Als de President maar wil verklaren dat al die burgers, dat is de
massa der blanke bevolking, bandieten zijn! Dat is genoeg; dan kunt
gij u verder stil houden, en het overige gerust aan mij overlaten!
Men mag vragen, of dit inderdaad de taal is van een amerikaansch
officier, in het midden der negentiende eeuw levende, en sprekende
van zijne medeburgers? De toon gelijkt meer op dien van een turkschen
pâsja te Belgrado. Doch hoe dit zij: de omgeving van den President,
de secretarissen en adjudanten, zijn opgetogen over zulke doortastende
energie, en bij de mededeeling dezer berichten aan de officieele
autoriteiten beginnen zij een eigenaardigen toon aan te slaan. Een
afschrift, van Townsend's eersten brief aan Sheridan, nu reeds
twaalf dagen oud, wordt aan generaal Mac-Dowell gezonden; en uit
dit stuk verneemt deze hoog geplaatste officier dat zijn kommando in
het departement van de Golf hem ontnomen is! Bij de kennisgeving aan
generaal Sherman, dat Sheridan het opperbevel in Nieuw-Orleans heeft
aanvaard, zegt Townsend, dat die officier de Golf heeft "geannexeerd",
en voegt er, bij wijze van dooddoener, bij: "deze maatregel werd
noodig geoordeeld en is goedgekeurd."
Generaal Sherman antwoordt droogjes:
St. Louis, 6 Januari 1875.
"Uw telegram van den 6den der loopende maand, houdende bericht, dat
de generaal Sheridan het departement der Golf bij zijn kommando heeft
geannexeerd, is door mij ontvangen."
Inmiddels heeft de voorzitter der Kamer, Louis A. Wiltz, zich tot
den President gewend, hem van het gebeurde verslag gevende, en hem
eerbiedig gevraagd te mogen vernemen: "op wiens gezag en krachtens
welke wet het leger der Vereenigde-Staten de vergadering der Kamer
van volksvertegenwoordigers van den staat Louisiana heeft overvallen
en uiteen gedreven?" Mocht het blijken, dat deze handeling op geen wet
en geen erkend gezag steunde, dan verzoekt Wiltz zeer dringend, dat de
federale troepen gelast zullen worden, de Kamer weder te herstellen;
en met niet minder aandrang vraagt hij, dat het departement van oorlog
aan de federale officieren onder het oog zal brengen, dat bemoeiing
met de werkzaamheden eener wetgevende vergadering geheel en al buiten
hunne bevoegdheid ligt.
Wat zal President Grant hierop antwoorden? Hij is niet zoo zeker als
Belknap en zijn adjudanten, dat in Nieuw-Orleans alles naar wensch
gaat. Daar dringen stemmen door in zijn kabinet, die zijn gemoed met
twijfel en bange voorgevoelens vervullen.
Verhalen van hetgeen des zondagsavonds en des maandagsmorgens
in de Koningsstraat heeft plaats gegrepen, vullen de kolommen der
dagbladen van elke stad, van Galveston tot Portland, van Savannah tot
San-Francisco. Doorgaans zijn deze verhalen gekruid met bijtende en
scherpe aanmerkingen; sommige schrijvers behandelen de zaak als een
aardigheid. Is men niet midden in het carnaval, den uitgelezen tijd
voor grappen en zotternijen? Dat feest der negers in het Kapitool
is eene aardigheid: die cantine, die soupers, die middernachtelijke
vergadering, die drinkgelagen in den vroegen morgen:--wel, dat
zijn niet anders dan gekkernijen van vroolijke korrespondenten,
die eens een loopje met het publiek willen nemen. Maar over het
algemeen vat de pers de zaak zeer ernstig op; en tot hun eer moet het
gezegd worden, dat juist de voornaamste republikeinsche dagbladen
de scherpste veroordeeling uitspreken over de handelingen van De
Trobriand. Zijn wij in Frankrijk? zoo vragen zij. Is Grant een andere
Bonaparte? Zijn Emory en De Trobriand de gehuurde soldaten van een
bastaard keizerrijk? Worden wij reeds door een Caesar geregeerd, en
is het Witte-Huis een amerikaansch paleis der Tuileriën? Elk woord,
in den laatsten tijd door den President gesproken, wordt zorgvuldig
gewogen; en in de thans heerschende stemming is men zeer geneigd,
eene geheime bedoeling, een verborgen caesaristischen zin te vinden in
uitdrukkingen, die anders hoogstens als minder gelukkig gekozen zouden
zijn beschouwd. Daarbij komt dat Grant zelden gelukkig is in zijn
woorden. Hij weet dit, en zwijgt daarom liefst in tegenwoordigheid
van vreemden; maar de eerste magistraatspersoon van een groot land
moet toch nu en dan in het openbaar spreken en schrijven, en met
al zijne onbetwistbare bekwaamheden, is hij dikwijls zeer onhandig,
als hij zijn tong of zijne pen moet gebruiken.
Een flauw gerucht van de aarzeling en de vrees van den President
dringt door tot het hoofdkwartier, in het hotel Saint-Charles. De
adjudanten wenschen nog meer "energie", en Sheridan, nooit gewoon zijn
woorden vooraf te wegen, telegrafeert aan zijn vriend, den minister
van oorlog, aldus:
Nieuw-Orleans, 6 Januari 1875.
"Wil den President zeggen, dat hij zich niet ongerust behoeft te
maken over den staat van zaken hier. Ik zal de rust handhaven,
en dat is niet moeilijk, met de troepen en de zeemacht in en bij
de stad. Indien het Congres de leden van den Blanken Bond en van
andere soortgelijke vereenigingen, blanken of zwarten, tot bandieten
wil verklaren, dan zal elke verdere bijzondere wetgeving voor het
behoud der rust en der gelijkheid van rechten in de staten Louisiana,
Mississippi en Arkansas onnoodig zijn; en ik zal de uitvoerende macht
voor goed bevrijden van al de moeielijkheden, die zij tot dusver in
deze streken ondervonden heeft.