Het klimaat der Markiezen-eilanden, hoewel warm en vochtig, wordt
toch voor zeer gezond gehouden. De overgangen tusschen het droge en
het natte jaargetijde zijn niet altijd scherp begrensd. Gedurende de
maanden Mei, Juni en Juli stortregent het bijna onophoudelijk. In
November en December staat de plantengroei geheel stil ten gevolge
van de aanhoudende sterke droogte. Sommige jaren worden gekenmerkt
door buitengewone, geweldige droogte: dan hebben de rivieren
geen water meer, en kunnen de vruchten van den broodboom niet tot
rijpheid komen. Dan staat gebrek en hongersnood te wachten, tenzij
de inboorlingen een grooten voorraad van popoi hebben opgedaan.
De eilanders zijn niet zeer spraakzaam. Als zij spreken, geschiedt dit
op zeer luiden, bijna schreeuwenden toon, en met zeer grooten nadruk
op de onderscheidene klanken hunner ruwe, onaangename taal; ook de
vrouwen en kinderen spreken zeer luid. De taal der Markiezen-eilanden
is een der hardste, onwelluidendste polynesische dialekten, met eene
menigte keel- en neusklanken. Op de eilanden der zuidwestelijke groep
klinkt de taal echter minder hard.
Gedurende ons kort verblijf in den archipel, heeft het ons aan de
gelegenheid ontbroken, bij een dier groote feesten tegenwoordig te
zijn, die de eilanders nu en dan vieren. Ik weet daarom niet beter te
doen, dan een zeer nauwkeurig verslag van zulk een feest te ontleenen
aan een opstel van den heer Jouan, die gedurende eenige jaren den
post van resident op deze eilanden heeft bekleed en met de levenswijze
en denkbeelden, de zeden en gewoonten der inlanders volkomen bekend
is. De heer Jouan schrijft het volgende:
"In een zoo warm klimaat zijn de inboorlingen uit den aard tot
traagheid geneigd. Dit is te minder vreemd, als men bedenkt dat de
natuur zelve in hunne behoeften voorziet, zonder dat zij daarvoor
behoeven te arbeiden. Stilzwijgend en teruggetrokken van aard,
is alleen de zucht naar genot, en bijwijlen ook de geprikkelde
eigenliefde, in staat, hen voor een tijd uit hunne droomerige
ongevoeligheid op te wekken. Somwijlen arbeidt een stam een geruimen
tijd lang, om een groot feest te kunnen vieren: hetzij ter gelegenheid
van den dood van een opperhoofd, of bij het eerste tatouëeren van
een jonkman van hoogen rang, hetzij eindelijk bij de voltooiing
van een of ander werk van openbaar nut, zooals eene prauw, een huis
of dergelijken.
"Het overoude gebruik der huiswijding wordt op de Markiezen-eilanden
nog steeds in eere gehouden. Bij zulke gelegenheid wordt een
feest, eene koika, gegeven, waarop de bevriende stammen worden
uitgenoodigd. Gebraden varkens, bananen, visschen, popoi, worden
vooraf in gereedheid gebracht, en met groote staatsie en onder luid
geschreeuw naar het dorpsplein gedragen, des avonds vóór den dag,
die door de zieners van den stam voor de feestviering is aangewezen,
doorgaans de eerste dag na eerste kwartier. Er wordt dien nacht weinig
geslapen; de mannen zingen en drinken kava in de hutten rondom het
plein; terwijl in de andere hutten de vrouwen en kinderen bezig zijn
met het in orde brengen der kostumen voor het feest. De kinderen
spelen een zeer belangrijke rol in de koika. Tegen de nadering van
het feest, worden zij vele dagen, soms weken lang, ingewreven met
het sap van zekere planten, om hunne huid een blanke kleur te geven,
en nadat zij voor 't laatst goed gewasschen en gebaad zijn, worden
zij aangekleed. Sommigen hebben meer dan honderd el tapa om hun lijf
gewikkeld, bij wijze van reusachtige japon. Hun kapsel bestaat uit een
diadeem van duiven- of papegaaienvederen, waarboven zich eene hooge
muts van witte hairen verheft. Het achterhoofd is bedekt met eon stuk
tapa, dat een soort van strik of kokarde ter lengte van een el vormt;
hunne enkels verdwijnen onder zware hairbossen.
"Bij het aanbreken van den dag laten de trommels zich op het plein
hooren, begeleid door oorverdoovend geschreeuw. Van alle kanten
stroomen de genoodigden toe; de vrouwen plaatsen zich ter zijde op de
paepae, eene soort van steenen terrassen; terwijl de mannen zich in
een kring scharen om de heldendaden en krijgstochten van den stam te
bezingen, onder begeleiding van de trommels. Bij dat gezang klappen zij
in hunne handen, of slaan met de rechterhand op den linker elleboog,
somwijlen met zooveel kracht, dat er bloed te voorschijn komt: dit
mimisch gezang heet de oelaoela. Het is een eentonig recitatief, nu
en dan afgebroken door een woest gehuil, dat u onwillekeurig denken
doet aan de verhalen der eerste zeevaarders, die deze eilanden, toen
nog door menscheneters bewoond, hebben bezocht. Voeg daarbij het woeste
voorkomen der zangers, waarvan sommigen aan hun gordel menschenschedels
hebben hangen, die met kleine steentjes zijn gevuld, en dus bij iedere
beweging eene afschuwelijke muziek doen hooren;--en ge zult lichtelijk
begrijpen dat de indruk van het geheel juist niet opwekkend is.
"Inmiddels verschijnen de kinderen, gedragen op de schouders van
krachtige mannen en gevolgd door jonge meisjes, die de afhangende
einden der lange lappen tapa, waarin zij gewikkeld zijn, in de hand
houden. Er worden nieuwe matten op den grond uitgespreid, waarop
deze arme kleinen, zweetende en zwoegende onder hun prachtgewaden,
een zekeren dans uitvoeren, waarbij zij met de armen ongeveer dezelfde
bewegingen maken als iemand, die met castagnetten speelt.
"Verder, op een afzonderlijke paepae, zitten de muziekanten, doorgaans
grijsaards, die, zonder eenig begrip van maat, op hoornen blazen,
van groote schelpen vervaardigd. Nevens hen ziet men jongelieden, de
eigenlijke helden van het feest, die de omstaande vrouwen voortdurend
aan het lachen moeten maken. Dit zijn de nave nave, zoo wat hetzelfde
als de graciosos bij de Spanjaarden; zij zijn ongeveer op dezelfde
wijze toegetakeld als de kinderen, en worden, even als dezen, telkens
met kokosolie overgoten.
"Het publiek van zulk een koika maakt een zonderlingen indruk. De
verschijning der verschillende stammen op het doorgaans vrij ruime,
door zware boomen overschaduwde plein; de bonte, krijgshaftige tooi
der mannen; de somwijlen smaakvolle kleeding der vrouwen:--dit alles
levert een eigenaardigen, schilderachtigen aanblik op. Maar weldra
worden uwe ooren verscheurd door het woest geschreeuw en gebrul der
feestvierenden. Intusschen worden de toeschouwers niet moede. Nu
en dan wekt eene of andere aardigheid de vroolijkheid op, nu en dan
weerklinkt een luid gelach; maar over het algemeen heerscht er eene
ernstige, plechtige stemming. Ge zoudt oppervlakkig niet zeggen,
dat die menschen zich vermaken, en dat zij zich een zoo langdurigen
arbeid getroost hebben om zich een zoo pover genot te verschaffen.
"Aan de eene zijde van het plein verrijst een soort van altaar,
versierd met bladeren en ruw bewerkte beelden, waarvan het
eene een zittenden man en het andere een reusachtige hagedis
voorstelt. Dikwijls worden ook de schedels der verslagen vijanden op
dat altaar nedergelegd.
"Na afloop van eenige godsdienstige plechtigheden, waarvan ik niets
zeggen kan, omdat ik ze nooit goed heb kunnen zien, treedt een soort
van heraut op, om het publiek te verkondigen, door welken stam en
door welk opperhoofd deze koika gegeven wordt, en dat er varkens,
popoi, enz. in gereedheid zijn; daarop worden de levensmiddelen aan de
genoodigden rondgedeeld. Zij, die het feest geven, eten zelven niet,
en nemen er zelfs schijnbaar geen deel aan. Wat de genoodigden niet
dadelijk gebruiken, mogen zij medenemen. Na deze spijsuitdeeling,
begint het dansen en schreeuwen op nieuw, tot omstreeks één uur van
den middag, wanneer ieder zich een poos ter ruste legt; daarna wordt
het feest hervat, dat dikwijls drie dagen en drie nachten achtereen
duurt. Al dien tijd wordt de kava en vooral de sterke drank (namoe),
als men dien machtig heeft kunnen worden, niet gespaard; eindelijk
ontaardt de feestviering in de walgelijkste losbandigheid.
"Een voorname reden, waarom de toebereidselen voor zulk eene koika
zoo lang, soms wel drie of vier jaar, duren, moet ongetwijfeld
hierin gezocht worden, dat gedurende al dien tijd de stam aan de
tapoe of taboe onderworpen, dat wil zeggen in zekeren zin gewijd,
onschendbaar is. Hij mag zelf geen oorlog voeren, maar ook niet door
anderen worden aangevallen. Zoolang de koika duurt, mag niemand, op
straffe van hoogverraad, eenige vijandelijke daad plegen tegen hen,
die daarbij tegenwoordig zijn; de koika zou in dat geval alle waarde
verliezen, het godsdienstige doel niet bereikt worden. Somwijlen echter
worden deze bepalingen geschonden; zoo ontbrandde, bij voorbeeld,
de oorlog, die in 1856 het eiland Oea-Oeka teisterde, ten gevolge
van een verraderlijken aanval op de genoodigden door hen van wie de
noodiging tot bijwoning van het feest was uitgegaan. Waar de fransche
invloed zich niet kan laten gelden, buiten Noekoe-Hiwa, gaan de koika,
in sommige gevallen, met menschenoffers gepaard, die op het genoemde
eiland niet kunnen plaats hebben. In plaats van menschen offert men
daar zeeschildpadden, honden en varkens.
"In het gewone leven zijn de inlanders in het minst niet uitgelaten of
bijzonder spraakzaam, veeleer het tegendeel. Als zij u Kaoha! (goeden
dag) gewenscht, en u gevraagd hebben van waar gij komt en waarheen
gij gaat, dan stokt het gesprek. In den beginne zijn zij wantrouwend,
zoo als alle wilden; maar wanneer zij de personen, met wie zij in
aanraking komen, beter hebben leeren kennen, dan vermindert dit
wantrouwen zeer. Zij zijn zeer gastvrij; het is een zachtaardig
en goedhartig ras, maar dat ik overigens niet beter zou weten te
kenschetsen dan door het woord negatief. Die natuurkinderen, waarmede
de oppervlakkige, door en door onwetenschappelijke filosofie der vorige
eeuw zoo ontzaglijk veel op had, staan, uit een zedelijk oogpunt,
onbegrijpelijk laag. Liefde, vriendschap, de tedere banden der familie,
en al die hoogere aandoeningen en gevoelens, die wij als den mensch
ingeschapen beschouwen, zijn voor hen goeddeels onbekende klanken. De
zoon trekt zich den dood des vaders in het minst niet aan; de moeder
ziet met kalme onverschilligheid haar kind sterven, dat doorgaans,
reeds bij het oogenblik zijner geboorte, aan vreemde handen wordt
toevertrouwd. Nooit zal de vriend zijn vriend eenig teeken of bewijs
van genegenheid geven; alleen de physieke behoefte schijnt hen tot
elkander te brengen, zekere banden tusschen hen te knoopen en hen
tot gemeenschappelijk handelen te bewegen.
"Lang voor de geboorte van een kind, is er als het ware een onderlinge
wedstrijd wie dat kind zal aannemen. Zeer zelden toch gebeurt het,
dat een kind werkelijk door zijne ouders wordt opgevoed; de familie,
in den zin dien wij aan dat woord hechten, bestaat dan ook hier
niet. Deze zonderlinge gewoonte, die waarschijnlijk haar ontstaan te
danken heeft aan de behoefte om verbindtenisson aan te knoopen met
andere familiën en stammen, is de oorzaak van groote verwarring in
de bloedverwantschap. Behalve deze adoptie van pas geboren kinderen,
bestaat er ook nog eene adoptie tusschen lieden van beiderlei kunne
en van allerlei leeftijd; het is niets ongewoons, een kind den vader
of grootvader van een grijsaard te hooren noemen. De neven worden
beschouwd als de echte of aangenomen kinderen van den oom of de
tante. Broeders en neven worden met hetzelfde woord aangeduid. De man
noemt zijne schoonzuster vehine (vrouw, echtgenoote), krachtens een
oud gebruik, volgens hetwelk hij, bij ontstentenis van zijne eigene
vrouw, hare zuster als zoodanig mag beschouwen.
"Met deze adoptie van bloedverwanten hangt nog een ander gebruik
samen: de verwisseling van naam met een vriend, waardoor de
vriendschapsbetrekking van veel inniger aard wordt. De gewone vriend
(ehoa) heeft slechts aanspraak op eene gewone vriendschappelijke
bejegening, maar aan zijn ikoa (letterlijk, naam) mag men niets
weigeren. Deze naamsverwisseling heeft doorgaans ten doel, zich
een beschermer, een bondgenoot, een makker te verzekeren, hetzij in
geval van oorlog, bij het ondernemen van een reis, of voor andere
gewichtige gelegenheden.
"Het huwelijk is niets meer dan eene onderlinge overeenkomst tusschen
den man en de vrouw; het wordt even gemakkelijk ontbonden als
gesloten. De geboorte van een kind gaat met geenerlei plechtigheden
gepaard; nauwelijks heeft het kind het daglicht aanschouwd, of men
baadt het in koud water, terwijl de moeder een schotel warme popoi
te eten krijgt. De zuigeling wordt bijna dadelijk aan het eten van
popoi gewend, ten gevolge waarvan het kind op zeer jeugdigen leeftijd
gespeend kan worden. Ik geloof niet dat de kinderen ergens ter wereld
gelukkiger zijn dan op de Markiezen-eilanden: zij mogen letterlijk
alles doen wat zij willen; men hoort ze dan ook zeer zelden schreien.
"Veelwijverij is zeldzaam; slechts enkele opperhoofden hebben meer
dan eene vrouw, maar het is niet zoo ongewoon, dat eene vrouw met
twee mannen in vrede en vriendschap leeft.
"Men heeft de bewoners der Markiezen-eilanden van ongehoorde wreedheid
beschuldigd, en ten bewijze daarvan zich op feiten beroepen, die
deze beschuldiging schijnen te staven; maar men moet niet vergeten,
dat de eilanders in de meeste gevallen niet anders deden dan zich
wreken over geleden onrecht. Hoe vele inlanders zijn niet, zonder een
schijn van recht, gestolen en opgelicht, om de onvolledige bemanning
van een walvischvaarder te kompleteeren! Hoe talloos vele malen
hebben de zeevaarders hen niet op alle mogelijke manieren misleid,
bedrogen en mishandeld! Natuurlijk moesten dan de eerste blanken,
die in handen van den beleedigden stam vielen, het ontgelden. Wij
zouden honderd voorbeelden kunnen noemen, waarin het ongelijk niet
kwam van de zijde der inlanders, maar wel degelijk van hen, die zich
beschaafde lieden noemen.
"Te Taio-Hae, waar wij sedert 1842 voortdurend eene nederzetting
hebben onderhouden, hebben de zeden en gewoonten der inboorlingen eene
aanmerkelijke verandering ondergaan. Zij zijn daar in den omgang zeer
zachtaardig en vriendelijk. Op meer afgelegen plaatsen, die niet door
schepen worden bezocht, zijn zij achterdochtiger en woester van aard:
het is daar altijd goed, in het verkeer met hen op zijne hoede te zijn.
"Een van de goede vruchten van ons bestuur is, dat bijna op het geheele
eiland ongestoorde vrede heerscht. Men kan zeggen dat de menschenoffers
en het kannibalisme hier tot het verleden behooren, en dat de inlanders
zelven zich daarover schamen. Althans de meer bejaarden onder hen,
die in hunne jeugd getuigen zijn geweest van die gruwelen, spreken
daarover zoo min mogelijk. Niettemin zou ik niet durven verzekeren,
dat deze oude gewoonten niet wederom in zwang zouden komen, als wij
voor goed heengingen.
"Op de andere eilanden zijn de menschenoffers nog altijd in gebruik,
en heerscht ook nog de anthropophagie, hoewel in veel mindere
mate dan doorgaans beweerd wordt. De weinige krijgsgevangenen en
de gedoode vijanden worden inderdaad gegeten, maar dit geschiedt
meer uit een soort van overmoedige uittarting, dan wel uit smaak;
de inboorlingen zelven hebben mij dit meermalen verzekerd, en velen
hunner ontkennen ten sterkste dat zij ooit aan een dergelijk feestmaal
hebben deelgenomen. De berichten, die de bewoners der verschillende
eilanden omtrent elkander geven, hebben zeer veel bijgedragen tot
den kwaden roep, die over het algemeen van hen is uitgegaan, en die,
blijkens onze eigene ervaring, niet ten volle gerechtvaardigd is."