XIX.

De staatsgreep.

Bij het aanbreken van den dag, terwijl de neger-afgevaardigden zich

nog geeuwend op hunne met koortsmos gevulde matrassen rondwentelen en

voortdurend om meer whisky schreeuwen, vult zich de Koningsstraat met

soldaten, die de voetpaden bezetten en hunne geweren op den rijweg in

rust zetten. Wat heeft dit te beduiden? De gansche stad schijnt reeds

ontwaakt en op de been. De voetpaden wemelen van burgers zoowel als van

soldaten, en bijtende spotternijen, krenkende woorden worden van beide

zijden gewisseld. De mariniers naderen van de zijde der kaaien; nabij

het Tolkantoor is de kavalerie opgesteld. Twee kanonnen staan bij het

havenhoofd, een derde beschermt den toegang tot het Statenhuis. Emory,

met het opperbevel belast, blijft in het Arsenaal, gereed daar heen

te gaan, waar zijne tegenwoordigheid vereischt wordt. Zijn luitenant,

De Trobriand, na zijne troepen in de straat Saint-Louis te hebben

opgesteld, met hun rechtervleugel geleund tegen de gesloten poorten

van het Kapitool, en de linker zich uitstrekkende naar de rivier,

bezet met een deel zijner brigade de Koningsstraat. Tweeduizend

federale soldaten zijn onder de wapenen.

Met uitzondering van de ordonnans-officieren, die nu en dan naar het

hotel rijden waar Sheridan nog altijd vertoeft, wordt de toegang tot

de straat Saint-Louis aan niemand vergund; evenmin wordt iemand in de

Koningsstraat toegelaten, behalve de berichtgevers der dagbladen, de

dienstdoende officieren, en de van een toegangskaart voorziene leden

der Kamer. Potter, lid van de door het Congres benoemde commissie,

toont zijn kaart: vergeefs: de toegang tot het Kapitool wordt hem

geweigerd. Mac-Enery en Wiltz, die er prijs op stellen officieele

getuigen te hebben, noodigen ook de beide andere leden der commissie,

Forster en Phelps, uit, om met Potter bij de opening der zitting

tegenwoordig te zijn. De drie leden verschijnen gezamenlijk: de

schildwachten drijven hen terug. Als voorzitter der commissie, laat

Forster een hoofdofficier roepen, die, na eenige woordenwisseling,

hun vergunt door te gaan, maar volstrekt weigert, de heeren die hen

volgen mede door te laten.

Even voor twaalf uur, verschijnen de conservatieve leden en corps in

de Koningsstraat, en begeven zich naar den ingang van het Kapitool; de

dienstdoende officier houdt hen staande, en verlangt hunne papieren te

zien. Vier hunner, die geen toegangskaarten hebben, worden afgewezen,

tot dat nader omtrent hunne toelating zal zijn beslist. De anderen

vervolgen hun weg door gangen, met soldaten bezet, door kamers,

vervuld met den stank van slechte sigaren en whisky. Afdeelingen

policie-agenten, met knuppels en revolvers gewapend, bewaken de

deuren, en weigeren de toegangen tot de vergaderzaal te ontruimen. Zij

beweeren, dat generaal Campbell hun hunne posten heeft aangewezen, en

zoo lang hij hen niet afroept, mogen zij zich niet verwijderen. Foster

en Phelps houden van dit een en ander zorgvuldig aanteekening.

Voor Wiltz is het nu niet langer twijfelachtig, of, wanneer bedrog

niet mocht slagen, de scalawags tot geweld hun toevlucht zullen nemen;

en Mac-Enery is evenzeer overtuigd dat zij daarbij op de hulp der

federale officieren kunnen rekenen. Een enkel driftig woord, een enkele

ondoordachte stap, kan eene noodlottige botsing uitlokken. "Laat ons

vastberaden en spoedig handelen", fluisteren de burgers elkander toe;

"bovenal, laat ons strikt binnen de palen der wet blijven."

Met klokslag van twaalven begint Vigers de presentielijst af te

lezen; twee-en-vijftig republikeinen en vijftig conservatieven zijn

tegenwoordig.

"Honderd-twee leden zijn present; de vergadering is wettig

geconstitueerd!" roept Vigers, wiens stem bijna door het geschreeuw

en gejoel der negers wordt verdoofd.

"Ik stel voor, zegt Billieu, het conservatieve lid voor La-Farouche,

dat de heer Louis A. Wiltz, gewezen mayor van Nieuw-Orleans, het

presidium op zich neme."

Vigers, die verwacht dat iemand Michael Hahn zal voorstellen, heeft

de onbeschaamdheid te zeggen, dat hij het voorstel van Billieu niet

in omvraag wil brengen. Vigers is griffier--griffier van de vorige

Kamer--en hij heeft niets anders te doen dan de presentielijst te

lezen. Beleefdheidshalve wordt zulk een ambtenaar vergund, om het

eerste voorstel te doen tot benoeming van een president; maar als hij

dit nalaat, heeft, naar amerikaansch gebruik, elk lid der Kamer het

recht, dit voorstel te doen en stemming te vragen door het opsteken der

handen. Ziende dat Vigers aarzelde, staat een der leden op; herhaalt

het voorstel van Billieu; laat stemmen door het opsteken der handen,

en verklaart dat het voorstel is aangenomen. Aanstonds plaatst Wiltz

zich in den voorzittersstoel, en terwijl de negers verbluft zitten

te kijken en beginnen te schreeuwen, roept hij de Kamer tot de orde

en verklaart de zitting geopend.

Een der leden stelt nu voor, dat de nog aanhangig gebleven verkiezingen

zullen worden onderzocht, en dat de vijf leden, die buiten op straat

wachten, inmiddels hunne zetels zullen innemen. Wiltz brengt het

voorstel in omvraag; met groote meerderheid van stemmen wordt

het aangenomen, daar een aantal negers zich verwijderd hebben, om

raad in te winnen bij de leiders der partij, in Kellogg's kabinet

vergaderd. Nadat de vijf heeren hunne plaatsen hebben ingenomen,

kunnen de blanken rekenen op vier-en-vijftig stemmen.

Intusschen heeft geene der beide partijen op zichzelve de wettige

meerderheid, en de republikeinen, ziende dat zij hunne geringe

meerderheid verloren hebben, beginnen de zaal te verlaten. Maar de

conservatieven, aan dergelijke kunstjes gewoon, beletten hen zich

te verwijderen, vóór eene nieuwe telling kan plaats grijpen. Een lid

stelt de benoeming van Louis A. Wiltz tot president voor; een ander

lid doet gelijk voorstel ten behoeve van Michael Hahn. Acht-en-vijftig

leden zijn tegenwoordig; vijf-en-vijftig stemmen voor Wiltz, die,

onder oorverdoovend gejuich, als president wordt geproklameerd.

De rechter Houston, nabij den voorzittersstoel staande, neemt hem

nu den gebruikelijken eed van trouw aan de wet en de constitutie

van Louisiana af. Wiltz houdt op nieuw appel nominaal, en neemt den

tegenwoordigen leden den eed af. Hoewel zich enkelen verwijderd hebben,

is toch het wettig getal nog bijeen. Hahn, onzeker wat te doen, is

gebleven, en legt den eed in handen van Wiltz af. Kapitein Floyd wordt

nu tot serjeant benoemd, en de heer Trevezant tot griffier. De Kamer

is nu geconstitueerd. In zijne hoedanigheid als voorzitter, noodigt

Wiltz den generaal De Trobriand uit, de policie-agenten te verwijderen

die de deuren en toegangen bezet houden, en de generaal voldoet aan

die uitnoodiging. Naar het schijnt, wordt de conservatieve Kamer,

onder presidium van Wiltz, geconstitueerd, dus door de bondstroepen

als de wettige macht erkend. Zijn de scalawags dan inderdaad geslagen,

en de blanke burgers weer meester van de stad? Nog niet.

In zijn kamer gezeten, omringd door officieren en beambten, verneemt

Kellogg, met klimmende woede en verlegenheid, wat er daar in de

Vergadering plaats grijpt. Ondanks zijn whisky en zijn sigaren, ondanks

zijn cantine en zijn matrassen, hebben de conservatieven hem in zijn

eigen huis en met zijn eigen wapenen geslagen. Hoe zal hij zich in

zijne positie handhaven? Met een conservatieven president, griffier

en serjeant, is de Kamer geheel in de macht zijner vijanden. Alleen

de federale bajonetten kunnen het werk van dezen morgen weer ongedaan

maken.

Maar zijn die bajonetten nog tot zijne beschikking? Wiltz roept ze

ter hulpe, en zij gehoorzamen hem. Zullen zij ook aan zijn bevel

gehoor geven? Hij neemt de proef, en zendt een schriftelijken last

aan generaal De Trobriand om de vergaderzaal te bezetten, en de vier

conservatieve leden te verwijderen, aan wie de Kamer vergund heeft

zitting te nemen.

De Trobriand onderwerpt dit bevelschrift aan generaal Emory. Het is

niet uitgemaakt, of Emory ook den raad van Sheridan heeft ingewonnen;

maar na een geruim tijdsverloop, terwijl de beraadslaging in vollen

gang is, treedt De Trobriand, die nu zijn orders ontvangen heeft,

eensklaps de vergaderzaal binnen, en eischt dat hem de "indringers"

zullen worden aangewezen. Wiltz antwoordt dat hem geen "indringers"

bekend zijn; dat al de hier tegenwoordige heeren leden zijn der

Kamer, en dat de persoon van elk lid eener amerikaansche wetgevende

vergadering onschendbaar is.

"Ik ben soldaat en geen opperbevelhebber, ik moet de mij gegeven orders

uitvoeren, antwoordt De Trobriand. Generaal Emory heeft mij gelast,

overeenkomstig de bevelen van den gouverneur Kellogg te handelen.

--Ik moet u uitdrukkelijk doen opmerken, herneemt de president,

dat deze wettig verkozen Kamer zich heeft geconstitueerd door mij

te benoemen tot voorzitter, kapitein Floyd tot serjeant en den

heer Trevezant tot griffier. Daarna hebben wij vijf leden zitting

doen nemen, wier geloofsbrieven door het kiesbureau aan ons zijn

onderworpen. Wilt gij deze heeren uitdrijven?

--Mijn plicht als officier laat mij geen andere keus."

Wiltz noodigt al de leden uit om met hem, ten teeken van protest,

van hunne zitplaatsen op te staan. Al de conservatieven rijzen op,

heffen hunne handen omhoog en roepen den hemel tot getuige aan

van hun protest. De negers, vreezende dat het op een kloppartij

zal uitloopen, springen over de banken, verschuilen zich achter de

lessenaars, verdringen zich in de gangen, en sluiten zich op in de

geheime kabinetten.

"Wijs ze aan! roept De Trobriand tot Vigers.

--Vigers heeft in deze Kamer niets te zeggen, herneemt de

president. Zijne tusschenkomst in de beraadslagingen en handelingen

dezer vergadering is onwettig. Vigers was griffier van de vorige Kamer;

Trevezant is nu griffier.

--Lees de presentielijst!" schreeuwt De Trobriand, waarop Vigers

opstaat en begint te lezen.

"De conservatieve leden zullen niet antwoorden," zegt de voorzitter:

en geen enkel conservatief lid antwoordt op het lezen van zijn naam.

Nu treedt generaal Campbell binnen, om Vigers bij zijn

onderzoek behulpzaam te zijn. Er worden soldaten ontboden. John

O'Quin, lid voor Aroyelles, wordt aangewezen als een der vier

conservatieven. "Verwijdert hem!" gelast De Trobriand. O'Quin roept de

bescherming in van den voorzitter. "Wij zwichten alleen voor geweld,"

zegt deze, zich tot den officier wendende. De Trobriand laat soldaten

met geladen geweren en bajonetten aanrukken, en twee dezer soldaten

voeren O'Quin van zijn plaats. Nu komt de beurt aan Vaughan, lid

voor Rapides. De Trobriand en zijn gewapende satellieten fier in

het aangezicht ziende, rijst Vaughan op, en zegt: "In naam mijner

kiezers, het volk van Louisiana, en als een vrij geboren burger van

de Vereenigde-Staten, protesteer ik tegen deze aanranding."--Toen zich

tot zijne collegas wendende, roept hij hen allen tot getuigen van deze

verregaande geweldenarij tegenover eene vrije vergadering. "Gij ziet,

zij werpen mij uit met bajonetten!"

"Laat het geschieden," zucht Wiltz, en de schanddaad wordt volvoerd.

Elf andere leden worden achtervolgens weggevoerd. Als Floyd, op last

van den president, een der leden poogt te beschermen, wordt hij

zelf gegrepen en door de soldaten vastgehouden. Nadat het laatste

conservatieve lid aldus door geweld was verwijderd, rijst Wiltz op,

geeft met plechtig gebaar een teeken dat stilte gebiedt, en spreekt

op ernstig droeven toon:

"Als wettig voorzitter der Kamer van vertegenwoordigers van Louisiana,

heb ik geprotesteerd tegen deze overrompeling onzer vergadering door

soldaten van de Vereenigde-Staten, met gevelde bajonetten en geladen

geweren. Onze broeders zijn voor onze oogen met geweld aangegrepen en

weggevoerd, in spijt van hun plechtig protest. Een troep soldaten heeft

deze zaal der volksvertegenwoordigers bezet, en wij hebben tegen die

daad geprotesteerd. In den naam van een weleer vrij volk, in den naam

van den weleer vrijen staat Louisiana, in den naam onzer amerikaansche

Unie, protesteer ik op nieuw plechtig tegen dit misbruik der militaire

macht. Mijn voorzittersstoel is door soldaten omringd. Onze ambtenaren

worden door hen gevangen gehouden. Leden der wetgevende macht, ik

verklaar plechtiglijk dat Louisiana heeft opgehouden een souvereine

staat te zijn, en niet langer eene republikeinsche regeering bezit. Ik

noodig alle vertegenwoordigers van ons land uit, met mij voor deze

gewapende tusschenkomst te wijken."

Dit gezegd hebbende, heft Wiltz de zitting op en verlaat de

zaal, gevolgd door al de conservatieven; hij gaat naar de straat

Saint-Louis, vergezeld door eene overtalrijke menigte, die hem

met luide toejuichingen begroet. In het huis N^o. 71 van de straat

Saint-Louis vinden de afgevaardigden een geschikt lokaal, en na daarvan

formeel bezit te hebben genomen, wordt de Kamer op reces gescheiden.

Kellogg heeft niet veel voldoening van zijn zegepraal. Zijne

heftigheid heeft de zaken niet beter, maar veeleer erger gemaakt. De

vier conservatieve leden, hoezeer door geweld verdreven, zijn

niet bij stemming van hun recht vervallen verklaard; en dit kan

nu niet meer geschieden, zelfs niet met een schijn van wettigheid,

want de overblijvende neger-vergadering blijft beneden het voor een

besluit vereischte getal van zes-en-vijftig stemmen. Wiltz is als

president beëedigd, en als president heeft hij de vergadering belegd

in de straat Saint-Louis. Alles wel beschouwd, ziet Kellogg dat hij

op ieder punt geslagen is, en zwakker dan ooit te voren. Noch hij,

noch zijn mededinger kan eene wettige vergadering beleggen, en zonder

dat is geene regeering mogelijk.

De toestand schijnt een dictator te eischen, en ten negen uur des

avonds aanvaardt generaal Sheridan de opperste leiding.

De soldaten zijn onder de wapenen, het zwaard is koning!

Indien slechts President Grant aan Sheridan in Louisiana volle

vrijheid van handelen wil laten, zoo als hij hem die gelaten heeft

in de valleien van de Blue-Ridge en op de jachtgronden der Peigans,

dan zal mijn onstuimige buurman wel spoedig klaar weten te komen

met zulke tegenstanders als Wiltz en Ogden, Mac-Enery en Penn. "Ik

ken deze luidjes, zoo zegt hij; ik heb vroeger met hen omgegaan,

toen zij onhandelbaarder waren dan tegenwoordig. Ik weet wat mij te

doen staat. De Blanke Bond moet vernietigd worden. Dat is slecht

volk: echte bandieten, belust op kwaaddoen. In Nieuw-Orleans ziet

ge hen van hun gunstigste zijde: hier gedragen zelfs de leden

van den Blanken Bond zich als fatsoenlijke lieden; maar in de

plattelands-distrikten--Bossier en Saint-Bernard, Natchitoches en

Red-River--zijn zij ware duivels."

Ten tien uur des avonds zendt Sheridan dit telegram aan Belknap,

den secretaris van staat voor oorlog:

Nieuw-Orleans, 4 Januari 1875.

"Tot mijn leedwezen moet ik U mededeelen, dat in dezen staat een geest

van verzet heerscht tegen alle wettig gezag, en eene onveiligheid

van leven en bezit, waarvan de centrale Regeering of het land over

het algemeen zich nauwelijks rekenschap geven kan. Het leven der

burgers is zoo zeer bedreigd, dat, tenzij iets gedaan worde om het

volk te beschermen, alle veiligheid, die de wet toekent, verloren zal

gaan. Verzet tegen de wet en moord schijnen hier beschouwd te worden

van een standpunt, dat straffeloosheid verzekert aan allen, die zich

aan deze vergrijpen schuldig maken, en het burgerlijk gezag schijnt

machteloos om de boosdoeners te straffen of zelfs te vatten. Heden

avond heb ik het bevel over het departement der Golf op mij genomen.

P.H. Sheridan.

Dit departement der Golf, omvattende drie groote staten, Louisiana,

Mississippi en Arkansas, met al de forten en militaire stations langs

de golf van Mexiko, behalve de forten aan de Mobile-baai, wordt alzoo,

met een enkelen pennestreek geschrapt van de divisie van het Zuiden,

onder het opperbevel van Mac-Dowell geplaatst.

Den volgenden morgen ontvangt Sheridan, van den adjudant-generaal

Townsend, de verzekering dat zijn gedrag wordt "goedgekeurd." Daarop

antwoordt hij aanstonds, door naar Washington een schets te zenden

van het stelsel, dat hij in de zuidelijke staten wenscht toe te

passen: een dokument, dat wel verdient beroemd te blijven in de

geschiedenis der amerikaansche vrijheid. Nog nimmer had een spaansch

onderkoning op Sicilië, of een russisch gouverneur in Polen, van zijn

koninklijken meester zoodanige volmacht gevraagd, als thans Sheridan

aan President Grant vroeg. Zijn regeeringsprogram voor het Zuiden

rust hoofdzakelijk op het denkbeeld, dat de voornaamste burgers

van deze rijke on welvarende staten, door de regeering zelve als

bandieten beschouwd en buiten de wet gesteld zullen worden, en aan

haar ambtenaren overgeleverd om hen naar goedvinden te straffen.

Dit merkwaardig, aan Belknap gericht telegram luidt aldus:

Nieuw-Orleans, 5 Januari 1875.

"Naar mijne meening, kan het thans in Louisiana, Mississippi en

Arkansas heerschende schrikbewind worden vernietigd, en het vertrouwen

en de openbare orde hersteld, indien slechts de hoofdleiders van den

gewapenden Blanken Bond worden gevat en terecht gesteld. Wanneer zij,

door een besluit van het Congres, tot bandieten worden verklaard,

dan kunnen zij door een krijgsraad worden gevonnisd. De aanvoerders

dezer bandieten, die hier op den 14den September l.l. moorden hebben

gepleegd, en later ook nog te Vicksburg in Mississippi, moeten,

volgens den eisch der wet en openbare veiligheid, en ook in het

belang van den vrede en de welvaart van de zuidelijke streken des

lands, gestraft worden. Indien de President eene proklamatie wilde

uitvaardigen, waarbij zij tot bandieten werden verklaard, dan behoefden

misschien geen verdere stappen gedaan te worden, en ik kon voor het

overige zorgen.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 35 / 92 题