III.

Van Noekoe-Hiwa begeven wij ons naar het eiland Oea-Poe, welks

zonderling gevormde bergtoppen, uit de verte van de baai van Taio-Hae

gezien, op een reeks klokketorens gelijken.

Wij toeven gedurende eenige uren in de baai van Aneoe, waar wij het

bezoek ontvangen van een protestantsch zendeling, waarschijnlijk

een eenvoudig onderwijzer (teacher), van de Sandwich-eilanden

geboortig; hij komt zijn aandeel in den hoofdelijken omslag

betalen. De voornaamste statie der katholieke zendelingen ligt aan

de baai Hakahau, aan de oostelijke punt van het eiland. Dewijl de

ankerplaats daar minder geschikt is, heeft de kommandant hier het

anker doen uitwerpen. Overigens ziet men te Aneoe noch woningen,

noch broodboomen, noch kokospalmen. Eenige struiken, langs de oevers

van eene kleine beek groeiende, vormen den ganschen plantenrijkdom

van dit dorre gedeelte des eilands.

De naastvolgonde baai, westwaarts, is die van Hakahetau, waar de

katholieke missionnarissen eene kapel hebben gebouwd. Daar, of in

de naburige baai Haákoeti, nam Marchand, op den 22sten Juni 1791, de

noordwestelijke groep der Markiezen-eilanden, in naam van Frankrijk,

in bezit.

Wat wij hier te doen hebben is spoedig verricht, en nog vóór de nacht

invalt, bevinden wij ons weder in de open zee.

Den volgenden morgen ankeren wij aan de zuidwestelijke punt

van Oea-Oeka, gedekt door eenige dorre, naakte eilandjes, die

ons genoegzaam tegen de branding beveiligen. De kommandant en de

resident gaan aan land, om een bezoek te brengen aan de zoogenoemde

Onzichtbare-baai (Vaitake bij de inboorlingen). Eenige officieren en

ik begeven ons in een sloep naar dezelfde plek. Wij volgen de hooge

kust, uit zwarte, loodrechte rotsen gevormd, aan wier voet de golven

met groot geweld breken en uiteen spatten in wolken schuim, dat in de

zonnestralen als een regen van diamanten schittert; de zeevogels, die

in de spleten der rotsen nestelen, heffen bij onze nadering een luid

geschreeuw aan. De Onzichtbare-baai draagt haar naam niet ten onrechte,

want eerst als men zeer nabij gekomen is, kan men dezen inham in de

kust en den zandigen oever aan het einde bespeuren. Tusschen de hooge

rotsen, die den ingang der baai vormen, gaat een vrij sterke deining;

maar eenige forsche roeislagen brengen ons weldra in de baai zelve,

waar het water zoo kalm en effen is als in een vijver. Wij zetten

onze sloep op het strand, nevens die van den kommandant.

Hier, even als te Taio-Hae, opent zich eene liefelijke, vruchtbare

vallei, die door haar weelderig groen eene sterke tegenstelling

maakt met de donkere tinten der hooge, naakte rotswanden, welke haar

omzoomen. Nabij den oever staan eenige wel gebouwde woningen, te

midden van een soort van plantage, die door een lagen steenen muur is

omringd. Wij treden een dier woningen binnen, en worden ontvangen door

een ouden Amerikaan, waarschijnlijk een voormalig matroos, die van een

walvischvaarder is gedeserteerd; de man is bijna evenzoo getatouëerd

als de inlanders. Hij woont hier sedert meer dan twintig jaren; voor

een niet onaardigen prijs verkoopt hij ons een knods in den vorm

van een pagaai. Het engelsch dat hij spreekt klinkt zoo wonderlijk,

dat ik alle moeite heb om hem te verstaan.

Wij gaan verder het dal in, en volgen den oever van een beekje, dat al

spoedig niet veel meer is dan een dunne waterstraal; de vallei is bijna

verlaten. Zij wordt al nauwer en nauwer, echter zonder te stijgen;

de plantengroei houdt bijna eensklaps op, en van alle kanten verheffen

zich naakte witte rotsen, die door haar glans het oog verblinden. Wij

ontmoeten drie of vier hutten, waarvan de bewoners afwezig zijn;

wij toeven maar een oogenblik, want het wemelt hier van groote,

nijdige vliegen, die ons bij duizenden omzwermen. Onder eene brandende

zonnehitte naar het strand teruggekeerd, zien wij dat de matrozen,

met uitzondering van een enkelen, die bij de sloep is achtergebleven,

naar de naburige woningen zijn gegaan. Terwijl wij hunne terugkomst

afwachten, nemen wij een heerlijk zeebad, dat ons geheel opfrischt.

Kort daarna waren wij veilig en wel, ondanks de sterke branding,

aan boord teruggekeerd, en had de Vaudreuil het anker weer gelicht,

om koers te zetten naar Hiwa-Oa, het grootste en volkrijkste der

eilanden van dezen archipel.

Na den nacht op zee te hebben doorgebracht, werpen wij den volgenden

morgen het anker uit in de baai Hanamenoe, nabij den westelijken

uithoek van het eiland gelegen. De baai is in twee kommen verdeeld door

een groote, vooruitspringende zwarte rots, die, uit de verte gezien, op

een reusachtigen toren gelijkt. Op den top van dit rotsige voorgebergte

zien wij enkele woningen. De stammen, die de omliggende landstreek

bewonen, zijn met elkander in oorlog gewikkeld: de kommandant heeft

in last, hen met elkander te verzoenen, en vrede en orde te herstellen.

Eenige Kanaks dalen van de hooge, loodrechte rotsen af, waarbij zij

eene bewonderenswaardige vlugheid, kracht en behendigheid ten toon

spreiden. Sloepen en prauwen voeren nu welhaast de opperhoofden der

strijdende stammen bij ons aan boord, waar de kommandant hun eene

scherpe berisping toevoegt, die door den officieelen tolk, den mutoi

van Taio-Hae, in de landstaal wordt overgebracht. Het einde is, dat

de vijanden elkander de hand reiken, en met groot welbehagen eenige

geschenken ontvangen, die de kommandant hun van wege de fransche

regeering laat ter hand stellen.

Terwijl deze verzoening plaats greep, bezochten enkele eilanders

het schip, in gezelschap van hunne vrouwen. De jongsten van deze

vrouwen mogen betrekkelijk schoon heeten. Zij zijn kort van gestalte

en gezet, maar haar embonpoint heeft niets terugstootends; haar

vormen hebben er niet door geleden, en in haar geheele voorkomen

hebben zij eene groote mate van natuurlijke bevalligheid. Zij zijn

er aan gewoon, Europeanen te ontmoeten, daar de baai zeer dikwijls

door de walvischvaarders wordt bezocht. Haar hartstocht voor tabak

grenst bijna aan het ongeloofelijke; eene van haar haalt aanstonds

haar pijp voor den dag, en vraagt ons om tapaka. Het lichaam van de

meesten dezer vrouwen is met eka-moa geel geverwd: dit geschiedt,

naar men wil, zoowel om tegen de steken der muskieten gewaarborgd te

zijn, als om de huid lenig en blank te maken.

Nadat de conferentie op het dek is afgeloopen, dalen al deze bezoekers

weer in de schuiten en prauwen af, en keeren zeer in hun schik naar

het strand terug.

De bewoners van den archipel hebben van de Europeanen de noodlottige

kunst geleerd, om uit de bloesems van den kokosboom een soort van

brandewijn te bereiden. Zij gaan zich nu telkens aan dien drank te

buiten, en zijn dan zeer gevaarlijk, want eenmaal door den drank

bevangen, kent hunne woede geen palen.

Mijne kameraden, die eene wandeling aan strand hebben gemaakt, hebben

daar het lijk van een inlander gezien, dat, naar de gewoonte des lands,

in de open lucht, onder een op vier palen rustend afdak, lag. Het

lijk ondergaat daar een soort van inbalseming, hakapahaá genoemd,

die door de vrouwen verricht wordt en hoofdzakelijk bestaat in het

inwrijven met kokosolie. De doode wordt in een grooten bak gelegd,

met de armen rustende op een dwarsbalk. Na verloop van eenige dagen,

begint een stinkend vocht uit het lijk te loopen; niettemin, ondanks

den ondragelijken stank, gaan de vrouwen met haar afschuwelijken

arbeid voort, dien zij ter nauwernood afbreken, om, met ongewasschen

handen, haar voedsel te nemen. Geen wonder, dat de meesten, die

aan de hakapahaá hebben deelgenomen, ziek worden, en menig een er

het leven bij inschiet. Overigens gaan de inlanders met de grootst

mogelijke onverschilligheid den dood te gemoet, althans wanneer die

langs een natuurlijken weg, ten gevolge van ziekte, tot hen komt:

voor een geweldigen dood, vooral op het slagveld, zijn zij daarentegen

zeer bevreesd.

Als een inlander ernstig ziek wordt, maakt men in zijne

tegenwoordigheid zijn doodkist, doorgaans een uitgeholde boom,

gereed. Wordt de man beter, dan wordt de doodkist voor eene volgende

gelegenheid bewaard; is zij toch eens gemaakt, dan moet zij ook dienen

voor den persoon, voor wien zij oorspronkelijk bestemd was.

Onze taak is hier afgeloopen; het anker wordt gelicht, en wij stoomen

de baai uit om ons naar Vaitahoe te begeven. Wij varen om de hooge,

steile kaap heen, die de uiterste punt van Hiwa-Oa ten westen vormt,

en waar wij door eenige geweldige windvlagen worden overvallen. In

dit gedeelte van het eiland verheffen zich de hoogste bergtoppen.

De haven van Vaitahoe, waarheen wij koers zetten, ligt aan de westkust

van het eiland Tauata. Na eene vaart van eenige uren ontdekken wij de

ruïnen van het fort, dat bij de in bezitneming van het eiland door

Frankrijk, in 1842, gebouwd werd. Een amerikaansche walvischvaarder

heeft het anker uitgeworpen, en is bezig water in te nemen.

Het dorp verrijst op het strand achter in de baai. Het landen gaat

hier met groote moeilijkheden gepaard, ten gevolge van de zeer sterke

deining der uit zee aanrollende golven; onze booten leggen aan in

den noordoostelijken hoek van de baai, waar eenige rotsen een soort

van natuurlijke kom vormen. Langs een smallen, glibberigen weg, half

door de overhangende rotsen overschaduwd, bereiken wij, niet zonder

een paar keer uitgegleden te zijn, de eerste huizen van het dorp.

Onze komst heeft de gansche bevolking op de been gebracht en weldra

zijn wij door eene menigte inboorlingen omringd. Gewoonlijk gaan de

eilanders bijna geheel naakt, zonder andere kleeding dan een lap,

die, om de heupen gewonden, tusschen de beenen doorgestoken en van

achteren vastgeknoopt wordt. Dit kleedingstuk draagt den naam van hami,

en wordt doorgaans vervaardigd van katoen of van een soort van stof,

tapa genoemd, die uit boomschors bereid wordt en dikwijls met niet

onaardige figuren versierd is. Maar voor deze gelegenheid hebben zij

hun feestgewaad aangetrokken: wel te verstaan, niet de kleederen,

die zij zelven voor plechtige gelegenheden vervaardigen, maar de

europeesche afleggers, die zij zich hebben aangeschaft, of wel de

bevallige kleeding van Tahiti.

De bewoners der Markiezen-eilanden, even als bijna alle inboorlingen

van centraal Polynesië, hebben lang, zacht hair, dat zij met een

lint of band opbinden, zoodat zij aan iedere zijde van het hoofd een

soort van vlecht of chignon dragen. De ongunstige indruk dien hun

laag, wijkend voorhoofd maakt, wordt opgewogen door de levendige

uitdrukking van hunne fraaie zwarte oogen. Over het algemeen zijn

de gelaatstrekken der mannen regelmatiger dan die van de vrouwen;

en is men eenmaal gewend aan hun leelijk tatouëersel, dan wordt men

dikwijls getroffen door de onloochenbare schoonheid van verscheidene

jonge mannen. Bijna allen scheeren zich het gelaat en een deel van het

hoofd; waar scheermessen nog onbekend zijn, gebruikt men tot dat einde

een tand van een haai, in een stuk staal of glas gevat. De grijsaards

laten hun baard groeien; doorgaans geschiedt dit uit winzucht, want

de witte hairen worden zeer duur verkocht, om er sieraden van te maken.

Sommige inlanders dragen hun hair aan de eene zijde van het

hoofd saamgevlochten en versierd met tanden van bruinvisschen of

glaskoralen. Dit is het teeken, dat zij een veete hebben, en een vijand

moeten dooden; dergelijke veeten zijn in de familiën erfelijk. In

den regel gaan de eilanders blootshoofds; somwijlen dekken zij zich

het hoofd met eene soort van muts, uit een palmblad vervaardigd.

Wij volgen een pad, dat ons bergopwaarts voert, naar het graf van den

kapitein Halley, den eersten kommandant van den post te Vaitahoe,

die, met den luitenant ter zee Lafont-Ladébat, sneuvelde, terwijl

hij de fransche nederzetting moedig verdedigde tegen een aanval der

inboorlingen.

Van de plek waar wij ons nu bevinden, kunnen wij de geheele baai

in alle bijzonderheden overzien. De anders vrij stille haven wordt

nu verlevendigd door onze sloepen, die water gaan halen, en door de

prauwen der eilanders, die naar het schip roeien.

Wij keeren op onze schreden terug, en houden stil voor de inrichting

der katholieke missie, waaruit ons in de landtaal liederen

tegenklinken, die mij aan onze eigene gewijde kerkliederen denken

doen. Een blik naar binnen werpende, zie ik onzen kommandant,

die eene uitnoodiging had ontvangen om tegenwoordig te zijn bij de

prijsuitdeeling op de school, welke door een fransch geestelijke

bestuurd wordt. Wij bleven luisteren tot het op deze plek inderdaad

aandoenlijke gezang zweeg, en vervolgden onzen weg langs de ruïnen

der oude kazerne, waarvan de muren nog de sporen vertoonen van de

kogels der inlanders.

Ik bezoek daarop eenige vrij nette hutten. Niemand duidt het u

hier ten kwade, als ge, ook zonder genoodigd te zijn, eene woning

binnentreedt. Het meubilair in die hutten is uiterst sober: aan het

dak hangen de groote zakken, waarin de staatsiekleederen en sieraden

geborgen zijn; voorts manden, waarin de hoofdtooisels van hanevederen

worden bewaard; eene soort van kaarsen, van de noten van de aleurites

triloba vervaardigd. Vischtuig, wapenen, houten kannen en potten

van verschillende grootte, messen, flesschen en andere europeesche

gereedschappen voltooien het ameublement.

Wij keeren naar Hiwa-Oa terug, waar wij het anker uitwerpen in de baai

van Taáhoekoe, waar zich de katholieke missie bevindt. De bewoners

van dit gedeelte des eilands zijn zeer onrustig van aard. Als zij door

den drank opgewonden zijn, geven zij zich aan allerlei uitspattingen

over en bedrijven de grootste wanordelijkheden.

Den volgenden dag waren wij weder te Taio-Hae. Alvorens het eiland

Noekoe-Hiwa te verlaten, wenschte ik mijne opwachting te maken bij

de koningin, die eene fraaie, ruime hut bewoont aan de westzijde

van de baai. Deze koninklijke residentie ligt te midden van groote

boomen, waarboven eenige kokospalmen hunne sierlijke waaiers

verheffen. De heer M...., die de koningin kende, is bereid mij aan

haar voor te stellen. Zij ontvangt ons zeer vriendelijk, en laat

versche kokosnoten openen, om met de zoogenoemde melk onzen dorst te

lesschen. Haar rechterhand is een wonder van tatoueerkunst. Met groote

bereidwilligheid gaf zij mij vergunning die zoo rijk geïllustreerde

hand op mijn gemak te bekijken. De koningin heet Vaekeoe; zij

is de weduwe van Te-Moana, die in 1853 tot het Christendom is

overgegaan. Vaekeoe is zeker, onder de inlandsche bekeerlingen tot

de katholieke Kerk, een der ijverigsten en vroomsten. Jammer dat zij

bijna geheel doof is. Zij trekt nog altijd een deel van het jaargeld,

dat de fransche regeering aan haar echtgenoot had toegekend. Deze, die

een zeer stormachtige jeugd had gehad, was, ten gevolge van een soort

van oproer, verplicht geweest eene wijkplaats te zoeken aan boord van

een engelsch schip, dat hem naar Londen bracht. Te-Moana sprak niet

dan hoogst ongaarne over die reis, waarop hij zich eene behandeling

had moeten laten welgevallen, die zeer kwalijk met zijne vorstelijke

waardigheid strookte. Te Londen had men hem zelfs voor geld laten zien!

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 20 / 92 题