XV.

Oklahoma.--Eene vrijstad.

Oklahoma is de naam, dien de radikalen onder de Creeks en Cherokees

wenschen te geven aan de landen der Indianen, nadat de stammen tot

één volk zullen zijn vereenigd en de jachtvelden een staat zullen

zijn geworden:--een droombeeld, waaraan sommige opgewonden dweepers

gelooven. Deze idealisten, die de wonden van hun eigen stam niet kunnen

genezen, noch eenige duizenden Cherokees kunnen bewegen onderling

in vrede te leven, koesteren evenwel de hoop dat zij de Creeks en de

Seminolen, de Choctaws en de Chickasaws met elkander zullen verzoenen,

en die allen zullen vereenigen onder ééne regeering en ééne banier. Nog

meer: in hunne verbeelding zien zij reeds den dag, waarop andere,

nu nog geheel wilde en heidensche stammen--de Cheyennes, de Apachen,

de Kiowas en anderen--zullen hebben opgehouden vee en vrouwen te

rooven, waarop zij hun tomahawks en skalpeermessen zullen begraven, en

novelletjes zullen lezen en whisky zullen drinken, evenals de blanken.

Voorwaar, die dag ligt nog zeer verre in het verschiet!

Eenigen tijd geleden heeft de regeering van Washington besloten,

tegenover de Indianen eene "nieuwe politiek" te volgen, met het

doel om hunne vestiging in vaste woonplaatsen en hunne bekeering

te bevorderen. Deze politiek is gegrond op het oude stelsel der

Franciskaner monniken, maar gewijzigd naar de beginselen van een

civielen staat en in verband met de bestaande toestanden. Voortaan

zullen de Indianen beschouwd en behandeld worden als "pupillen." Door

middel van bajonetten binnen zekere aangewezen terreinen saamgedreven,

worden zij nu gesteld onder de geestelijke leiding van sommige sekten,

die hen moeten voeden en onderwijzen, en ook onder het toezicht

van officieren, die hen moeten bewaken en hen neerschieten, als zij

de op het papier getrokken grenzen overschrijden.--De leeraars en

zendelingen, die natuurlijk zich gaarne bij hunne sekte aangenaam

maken, hangen een bekoorlijk tafreel op van een, tot dusver alleen

in hunne verbeelding bestaand indiaansch land, vol landhoeven

en boerderijen, tuinen, scholen en kerken. Elk indiaansch terrein

(reservation) heeft een eigen schoolfonds, op het papier; in sommige

nederzettingen vindt men ook werkelijk armoedige loodsen, met den

naam van school versierd.--De officieren voeren een andere taal:

zij behoeven geen theorie te verdedigen. Is er een blanke hoeve

uitgeplunderd of eene blanke familie geskalpeerd, dan moeten zij de

wilden najagen en tuchtigen. Een grenspost is juist geen geschikte

plaats om humanitaire illusiën te kweeken. Voor zoover mijne

ondervinding gaat, is de eenvoudige waarheid deze: dat geen enkel

officier, die in de grenslanden gediend heeft, het mogelijk acht,

de volbloed Indianen te beschaven.

Nooit kan een roodhuid iets begrijpen van hetgeen een blanke zijn

wet noemt.

Neem, bij voorbeeld, de laatste uitspraak van den opperrechter Waite en

zijne geleerde bijzitters in het Hoog-Gerechtshof, en vraag dan hoe een

Creek of Cherokee, om nu van de Osages en Kickapoos te zwijgen, zulk

een wet kan begrijpen. Reeds sedert jaren gold voor de Indianen, als de

zwakste partij, de algemeene regel, dat de staat de bevoegdheid had,

hen van de eene plaats naar de andere te doen verhuizen. Als blanke

planters hunne jachtgronden in bezit wenschten te nemen, werden zij

gedwongen te vertrekken; maar hun oorspronkelijk eigendomsrecht op

den grond werd niet geloochend, en voor de in bezit genomen landen,

werden hun altijd andere in ruil gegeven. Toen zij Georgië moesten

verlaten, kregen de Cherokees een beter terrein langs de oevers van den

Vert-de-gris. In plaats van hunne vroegere woonplaatsen, ontvingen de

Creeks en Choctaws jachtgronden langs den Arkansas; de Senecas, langs

de Alleghany; de Oneidas, bij Green-Bay. De Omahas kregen landerijen

langs den Missouri; de Crows, langs de Yellowstone; de Shoshonen, langs

de Snake-River. Geen stam werd ooit uit zijn woonplaats verdreven,

dan met belofte van elders beter terrein te zullen ontvangen. Sedert

de dagen van Penn, was het nog niemand in de gedachte gekomen te

betwisten, dat het land oorspronkelijk aan de roodhuiden behoorde.

Maar Waite en zijn geleerde broederen hebben hierin verandering

gebracht. Deze rechtsgeleerden hebben uitgemaakt dat de Indianen

niet de eigenaren van den grond in het algemeen zijn, ja dat zij

zelfs geen recht van bezit hebben op hun eigen land. Volgens hen,

is de ware en echte grondeigenaar niemand anders dan het gouvernement

der Vereenigde-Staten.

Ook onder de meest ontwikkelde Creeks en Choctaws, zal er wel geen

enkele gevonden worden, die de gronden kan begrijpen, waarop deze

uitspraak van Waite rust; maar zelfs de onwetendste Indiaan begrijpt

het volkomen, dat zijn land hem niet toebehoort, dat hij niet meer

is dan eenvoudig gebruiker, en dat het hem niet langer vrijstaat een

denneboom te vellen en te verkoopen.

Volgens de "nieuwe politiek," die den geduchten oorlog met de

roodhuiden tot een soort van vrome idylle maakt en tegelijk het gansche

grondgebied der Indianen ten bate der regeering verbeurd verklaart,

wordt de inlandsche bevolking in vier groote klassen verdeeld:

1°. Wilde Indianen, met wie geene andere betrekkingen kunnen worden

aangeknoopt, dan dat zij nu en dan uit de handen der regeerings-agenten

dekens en voedsel ontvangen.

2°. Indianen, die ten volle overtuigd zijn van de noodzakelijkheid van

geregelden arbeid en daartoe ook willen overgaan, en die tot dat einde,

in meerdere of mindere mate, de hulp en leiding der regeerings-agenten

aanvaarden.

3°. Indianen, die bereids eene hoeve of boerderij, met de daarbij

behoorende landen, het vee en verder toebehooren, in vollen eigendom

bezitten.

4°. Zwervers en vagebonden.

De eerste klasse omvat, naar men zegt, acht-en-negentigduizend zielen,

en daaronder de Sioux, de Uten, de Apachen, de Kiowas, de Cheyennes, de

Comanchen en Arapahoes. De tweede klasse telt twee-en-vijftigduizend

zielen, en daaronder de Osagen, Kickapoos, Pai-Uten, Shoshonen,

Pawnees on Navajos. De derde klasse wordt geschat op honderdduizend

zielen, on daaronder Creeks, Choctaws, Cherokees, Seminolen en

Chippewais. De vierde is moeilijker te berekenen; naar men vermoedt,

telt zij twintig- of dertigduizend zielen; en daaronder Winnebogoes,

Sacs Pottawatomies en verstrooide benden van Shoshonen en Uten.

Deze verdeeling en deze statistiek is tot niet veel meer nut dan tot

stichting en opvroolijking van de welmeenende sektarissen, die heden

ten dage, met minder takt en onder ongunstiger omstandigheden, in de

westelijke vlakten de proef herhalen, bereids door de Franciskaner

monniken in Californië genomen. Maar deze onbestemde, fantastische

klassificatie heeft niet de minste praktische waarde, en wordt dan

ook geheel ter zijde gesteld door allen, die met de werkelijke feiten

te doen hebben. Voor hen bestaan er maar twee soorten van Indianen:

wilde Indianen, en half-wilde Indianen.

De eerste klasse omvat al de groote stammen en geslachten: Sioux,

Uten, Cheyennes, Arapahoes, Navajos en meer anderen. Zij zijn

nimmer onderworpen en hebben zich nimmer op vaste woonplaatsen

gevestigd. Heidenen, roovers en nomaden, beloopt hun getal omstreeks

tweehonderd-duizend zielen. Zij zijn de echte roodhuiden, wier

bloed vrij bleef van alle vermenging, onveranderlijk getrouw aan hun

voorvaderlijk geloof en aloude zeden.

Tot de tweede klasse rekent men de kleinere indiaansche stammen,

die, door voortdurende aanraking met de blanken, half ouderworpen

en eenigermate aan den grond verbonden zijn: de Indianen der missie

in Californië, de Indianen van Arizona. de Senecas in New-York, de

Chippewais in Michigan, de Winnebogoes in Nebraska, de Choctaws en

Cherokees in Oklahoma, en hunne stamgenooten elders. Deze Indianen,

meestal ingesloten tusschen nederzettingen der blanken, zijn ongeveer

honderdduizend zielen sterk: het treurig overschot van machtige

natiën, die te gronde zijn gegaan. Zij zijn een weinig beschaafd,

en zeer aanzienlijk in getal geslonken. Inderdaad is de Indiaan

voornamelijk daarom bevreesd voor de gewoonten en zeden der blanken,

omdat hij bij ondervinding weet of wel bij instinkt gevoelt, dat de

eerste stap op den weg onzer beschaving voor hem tevens de eerste

stap is naar zijn physieken en zedelijken ondergang.

Kolonel Stevens, die van zeer nabij met de indiaansche zeden en

levenswijze bekend is, werd door de regeering naar de zoogenoemde

vlakte gezonden, om voor de indiaansche opperhoofden een aantal

steenen huizen te bouwen, die als lokaas moesten dienen om hunne

stammen tot onderwerping te bewegen. Na verloop van zes maanden

waren al die huizen, voor eenige vaatjes whisky, in handen van

blanken overgegaan. Slechts één voornaam opperhoofd, Lange-Antilope,

had zijn huis nog behouden; en Stevens ging hem een bezoek brengen,

meenende dat hij nu inderdaad een opperhoofd gevonden had, van wien

iets meer mocht worden verwacht dan van zijne stamgenooten. Hij vond

Lange-Antilope, zijn pijp rookende, in eene tent, nabij het venster

zijner woning opgeslagen.

"Waarom leeft gij in eene tent, Lange-Antilope, daar gij toch een

goed huis hebt?" Lange-Antilope grinnikte en antwoordde:

"Het huis goed voor het paard, niet goed voor een krijgsman.... ugh."

Stevens trad de woning binnen, en vond inderdaad het paard van

Lange-Antilope in de eetkamer staan.

De kolonel, die mij dit zelf verhaalde, voegde er bij:

"Nooit zal een volbloed Indiaan zich met de gedachte aan een huis

verzoenen. Hij begrijpt de beteekenis daarvan niet. Gij kunt hem nooit

aan zijn verstand brengen, dat eene vaste woning te kiezen, nog iets

anders beduidt dan zijne schouders met een warme deken in plaats van

met een beestevel te omwikkelen, van de agentuur brood te ontvangen,

in plaats van te gaan jagen, en zijn tijd te verdoen met rooken en

drinken, in plaats van met skalpeeren.

--Zijt gij dan van meening, dat de volbloed Indianen onvatbaar zijn

voor beschaving?

--Mij is geen voorbeeld bekend van een echten Indiaan, die zich op

eenig handwerk of bedrijf heeft toegelegd. Hij is van nature jager

en krijgsman; de aanraking met een spade of ploeg zou zijne adelijke

handen besmetten. Met de mestiezen is dit anders: van hen mag men,

ondanks den nadeeligen invloed van het wilde bloed, dat door hunne

aderen stroomt, betere dingen hopen en verwachten: in den regel toch

hebben zij een blanke tot vader."

Texas is niet volkomen een model-land; uit het oogpunt van openbare

orde en veiligheid blijft er nog zeer veel te wenschen over; niettemin

is in Texas, sedert den oorlog, een neger even zoo goed een burger

als ieder ander. Hij heeft politieke rechten, hij brengt zijn stem

uit, verschijnt als getuige voor het gerecht, is lid van de jury,

zendt zijne kinderen naar school. Hij bezit eigendom en bekleedt een

ambt. In één woord, hij is de gelijke van den blanke, voor zoo ver

het van de wet afhangt, die gelijkheid te vestigen.

Hier stuit de roodhuid op een onoplosbaar raadsel. Waarom geeft de

Groote Vader in Washington, die aan de Indianen de landen en wouden

ontneemt, hun, in ruil voor andere landen en wouden, bij plechtig

verdrag geschonken, om die, overeenkomstig het aloude gebruik te

bezitten "zoolang het zaad groeit en het water stroomt;--" waarom

geeft hij aan den zwarte zoo vele en groote voorrechten, dat hij

overal de gelijke en op vele plaatsen de meerdere van den blanke

is? Het antwoord op die vraag kunnen zij niet vinden.

Te Taliquah, het voornaamste kamp van de natie der Cherokees,

verschijnt een klein nieuwsblad, dat door een Indiaan van gemengd

bloed wordt uitgegeven. Ik ontleen daaraan het volgende, dat vrij

volledig het standpunt weergeeft, waarop een beschaafde Cherokee zich

ten aanzien der Indianen-kwestie plaatst.

"Als volk genomen, zijn wij nog niet rijp voor het amerikaansche

staatsburgerschap. Niet omdat wij niet verstandig, niet eerlijk

of niet arbeidzaam genoeg zijn, of omdat het ons te zeer aan die

onmisbare eigenschappen ontbreekt, die overal den mensch de vrijheid

waardig maken; maar wij zijn onbekend met en onervaren in die kunst van

bedrog en misleiding, waarvan de aanwending tegenover de eenvoudigen

en onergdenkenden door de vrijheid, indien al niet wordt aangemoedigd,

dan toch gewis veroorloofd, als een onvervreemdbaar recht, omdat het

ieder behoort vrij te staan, bedrieger of bedrogene te zijn."

Als antwoord op deze beweering eener onoverkomelijke scheiding tusschen

de roode en de blanke republiek in Amerika, heeft eene maatschappij

van blanken den bouw ondernomen van eene stad, een grenspost, van

waaruit zij voornemens zijn in het grondgebied der roodhuiden door

te dringen om dat gaande weg in bezit te nemen.

De afstand van Caddo naar de Red-River bedraagt dertig mijlen. Nabij

den oever der rivier is eene open plek in de jungles gemaakt, en

op de lokale kaarten draagt die ruimte den naam van Red-River-City

(stad der Roode Rivier); maar tot heden is hier geen enkel gebouw,

geen landingsplaats, geen hut of kroeg zelfs, te zien. De stad

bestaat uit eene doorgraving in de rotsen en het geraamte van een

brug. Red-River-City is zelfs niet het schaduwbeeld eener stad, met

denkbeeldige pleinen en straten, zoo als die doodgeboren lusthoven

langs de baai van San-Francisco, die nog altijd uitzien naar den

"goeden tijd." De Chickasaws en de Choctaws zijn nog te dicht in de

nabijheid. Mettertijd mag hier eene stad verrijzen, tegenover het

grondgebied der Chickasaws; maar dan moeten de roodhuiden eerst hebben

opgehouden in stammen te leven, hun land gemeenschappelijk te bezitten,

en aan de bevelen van despotieke opperhoofden te gehoorzamen.

Daar niettemin de behoefte aan eene stad op de grenzen word gevoeld,

niet alleen in het belang van den lokalen handel, maar ook voor de

veiligheid van en de gemeenschap met eene lange reeks van indiaansche

posten, daaronder begrepen Fort Sill, Port Griffin en Fort Richardson,

werd last gegeven tot het bouwen eener stad, en werd deze ook

werkelijk gebouwd.

Op vijf mijlen afstands van de brug over de Red-River, vond

kolonel Stevens, ingenieur van de spoorwegen van Texas en Kansas,

een geschikter en veiliger plaats. De kolonel (in wiens gezelschap

ik het voorrecht geniet deze streek te bezoeken) is iemand van

zeer rijke ondervinding ten aanzien van de zeden en levenswijze

der wilden. Niemand kent beter dan hij de roodhuiden, of het land

waarin zij leven. Nadat tot het bouwen eener grensstad was besloten,

koos hij zorgvuldig de plaats, daar hij niets aan het toeval wilde

overlaten. Eene wijde, zacht glooiende prairie, met een bosschage

van oude eiken, trok zijne aandacht; en bevindende dat de vlakte werd

besproeid door eene murmelende beek, de samenvloeiing van een aantal

bronnen, nam hij de plek nauwkeuriger op. Hier en daar verhieven zich

enkele rotsen; buiten het eikenboschje stonden, in het open veld,

nog eenige afzonderlijke boomen in het rond verspreid. De grond der

omringende vlakte was zeer vruchtbaar en uitnemend geschikt voor de

kultuur van katoen, rijst en maïs.

Een vel papier werd voor den dag gehaald, en daarop het plan eener

stad geteekend, met straten, pleinen, wegen en spoorbanen. Het

eikenboschje bleef onaangeroerd, en zou voor openbare wandelplaats

dienen. Ook eene school werd niet vergeten. De aanstaande stad kreeg

den naam van Denison, en er werd een dag bepaald voor den verkoop der

perceelen gronds. Aan de eerste koopers gaf Stevens de verzekering,

dat daar een spoorwegdepot zou worden aangelegd. Denison zou de

voorraadschuur en marktplaats zijn van de forten Richardson, Griffin

en Sill, die door een telegraafdraad onderling en met de stad zouden

verbonden worden. IJskelders, slachthuizen en werktuigen voor het

persen der katoen zouden al spoedig volgen. Door deze beloften en

toezeggingen moesten koopers voor de grondstukken worden aangelokt;

en daar de spoorwegen in engelsche handen zijn, en de beloften werden

gedaan met een beroep op engelsche goede trouw, hielden de Joden,

die van Dallas en Shreveport kwamen om een kijkje te nemen, zich

overtuigd dat de fortuin van die stad was gemaakt.

Weldra zag men loodsen en schuren verrijzen. Maar timmerhout

ontbrak: het eikenhout is te hard, en het land der gele pijnboomen

ligt een goede honderd mijlen ver. Niettemin werd er spoedig hout

aangevoerd. Vernemende, dat er zich eene nieuwe markt geopend had,

zonden drie firma's van houthandelaars in Saint-Louis gansche ladingen

planken en balken naar Denison-City: die planken en balken moesten een

reis doen van omstreeks zeshonderd mijlen per spoor. Eener goede markt

ontbreekt het zelden aan aanvoer; en toen de houthandelaars vernamen

dat er gebrek was aan timmerhout in Denison, zonden zij gansche

ladingen derwaarts, ofschoon de naam van Denison-City op geene enkele

kaart of in geen enkel handboek te vinden was. Het werk ging vlot van

de hand. Nelson-huis werd onder dak gebracht; voor Adams-huis werden de

grondslagen gelegd; kleine woningen verrezen hier en daar. Negers van

Caddo en Veneta, Joden van Dallas, Shreveport en Galveston, benevens

vagebonden, spelers, schacheraars en gelukzoekers van elke hemelstreek,

stroomden naar de stad. Een herberg, een verkoophuis, een danshuis

werden aldra geopend. Binnen zes maanden telde Denison eene bevolking

van duizend zielen, van allerlei kleur en geloofsbelijdenis, en was het

door geheel den omtrek beroemd als de vroolijkste stad in gansch Texas.

Er zijn nu ter nauwernood acht-en-twintig maanden verloopen,

sedert kolonel Stevens den platten grond zijner stad op het papier

teekende, en Denison telt tegenwoordig reeds eene bevolking van

vierduizend-vijfhonderd zielen. Het spoorwegdepot beslaat een vierde

van de oppervlakte der stad; en nabij dit depot bevinden zich twee

groote ijskelders, benevens slachthuizen, de katoenpers, vier kerken,

vijf herbergen en een onnoemlijk aantal speelhuizen.

Denison mag zich reeds beroemen op een mayor, acht aldermen,

"allen eerlijke demokraten," een recorder (officier van justitie),

die "de schrik der boosdoeners" is, en een kamer van koophandel. Op

onze wandeling door de stad, werd mijne aandacht getrokken door een

vrijmetselaarsloge en een paar andere clubs en societeiten. Maar de

trots van Denison is bovenal de school, een gebouw van rooden baksteen,

in dien eigenaardigen amerikaanschen tudor-stijl, die in de zuidelijke

Staten zoo algemeen is. Dit gebouw kostte vijf-en-veertigduizend

dollars, die tot den laatsten cent gevonden werden uit leeningen in

Engeland gesloten. Wat wonderlijke uithoeken der wereld worden al

niet door het engelsche goud bevrucht!

Blijft Denison zoo vooruitgaan, dan bestaat er kans dat de

geldschieters hun geld terug krijgen, en dat zij bovendien de

zelfvoldoening zullen smaken, van mede arbeiders te zijn geweest aan

een goed werk.

Met hare ruwe, luidruchtige, ongebonden bevolking, mag Denison

inderdaad aanspraak maken op den naam vau eene "vroolijke stad". Er

wordt hier zeer sterk gedronken. Het is heden Zondag; niettemin

zijn de herbergen geopend, en hoort men overal het rollen van

biljardballen. Opzichtig gekleede vrouwen drentelen door de straten,

en half-dronken kerels twisten over hunne vertering in de kroegen. En

toch wordt ge telkens herinnerd aan de vrije natuur, aan het bloeiende

veld. De hoofdstraat is met boomen beplant; in de straten rechts en

links stoot ge nog telkens op boomstronken. Op de binnenplaatsen staan

antilopen aan palen gebonden; runderen wandelen heen en weder, en

leggen zich rustig neder voor de deuren. Meisjes gaan water putten in

de beek; half ongetemde paarden rennen en draven door ruime grasvelden.

Naar het uiterlijke te oordeelen, moet de bevolking dezer grensstad

voor de helft uit negers bestaan. Nergens is een enkele Chickasaw

of Choctaw te bespeuren; geen enkele roodhuid woont te Denison;

toch is Denison nog iets anders dan enkel een voorraadschuur voor

Fort Sill en eene wijkplaats voor vrijverklaarde slaven. Het is een

kamp en voorpost van de vijanden der roodhuiden.

Ettelijke dagen na mijne aankomst in Amerika, bevond ik mij op een

stoomboot op den Potomac, en teekende in een der morgenbladen enkele

zinsneden aan, waarvan ik mij voorstelde, later gebruik te maken. Een

der passagiers dit ziende, kwam naar mij toe, en zeide:

"Gij zijt waarschijnlijk een correspondent van een der dagbladen

van New-York?

--Neen, mijnheer; ik ben een reiziger uit het oude moederland.

--Ha! een Engelschman! Kent gij Ulysses S. Grant?

--Ik heb de eer.

--Kunt gij mij dan ook zeggen wat hij met de Indianen doen wil? Ik

ben geboortig uit Texas, en vertegenwoordig de Spread Eayle (Zwevende

Arend.) Gij hebt toch wel gehoord van de Spread Eagle?--Niet? Dat is

vreemd!--Wel, ik ben naar het Oosten gekomen om te onderzoeken wat de

President zich voorstelt te doen met het indiaansche grondgebied. Als

hij het land wil openstellen, wij staan gereed voor de deur. Geheel

Denison zal de Red-River oversteken; Caddo ligt dichter bij Fort

Sill dan Denison, en zou beter geschikt zijn als voorraadschuur

en wapenplaats. Een paar woorden per telegraaf, zooals "Vooruit

maar"--en binnen een week zijn er tienduizend man te Denison, te Caddo,

te Limestone-Gap. Dat land, mijnheer, is de tuin van Amerika. Als

Ulysses S. Grant ons maar een teeken wil geven, dan zal het niet lang

meer duren of onze paarden staan aan de oevers van den Arkansas."

Ik vrees dat die journalist gelijk heeft. Vijf jaar nadat het

indiaansche grondgebied voor het kapitaal en den arbeid der blanken zal

geopend zijn--en dit moet eenmaal onvermijdelijk geschieden--zullen de

Creeks en Cherokees in Oklahoma evenmin een duim gronds meer bezitten

als thans in Massachusetts en New-York.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 9 / 92 题