IV.

Ik mocht de vallei van den Szamos niet verlaten, zonder een bezoek

te brengen aan de armenische stad Szamos-Ujvar. Men had mij gezegd,

dat die stad het in netheid en regelmatigheid van bouworde van alle

zevenbergsche steden won; en ik hoopte daar nog enkele gebouwen te

zullen vinden, die in hun stijl en hunne versiering iets eigenaardigs

hadden, en op wier muren als het ware nog een weerglans speelde van

de zon van Perzië. Deze verwachting werd echter teleurgesteld. De

armenische huizen onderscheiden zich in hunne bouworde door niets van

de hongaarsche huizen, en doen volstrekt niet denken aan de woningen

van Erivan en Ordubad; maar zij hebben boven die van Kolosvar althans

dit vooruit, dat zij niet omzoomd zijn door stinkende riolen: men vindt

in de straten geen stilstaande poelen, en de stad bezit, op een eiland

in den Szamos, een openbaren tuin met fraai geboomte en heestergewas,

met een theater en een muziektent. Dat mag inderdaad iets zeldzaams

heeten in een land, waar niemand aan dergelijke zaken van algemeen

belang schijnt te denken. De afstammelingen der aziatische Haïkanen

zijn dan ook niet weinig trotsch op het in het oog vallend contrast

tusschen hunne kleine sierlijke woonplaats en de vervallen slordige

steden der omwonende Magyaren en Rumeniërs.

De Armeniërs van Szamos-Ujvar zijn geünieerde Katholieken. Hunne kerk,

die hoog boven de lage huizen uitsteekt, heeft niets bijzonders,

hoewel de koster, met een vloed van woorden, niet nalaat de

aandacht te vestigen op een schilderij, die naar hij beweert van

Rubens zou zijn. In eene kast worden oude priesterlijke gewaden,

met goud en zilver borduursel overladen, bewaard, die vroeger bij de

godsdienstoefeningen werden gebruikt; op het altaar liggen armenische

boeken, die de geestelijken nog wel kunnen lezen, maar die niemand

verstaat. Wat, bij ons kortstondig bezoek, ons het meeste belang

inboezemde, was ons gesprek met den Armeniër en zijn zoon, die ons tot

gidsen verstrekten. Beiden waren geheel vervuld van dat eigenaardig

patriotisme, dat zich niet aan den grond hecht, want de Armeniërs

wonen hier in een vreemd land; dat evenmin in het ras wortelt, want

de stamgenooten van verschillende godsdienstige belijdenis houden met

elkander weinig of geen gemeenschap; maar dat enkel zijn grond vindt

juist in de godsdienstige overtuiging, in de eenheid des geloofs,

en dat juist daarom misschien de sterkste band van allen is. Toen zij

met ons spraken over hunne kleine gemeente, schitterden de oogen der

beide mannen van vreugde en innige liefde. Zij weidden uit over de

geleerdheid van hun pastoor, over de goede inrichting hunner scholen,

over den voorspoed en de welvaart hunner kooplieden. Ik vroeg eenige

inlichtingen omtrent de Joden, maar bemerkte aanstonds dat ik daarmede

een gevoelige snaar had aangeraakt. "O, riep de zoon op levendigen

toon, die kunnen hier geen zaken doen, en bovendien heeft de cholera ze

voor de helft uitgeroeid." De oude Armeniër, hoewel blijkbaar met dit

antwoord ingenomen, meende het echter aan zijne waardigheid verplicht

te zijn, zijn erfgenaam eene zachte berisping toe te dienen over het

min betamelijke van zijne uitdrukking.

De kerk verlatende, brachten wij eenige uren door met het bezoeken der

winkels en magazijnen, en met eene wandeling door de straten, in den

openbaren tuin en langs de oevers der rivier: maar nergens bespeurden

wij eene armenische vrouw; slechts eens meenden wij, achter een dubbel

raam, een vrouwelijk gelaat te zien, dat een haastigen, vluchtigen

blik op de vreemdelingen wierp; en in den tuin ontdekten wij twee in

lange kleederen gehulde schimmen, die bij onze verschijning haastig

wegvloden. De Armeniërs van Szamos-Ujvar zijn niet zoo onhandelbaar

jaloersch als hunne stamgenooten in de vallei van den Araxes; zij

sluiten hunne vrouwen niet als in een kerker op; zij verbieden de

jonge vrouw niet, zelfs met haar broeder en haar vader te spreken,

en zorgen niet voor de stipte naleving van dit verbod, door haar

een doek voor den mond te binden, die elk gesprek onmogelijk maakt;

maar zonder nu juist zoo barbaarsch te zijn, als zij naar aloude

zeden mochten wezen, zijn zij toch zeer streng, en hunne vrouwen

brengen verreweg het grootste gedeelte van haar leven afgezonderd in

het vrouwenvertrek door. Eenige jaren geleden, toen de hongaarsche

gouverneur den grooten weg deed aanleggen, die de vallei van den Szamos

doorsnijdt, hadden de ingenieurs natuurlijk voorgesteld, om dien weg

door de nijvere en handeldrijvende stad Szamos-Ujvar te laten loopen;

maar de armenische kooplieden, die toch zeer goed begrijpen van hoeveel

belang eene goede en gemakkelijke communicatie is, verzetten zich

met hand en tand tegen het hun aangeboden geschenk. Zij meenden dat

de weg de vreemdelingen zou uitlokken en naar de stad voeren, en dat

hunne vrouwen daardoor tot nieuwsgierigheid zouden worden geprikkeld,

van haar huis afkeerig zouden worden, lust zouden gevoelen om te gaan

reizen, om de wereld te zien, en, als de westersche dames, ijdel en

coquet zouden worden. Eindelijk gaf men aan hun verlangen, waarvoor

zij zich zelfs geldelijke opofferingen getroostten, toe, en hunne stad

is thans alleen door een lange populierenlaan en een houten brug over

den Szamos, indirect met den grooten weg verbonden. Zal het hun ook

gelukken, het gevaar af te wenden van den spoorweg, die hun boven

het hoofd hangt; of wel zal het gezicht der lokomotieven en wagons

zoo sterk op hun gemoed als kooplieden werken, dat zij ter wille van

het handelsbelang, ditmaal alle andere bezwaren ter zij zullen zetten?

Wat hiervan zij, waarschijnlijk zullen de Armeniërs eerlang ophouden

eene afzonderlijke groep te vormen te midden der verschillende

volksstammen van Zevenbergen. Het aantal hunner gezinnen is gering,

vooral in vergelijking met de Rumeniërs; bovendien slinken hunne

koloniën door eene aanhoudende verhuizing naar Pesth, Weenen en andere

groote steden van het Westen; en zij die blijven, hoewel nog dikwijls

kenbaar aan hun zwaren, zwarten hairdos, aan hunne langwerpige oogen,

hun bruine tint en hunne dikke lippen, nemen toch langzamerhand

den magyaarschen type aan; zij hebben hunne eigene taal vergeten,

zij wijzigen hunne oude zeden en gebruiken, en hunne geschiedenis

lost zich op in die der Hongaren, die deze ballingen gastvrij in

hun midden hebben ontvangen. Op onze wandeling ontmoetten wij een

merkwaardig exemplaar van zulk een gemagyariseerden Armeniër. Een

heer van een hoogst gedistingeerd voorkomen kwam met een beleefden

glimlach naar ons toe, en richtte eenige vriendelijke woorden tot

ons. Deze man was niet wel bij het hoofd en verbeeldde zich een zeer

gewichtig personage te zijn; maar in plaats van zich nu uit te geven

voor den mythischen Haïk, den goddelijken Sint-Gregorius of een ander

groot man uit de armenische geschiedenis, had hij zich in het hoofd

gezet dat hij Koning Matthias was, een der helden van Hongarije.

Zoo wij de eer haddon, een minzamen groet te ontvangen van "Koning

Matthias", kwam het daarentegen niet in ons op, ons te laten

voorstellen aan de meest bekende grootheid van de geheele provincie,

aan den beroemden Rosza Sandor, wiens naam heeft gezweefd op alle

hongaarsche lippen. Hij was de stoutmoedigste, de vermetelste betyar,

roover, die ooit de harten der bewoners van de Puszta met angst en

schrik heeft vervuld. Niemand kon zonder siddering zijn naam hooren

uitspreken, maar tegelijk voelde men zich gestreeld dat een man van zoo

onversaagden moed in Hongarije het levenslicht had aanschouwd. Toen

de onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, liet hij zijn rooversbedrijf

varen, om als krijgsoverste op te treden; weldra won hij zich een

schitterenden naam: Petöfi dichtte liederen te zijner eere, en in

alle legerkampen werd luid de lof van den betyar gezongen. Indien

hij het geluk had gehad, op het veld van eer te sneuvelen, dan

zou de legende hem tot den rang van een der nationale helden hebben

verheven: hij zou in de herinnering des volks zijn blijven voortleven

als een wreker der verdrukte onschuld, als een strijder voor recht

en vrijheid, die het land doortrok om de geweldenaars te straffen

en de onschuldigen te verdedigen. Ongelukkig sneuvelde hij niet,

en wist zelfs te ontsnappen uit de vesting, waarin de Regeering hem

opgesloten had. Nu weer eenvoudig boosdoener geworden, stelde hij

zich aan het hoofd van eene bende dieven en moordenaars; en toen bet

eindelijk gelukte hem te vatten, bleek hij het bagatel van eenige

duizenden misdaden op zijn geweten te hebben: een last trouwens,

dien hij zonder de minste moeite droeg. Men moest er wel toe komen,

om den grooten man op te sluiten, en der gevangenis van Szamos-Ujvar

viel de eervolle onderscheiding te beurt, dezen vorst der bandieten

binnen hare muren te ontvangen. Misschien waren het wel vrienden en

bewonderaars van Rosza Sandor, die, toen de cholera op het hevigst

woedde, wisten te bewerken dat in drie steden van Hongarije de

gevangenen op vrije voeten werden gesteld, onder voorgeven dat de

epidemie in de kerkers een brandpunt zou kunnen vinden, van waar zij

zich verder door het land zou verspreiden! Is dit zoo, dan hebben

de Armeniërs van Szamos-Ujvar zich verstandiger getoond en het oor

gesloten voor dergelijke inblazingen: althans Rosza-Sandor zit nog

achter slot.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 33 / 92 题