I.

Het oogenblik van vertrek is gekomen: brommende en snuivende ontsnapt

de stoom, in zware zwarte wolken, uit de pijp: al de toebereidselen

zijn voltooid: alle man is op zijn post. Op het gegeven bevel wordt

het anker haastig opgehaald: het is geheel bedekt met dat vuile en

kleverige slijk, dat aan de reede van Callao (Peru) eigen is.

"Vooruit, zachtjes aan!"

De Vaudreuil wendt haar achtersteven naar de stad, die weldra uit

onze oogen verdwijnt.

Het is voor den zeeman altijd een moeilijk oogenblik, als hij

een haven moet verlaten, waar hij lang genoeg heeft vertoefd om

met sommige personen vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen. Wij

hadden verscheidene goede vrienden, hetzij te Callao, hetzij te Lima,

en vooral aan hunne welwillendheid hadden wij het te danken dat wij

aangename herinneringen medenamen van de voornaamste haven en van de

hoofdstad van Peru. Het zij mij vergund, hier nogmaals openlijk mijn

dank uit te spreken voor de vele genoegelijke uren, die wij met hen

hebben doorgebracht.

De lange reis door de archipels van Polynesië begon. Ik voor mij

was hartelijk verheugd, dat mij aldus eene uitmuntende gelegenheid

geboden werd om nader kennis te maken met deze nog zoo weinig bekende

streken. Ik had vóór dien tijd, in 1869, slechts eenige weken op

Tahiti vertoefd.

Den 1sten Mei, bij zonsondergang, zagen wij uit of wij land konden

ontdekken. Maar de duisternis, die tusschen de keerkringen zoo snel

invalt, noopte ons aldra onze nasporingen te staken. Eenige uren

later werden wij aan bakboord een vuur gewaar. "Dat is een schip,"

zeiden wij tot elkander; intusschen, toen wij nader kwamen, werd het

telkens duidelijker dat de sterke lichtglans, dien wij aanschouwden,

het gevolg was van een geweldigen brand. Uit den blakenden gloed

stijgen reusachtige vlammen, wier roode tongen zich kronkelend in

de lucht verheffen: te midden der diepe nachtelijke duisternis en

storelooze stilte, is de aanblik van dezen verren brand aangrijpend

schoon; die bewegelijke roode plek, daar aan den zwarten horizon, maakt

een zonderlingen, spookachtigen indruk. Volgens onze waarnemingen,

moet de brand woeden op de hoogten van kaap Balguerie, ten oosten van

het eiland Hiwa-Oa. Wij richten onzen koers naar die vreemdsoortige

vuurbaak, die waarschijnlijk door de onvoorzichtigheid van een

of anderen Kanak is ontvlamd; en den geheelen nacht varen wij met

volle zeilen door het breede en lange kanaal, dat de zuidoostelijke

eilandengroep van de noordwestelijke scheidt.

Met het aanbreken van den dag is de zuidelijke kust van het eiland

Oea-Oeka in het gezicht. De hooge bergen van het naburige eiland

Noekoe-Hiwa, het doel van onzen tocht, teekenen zich in flauwe

omtrekken aan den horizon. Wij varen dicht voorbij kaap Saint-Martin

(bij de inlanders, Tikapo geheeten), die de zuidoostelijke punt van

Noekoe-Hiwa vormt. De kaap levert een zeer schilderachtigen aanblik op:

zij eindigt in een hoog, rotsachtig, naakt voorgebergte, dat bijna

loodrecht uit zee opstijgt; boven op de zware, sombere rotsmassa

verheft zich een reusachtig, vierkant steenblok, dat veel op een

omgestorten gothischen toren gelijkt. Naarmate wij verder doorvaren,

neemt dit kolossale steenblok telkens eene andere gedaante aan;

op het oogenblik als de donkere massa op het punt staat van weg te

zinken achter de hooge kust, vertoont het zich als een reusachtige

vinger, waarschuwend opgeheven boven de zee, wier golven in wolken

schuim tegen den voet der hooge kaap uiteen spatten.

De zuidelijke kust van Noekoe-Hiwa verheft zich loodrecht uit de baren;

van tijd tot tijd vertoonen zich groote, zonderling gevormde rotsen aan

den rand der wateren. Een dezer rotsen doet u denken aan een kolossaal

beeld van de Moedermaagd, het kind Jezus in de armen houdende.

Ziet daar de Schildwachten, twee groote eilandjes, die de baai van

Taio-Hae insluiten: wij hebben den eindpaal bereikt. De Vaudreuil,

die zijne zeilen heeft gereefd en alleen nog van zijn stoom gebruik

maakt, vaart tusschen deze twee natuurlijke bakens door, en spoedt

zich naar de ankerplaats.

Het land, dat wij sedert den ochtend in het gezicht hadden, had op

mij een indruk van majestueuzen ernst, maar nog meer van sombere,

akelige dorheid en verlatenheid gemaakt; doch, zoodra wij de baai

binnenstoomden, veranderde het tooneel. De steile rotshoogten, die den

ingang omzoomen, sluiten zich aan eene hooge bergketen, wier statig

en grootsch amphitheater eene prachtige omlijsting om de ruime haven

vormt. Het opmerkelijkste punt van deze bergketen is de Moea-Ke,

een groote, loodrechte bazaltkegel, waarvan het bovenste gedeelte

van twee openingen, niet ongelijk aan reusachtige schietgaten,

is voorzien. Onze blikken, vermoeid van het staren op de sombere,

rotsige kust, slechts hier en daar de armelijke sporen van schralen

plantengroei vertoonende, rusten nu met welgevallen op eene bloeiende

vlakte, van waar onderscheidene valleien, vol weelderig groen, naar

het binnenland uitgaan.

De rots Toehiwa verdeelt het strand in twee ongelijke deelen. Boven

op die rots liggen de ruïnen van het fort Collet, eene herinnering

uit de eerste tijden der fransche bezetting. Het dorp volgt eerst

den oever der zee, ten westen van het fort Collet, en verspreidt zich

dan vrij ver weg in de voornaamste vallei landwaarts in.

Hier woont de fransche resident, die in den archipel de regeering

vertegenwoordigt. Hij staat onder de bevelen van den kommandant der

fransche nederzettingen in Oceanië, aan wien hij geregeld verslag moet

doen van zijn bestuur en van alle bijzonderheden van eenig belang. Hij

ontvangt het leggeld in de baai (vijftig francs per schip), zorgt

voor de handhaving van het havenreglement, van de verordeningen op

het loodswezen, op de deserteurs, enz. enz. Eene kleine afdeeling

gendarmerie is belast met de zorg voor de policie in het algemeen;

maar, als weggeloopen matrozen moeten worden nagejaagd en gegrepen,

moet men bijna altijd de hulp der inlanders inroepen. Zij krijgen

daarvoor een premie van vijftig francs voor iederen gevangen deserteur;

welke som dan vergoed wordt door den gezagvoerder van het schip,

waartoe de weggeloopen manschappen behooren. Als de deserteurs eerst

na het vertrek van hun schip weder gevangen worden, komt de premie

ten laste van het gouvernement; de manschappen worden dan naar

Tahiti gezonden. Men heeft wel strenge maatregelen moeten nemen,

om te voorkomen dat het eiland niet door vagebonden werd bevolkt.

De resident der Markiezen-eilanden vervult ook de functiën van

vrederechter. In ernstige gevallen zendt hij de beschuldigden naar

Tahiti, om door de fransche rechtbank te Papeete geoordeeld te

worden. De plaatselijke reglementen zijn voor het meerendeel naar

die van het moederland gevolgd, natuurlijk gewijzigd in verband met

het karakter der inboorlingen. De zeer zwakke afdeeling gendarmerie,

waarover de resident beschikken kan, is toch geheel voldoende om orde

en rust te handhaven in de baai van Taio-Hae, waar de inboorlingen

aan den omgang met vreemden gewoon zijn en geleerd hebben, zich aan

onze policie-maatregelen te onderwerpen.

Op de andere eilanden berust het oppergezag bij de inlandsche

hoofden. De valleien alleen zijn bewoond; want zelden zullen

de inboorlingen, uit eigen beweging, hunne hutten aan het strand

bouwen. De veelvuldige bezoeken, die de oorlogschepen van de divisie

van den Stillen-oceaan en die van het station te Tahiti, in geheel

den archipel brengen, oefenen op de bewegelijke en voor indrukken zoo

licht vatbare gemoederen der bevolking een zeer gunstigen invloed uit.

De woning van den resident, waarop de fransche vlag wappert, staat

bij den kleinen zandigen inham ten oosten van het fort Collet. Op

deze zelfde plaats had de amerikaansche commodore Porter, in October

1818, het kleine kamp opgeslagen, waaraan hij den blufferigen naam

van Madisonville gaf.

Ik brandde van ongeduld om aan land te gaan, en mijne makkers

verlangden niet minder dan ik naar den vasten grond. Zoodra dan ook

de vergunning gegeven is om aan wal te gaan, haast zich iedereen om

daarvan gebruik te maken. Het doel onzer wandeling was ons van zelf

aangewezen: wij zouden ons gaan baden in de beek ten westen van het

dorp. Na eenige inlichtingen te hebben ingewonnen van den havenmeester,

die juist aan boord komt, nemen wij plaats in onze sloep. Onderweg

komen wij onderscheidene, met vruchten geladen prauwen tegen, die

zich naar de Vaudreuil spoeden.

De landing is niet gemakkelijk: er gaat in de baai eene vrij hevige

branding, en de ondiepte maakt het voor onze sloep onmogelijk het

strand te naderen: er blijft nog eene ruimte over van omstreeks

twintig el. Onze matrozen zijn gereed ons op hun schouders naar het

land te dragen, maar wij weten ons zelven te helpen. De schoenen

worden uitgetrokken, de pantalons zoo hoog mogelijk opgeslagen, en

lachende en schertsende loopen wij voort over den zandigen bodem,

achtervolgd door de golven, wier schuim onzen rug bespat. Eenige

inlanders, onder de boomen langs den weg gezeten, komen naderbij om

de nieuw aangekomen vreemdelingen te bekijken; natuurlijk vormen de

vrouwen onder deze nieuwsgierigen de meerderheid.

De heer M..., schrijver bij de marine, die vlak bij het strand,

in de voormalige kerk van Taio-Hae woont, komt ons verwelkomen. In

dergelijke omstandigheden is de kennis spoedig gemaakt; onze nieuwe

vriend verklaart zich bereid, ons in alles, waarin wij hem noodig

konden hebben, van dienst te zijn. Wij hebben voorloopig geene andere

begeerte, dan dat hij ons eene plaats aanwijst, waar wij voegzaam

kunnen baden. Hij biedt zich aan om met ons te gaan.

Wij volgen een fraai belommerden weg, die langs den oever der baai

loopt. De huizen van het dorp, die op het strand uitzien, staan langs

dien weg verspreid. Wij gaan voorbij eenige winkels, die bijna allen

aan vreemdelingen, vooral aan Amerikanen, toebehooren, en waarvan

sommigen zeer goed voorzien zijn. De koopers vinden op de toonbank

altijd eene pijp voor hen gereed liggen, en de inlanders verzuimen

nooit van die kostelooze gelegenheid tot rooken gebruik te maken,

ook al laat de pijp, uit hot oogpunt van zindelijkheid, wel te

wenschen over.

De weg verlaat het strand en wendt zich rechts naar de vallei. Dicht

bij dien hoek wijst onze gids ons een reusachtigen boom, een

zoogenaamden aoa of indischen vijgeboom (ficus indica). De hoofdstam,

uit zware dooreengeslingerde kleinere stammen bestaande, heeft een

omtrek van bijna dertig el; tot op dertien el hoogte behoudt hij

dezelfde afmetingen, maar dan verdeelt hij zich in een twaalftal

geweldige, horizontaal gestrekte takken, die met hun lommer een

oppervlakte van honderd el in doorsnede bedekken. Wij vertoeven eenige

oogenblikken onder de verkwikkelijk koele schaduw van dezen koning

der bosschen. In den tuin der zusters van Saint-Joseph de Cluny te

Taio-Hae, bevindt zich een tweede, zeer merkwaardig exemplaar van

dezen boom.

Wij vervolgen onzen weg en betreden de vallei van Vaitoe, die zich

voor ons opent. Eene beek, die zeer gemakkelijk doorwaadbaar is,

vormt, dicht bij het strand, een vrij groote waterkom. Op weg komen

wij langs eenige hutten van inlanders, waarin wij, naar lands gebruik,

onbeschroomd binnen treden. De bouw dezer woningen is hoogst eenvoudig:

aan de hoeken vier palen, in den grond gestoken boven een soort van

platform, paepae genoemd en uit groote platte steenen samengesteld;

aan het boveneinde dier palen zijn gaten gemaakt, waarin de dunne

en buigzame kokosstammen zijn bevestigd, die het onderstel van het

dak vormen; het achterste gedeelte van de woning ligt hooger dan het

voorste. Op de palen en op de kokosstammen worden lichte dwarsbalken

gelegd, die met touwen van kokosvezelen stevig worden vastgebonden;

de tusschenruimte wordt met bamboes aangevuld, waardoor de lucht

echter vrijelijk spelen kan. Tot verdere voltooiing van het dak,

worden lange stokken omwonden met kokos- en palmbladen, en vervolgens

op het houtwerk gelegd, zoodat de bladeren der opvolgende lagen over

elkander heenvallen. Het dak steekt een weinig buiten de wanden der

woning uit, en beschermt haar volkomen tegen den regen.

De weg stijgt onophoudelijk, maar is niet meer zoo effen als

straks. Wij komen bij een heuvel, met katoenvelden bedekt.

"Wilt gij de Chineezen zien? vraagt onze gids.

--Zijn hier dan Chineezen?

--Ja; zij arbeiden op de plantage, waarop wij ons nu bevinden. Zoo

gij het wilt, kunnen wij een kijkje gaan nemen in hunne woning,

die vrij wat beter is ingericht dan de hutten der inlanders."

Het uitwendig voorkomen der woning bevestigt reeds ten volle de

juistheid dezer opmerking. Wij treden eene ruime zaal binnen, die de

breedte heeft van den geheelen voorgevel; kleine, met matten behangen

kamertjes komen in deze zaal uit. Onze aandacht wordt getrokken

door eenige vrouwenkleederen, en wij vernemen dat de zonen van het

Hemelsche Rijk met de dochters des lands tijdelijke verbindtenissen

hebben aangeknoopt. Hun opperhoofd, ook een Chinees, opzichter der

plantage, vervult tevens de functiën van kok bij den resident. Deze

Chineezen hebben het voornemen opgevat om een grooten winkel of

bazar to openen, waarvoor zij hunne opgespaarde penningen zullen

gebruiken. Het kleine gemeenschappelijke kapitaal wordt te dien einde

toevertrouwd aan een hunner, die te San-Francisco, waar het aantal

hunner landgenooten zeer aanzienlijk is, de noodige inkoopen moet gaan

doen en handelsbetrekkingen aanknoopen. Trouwens bijna overal langs

de kusten van den Stillen-oceaan ontmoet men die kleine, vlugge,

geelachtige mannen, geschikt voor de uitoefening van elk beroep en

elk bedrijf; die bij duizenden hun land verlaten om door onvermoeide

vlijt en strenge spaarzaamheid een klein kapitaal bijeen te brengen,

hetgeen hun maar zelden mislukt: want zij bezitten een verwonderlijk

talent voor al wat met handel in betrekking staat, on zijn ook niet

al te kieskeurig in de keuze der middelen.

Onze chineesche gasten ontvangen ons zeer vriendelijk en leiden ons

door hunne woning rond. Een hunner, een man van zekeren leeftijd,

met een rensachtigen bril op zijn neus, verstaat en spreekt een

weinig engelsch. In een hoek van de groote zaal brandt eene lamp

op een altaar, dat, evenals de muur in de nabijheid, behangen is

met veelkleurig papier, waarop zonderlinge letters zijn gedrukt of

geschilderd. De gebrilde Chinees deelt ons mede, dat dit altaar ter

eere hunner goden is opgericht.

Eenige minuten later waren wij aan den oever der beek, en begaven ons

onmiddellijk te water; de plaats is niet aangenaam voor een bad; er

is geen handbreed schaduw; het zeer ondiepe water is geheel verwarmd

door de blakerende zon. Er zijn twee kleine kommen, die door een

miniatuur-waterval met elkander in gemeenschap staan; als men zich

op den rotsigen bodem nederzet, reikt het water niet hooger dan tot

de borst. Al zeer spoedig hadden wij genoeg van ons bad, en maakten

wij ons gereed om terug te keeren. De heer M.... dringt er op aan,

dat wij ons zoo spoedig mogelijk zullen aankleeden.

"Anders zult gij tot uwe eigene schade leeren, hoe gevaarlijk het is,

ongekleed buiten het water te blijven.

--Is er dan vrees voor een zonnesteek?

--Dat juist niet. Maar de nono zal u builen bezorgen, en als ge

die krabt, dan worden die builen tot open wonden, die u onlijdelijke

pijn zullen veroorzaken, en die niet dan met moeite en zeer langzaam

genezen."

Deze nono (de sandfly der Engelschen) is eene zeer kleine vlieg, die

des morgens bij het aanbreken van den dag geboren wordt, en bij het

vallen van den avond weer sterft. Als de doorschijnende buik dezer

vlieg met bloed gevuld is, schittert zij, wanneer men haar tegen de

zon houdt, als een robijn. Dit afschuwelijk insekt plaatst zich op de

huid, en zuigt u het bloed af, echter zonder te steken, zooals bij

voorbeeld de muskieten. Ge bemerkt eerst naderhand haar bezoek, als

zich de builen vertoonen. die ondragelijk jeuken. Men beweert dat deze

vlieg door schepen is aangevoerd, en dat zij uitsluitend op Noekoe-Hiwa

en op het naburig eiland Oea-Poe wordt aangetroffen. Overigens zijn

er in den archipel geen gevaarlijke dieren, met uitzondering van

de afzichtelijke duizendpooten, waarvan de daken wemelen; maar die

griezelige dieren doen zeer zelden iemand kwaad.

Wij keeren naar de landingsplaats terug. Onderweg ontmoeten wij

Mgr. Dordillon, bisschop van Cambysopolis, apostolisch vicaris der

Markiezen-eilanden, die onzen groet met groote vriendelijkheid

beantwoordt. De sloep ligt gereed om ons naar boord terug te

brengen. De inscheping gaat al even bezwaarlijk als de landing.

Op het schip vinden wij vijf of zes eilanders, die vruchten te koop

aanbieden. Een hunner, een reus van athletische vormen, verstaat een

weinig fransch. Ik vraag hem, wat hij is komen doen.

"Verkoopen kokos, bananen en pataten, antwoordt hij.

--Ligt uwe hut ver van het strand?

--Neen. Als gij wilt komen bij mij van avond, ik zal u ontvangen met

vreugd. Zal voor u laten dansen."

Na overleg met eenigen mijner kameraden, wordt besloten dat wij de

uitnoodiging van Paumea--zoo heette onze aanstaande gastheer--zullen

aannemen. Ik zeg hem dat wij na afloop van het middagmaal bij hem

zullen komen, als hij ons aan de landingsplaats wil afwachten. Hij

zegt dat hij op ons wachten zal, en ons met zijne prauw, die langs

het schip gemeerd ligt, naar land zal roeien.

Paumea heeft twee zoons, prachtige knapen, die met zeer veel

behendigheid de pagaaien hanteeren. In eenige minuten hebben wij het

strand bereikt. Hoewel dit nu niet meer noodig is, nemen de kloeke

eilanders ons op hunne sterke schouderen, en dragen ons als kinderen

over het door de zee overspoelde strand naar den drogen oever.

Wij volgen denzelfden weg van straks. Het weder is verrukkelijk; de

maan werpt haar licht door de groote boomen, die den weg overschaduwen;

haar zilveren stralen doen de bevallige bladerkronen der kokospalmen

schitteren, en werpen breede schaduwen in het bosch. Voor de verlichte

winkels van het dorp staan een aantal inboorlingen, mannen en vrouwen,

te kijken. In de vallei schittert hier en daar een licht; bij onze

nadering beginnen de honden woedend te blaffen.

De woning van Paumea is ruim en goed ingericht; de voorzijde is geheel

open; het dak rust op palen. Tegen den achterwand heeft men, met een

tusschenruimte van omstreeks een el twintig duim, twee boomstammen op

den grond gelegd; de ruimte daartusschen is met matten bedekt. Dit

is het bed, waar men zeer gemakkelijk slaapt, het hoofd rustende op

den eenen stam en de voeten op den anderen.

Er zijn veel gasten bijeen; de mutoi, inlandsche commissaris

van policie, van Taio-Hae, een bloedverwant van Paumea, komt

ons plechtstatig begroeten, blijkbaar zeer trotsch op zijn

korporaalstrepen. In een oogwenk hebben onze gidsen zich ontdaan van

hunne zoogenaamde europeesche kleeding; zij zijn nu enkel bekleed

met de pareu, een lap, die om de lendenen gewonden wordt en als een

vrouwenrok tot over de knieën afhangt. Al die mannen munten uit

door prachtigen lichaamsbouw: zij zouden zonder uitzondering een

beeldhouwer tot model kunnen dienen. Nu zij zich van hunne kleeding

ontdaan hebben, maak ik van de gelegenheid gebruik om het tatouëersel,

waarmede hunne lichamen bedekt zijn, van nabij te bezien. Sommigen

zijn zoo geheel overdekt met cirkels, lijnen, figuren, dat men bijna

zou wanen dat zij eene wapenrusting dragen. Vroeger was het tatouëeren

veel eenvoudiger dan thans, en bestond, vooral in het gelaat, slechts

uit rechte lijnen, die elkander ruitvormig kruisten; tegenwoordig

zijn daar allerlei figuren, zooals breede horizontale strepen,

voor in de plaats gekomen. De vrouwen zijn over het algemeen weinig

getatouëerd, enkelen zelfs in het geheel niet. De meesten vertoonen

aan de lippen enkele kleine, rechtopstaande lijnen, hetgeen niet

onbevallig staat. Sommige Kanaks oefenen het tatouëeren als bedrijf

uit. De operatie geschiedt met een soort van uitgetande schaar van

vischgraat, die aan een stokje bevestigd is, en waarop met een houten

hamertje geslagen wordt. De scherpe punten van het instrument worden

in een blauwachtig vocht gedoopt, uit plantaardige zelfstandigheden

bereid. De patiënt, wiens trekken van hevige smart getuigen, wordt

door drie of vier personen vastgehouden. De pijn is zoo heftig, dat de

operatie slechts gedurende zekeren tijd kan worden voortgezet, en dan

moet worden gestaakt. De zendelingen zijn er nog niet in geslaagd,

het tatouëeren af te schaffen. De kinderen, die onder hunne hoede

gebleven zijn, verlaten hen toch als het oogenblik gekomen is, waarop

zij deze traditioneele teekenen der manbaarheid moeten ontvangen.

De avondmaaltijd wordt gereed gemaakt. Paumea heeft aan boord van de

Vandreuil levensmiddelen gekocht, zoodat hij zijn gasten een feestelijk

onthaal bereiden kan.

Het hoofdbestanddeel van de gewone voeding der eilanders is de popoi,

een geelachtige koek, die van de vrucht van den mei (broodboom,

artocarpus incisa) gemaakt wordt. Als zij van versche vruchten bereid

is, heeft de popoi een zoetachtigen smaak; als de vruchten eenigen

tijd gestaan hebben, wordt de smaak eenigszins bitter. De bereiding

van de popoi geschiedt op de volgende wijze: de vruchten worden op

een vuur gelegd, dat voortdurend brandende wordt gehouden; uit de

schors stijgt een dikke rook op. De pit, te hard om gegeten te worden,

en de verbrande schil worden verwijderd; de geelachtige, kneedbare,

sponsachtige vrucht, die een flauwen smaak heeft, wordt daarna in een

houten bak of kuip gelegd en met een houten of steenen stamper tot deeg

gekneed, waarna dit deeg, in ronde gaten van meer dan een el diep,

in den grond begraven wordt. De wanden dezer kuilen zijn met breede

banaanbladeren bekleed, om de aanraking met den grond te beletten. Als

de kuil vol is, wordt hij met aarde en steenen bedekt; op die wijze

blijft de popoi goed bewaard; van tijd tot tijd wordt dan de noodige

hoeveelheid voor het gebruik er afgenomen. Het deeg wordt dan in een

houten schotel gedaan, met een weinig water aangelengd en tot een soort

van koek gekneed. Deze bewerking is aan de vrouw van Paumea opgedragen.

De vloermat dient als tafel; de toebereidselen tot den maaltijd

zijn afgeloopen; wij worden uitgenoodigd, plaats te nemen. Wij

verontschuldigen ons met te zeggen, dat wij zoo pas gegeten hebben;

wij durven niet zeggen dat het klaarmaken van de popoi, waarvan wij

getuigen waren, onzen eetlust nu juist geprikkeld heeft. Toch dringt

ons de nieuwsgierigheid om even te proeven van deze spijs, die niet

onaangenaam smaakt.

Inmiddels hebben zich de andere gasten nedergezet om den schotel,

waarin de popoi is; ieder steekt de hand in dien schotel, en brengt

daarmede de weeke spijs naar den mond. Uitgeholde kokosnoten, met

water gevuld, vervangen de plaats van karaffen. Het maal is spoedig

afgeloopen. De Kanaks hebben doorgaans grooten eetlust, en daar hunne

spijzen, bijna altijd van plantaardige natuur, niet bijzonder voedzaam

zijn, moeten zij groote hoeveelheden voedsel tot zich nemen.

Een voornaam bestanddeel der voeding is ook de visch, dien de

inboorlingen bijna altijd rauw eten. Hunne meest geliefkoosde spijs

is de haua, eene soort van groote rog (in het engelsch devil-fish) en

de haai; zij laten deze visschen dikwijls eerst een dag of veertien

liggen en tot verrotting overgaan. In de nabijheid der baaien en

inhammen worden eene menigte haaien gevonden; de inlanders vangen

die visschen met een lijn of met de harpoen. Dikwijls laten zij, om

de haaien te lokken, hun arm of hun been buiten hun vaartuig in het

water hangen, terwijl zij met de andere hand een strop gereed houden,

dien zij met groote behendigheid om het zeemonster werpen, dat zij

vervolgens harpoeneeren. Zij loopen zoodoende wel gevaar om gebeten

te worden, maar toch gebeurt er zelden een ongeluk van ernstigen

aard. Als zij met de lijn op de haaienvangst uitgaan, voorzien zij

het boveneinde van den haak van twee kruislings geplaatste ijzeren

bouten, om te beletten dat de haai het touw doorbijt.

Na afloop van den maaltijd worden de pijpen aangestoken; de eene

gast reikt de pijp aan den anderen over, die ze op zijne beurt aan

de lippen brengt. Eene der vrouwen gaat inmiddels heen om eenigen

van hare vriendinnen, die in de buurt wonen, te halen. Paumea had

ons een dans beloofd: die zou nu vertoond worden.

In twee rijen tegenover elkander geschaard, voeren de dansers,

in goede harmonie, verschillende passen uit; zij akkompagneeren

zich zelven met een rythmisch maatgezang, waarbij nu en dan in de

handen geklapt wordt. Zij schenen veel schik in dit spel te hebben,

dat zij, met telkens nieuwe afwisselingen, op ons verzoek eenige

malen herhaalden. Eindelijk werd dit schouwspel, hoe eigenaardig ook,

toch eentonig, en ondanks den aandrang van Paumea, die wilde dat wij

nog blijven zouden, namen wij afscheid van onze nieuwe kennissen,

met de belofte dat wij terug zouden komen.

De oudste zoon van onzen gastheer deed ons uitgeleide tot aan het

begin van het dorp. De weinige winkels van Taio-Hae werden gesloten,

en te midden der diepste stilte keerden wij terug naar de sloep, die

ons naar boord moest brengen. Nog langen tijd bleef ik op het dek, en

liet mijne oogen dwalen over het kalme rustige landschap daar vóór mij:

de baai, het strand, de valleien, de hooge bergen op den achtergrond,

alles overgoten met het zilveren licht der maan, statig drijvende aan

den diep blauwen hemel, nu en dan door een half doorschijnend wolkje

onderschept. De gansche natuur om mij heen ademde onverstoorbaren

vrede, heilige kalmte, alsof er op aarde nimmer strijd ware geweest....

De commerciëele of politieke beteekenis van dezen archipel is, althans

op dit oogenblik, niet van veel gewicht. In den eersten tijd onzer

vestiging op de Markiezen-eilanden, stonden de beide groepen van

het zuidoosten en het noordwesten ieder onder haar eigen kommandant;

te Vaitahoe en te Taio-Hae waren door de soldaten van het garnizoen

niet onbelangrijke werken van openbaar nut aangevangen. De archipel,

door de wet van 8 Juni 1850 tot verbanningsoord voor politieke

veroordeelden aangewezen, is te klein en te weinig vruchtbaar om

ooit een belangrijk maritiem of koloniaal station te kunnen worden;

ook de geographische ligging is daarvoor niet gunstig. De handel, die

er nog gedreven wordt, is beperkt tot Taio-Hae, waar eenige engelsche

en amerikaansche kooplieden kleine handelshuizen gesticht hebben.

De bevolking van Taio-Hae is niet talrijk; de aanraking met de

Europeanen en de invloed der zendelingen hebben de inwoners voor een

groot deel van hunne voorvaderlijke gewoonten vervreemd. Vroeger

was de bevolking waarschijnlijk veel talrijker, zooals blijkt uit

de bouwvallen van woningen, die in thans geheel onbewoonde valleien

worden aangetroffen.

De totale bevolking van den archipel wordt bij benadering op

twaalfduizend zielen geschat. Het eiland Hiwa-Oa is het meest

bevolkt: het telt zesduizend inwoners. Daarop volgt Noekoe-Hiwa, met

tweeduizend-zevenhonderd; dan Oea-Poe, met duizend-tweehonderd-twintig;

Fatoe-Hiwa, met duizend; Tauata, met zeshonderd-dertig, en Oea-Oeka,

met vierhonderd-vijftig inwoners.

De groote hongersnood, die voor ruim eene halve eeuw de Markiezen

en de andere eilanden in den Stillen-oceaan teisterde en allerlei

ziekten in het leven riep, heeft ongetwijfeld sterk bijgedragen

tot de vermindering der bevolking. Nog leven er grijsaards, die de

herinnering aan deze vreeselijke dagen, waarin men, door den uitersten

nood geperst, elkander verslond, niet verloren hebben.

In den namiddag gingen wij een bezoek brengen aan den resident, die des

morgens eene visite had gemaakt aan boord van ons schip. Hij bezit eene

zeer volledige verzameling van wapens, krijgsgewaden en gereedschappen

der inboorlingen. Het merkwaardigste stuk dezer verzameling is wel

een zeer ruw bewerkt houten beeld van den god Tiki, de meest vereerde

godheid in de nog heidensche streken van den archipel. Het beeld

stelt eene monsterachtige menschelijke gedaante voor, met ontzaglijk

groote oogen en mond, gebogen beenen en de ellebogen tegen het lijf

geklemd. De resident toonde ons eenige brokken van datzelfde beeld,

in zeer harden rooden steen gehouwen, en slechts eenige duimen

lang. Hij bezit ook halssnoeren van bruinvischtanden, vischhaken van

parelmoer, ter lengte van een palm, en vele andere curiositeiten. Die

verzameling is des te merkwaardiger, omdat het steeds moeielijker,

om niet te zeggen onmogelijk, wordt, zulk eene collectie bijeen te

brengen. Na de komst en de vestiging der Europeanen toch hebben de

inlanders hunne oude, oorspronkelijke industrie laten varen. Zij

geven de voorkeur aan een geweer boven hunne voormalige knodsen;

in de plaats van prauwen bedienen zij zich van groote sloepen, die

te Taio-Hae worden gebouwd, of die zij van de schepen, welke op de

walvischvangst uitgaan en de eilanden aandoen, koopen.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 18 / 92 题