Ons eerste verblijf in den archipel was van zeer korten duur. Eenige
maanden later keerden wij naar Taio-Hae terug, van waar uit
wij een langdurigen kruistocht naar de verschillende eilanden
ondernamen. Het verhaal van dezen tocht blijft voor de volgende
hoofdstukken bewaard. Maar vooraf zij het vergund, in enkele woorden
een overzicht te geven van de geschiedenis van dezen archipel.
Toen, in 1842, de schout-bij-nacht du Petit-Thouars de
Markiezen-eilanden in bezit nam, werd de algemeene belangstelling
in Frankrijk zeer geprikkeld door hetgeen men van deze onbekende
eilanden verhaalde. Naar men zeide, verkeerde de bevolking nog in
geheel oorspronkelijken, eigenaardigen toestand, en had zij nog niets
overgenomen van de europeesche gewoonten van de bemanning der schepen,
die deze eilanden hadden bezocht: een feit des te opmerkelijker, omdat
andere eilandengroepen in den Stillen-oceaan, zooals bij voorbeeld de
Gezelschaps- en de Sandwich-eilanden, werden gezegd met zoo verrassende
snelheid op de baan der moderne beschaving vooruit te streven. Het
voorkomen der eilanders, dat zeker voor wien er niet aan gewoon is
weinig aantrekkelijks heeft; de groote terughoudendheid dezer lieden;
de weinige hulpbronnen, die de eilanden zelven aanbieden: dit alles
droeg zeker bij om deze eilandengroep zoolang vergeten en onbekend
te doen blijven. Enkele walvischvaarders, meest allen uit Amerika
afkomstig, deden nu en dan wel de eilanden aan, om zich van brandhout
en drinkwater te voorzien; maar van de gezagvoerders der schepen
waren weinig of geen inlichtingen te bekomen. Het was hun slechts te
doen, om hetgeen zij noodig hadden op de goedkoopst mogelijke manier
te verkrijgen: zij bekommerden zich niet om de zeden en gewoonten
der bewoners en de natuurlijke voortbrengselen van den bodem. Daar
bovendien deze gezagvoerders, in hunne verhouding tot de inlanders,
volstrekt niet altijd de eenvoudigste regelen van rechtvaardigheid
en menschelijkheid in acht namen, ontstonden er meermalen gevechten,
en hadden er moorden en gewelddadigheden plaats, die niet weinig
bijdroegen om deze eilanders in zeer slechten roep te brengen.
En toch--toen Alvaro Mendana de Neira, op den 21sten Juli 1595, de
eilanden in het zuidoosten van den archipel ontdekte, en voor het
eiland Tauata, door hem Santa-Cristina genoemd, het anker uitwierp
in de baai, waaraan hij den naam van Moeder-Godshaven schonk;--toen
kon hij niet dan met lof getuigen van de wijze, waarop hij door de
inlanders ontvangen werd.
De Markiezen-eilanden zonken daarop weer in de vergetelheid terug, tot
dat Cook ze in 1774 op nieuw ontdekte en het anker uitwierp in dezelfde
baai Vaitahoe, waarvan de portugeesche naam sinds lang vergeten
was. Ook de engelsche zeevaarder werd met groote vriendelijkheid
door de inlanders ontvangen: de Markiezen-eilanden waren een der
weinige plaatsen in den Stillen-oceaan, waar zijne verschijning niet
door bloed werd geteekend. Die geduchte gezagvoerder, die toch zeer
dikwijls om zijne zachtaardigheid en menschelijkheid werd geroemd,
liet zelden eene gelegenheid voorbij gaan om gebruik te maken van de
vreeselijke wapenen, waarover hij beschikken kon: waarschijnlijk om
daardoor de inlanders een heilzamen schrik in te boezemen en grooter
ongelukken te voorkomen.
In 1791 ontdekte de amerikaansche kapitein Ingraham, gezagvoerder
op de Hope, van Boston, de eilanden van de noordwestelijke groep,
waaraan hij namen gaf. Een maand later verscheen de Franschman Etienne
Marchand, die het bevel voerde op de brik de Solide, van Marseille,
door het huis Baux uitgerust, om aan de noordwestkust van Amerika in
pelterijen te gaan handelen.
Marchand stelde zich in betrekking met de inwoners van Vaieo, waaraan
hij den naam gaf van baai du Bon-Accueil, en nam, op den 22sten Juni
1791, in naam van Frankrijk, bezit van dit eiland, en van een ander
grooter eiland, dat hij meer noordwaarts bespeurde.
In de maand Maart 1792, wierp de luitenant Hergest, kommandant van
de Dedalus, die levensmiddelen en ammunitie moest gaan brengen aan
de engelsche expeditie onder bevel van Vancouver, het anker uit bij
Vaitahoe. In het begin van Februari 1793 keerde hij in de baai van
Taio-Hae, waar hij uitstekend was ontvangen geworden, terug.
Eenige maanden later vertoonde ook de amerikaansche vlag zich voor
deze eilanden: de koopvaardij-kapitein Roberts vertoefde gedurende
vier maanden, met zijn schip de Jefferson, in de haven van Vaitahoe.
Ingraham en Marchand, in 1791, vervolgens Hergest, en eindelijk
Roberts, hadden, ieder op hun beurt, andere namen gegeven aan deze
eilanden, die toch reeds van de inwoners zelven hunne door den tijd
gewijde namen hadden ontvangen. Daar echter deze, thans algemeen
aangenomen, inlandsche namen op zeer verschillende wijze worden
uitgesproken en geschreven, is het dikwijls nog moeilijk verwarring
te voorkomen.
Omstreeks dien tijd werd deze archipel meer en meer door schepen
bezocht. In Juni 1797 verscheen in de haven van Vaitahoe een
schip, met gansch andere bestemming dan de koopvaardijschepen
of walvischvaarders, die er gewoonlijk binnen vielen. Dit was de
Duff, door het zendelingsgenootschap van Londen uitgerust, om dertig
protestantsche zendelingen naar de verschillende eilandengroepen van
Oceanië te brengen. Te Vaitahoe liet de Duff den eerwaarden William
Pascoe Crook achter. Daar bevond zich nog een Europeaan op dat eiland:
een italiaansch matroos, die van een koopvaardijschip was gedeserteerd,
en die zich een grooten invloed had weten te verwerven, dank vooral
een geweer, dat hij, benevens kruit en kogels, van zijn schip had mede
genomen. Dit wapen gaf hem een onbetwist overwicht over de hoofden,
die hij aanvuurde tot onderlingen krijg, om zijne eigene macht te
vergrooten. Ook tegen de bewoners der naburige eilanden werden,
op zijne aansporingen, moorddadige krijgstochten ondernomen; voor
geen misdaad deinsde deze ellendeling terug. Het spreekt wel van
zelf dat hij een doodelijken haat koesterde tegen den heer Crook,
die zijne plannen doorzag en zooveel mogelijk tegenwerkte. De brave
zendeling zou als het slachtoffer van dezen booswicht gevallen zijn,
indien hij zich niet bij tijds had kunnen redden aan boord van een
engelsch vaartuig, dat in de haven verscheen.
Na eenige vergeefsche pogingen om zich op Noekoe-Hiwa en Oea-Poe
te vestigen, keerde de heer Crook naar Sydney terug, waar hij
rustig leefde. Maar eenige jaren later verscheen hij andermaal op
de Markiezen-eilanden. Ditmaal had hij vier onderwijzers, van Tahiti
geboortig, bij zich, die in dienst der zending stonden, en die, beter
bekend met de taal en de gewoonten der inlanders, naar men hoopte
ook meer ingang bij hen zouden vinden en krachtiger werken tot hunne
bekeering. Doch ook thans werd de verwachting van den volijverigen
zendeling teleurgesteld. De onderwijzers, die zich op het eiland
Tauata hadden nedergezet, moesten weder naar hun land terugkeeren,
waarheen de heer Crook hen reeds was voorgegaan.
In 1804 vertoefde de russische reiziger Krusenstern een geruimen tijd
te Noekoe-Hiwa, met zijne beide schepen, de Nadeshda en de Newa. Hij
vond op het eiland een Franschman en een Engelschman, die elkander
vooral met geene mindere verbittering bestreden, dan destijds de twee
natiën waartoe zij behoorden.
In 1813 liep de amerikaansche commodore David Porter de baai van
Taio-Hae binnen, met zijne twee schepen de Essex en de Essex-junior,
en met de schepen, die hij op zijn kruistocht door den Stillen-oceaan
op de Engelschen had buit gemaakt. De gelegenheid scheen hem gunstig
voor de vestiging van een soort van arsenaal of station. Hij nam
bezit van Noekoe-Hiwa in naam der Vereenigde-Staten.
Het Congres wilde echter aan de zaak geen verder gevolg geven. De
commodore verliet Taio-Hae, om zijn kruistocht te hervatten; hij
liet eene zwakke bezetting achter; maar ten gevolge van allerlei
moeilijkheden en herhaalde gevechten met hunne engelsche gevangenen
en met de inboorlingen, zagen de Amerikanen zich genoopt, hunne
nederzetting te Taio-Hae te verlaten.
In 1835 werd Noekoe-Hiwa bezocht door een Franschman, den baron
Thierry, die zichzelven tot koning van het eiland proklameerde, en die,
als een teeken van zijne kortstondige koninklijke waardigheid, aan
een jeugdigen wilde, Vavanoeha genaamd, het volgende wonderlijke stuk
ter hand stelde, dat later door kapitein Jacquinet, tijdens het bezoek
der korvetten de Astrolabe en de Zélée, gevonden en bewaard werd.
"Wij, Karel, baron van Thierry, souvereine vorst van Nieuw-Zeeland,
koning van het eiland Noekoe-Hiwa, verklaren met genoegen, dat
Vavanoeha, opperhoofd van Portua(?), de vriend is der Europeanen, en
dat hij zich jegens ons altijd met betamelijkheid en welwillendheid
gedragen heeft; Uit aanmerking waarvan wij hem aanbevelen aan de
goede zorgen van alle zeevaarders, die hier in alle zekerheid kunnen
verblijven.
Gegeven te Port-Charles (Taio-Hae), eiland Noekoe-Hiwa, den 23sten
Juli 1835.
Karel, Baron van Thierry.
Van wege den Koning,
Ed. Fergus, kolonel, adjudant."
Eindelijk, in 1842, nam de schout-bij-nacht du Petit-Thouars definitief
deze eilanden, in naam van Frankrijk, in bezit. Met deze gebeurtenis
begint een nieuw tijdvak in de geschiedenis van den archipel.