XIV.

Zambo's.--Negerslavernij bij de roodhuiden.--Caddo.

Caddo, een dorp in het distrikt Choctaw, twee-en-dertig mijlen

ten noorden van de Red-River, zeven-en-dertig mijlen ten zuiden

van Limestone-Gap, is eene kolonie van zambo's, en zeker een van de

zonderlingste nederzettingen in eene landstreek, zoo bij uitnemendheid

rijk aan ethnologische verrassingen. Een zwerm van houten hutten,

binnen omrasterde velden omsloten, omgeeft eene kleine stad, die

een school en een gevangenis, een kerk en eene vrijmetselaarsloge,

een hoofdstraat en een marktplaats bevat, en waar het vooral ook

niet ontbreekt aan biljardzalen en aan kroegen. Door middel van een

spoorweg is dit stadje verbonden met Fort Gibson in het land der

Creeks, en met Denison-City in Texas. Caddo bezit ook eene drukkerij

en eene krant, die eens in de week uitkomt. Maar het is niet de school

of de gevangenis, niet de spoorweg of de drukkerij, die in de eerste

plaats de belangstelling verdient, de nieuwsgierigheid prikkelt: dat

doet vooral de bevolking van het wonderlijke stedeke. De bewoners van

Caddo zijn op zich zelven de grootste merkwaardigheid. De hutten in

het open veld en bijna al de huizen in de stad zijn toch bewoond door

het nieuwe ras van gemengd bloed, bij de geleerden onder den naam van

Zambo's bekend:--de afstammelingen van negers en indiaansche vrouwen.

Volgens Tschudi's lijst der gemengde rassen, heeten de afstammelingen

van een blanken vader en eene zwarte moeder, mulatten; die van een

blanken vader en eene indiaansche moeder, mestiezen; die van een

indiaanschen vader en eene zwarte moeder, chino's; en die van een

zwarten vader en eene indiaansche moeder, zambo's. Deze vier soorten

van hybriden vormen de oorspronkelijke gemengde bevolking van Amerika.

Een mulat is koffiekleurig; de kleur van een mesties is goud-brons;

een chino is vuil rood; een zambo is vuil bruin.

Een blanke vader verwekt bij eene mulattin een quadroon; een blanke

vader en eene mesties geven het leven aan een creool. Quadronen

en creolen, hoewel donkerklourig en grof van vormen, zijn somtijds

schoon; in de slavenstaten worden voor jonge quadrone of creoolsche

meisjes dikwijls grooter sommen uitgegeven, dan een turksche pasja voor

zijne georgische slavin besteedt. Uit het huwelijk van een neger met

eene mulattin ontspruit een cubra: en een cubra is een zeer leelijk

schepsel. In het volgende geslacht keert de oorspronkelijke negertype

terug. Dit is niet het geval in de indiaansche familie. Een indiaansche

vader en eene mesties schenken het leven aan den mestizo-claro,

den licht gekleurden mesties, zeer dikwijls een fraai exemplaar van

het menschenras. Maar het schijnt wel dat het indiaansche blood zich

nooit volkomen met het zwarte vermengen kan. De chino, het kind van een

roodhuid en eene negerin, is een schraal, mager en onbevallig wezen, en

zijn halve-broeder, de zambo, is nog leelijker. De natuur zelve schijnt

geene vermenging van deze twee rassen te willen. Op de gansche wereld

zijn misschien geen wonderlijker schepselen te vinden dan de kleine

zambo's, die op de straat en in de goten te Caddo spelen en dartelen.

Toch zijn deze afzichtelijke schepsels, naar men zegt, zeer

vruchtbaar. In elke hut van Caddo wemelt het van kinderen; en wanneer

de aanhangers der nieuwe ethnologische school gelijk hebben, is

het te verwachten dat zij zich nog sneller zullen vermenigvuldigen

dan de gewone negers. Wat mogen dan de bewoners van Caddo, physiek

en moreel, wel over honderd jaar zijn? Aan zich zelven overgelaten,

zal Caddo misschien een geslacht voortbrengen naar het model van dat

van Los-Angeles en San-José, en zullen van hier helden uitgaan als

Tiburcio Vasquez, die de schrik zullen zijn der volkplanters langs

de Red-River en van Limestone-Gap.

Te Caddo vooral is het mogelijk, de beide belangrijke problemen der

kleur en der slavernij, in hun oorspronkelijken, meest eenvoudigen

vorm te bestudeeren; in een vorm en uit een oogpunt, te Richmond,

Charleston en Nieuw-Orleans geheel onbekend.

Voor de burgeroorlog uitbrak, waren alle negers op indiaansch

grondgebied slaven, het eigendom van de Creeks en Choctaws, de

Seminolon, de Chickasaws en de Cherokees:--de vijf natiën, die gerekend

worden "den wilden staat vaarwel te hebben gezegd." Hun lot was

hard; hun lijden misschien bitterder dan eenig ander lijden onder de

zon. Elders wordt de slavernij getemperd en verzacht door gemeenschap,

hetzij van ras, hetzij van taal, hetzij van geloof. Te Pekin zijn

slaven en meesters van dezelfde kleur; te Kaïro spreken zij dezelfde

taal; te Rio aanbidden zij denzelfden God. Maar in deze amerikaansche

wildernissen had de neger noch dezelfde gelaatstrekken, noch dezelfde

taal, noch dezelfde geloofsbelijdenis als zijn onbeschaafde meester;

tusschen die beiden geenerlei gemeenschap van belang in deze wereld,

geen gemeenschappelijke hoop voor eene wereld hier namaals.

Is het mogelijk een rampzaliger lot te bedenken, dan slaaf te zijn van

een roodhuid? Het eigendom te zijn van een blanken meester was dikwijls

hard genoeg; maar ook op de slechtste plantages in Georgië en Alabama

waren toch nog elementen van edelmoedigheid en rechtvaardigheid, die

in de indiaansche kampementen vergeefs werden gezocht. In Georgië en

Alabama deed zich toch altijd, al was het soms onbewust, de weldadige

invloed gelden van vrouwen en kinderen. De negers leefden in eene

beschaafde en christelijke maatschappij. Allen stonden onder het gezag

der wet, en zelfs daar waar wreede en harde meesters in groot aantal

gevonden werden, kon toch altijd de bescherming worden ingeroepen der

wet en der overheid. Geen enkele neger in Virginia, of hij vernam het

luiden van de klokken der dorpskerk, of ook tot hem kwam de stille

en heilige verkondiging van den dag der ruste. Geen enkele slaaf in

Louisiana, die niet deelde in de zegeningen en voorrechten van het

geregelde huiselijke en familieleven. Welke gewijde klanken werden

er gehoord in een kamp der Choctaws? Welke bekoorlijkheid des levens

was er te vinden in de tenten der Chickasaws? In elk indiaansch kamp

behandelden de zelven bijna als slavinnen beschouwde squaws de negers

nog harder en onmeedoogender dan hare ruwe echtgenooten; en in stede

van een trooster en soms onbewusten beschermer, was het indiaansche

kind zeer dikwijls de oorzaak van nieuwe folteringen: om hem aan

den aanblik van menschelijk lijden te gewennen, werd de slaaf in

tegenwoordigheid van den jeugdigen krijger gemarteld en gepijnigd. Een

slaaf in Tennessee kon in handen van een onmeedoogenden meester vallen;

maar die meester was toch een beschaafd man en gezeten burger, en hij

kon voor de rechtbank ter verantwoording worden geroepen. Hij was geen

zwervende wilde, die van de jacht leefde, en zijn gezin oppermachtig

regeerde met een bijl en een skalpeermes. Een blanke slavenhouder

mocht driftig en opvliegend, zijn opziener wraakzuchtig en haatdragend

zijn: beidon waren toch burgers, aan het gezag der wet onderworpen,

en Christenen, onderworpen aan de tucht hunner kerk. Er waren zeer

wezenlijke grenzen, die ook de ruwste willekeur zich niet licht

vermat te overschrijden. Maar waar was, bij Seminolen of Cherokees,

voor den mishandelden slaaf zulk eene grens te vinden? Een Seminole

had geen rechter te vreezen, een Cherokee geen priester of leeraar

te ontzien. In zijn stam en op zijn grondgebied, kon eon indiaansch

opperhoofd, als hem dit lustte, even vrij over het leven van zijn slaaf

beschikken, als een negerkoning in het hart van Afrika. Geen sheriff

was daar, om hem rekenschap te vragen van het vergoten bloed. Geen

vrees voor openbare afkeuring hield zijn arm terug. Was eenmaal

zijn toorn opgewekt, dan bekommerde een Indiaan zich even weinig om

hetgeen de menschen van hem denken en zeggen zouden, als de tijger in

de jungles, wanneer hij zijn sprong gaat, nemen, zich om de publieke

opinie bekommert. Een roodhuid had meer vrijheid in de behandeling

van zijn slaaf, dan een blanke in de behandeling van zijn hond.

Eigenaar te zijn van een ploeg negers, was de hoogste wensch van

elk opperhoofd der Creeks of Seminolen; hun aantal was, even als

dat zijner squaws, een bewijs van zijn rijkdom en rang. Zelfs stelde

hij nog hooger prijs op zijne negers, omdat hij juist deze soort van

eigendom met de blanken gemeen had. In zijne jeugd had hij in Georgië

of Carolina geleefd, waar de maatschappij verdeeld was in vrijen

en slaven. Hij zelf was een vrij man, even als al zijne broeders

en stamgenooten; slechts de zonen van een minder krijgshaftig en

donkerkleuriger ras waren slaven. Bekend met de zeden en gewoonten

der blanken, bewees hij hun de eer, hun voorbeeld na te volgen; maar,

als een echte wilde, kocht hij alleen dan zijne slaven, als hij geen

kans zag hen te stelen.

Wanneer een indiaansch opperhoofd door de blanke planters van zijne

jachtgronden in Georgië en Tennessee verdreven werd, voerde hij de

negers in zijn kamp met zich; hij dwong hen mede hun aandeel te dragen

in de vele vermoeienissen en ontberingen van zijn langen tocht, en de

gevaren te trotseeren van zijne nieuwe en ver afgelegene woonstede. De

plagen en rampen, die den roodhuid troffen, daalden met zevenvoudige

kracht neder op het hoofd van zijn slaaf. In de oogen van een Indiaan,

was een neger niet meer waard dan een muilezel. In regen en wind moest

hij zich buiten de tent ter ruste leggen. Als er gebrek was aan wild,

moest hij zich voeden met afval en dikwijls van honger sterven. De

zwaarste en verachtelijkste diensten werden van hem gevergd; met

slagen en schoppen en scheldwoorden werd hij, vooral door de squaws,

naar zijn werk gedreven. Het minste verzet lokte dubbele mishandeling

uit, en kon hem zeer licht het leven kosten.

En toch, ondanks al hun lijden, vermenigvuldigden de negers

zich voortdurend, en dat wel zoo spoedig, dat na verloop van

twintig of vijf-en-twintig jaren, hun aantal dat hunner wilde

meesters dreigde te overtreffen. Toen de oorlog uitbrak, bezaten

de Seminolen duizend slaven; de Cherokees en Chickasaws bezaten

elk omstreeks vijftienhonderd slaven; de Creeks en Choctaws, elk

omstreeks drieduizend. Deze vijf stammen telden te zamen nog geen

veertienduizend volbloed Indianen tegen tienduizend negerslaven. Het

getal der Indianen nam snel af, dat der negers even snel toe.

Deze negers waren zoowel een gevaar als een ramp voor de vijf

natiën. Alom langs de grenzen van haar gebied was eene beweging

ontstaan, die de roodhuiden niet met tomahawks en skalpeermessen

konden bedwingen. Kansas, hun onmiddellijke nabuur ten noorden,

was een vrije staat. De nederzettingen aan gene zijde hunner grenzen

werden voor en na onder de vrije staten opgenomen. Geruchten eener

aanstaande bevrijding drongen door tot in de indiaansche kampementen,

en de kwestie der slavernij begon de stamhoofden der roodhuiden

te verontrusten.

De oorlog barstte uit. De oplossing van een groot en diep ingrijpend

maatschappelijk vraagstuk, waarbij de gewichtigste belangen op het spel

stonden, werd aan het ruw geweld, aan de onzekere kansen van den krijg

toevertrouwd. Toen zond Jefferson Davis een agent naar de indiaansche

legerplaatsen, ten einde den opperhoofden, door de voorspiegeling

van hetgeen waarschijnlijk gebeuren zou, vrees aan te jagen en hen

te bewegen tot een bondgenootschap met de Geconfedereerde Staten.

Albert Pike, zoo heette die agent, was in alle opzichten voor

zijne taak berekend. Reeds zijn voorkomen was uitnemend geschikt

om indruk te maken. Van eene statige, rijzige gestalte, met een

blozend gelaat en lang zilverwit hair, dat hem over hals en schouders

golfde, vereenigde hij de frischheid en levenslust der jeugd met

de eerwaardigheid en bedachtzaamheid van den ouderdom. Beurtelings

en achtervolgens, klerk, dichter, advokaat, pionier, trapper,

schoolmeester, kavallerie-officier, dagbladschrijver,--had Pike

allerlei beroepen bij de hand gehad en de wereld van meer dan eene

zijde leeren kennen. In paardrijden, drinken en bluffen, konden

maar weinig menschen den voorrang aan Albert Pike betwisten. Daar

hij eenige jaren van zijn leven langs de oevers van de Red-River

en den Arkansas had doorgebracht, was hij volkomen vertrouwd met de

eigenaardige zeden en gebruiken der roode en blanke grensbewoners,

en geheel ervaren in alle kunstgrepen en listen, waardoor de wilde

stammen kunnen worden verleid en medegesleept.

Van het eene kamp naar het andere trekkende, vertelde Pike aan

de krijgslieden, dat de oude Unie, waaronder zij geleefd hadden,

niet meer bestond; dat zij voor goed was ondergegaan, even als het

oude indiaansche verbond der Zes-Natiën; dat de vlag in flarden was

gescheurd en de vlaggestok in tweeën gebroken. De heeren van het

Zuiden konden voortaan nooit meer gemeene zaak maken met de ploerten

en gelukzoekers van het Noorden. Daarom kwam het er nu voor hen op

aan, eene keus te doen. De slavernij, zoo zeide hij, was de hoeksteen

van de nieuwe Confederatie; en op een groep negerslaven wijzende,

vroeg hij den Indianen of zij niet liever de zijde wilden kiezen van

de planters van Georgië en Louisiana, dan van de kooplieden van Boston

en New-York. "Vroeger, zoo sprak hij, kondt gij billijke grieven tegen

de planters doen gelden; maar in dezen nieuwen oorlog is uw belang

en uwe toekomst ten nauwste verbonden met die van het Zuiden. Deze

oorlog is door de hebzucht en de dweepzucht van het Noorden verwekt,

en gericht tegen de negerslavernij, tegen den vrijen handel en de

staatkundige vrijheid."

Om zijn doel te bereiken, nam Pike zijn toevlucht tot nog andere

middelen: waar zijn argumenten te zwak bleken om de roodhuiden

over te halen, wierp hij zijn whiskyflesch in de weegschaal. Want

geene behoefte is voor den Indiaan zoo onwederstaanbaar, als die

van sterken drank. Het recht om slaven te koopen en te verkoopen,

kwam maar aan enkele opperhoofden ten goede; maar de vrijheid om

sterken drank te koopen en te verkoopen, ging iederen man en iedere

vrouw in de indiaansche kampementen rechtstreeks ter harte. Door

aan de Indianen den vrijen handel in slaven en whisky te beloven,

won Albert Pike eene groote meerderheid van stemmen voor het Zuiden.

Vijfduizend indiaansche krijgers, met bijlen en messen gewapend,

schaarden zich onder de banier van Albert Pike, die nu zijn burgerlijk

karakter als indiaansche commissaris aflei, een hoed met pluimen

opzette, een gegalonneerden rok aantrok, een zwaard op zijde gespte,

en op het tooneel verscheen als generaal Pike. Twee legers opereerden

langs de grenzen:--een leger der Noordelijken onder Curtis, en een

leger der Zuidelijken onder Van Dorn. Op bevel van het departement

van Oorlog te Richmond, voegde Pike zich met zijne krijgslieden hij

het leger van Dorn, en deze omstandigheid gaf een zekeren komischen

tint aan den bloedigen en onbeslist gebleven veldslag van Pea-Ridge.

Zoo lang als het bij het houden van parade bleef, stond hun militair

beroep den roodhuiden wel aan. Hunne soldij was hoog, hun voedsel

goed, en Pike was niet al te streng op het stuk van discipline en

exercitie. Er was overvloed van whisky in het kamp. Maar toen de vijand

naderde en het vuur uit zijne groote kanonnen opende, toen verlieten

deze kinderen der wouden hunne gelederen en sloegen op de vlucht. Hoe

dapper en onverschrokken ook in het gevecht, is de Indiaan niet

bestand tegen de beproevingen van een geregelden krijg. Zij stormden

onbevreesd voorwaarts: maar door geweer- en geschutvuur ontvangen,

deinsden zij verbijsterd terug. Alles wat zij hoorden en zagen was

geheel nieuw voor hen. Van de tien Indianen had er nauwelijks een

ooit een kanon hooren afschieten; niet een van de vijftig had ooit een

vuurpijl gezien. De granaten zagen zij aan voor vallende sterren. Hun

krijgsgeschreeuw werd overstemd door het oorverdoovend gerucht: de

walmende rook onttrok hunne vijanden aan hun gezicht. Zelfs als zij

achter eiken en dennen wegscholen, waren zij nog niet veilig; want de

granaten ontploften tusschen de boomen en de scherven vlogen hun om

de ooren. Wat konden deze zonen der woestijn hier doen, dan plat op

den grond gaan liggen, hunne lichamen met zand en steenen bedekken,

en zoo te wachten tot de avond was gevallen?

Maar zoodra het duister was geworden, slopen zij naar het slagveld,

gingen zwijgend tusschen de slapende soldaten door, skalpeerden

de dooden en de stervenden, en keerden met hunne afschuwelijke

zegeteekenen naar het kamp terug. Dit was de eenige maal, dat de

Indianen voor het behoud hunner negerslaven streden.

Den volgenden morgen, toen men zich gereed maakte de gesneuvelden te

begraven, kwam de schennis aan de lijken gepleegd aan het licht: en uit

de beide amerikaansche legers ging een kreet van afgrijzen en protest

op tegen het gebruik van deze barbaren. Curtis zond een boodschap naar

Van Dorn, en de zuidelijke generaal was, ter voorkoming van bloedige

weerwraak, genoodzaakt, zijn roode hulptroepen naar huis te zenden.

Pike verloor zijn gegalonneerden rok en zijn hoed met pluimen;

en zijne indiaansche krijgers, door overvloedigen whisky getroost,

konden verder rustig toezien, in afwachting dat de blanken, die met

elkander streden, zoo het heette, over de rechten der zwarten, onder

de muren van Richmond zouden hebben uitgemaakt of de roodhuiden langs

den Arkansas al of niet het recht hadden om hunne zwarte broeders in

slavernij te houden.

Toen Richmond viel, waren de slaven in vijftig indiaansche kampementen

vrij.

De negerslaven waren vrij; maar vrij in een indiaansch land, te midden

van wilde indiaansche stammen!

In de proklamatie van President Lincoln werd met geen enkel woord

gewag gemaakt van de tienduizend negers, die toen als slaven leefden op

indiaansch grondgebied. Eerst tien maanden na den slag van Pea-Ridge

werd de vrijverklaring uitgevaardigd: de slaven der roodhuiden waren

vergeten geworden.

Alleen gelaten met hunne voormalige meesters, buiten bereik van

alle hulp of ondersteuning uit Washington, wat moesten deze vrij

verklaarde slaven nu gaan aanvangen? In theorie waren zij vrij; in de

werkelijkheid bepaalde zich die vrijheid tot de vrijheid om van honger

te sterven. Zij hadden noch tenten, noch geweren, noch paarden; zij

konden geen duim breed gronds hun eigendom noemen; ook hadden zij nu

hunne plaats in den stam verloren. En daar niemand aan de oevers van

den Potomac aan hen dacht, kwam er ook geene wezenlijke verandering

in het lot dezer negers langs de oevers van de Red-Rivier en den

Arkansas. Deze zwarten zijn een zwak ras; met vrouwen opgevoed en door

vrouwen geregeerd, waren zij zelven bijna vrouwen geworden, onbekwaam

voor den strijd des levens, zonder energie en zonder moed. Toen aan

Fort Gibson en Fort Scott de tijding vernomen werd, dat de oorlog

geëindigd was en dat de negers waren vrij verklaard, onderwierpen de

opperhoofden der Cherokees en Choctaws zich met kwalijk verkropten

spijt aan dit gebod. Zij wierpen de vrijverklaarde negers uit hun kamp.

Daar stonden zij nu, zonder eenig middel van bestaan, hulpeloos

als kinderen, alleen in de wijde wereld. Zoo lang hij slaaf was,

had de neger voor 't minst eene plaats in de tent en den stam,

als behoorende tot het huisgezin van het opperhoofd; nu vrij man

geworden zijnde, verloor hij zijn recht om medegeteld te worden,

en werd hij metterdaad een balling, een vagebond. Voor hem was er

geen wet, geen recht. Overal elders werd den neger zijne vrijheid

gewaarborgd en vond hij bescherming; maar het land der Indianen is

eene republiek op zichzelve, waarin de wet van den blanke niet geldt.

De Creeks en Cherokees hebben eenige vormen en gebruiken van de

beschaafde maatschappij overgenomen. Zij houden meer of minder komische

vergaderingen; zij hebben scholen en gerechtshoven, ook meer of minder

komisch. Sommige opperhoofden trachten persoonlijken grondeigendom te

verwerven; enkelen zelfs schijnen niet ongezind, hun zonen het engelsch

alphabet en den christelijke catechismus te laten leeren. Maar niets

van dit alles valt binnen het bereik van den vrijverklaarden slaaf,

zoo lang hij op indiaansch territoir blijft. Een neger heeft geen

stemrecht; hij mag zijn kind niet naar school zenden, noch met eene

aanklacht voor het gerechtshof verschijnen. Hij heeft geen duim gronds

in eigendom. Uit het indiaansche kamp uitgeworpen zwerft hij naakt en

vrij in de wildernis om. Hij durft zich niet vestigen op indiaanschen

grond; want hoewel de President hem tot een vrij man heeft verklaard,

heeft zijn vroegere meester de macht behouden hem te dooden, en

niemand zal dien meester daarvan rekenschap vragen. Wat wonder dat

de vrijverklaarde negers van het indiaansche grondgebied verdwijnen?

Ettelijke honderden van deze geëmancipeerde slaven zijn over de grenzen

naar Arkansas en Texas gevlucht, en hebben bescherming gezocht onder

de hoede der blanken. Maar in den regel is de arme bevolking eener

landstreek niet in staat in massa te verhuizen en elders een nieuw

vaderland te zoeken. Even als planten en dieren, moeten zij den strijd

volhouden of op de plaats zelve vergaan. Voor een aantal vluchtelingen

uit de tenten der Choctaws en Chickasaws is Caddo eene wijkplaats en

vrijstad geworden.

De plek, waarop deze uitgewekenen zich gevestigd hebben, is een stuk

gronds, verlaten door de Caddoes, een kleinen zwervenden stam, die

vroeger in deze wateren vischte en in deze bosschen jaagde. Zeer in

aantal verminderd, zijn de Caddoes uitgeweken naar de streken bij

de Washita, en hebben hunne vroegere jachtvelden overgelaten aan

de coyoten en de wolven. Rechtens ligt het distrikt in het land der

Choctaws, maar de Choctaws hebben nooit deze vallei in bezit genomen;

en de verschijning van blanke werklieden, die een spoorweg kwamen

aanleggen, bewoog de naast bij wonende indiaansche familiën om hare

wigwams verderop te verplaatsen. Caddo, overgelaten aan den "vuurgen

salamander" en aan de vrijgelaten slaven, werd een stad.

Zooals zich, met het oog op haar oorsprong, reeds laat verwachten, is

Caddo in de politiek radikaal, om niet te zeggen revolutionair. Daar

de negers en hunne nakomelingen, de zambo's, geen Indianen zijn, en

er voor hen in de indiaansche republiek dus geen plaats is, wenschen

de inwoners van Caddo niets minder, dan de geheele bestaande orde

van zaken te veranderen:--opheffing van de afzonderlijke indiaansche

nationaliteit; van de verdeeling der Indianen in stammen en gezinnen;

van de uitsluiting van vreemdelingen uit het indiaansche grondgebied;

voorts afschaffing der indiaansche bloedwrake, van de onbeperkte

macht der opperhoofden en den gemeenschappelijken grondeigendom.

"Welke veranderingen zoudt gij alzoo wenschen in te voeren? vraag ik

een zwarten politieken dilettant.

--Welke veranderingen? antwoordt de zwarte radikaal. Alles moet

veranderen. Wij verlangen dat de stammen worden afgeschaft; dat

een regelmatig bestuur worde gevestigd, het land voor den arbeid

en het kapitaal geopend; dat het bestuur der opperhoofden ophoude,

alsmede de handel in vrouwen en het gemeenschappelijk grondbezit. Dit

verlangen wij voor de anderen; maar wij hebben ook iets voor ons zelven

te vragen. Tot nu toe hebben wij geen rechten. Gij vindt ons hier in

Caddo, maar wij worden hier enkel geduld. Onze landerijen behooren ons

niet. Elken dag kan men ons wegjagen, zonder dat wij eenige vergoeding

ontvangen voor de verbeteringen, die wij hebben aangebracht.

--Eenige opperhoofden der Choctaws hebben mij toch verzekerd, dat

zij u naar recht en billijkheid zullen behandelen.

--Ja, misschien zullen zij dat doen; maar wie kan hen daartoe

dwingen? Wij hebben aan iets anders behoefte, dan aan beloften

van opperhoofden. Wij verlangen stemrecht, het recht om ambten te

bekleeden, om land te bezitten, om in de jury te zitten, om onze

jongens naar school te zenden. Wij wenschen dat deze rechten ons

worden toegekend door besluiten van het Congres, en niet afhangen

van beloften van de hoofden der Choctaws."

Dat is het politiek programma van Caddo, een vlek, door negers en

zambo's bewoond; dit zijn ook de beginselen van de Oklahoma Star,

het daar verschijnende weekblad onder redactie van een blanke, een

soort van letterkundigen en politieken avonturier.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 8 / 92 题