluit vereischte getal van zes-en-vijftig stemmen. Wiltz is als
president beëedigd, en als president heeft hij de vergadering belegd
in de straat Saint-Louis. Alles wel beschouwd, ziet Kellogg dat hij
op ieder punt geslagen is, en zwakker dan ooit te voren. Noch hij,
noch zijn mededinger kan eene wettige vergadering beleggen, en zonder
dat is geene regeering mogelijk.
De toestand schijnt een dictator te eischen, en ten negen uur des
avonds aanvaardt generaal Sheridan de opperste leiding.
De soldaten zijn onder de wapenen, het zwaard is koning!
Indien slechts President Grant aan Sheridan in Louisiana volle
vrijheid van handelen wil laten, zoo als hij hem die gelaten heeft
in de valleien van de Blue-Ridge en op de jachtgronden der Peigans,
dan zal mijn onstuimige buurman wel spoedig klaar weten te komen
met zulke tegenstanders als Wiltz en Ogden, Mac-Enery en Penn. "Ik
ken deze luidjes, zoo zegt hij; ik heb vroeger met hen omgegaan,
toen zij onhandelbaarder waren dan tegenwoordig. Ik weet wat mij te
doen staat. De Blanke Bond moet vernietigd worden. Dat is slecht
volk: echte bandieten, belust op kwaaddoen. In Nieuw-Orleans ziet
ge hen van hun gunstigste zijde: hier gedragen zelfs de leden
van den Blanken Bond zich als fatsoenlijke lieden; maar in de
plattelands-distrikten--Bossier en Saint-Bernard, Natchitoches en
Red-River--zijn zij ware duivels."
Ten tien uur des avonds zendt Sheridan dit telegram aan Belknap,
den secretaris van staat voor oorlog:
Nieuw-Orleans, 4 Januari 1875.
"Tot mijn leedwezen moet ik U mededeelen, dat in dezen staat een geest
van verzet heerscht tegen alle wettig gezag, en eene onveiligheid
van leven en bezit, waarvan de centrale Regeering of het land over
het algemeen zich nauwelijks rekenschap geven kan. Het leven der
burgers is zoo zeer bedreigd, dat, tenzij iets gedaan worde om het
volk te beschermen, alle veiligheid, die de wet toekent, verloren zal
gaan. Verzet tegen de wet en moord schijnen hier beschouwd te worden
van een standpunt, dat straffeloosheid verzekert aan allen, die zich
aan deze vergrijpen schuldig maken, en het burgerlijk gezag schijnt
machteloos om de boosdoeners te straffen of zelfs te vatten. Heden
avond heb ik het bevel over het departement der Golf op mij genomen.
P.H. Sheridan.
Dit departement der Golf, omvattende drie groote staten, Louisiana,
Mississippi en Arkansas, met al de forten en militaire stations langs
de golf van Mexiko, behalve de forten aan de Mobile-baai, wordt alzoo,
met een enkelen pennestreek geschrapt van de divisie van het Zuiden,
onder het opperbevel van Mac-Dowell geplaatst.
Den volgenden morgen ontvangt Sheridan, van den adjudant-generaal
Townsend, de verzekering dat zijn gedrag wordt "goedgekeurd." Daarop
antwoordt hij aanstonds, door naar Washington een schets te zenden
van het stelsel, dat hij in de zuidelijke staten wenscht toe te
passen: een dokument, dat wel verdient beroemd te blijven in de
geschiedenis der amerikaansche vrijheid. Nog nimmer had een spaansch
onderkoning op Sicilië, of een russisch gouverneur in Polen, van zijn
koninklijken meester zoodanige volmacht gevraagd, als thans Sheridan
aan President Grant vroeg. Zijn regeeringsprogram voor het Zuiden
rust hoofdzakelijk op het denkbeeld, dat de voornaamste burgers
van deze rijke on welvarende staten, door de regeering zelve als
bandieten beschouwd en buiten de wet gesteld zullen worden, en aan
haar ambtenaren overgeleverd om hen naar goedvinden te straffen.
Dit merkwaardig, aan Belknap gericht telegram luidt aldus:
Nieuw-Orleans, 5 Januari 1875.
"Naar mijne meening, kan het thans in Louisiana, Mississippi en
Arkansas heerschende schrikbewind worden vernietigd, en het vertrouwen
en de openbare orde hersteld, indien slechts de hoofdleiders van den
gewapenden Blanken Bond worden gevat en terecht gesteld. Wanneer zij,
door een besluit van het Congres, tot bandieten worden verklaard,
dan kunnen zij door een krijgsraad worden gevonnisd. De aanvoerders
dezer bandieten, die hier op den 14den September l.l. moorden hebben
gepleegd, en later ook nog te Vicksburg in Mississippi, moeten,
volgens den eisch der wet en openbare veiligheid, en ook in het
belang van den vrede en de welvaart van de zuidelijke streken des
lands, gestraft worden. Indien de President eene proklamatie wilde
uitvaardigen, waarbij zij tot bandieten werden verklaard, dan behoefden
misschien geen verdere stappen gedaan te worden, en ik kon voor het
overige zorgen.