DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn,

Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn,

't Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.

_Vondel_, Leeuwendalers.

Ludwig trad, gelijk wij gezegd hebben, met een wankelenden stap de

zaal bij de Gravin van Nassau binnen, en bleef met nedergeslagen

oogen staan, totdat de Prins hem last gaf, alsnu te openbaren wat

hij nog te zeggen had.

Toen eerst boog hij zich, zag langzaam en deemoedig de Vorsten,

de Gravin en den Baron aan, huiverde op het gezicht van Magdalena,

die bleek als een steen achter haar jonge meesteres stond, en begon

toen op de volgende wijze:

"Ofschoon ik beken, dat ik op de schandelijkste wijze het vertrouwen

mijns doorluchtigen meesters misbruikt heb...."

"Sla dat maar over," zeide Maurits, haastig: "ter zake!"

"Verschoon mij, Uwe Hoogheid!" vervolgde de Secretaris: "ik wilde

alleen zeggen, dat, hoe slecht ik ook heb kunnen handelen, ik echter

thans een geheim aan 't licht wil brengen, hetwelk mij wellicht,

zoo het mij niet voor straf vrijwaart, de dankbaarheid van sommige

personen uit dit luisterrijk gezelschap zal mogen verwerven."

"Ga zonder omwegen voort," zeide de Prins op een strengen toon.

"Ik moet dan beginnen," hernam Ludwig met een zucht, "aan den heer van

Sonheuvel te verhalen hetgeen ik bereids aan den Heer Fiskaal verhaald

heb, dat zijn pleegzoon Joan al zijn liefde en achting nog volkomen

waardig is, en dat deze in geen aanslag noch tegen zijn pleegvader,

noch tegen den lande gedeeld heeft."

"Dat kan ik bevestigen," zeide Vader Ambrosius op een plechtigen toon.

"Wie valt den deposant in de rede?" vroeg de Prins, verstoord

rondziende. "Wie is die grijskop?" vroeg hij zacht aan Van Kinschot,

toen zijn oog het eerwaardig gelaat van den Vicaris ontdekte. Het

antwoord van den Fiskaal deed hem bevreemd opzien; doch hij gaf

terstond weder een wenk aan Ludwig om te vervolgen.

"Ik moet deze getuigenis nopens den Jonker van Craeihorst afleggen,"

vervolgde Ludwig, die langzamerhand meer bedaardheid en gemak herkreeg,

terwijl hij op zijn woorden dacht: "omdat het van belang is, dat er

geen vlek ruste op den stam, waar hij toe behoort.

"Mijn geslacht was altijd onbesproken," viel de Baron in met drift.

"Ik spreek niet van uw geslacht, Heer Baron: ik spreek van uw pleegzoon

Joan," zeide Ludwig, met nadruk.

"Wat gaan ons de Velasco's aan?" vroeg Reede.

"Joan is geen Velasco, er is nooit eenig Spaansch bloed met het zijne

vermengd geweest."

"Kent gij zijn ouders dan?" vroeg Maurits.

"Dat de Heer van Sonheuvel zich slechts herinnere hoe hij aan hem

gekomen is, en wat hij bij hem gevonden heeft."

"Mijn God!" riep de Gravin van Nassau uit, terwijl zij doodsbleek

opstond en naar den jongeling toesnelde: "die kleederen, die

jachthond...."

"Zijn bewijzen genoeg, Mevrouw!" vervolgde Ludwig: "Joan van Craeihorst

is uw zoon, Graaf Ulrich von Daun."

"Mijn zoon!" gilde de Gravin, terwijl zij haar handen wrong en schier

onmachtig in de armen van de nabijstaande dames viel: "mijn Ulrich! o

God! is het mogelijk!"

"Joan de zoon van mijn trouwen vriend Falckestein!" riep de Baron.

"Ach!" zeide de oude Beckman, door de menigte heendringende: "hij

liegt, die schelm van een Ludwig! heb ik niet het kind van den Heer

Graaf voor mijne augen zien in 't wasser wirfen?"

"Wat? wie twijfelt daar aan de waarheid van zijn verhaal?" vroeg de

Gravin, angstig en snel opziende: "spreek Ludwig! antwoord op hetgeen

de oude man zegt."

"Antwoord dien ouden man," zeide Maurits: "en wee u, zoo gij niet

bewijst wat gij verklaard hebt, en zoo uw vertelling slechts een

armhartig verdichtsel is, waarmede gij de voorspraak der Gravin zoekt

te verwerven."

"'t Is waar," antwoordde Ludwig; "de oude man heeft het kind in

het water zien werpen; doch wat hij niet kon zien, omdat de hoek

van den toren het hem belette, is, dat de hond des Graven, die in

het nabijgelegen vertrek bij mijn moeder en bij mij gezeten was,

uit een zijraam in de gracht sprong en den knaap het leven redde. De

hond zwom het slot om, terwijl de oude Beckman zich met het schuitje

begaf naar de plaats waar het kind gevallen was. Het was mijn moeder,

aan wie het getrouwe dier zijn jongen meester bracht, en die hem voor

den moorddolk behoeden bleef. Zij verliet terstond het slot met ons

beiden en stelde zich onder de bescherming van Velasco."

"O Voorzienigheid! hoe wonderbaar zijn uw wegen," zeide Vader

Ambrosius, de handen ten hemel heffende.

"Er blijft nog iets duisters in uw verhaal," zeide de Prins tegen

Ludwig: "leeft er iemand, die de waarheid daarvan bevestigen kan? Leeft

uw moeder nog?"

"Zij leeft nog," zeide Magdalena, met statigheid vooruittredende.

"Hoe!" riep de Baron: "gij de moeder van dien knaap?"

"De tijd en het verdriet hebben mij veranderd," hernam zij: "doch

Mevrouw de Gravin zal zich wellicht nog herinneren, dat zij mij te

Bruck gezien heeft."

"Is het mogelijk?" hernam de Gravin: "ja, ik herinner mij thans

duidelijk.... reeds waren uw trekken mij bekend voorgekomen. Doch in

's Hemels naam, zeg mij, heeft Ludwig de waarheid gezegd?"

"In allen deele," antwoordde Magdalena, haar zoon verachtelijk

aanziende.

"O God!" riep de Gravin: "mijn zoon, mijn Ulrich leeft nog! doch waar

is hij? wie brengt hem tot mij?"

"Hij is ontsnapt," zeide de Fiskaal, "doch ik vlei mij, dat wij hem

vinden zullen."

"Dat hoop ik ook," dacht Bleiswyk: "doch waar hij zit, weet slechts

één mensch...; en die alleen kan de ontknooping van dit spel maken." En

meteen sloop hij de zaal en het huis uit.

"Doch er leeft nog een getuige, die licht in deze zaak kan aanbrengen,"

zeide de Baron: "die schelmsche Jezuïet, die in mijn slot heeft

opgesloten gezeten.... ja, zoo wij die hadden, hij zou ons kunnen

vertellen...."

"Hij ligt reeds in boeien; doch hij is buiten staat een woord te

getuigen," merkte Van Kinschot aan.

"Hoe!" zeide Magdalena tegen Ludwig: "gij heb den Pater verraden!"

"Ik heb meer gedaan," antwoordde deze op een somberen toon: "ik hem

hem naar de hel gezonden waarin hij te huis behoort."

"Wee u! gij hebt uwen vader vermoord!" riep Magdalena, terwijl zij

zich wanhopend met de vuisten voor 't voorhoofd sloeg en de zaal met

wilde blikken op en neder liep.

Ludwig bleef versteend staan: een rilling beving hem, en half onmachtig

zonk hij op een stoel neder.

"Kind der schande! kind der verdoemenis!" vervolgde de radelooze

vrouw, terwijl zij elk terugstootte, die haar naderen wilde: "in zonde

ontvangen, om in zonde te leven en in zonde te sterven! Ziedaar de

straf, die het misdrijf wacht! o wee mij! wee u! wee ons allen!"

"Breng die ongelukkige weg," zeide Maurits: "dit tooneel is te ijselijk

om door vrouwenoogen gezien te worden."

Verscheidene onder de aanwezigen traden naar Magdalena toe, met

oogmerk om haar weg te leiden; doch op eens bleef zij staan, wees

alle hulp af, hief het hoofd met waardigheid op en zag de omstanders

met fierheid aan.

"Dat zich ieder wachte, de hand aan de Bruid des Heeren te

slaan. Zooverre is het nog niet gekomen, dat Zuster Klara, de Abdis der

Karmelieten te Tiel, de hulp van onheilige ketters noodig heeft. Freule

van Sonheuvel! de rol, die ik bij u gespeeld heb, is afgeloopen. Uw

verloofde wordt ter dood gebracht: gij kunt uw minnaar huwen."

"Het is haar in het hoofd geslagen," zeide de Prins: "nogmaals breng

haar weg."

"Verschoon mij," zeide Vader Ambrosius: "zoo iemand, zal ik invloed

op haar hebben. Zuster Klara!" vervolgde hij, zijn stem verheffende:

"Zuster Klara! kent gij mij?"

Een bevestigende hoofdknik was het antwoord.

"Gij zegt wel, Zuster Klara! uw rol is hier uitgespeeld. Ik ken de

gelofte, die gij gedaan hebt; ik wist ook, waarom gij bij mijn neef

geplaatst waart: ik ontsla u van haar verdere vervulling: verlaat

dit land en ga in een klooster uw overtredingen beweenen."

"Ik gehoorzaam," zeide Magdalena, en, zonder er een woord bij te

voegen, zonder zelfs een blik te werpen op haar ellendigen zoon,

verliet zij het vertrek.

"Ik had geen Roomschen prelaat _hier_ verwacht," zeide Maurits,

zich met bevreemding en ontevredenheid tot Vader Ambrosius wendende.

"Een heilige plicht riep mij herwaarts," zeide deze: "de ontwerpen

van Mom waren mij bekend en ik moest voorkomen, dat mijn nicht zich

met dien booswicht in 't huwelijk begaf. Met een andere boodschap had

ik mij voor Mevrouw de Gravin belast. Don Diego de Velasco had een

beminde binnen Brussel, aan welke hij vrij regelmatig zijn lotgevallen

schreef. Deze vrouw bezocht ik in de afgeloopen week, ten einde haar

van geestelijken raad te dienen. Nieuwsgierig om te weten, of Joan

werkelijk de zoon van Don Diego wezen kon, ondervroeg ik haar omtrent

dit onderwerp. Zij ontkende stellig, dat haar voormalige minnaar immer

getrouwd geweest ware, en haalde de brieven voor den dag, welke zij

van hem ontvangen had. In den laatsten dier brieven wordt de redding

van het kind des Graven van Falckestein opgegeven, juist gelijk het

zooeven vermeld werd, en geeft Velasco meteen zijn oogmerk te kennen,

om het weder aan zijn moeder te zenden. De Brusselsche dame dacht,

dat Velasco dit plan volvoerd had, waarin het blijkt dat hij door den

dood is belet geworden. Van dezen brief ontving ik een afschrift,

hetwelk ik hierbij met genoegen aan Mevrouw de Gravin overhandig,

en dat, mijns inziens, allen twijfel doet ophouden."

"Uw oogmerk was edel," zeide Maurits: "doch gij hebt wat veel op onze

edelmoedigheid gerekend, Heer Vicaris, dat gij zonder vergunning u

hier vertoont."

"De naam van Vicaris voegt mij niet langer, Uwe Hoogheid. Toen ik

ontdekte, dat diezelfde Eugenio, wiens bloeddorst zooveel rampen

baarde, ook mij naar 't leven stond, daar hij mij verdacht hield

van zijn oogmerken tegen te werken, reisde ik naar Brussel, om

hem aan te klagen. Ik merkte ras, dat men hem meer dan mij scheen

noodig te hebben, en hem dus ongaarne aan mij zou opofferen. Dit

deed mij besluiten, mijn ontslag te nemen. Mijn voornemen is thans,

naar Amerika te reizen en in de nieuwe wereld de zaden van het echt

geloof te gaan voortplanten."

"En de rampzalige Indianen tegen de verdrukking der Spanjaards te

beschermen," zeide Frederik Hendrik.

Op dit oogenblik trad Bouke, die het vertrek kort te voren verlaten

had, weder binnen. De tegenwoordigheid der hooge personages kon hem

niet beletten op te springen, zijn muts in de hoogte te werpen en

uit te roepen: "het eind goed al goed! daar is hij! daar is hij!"

"Wie? wie is er?" riepen alle aanwezigen als uit eenen mond.

"Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein!" zeide Bleiswyk,

binnentredende. Onze held volgde hem, hij zag vreemd op, toen hij

zich in zulk een luisterrijk gezelschap bevond; doch nog vreemder,

toen hem de Gravin om den hals viel, en onder den uitroep van:

"mijn zoon! mijn zoon!" de teederste moederkussen gaf.

"Ik heb hem niets gezeid," zeide Bleiswyk, half dansende van vreugd:

"Ja, Heer Fiskaal! kijk zoo zuinig als UEd. wil; ik heb hem dezen

nacht mede naar huis genomen en hem verstopt. Nu heb ik hem verteld,

dat hij vrij was, doch verder niets! ja, ik kan ook zwijgen!"

Dit zeggende, huppelde hij om en drukte den Fiskaal, de gasten,

ja den Predikant Raesfelt in de armen.

Intusschen ontving Joan (want zoo zullen wij hem uit gewoonte blijven

noemen) de gelukwenschingen der aanwezigen en de omhelzingen van den

Baron, van Bouke, van den ouden Beckman en van al zijn betrekkingen,

zonder dat hij zelf nog iets begreep van het verward verhaal, dat hem

de omstanders allen te gelijk deden: eindelijk nam de Prins zelf hem

bij de hand.

"Wij hebben elkander voordezen meer ontmoet," zeide deze, hem met

welgevallen aanziende.

"Kapitein Holtvast!" zeide Joan verrast.

"Dat was ik te Tiel," hervatte Maurits: "hier noemt men mij Maurits

van Nassau."

"Uwe Hoogheid!--O ik verzoek verschooning voor hetgeen ik onwillig...."

"Geen verschooning is noodig, waar geen wil tot beleediging bestaan

heeft," hernam de Prins: "ik heb u toen mijn diensten aangeboden, en

ik wil heden mijn woord gestand doen, door u het geheim uwer geboorte

te ontwikkelen."--Dit gezegd hebbende, gaf hij hem in korte woorden

zijn geluk te verstaan. Bedwelmd en schier sprakeloos zeeg nu de

jongeling weder aan 't hart zijner dankbare moeder.

En Ulrica! Vergat ik haar?--Neen! maar ik zag op tegen de

onmogelijkheid om den toestand te beschrijven, waarin zooveel

verrassende voorvallen haar gebracht hadden. Zij was ontslagen

van een huwelijk, waar zij tegen ijsde; de beminde van haar

hart was harer waardig: hij was niet meer een arme, onbekende

vondeling; maar integendeel door rang en geboorte ver boven haar

verheven. Dankbaarheid, verbazing, verrukking, ontzetting hadden haar

aandoenlijk zenuwgestel zoodanig geschokt, dat het haar onmogelijk

was, één woord uit te brengen. Lang was zij als op de plaats genageld

blijven staan, eer zij kracht genoeg vond om haar voedsterbroeder te

naderen, hem de hand toe te reiken en met een flauwe stem tot hem te

zeggen: "ik behoef u niet te zeggen, of ik in uw geluk deel neem."

"O Ulrica!" zeide de jongeling en drukte een vlammenden kus op haar

lippen, doch terstond terugtredende: "verschoon mij," zeide hij,

"ik vergat u geluk te wenschen: het is heden immers uw verlovingsdag?"

"Wat verlovingsdag!" riep de Baron: "zij zal met u haren verlovingsdag

vieren, of maagd sterven, niet waar Riekje?"

"Vader!" zeide Ulrica, blozend, terugtredende: "Mevrouw de Gravin...."

"'t Is waar ook," hernam de Baron, verlegen: "Joan is nu geen Joan

meer, maar een te hoog personage voor een arme landfreule als gij

zijt."

"Beminnen zij elkander?" vroeg de Gravin, terwijl een glans van

vergenoegen zich over haar gelaat verspreidde. "O! hoe gelukkig zou

ik zijn, indien Ulrica mijn dochter wezen wil."

Noch Ulrica, noch haar minnaar gaven eenig antwoord; doch zij omhelsden

beiden de Gravin.

"_Gratulor_!" zeide Raesfelt, toetredende: "Ik wensch u van harte

geluk, mijn zoon. Gij ziet het: God heeft alles ten beste gekeerd,

en het is, zooals de Psalmist zegt in Psalm 128:

U doen zal wel beklijven

Spoedig met overvloet.

Ach! dat ik ook mijnen zoon, mijnen Henricum, alzoo wederom vond!"--En

zich eensklaps bedenkende, haalde hij zijn smeekschrift voor den dag

en bood het den Prins aan.

"Hendrik Raesfelt!" zeide de Prins, terwijl hij het vluchtig inzag:

"Van Kinschot, is dat die jongeling niet, die dezen nacht...."

"Dezelfde!" antwoordde de Fiskaal.

"Uw zoon is een verharde Arminiaan," zeide Maurits lachende tegen

Raesfelt.

"Een nagel aan mijn doodkist," antwoordde deze: "doch ik ben vader."

".... doch hij is vrij, en kan zich nederzetten waar hij wil," hernam

de Prins.

"En is het nu uit?" vroeg op een verdrietigen toon een der lieve

kleinen, toen zij mij hier het handschrift zag toevouwen en oprollen.

"En wat moest er nog komen, volgens uw gedachte?" vroeg ik op mijn

beurt.

"Wel zeer veel," hernam zij, mij met groote oogen aanziende, en op haar

vingers tellende: "vooreerst had ik gehoopt, dat wij de beschrijving

der bruiloft zouden gehad hebben."

"Gij begrijpt, zusje-lief, dat er in Den Haag geen bruiloft

gevierd werd. Het zou kwalijk gepast hebben, feesten te houden,

terwijl de gemanqueerde bruidegom, de Ambtman, terecht gesteld en

ter dood gebracht werd, gelijk men zulks in de gedrukte sententie

lezen kan.--Maar, "eer nog de takken van groen loof beroofd waren,"

vervolgde ik op een declameerenden toon, "was de hooge feestlantaren

op den slottoren te Bruck geheschen en brandde de pekton op het plein:

kannen met Rijnschen wijn werden ten beste gegeven aan de vroolijke

landjeugd, die in 't zondagspak uitgedost, den burcht in- en uitliep

en op het pleingras in de rondte danste. Een koets rolde de slotbrug

over: een jeugdig edelman trad er uit en bood de hand om af te stijgen

aan twee dames, waarvan de eene den middelbaren tijd des levens reeds

bereikt had en de andere van jeugd en schoonheid bloeide: op hetzelfde

oogenblik duidden de vreugdeschoten, uit vijftig musketten gelost,

de komst aan van den Graaf van Falckestein op zijn erfelijk slot."

"En trouwden zij toen?"

"Zij waren te Sonheuvel getrouwd geworden door den vromen Predikant

Raesfelt: en jaarlijks gingen zij in 't vervolg aldaar eenige maanden

doorbrengen bij den waardigen Baron, die alsdan geen drinkpartijen

meer noodig had om den tijd aangenaam door te brengen."

"En Bouke?...."

"Had het genoegen van aan de Kinderen van Ulrich en Ulrica dezelfde

kunsten te leeren, die hij eertijds aan Joan had medegedeeld, terwijl

de oude Geert dan gestadig uitriep, wat of Mevrouw zaliger wel gezegd

zou hebben, als zij dat alles beleefd had."

"Goed! en vader Ambrosius?"

"Deze volvoerde zijn plan en stierf, hoogbejaard, in Amerika, alwaar

hij als een tweede Las Casas de zegeningen van al wie hem gekend had

met zich in 't graf voerde."

"En Ludwig? en Magdalena?"

"De ongelukkige vadermoorder stierf in een krankzinnigenhuis: zijn

moeder begaf zich naar Frankrijk, trachtte er door de strengste

boetedoening, des Hemels gerechtigheid te verzoenen, en stierf in

reuk van heiligheid."

"En trouwde Hendrik Raesfelt met de dochter van den Cipier?"

"Ja, doch slechts na den dood van Prins Maurits, toen hij tot Predikant

bij de Remonstrantsche Sociëteit in een onzer voornaamste steden was

aangesteld. Nu weet gij, geloof ik, alles."

"Volstrekt niet," zeide een mijner broeders, met een schalkschen

lach: "gij hebt den Heer Van Botbergen uit een raam laten springen:

ligt hij daar nog met gebroken armen en beenen? of is hij naar het

gasthuis gebracht?"

"Gij oolijke gauwdief, gij hebt waarachtig gelijk:--het venster was

niet hoog en hij kwam op de beenen te land; hij vluchtte de stad

uit, begaf zich naar Tiel, verborg zich bij Klaas Meinertz, merkte

dat deze den aanslag verraden had en hem nu overleveren wilde, stak

den ouden booswicht overhoop, doch werd zelf gepakt, en evenals zijn

medestanders in den Haag gerecht."

"Wij bedanken u wel voor de voorlezing, lieve broeder!"

"Ik bedank u voor uw aandacht, en zoo ooit mijn lezers evenveel

belangstelling in mijn verhaal en toegevendheid voor den verhaler

betoonen, zal ik mijn arbeid dubbel beloond achten."

De Pleegzoon · 第 49 / 50 题