De kleine wandelingen in den omtrek van Kolosvar zouden weldra
gevolgd worden door eene langdurige reis in de bergen van westelijk
Zevenbergen. Wij zouden met ons drieën die reis ondernemen, drie
vrienden, allen evenzeer begeerig naar het genot der vrije schoone
natuur. Ons klein gezelschap was, wat de verscheidenheid der talen
aangaat, eenigermate een beeld in miniatuur van wat Zevenbergen in het
groot is. De een, een echte Magyaar, hoewel hij een kroatischen naam
draagt, sprak met den een zijner reismakkers in zijne moedertaal, met
den ander in het duitsch; de tweede, ook een Magyaar, maar het duitsch
slecht meester, sprak rechts in het hongaarsch, links in het fransch;
de derde, Franschman van afkomst en taal, bediende zich beurtelings
van het fransch en het duitsch; wanneer wij een boer tegenkwamen,
bijna altijd een Rumeniër, moesten wij onze toevlucht nemen tot de
walachijsche taal, die maar door één onzer gesproken werd. Wij waren
maar met ons drieën, en toch hadden wij vier talen noodig, anders
moesten wij ons met gebarenspraak behelpen.
Ondanks de cholera, was Kolosvar voor ons het aangewezen punt van
uitgang; daar moesten wij de noodige toebereidselen voor onze reis
maken en ons het een en ander aanschaffen. Van de weinige uren,
die wij beschikbaar hadden, maakten wij gebruik om het geologisch
museum van Kolosvar te bezoeken, onder geleide van den heer Brassay,
een geleerde, die misschien beter dan eenig ander met zijn vaderland
bekend is, en die door de zeldzame welwillendheid, waarmede hij de
vreemdelingen ontvangt, aan allen eene aangename herinnering van
dat land medegeeft. Onder zijne aanwijzing, hadden wij het genoegen,
in de zalen van het museum, als het ware een kort begrip te zien van
alle mijndistrikten, die wij gingen bezoeken; onder al de minerale
schatten, waaraan dit Land der Wouden zoo overrijk is, toonde men ons
ook blokken van dien prachtigen, witten en violetachtigen rotssteen,
het ditroïet, dat misschien binnen kort de fraaiste zuilen zal
opleveren, welke tot hiertoe door menschenhanden zijn opgericht.
Het was reeds volslagen duister, toen wij te Thorda, ons eerste
station, aankwamen. Deze echt magyaarsche stad, ondanks haar duitschen
naam van Thorenburg, ligt aan de oevers van den Aranyos of Goudrivier,
tegen de laatste hellingen van een voorgebergte, dat het stroomgebied
van den Maros van dat van den Szamos scheidt. Thorda is een der
beroemdste punten van geheel Zevenbergen: aan de overzijde van den
Aranyos strekt zich de wijde vlakte uit, waaraan de Walachen den
naam geven van het Veld van Trajanus, omdat de romeinsche Keizer
hier eene beslissende overwinning behaalde op hunne destijds nog
barbaarsche voorouders. Nog andere bloedige gevechten zijn hier
geleverd tusschen de verschillende volksstammen, die elkander
het bezit van Zevenbergen betwistten: want Thorda is het door de
natuur aangewezen punt van overgang tusschen de twee belangrijkste
stroombekkens van het geheele land, en iedere veroveraar moest in
de eerste plaats trachten, dezen strategischen sleutel in handen te
krijgen. De nationale milicie kampeerde vroeger telken jare in deze
van bloed doorweekte velden, bij de Hongaren bekend onder den naam
van Keresztes-mesö (het Kruisvaardersveld); daar ook vertoonde de
legeraanvoerder zich aan zijne soldaten, alvorens men ten oorloge trok.
Maar aan den naam van Thorda hechten zich nog andere herinneringen van
meer vredelievenden aard. In deze stad werd, ten jare 1545, tusschen
de Magyaren, de Szeklers en de Saksers het verbond van vriendschap
gesloten, dat de grondslag werd der "zevenbergsche drieëenheid,"
waarvan echter het verdrukte en verachte ras der Walachen was
uitgesloten. Vijf-en-twintig jaar later proklameerde hier de Landdag
volledige gewetensvrijheid voor alle inwoners des lands: een zeer
loffelijk besluit, maar dat zonder eenig gevolg bleef: de godsdienstige
vervolgingen toch begonnen ook weldra in Zevenbergen, en waren hier
niet minder hevig dan in de andere landen der oostenrijksche monarchie.
Het geologisch onderzoek van Zevenbergen heeft doen zien, dat al de
latere formatiën, waaruit de groote golvende vlakte van Meröseg, in het
hart des lands, thans bestaat, in haar geheel beschouwd kunnen worden
als een soort van deksel boven een uitgestrekte, onzuivere zoutlaag
liggende, die op hare beurt niet anders is dan het overblijfsel van
een vroeger meer, waarvan het water sinds lang verdampt is. Deze
zoutbank, die zonder moeite zou kunnen geëxploiteerd worden, hetzij
rechtstreeks, hetzij door middel van de zeshonderd zoutbronnen,
die er uit ontspringen, heeft eene oppervlakte van niet minder dan
vijf-en-twintigduizend vierkante kilometers; maar behalve deze in
waarheid onuitputtelijke minerale schatten, in het hart der aarde
verborgen, bezit Zevenbergen nog ontzaggelijke hoeveelheden zout,
dat zich aan de oppervlakte zelve vertoont, en dat door den regen
wordt afgespoeld en tot zonderlinge gestalten gevormd. Te Paradj,
in het hooge dal van een der nevenstroomen van den oostelijken Maros,
ziet men zelfs een berg van zuiver zout, waarvan de overhangende kruin
niet minder dan zeven kilometers in omtrek heeft en, naar men zegt,
tweemaal zooveel mineraal bevat als de beroemde zoutberg van Cordona
in Catalonië. Elders ziet men een zestigtal blanke zoutpyramiden,
op den kleiachtigen bodem verrijzende als de tenten van een leger.
De zoutbank van Thorda kan niet, als de berg van Paradj, zonder
veel moeite bij wijze van een steengroeve bewerkt worden; maar zij
heeft daarentegen het voordeel eener veel gunstiger ligging voor het
vervoer harer voortbrengselen naar de hongaarsche vlakte, waar het
zout overvloedigen aftrek vindt. Langs den voet der zoutlagen van
Thorda vloeit de rivier de Aranyos, waarlangs de blokken klipzout
zonder bezwaar naar de steden langs den Maros en de Tisza (Theiss)
knnnen vervoerd worden. Aan dit voorrecht heeft Thorda, het Salinae der
Romeinen, het waarschijnlijk te danken, dat sedert de allervroegste
tijden der dacische geschiedenis, hier het mijnwezen in vollen
bloei was. Tegenwoordig leveren de bergwerken van Thorda jaarlijks
gemiddeld vijf-en-twintigduizend ton steenzout op; zoo noodig zoude
deze opbrengst waarschijnlijk verhonderdvoudigd kunnen worden.
De groote mijn van Thorda ligt ten noorden van de stad. De wagon had
ons weldra overgebracht naar het hart van den zoutheuvel; nu stonden
wij op een vooruitstekende rotskam, van waar men in een der groote
galerijen nederziet. Uit de diepte stijgt een verward gedruis van
stemmen en geluiden tot ons op. Een lichte nevel vervult de niet te
peilen ruimte, waarin de blik vergeefs poogt door te dringen. Kleine
lichtende stippen, of liever gesluierde glansen, dwalen door den
reuzigen kuil; maar wij kunnen de mijnwerkers niet onderscheiden, zelfs
niets bespeuren wat aan eene menschelijke gedaante denken doet. Wij
zoeken vergeefs naar eenig vast punt, naar een voorwerp, waaraan
wij een maatstaf ontleenen kunnen om de diepte van dezen afgrond
te peilen; hij schijnt inderdaad bodemloos, en duizeling bevangt u,
als ge daarin nederblikt: maar in werkelijkheid bedraagt de hoogte
van den vloer tot het gewelf honderd-vier-en-veertig el: eene hoogte,
ongeveer gelijk staande met die van den toren van Straatsburg of van
de groote pyramide van Ghizeh.
Een eindelooze wenteltrap, in het kristalzout uitgehouwen, voerde
ons naar beneden, naar het voorportaal der groote zaal, te midden der
bezige mijnwerkers. Dezen, voor het meerendeel Hongaren, zijn alleen
met een broek gekleed, want zij hebben een zwaren arbeid te verrichten
en het zweet gudst van hun naakt bovenlijf. Twee aan twee op een in
de rots uitgehouwen trede staande, trachten zij de blokken van de
massa te scheiden. Al hunne bewegingen zijn regelmatig: zij buigen
zich te gelijk en richten zich te gelijk weder op: hunne houweelen
dalen op hetzelfde oogenblik neder op de juiste plek, aangewezen
door de lijn, die twee blokken scheidt. Eerst trachten zij den steen
ter zijde los te maken, dan houwen zij het blok van onderen los door
horizontale slagen. Een helder geluid geeft hun eindelijk te kennen,
dat het zoutblok los en vrij is. Zij nemen daarvan de proef met een
hefboom: dan wisschen zij zich het gelaat af, en wachten een oogenblik,
alvorens aan een ander blok te beginnen. Dit werk is alles behalve
gemakkelijk, maar het wordt goed betaald, althans in vergelijking
met het gemiddeld bedrag der loonen in Zevenbergen. Elk zoutblok
wordt verdeeld in stukken van vijftig pond, waarvoor de mijnwerker
zeventien tot achttien centimes ontvangt; nu kan hij, naar gelang
van zijne kracht en de hardheid van de rots, tusschen de twintig en
zes-en-twintig van zulke stukken afhakken. Hij verdient dus ongeveer
vijf francs per dag, de dag gerekend op tien uren. Doorgaans begint
de mijnwerker zijn arbeid des morgens ten vier uur: hij werkt door
tot twee uur in den namiddag, keert dan naar de vrije lucht terug en
houdt zich verder bezig met zijn tuin of zijn wijngaard, want hij is
bijna altijd grondeigenaar. Juist aan die betrekkelijke welvaart heeft
hij het te danken, dat hij beter betaald wordt dan andere werklieden:
hij wordt niet door gebrek gedwongen tot den arbeid, als het loon te
laag is.
De wijze van exploitatie heeft in den loop der eeuwen wijziging
ondergaan. De uitgravingen hebben tegenwoordig de gedaante van
koepels of groote klokken; naar mate de arbeid vordert, wordt de
mijn dieper en tevens breeder, maar zoo, dat de omringende wanden
steeds de as naderen, ten einde het gewicht der bovenste lagen te
kunnen torschen. Eindelijk is men onlangs op het denkbeeld gekomen,
om in de rots lange galerijen uit te houwen, waarvan de zijwanden zich
tot een gewelf vereenigen als in de kazematten. Zoo worden de mijnen
van Maros-Ujvar bewerkt, en in een deel der mijnen van Thorda begint
men hetzelfde stelsel in praktijk te brengen; maar de oude wijze van
bewerking wordt daarom niet opgegeven. De plaats waar het grootste
getal mijnwerkers bijeen is, is de Josefsput, waarheen onze gids
ons het eerst heeft heengevoerd; men heeft uit dezen geweldigen put
bereids vierhonderd-duizend kubiek el klipzout gehaald, en voortdurend
is men bezig de mijn nog meer uit te graven.
De grootste van alle zalen, de Theresiaput, had eene diepte van niet
minder dan honderd-zes-en-vijftig el, met een daaraan geëvenredigde
doorsnede. De koepel dezer mijn, in het hart der rots uitgehouwen,
was misschien de grootste, die ooit door menschenhanden werd gewrocht:
althans zou men vergeefs zijn wedergade hebben gezocht onder al de
koepels, die zich boven kerken of paleizen welven. Eindelijk zag
men er van af, om dit reusachtig gewelf nog verder uit te houwen:
inderdaad zou het ook meer dan zonderling zijn, voort te gaan met de
nasporing van het zout in het hart der aarde, wanneer men het in de
naburige vlakte in grooten overvloed op de oppervlakte zelve vinden
kan. De Theresiamijn is dus tegenwoordig verlaten.
Uit de Theresiamijn komende, liet de opzichter ons langs een kleinen
trap opklimmen, even als de anderen in het zout uitgehouwen. Weldra
deed een zonnestraal het schitterend kristal der wanden als diamanten
flonkeren; de gids lichtte een luik op, opende toen de deur van een
schuur: wij stonden in de open lucht. Het landschap om ons heen geleek
sprekend op dat der woestijnen van Afrika. Dijken van grijsachtige
klei beletten ons het uitzicht op de vlakte en de bergen; klippen van
onzuiver zout verhieven naast ons haar roodachtige, blauwe en groene
naalden en spitsen, aldus gekleurd door de vreemde bestanddeelen
in het zout opgenomen; enkele schrale planten, zooals men ook langs
de stranden der zee vindt, toonden in de spleten hare bleek blauwe
stengels en bladeren; een schitterend spoor van helder zout wees de
bedding aan van eene nu waterlooze beek; in de holten en kloven stonden
plassen van zout water, omzoomd door sneeuwwitte randen. Dit waren
voormalige, nu ingestorte putten. De naakte, blanke, metaalachtige
bodem kaatste het licht en de hitte der blakerende en brandende zon
terug: het was hier niet om uit te houden.
(Wordt vervolgd.)
Blanken en kleurlingen.
(Vervolg van bladz. 72).