[1] "_Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering
aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in de
hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867_." Arnhem, D. A. _Thieme_,
1868, gr. 8o.
[2] Aftreden van het 1ste ministerie _Heemskerk_, Februari
1868. Mr. C. _Fock_ vormt een nieuw ministerie.
[3] Van Lennep doelt op zijne brochure: "_Het Podagra en het Manifest
van Burgerpligt_," Amsterdam, 1868.
[4] Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift
"_Nederland_" letterkundige artikelen onder den titel: "_Letterkundig
Intermezzo_."
[5] _Gids_, December, 1864. Later in het II deel, _Litterarische
Fantasien_, 1 Reeks.
[6] Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch
woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen heeft,
_coquardes_.
[7] Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben,
sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9.
[8] Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits.
[9] Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24.
[10] Als één man.
[11] Ik zal u den rechten weg leeren.
[12] Zeventigmaal zevenmaal.
[13] Mijne ure is nog niet gekomen.
[14] Zeventigmaal zevenmalen.
[15] In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.
[16] De mensch wikt en God beschikt.
[17] Zeventigmaal zevenmalen.
[18] _Confiteor_ beteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis
zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt.
[19] Ik heb gezondigd, vader.
[20] Zeventigmaal zevenmalen.
[21] Voorwaar, een fraaie vrouw!
[22] Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet
tot hem.
[23] Men moet zien of hij geld heeft.
[24] Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader.
[25] De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar
ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen.
[26] Opdat in den naam Jesu zich buige, enz.
[27] Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd?
[28] Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid
werkt.
[29] De dag der wrake.
[30] Deze rede is hard en wie kan die hooren?
[31] Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen.
[32] De wapenen moeten onderdoen voor de toga.
[33] Zegevierende verrukking.
[34] Oldenbarneveldt.
[35] De zeeman vertelt van de stormen, de bouwman van de stieren.
[36] Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was.
[37] Vrede zij met u.
[38] Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden
heeft.
[39] Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels.
[40] Zoo iemand niet haat.
[41] Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden.
[42] Alles is gereed.
[43] Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand.
[44] Wacht een weinig.
[45] Zijt gij dwaas?
[46] Verdeel en heersch.
[47] Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken
leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt, hebben
wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten.
[48] Niet allen kunnen wij alles.
[49] Vrede zij met u.
[50] De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis
geopend.
[51] Gij zult niet doodslaan.
[52] Cats.
[53] _Vondel_, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28.
[54] Deze dag moet met een witten steen geteekend worden!
[55] Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk
waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben.
[56] Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt?
[57] Die het einde wil, wil de middelen.
[58] Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is,
opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden.