Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?
Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?
Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?
ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikken
Wat kan ik, hoe 't ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?
_Bilderdyk_, Floris de Vijfde.
Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof
was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige straten en stegen
doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst
bezochte gedeelte der stad gelegen. Eene oude vrouw, welke al het
uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem,
na een soort van wachtwoord met hem gewisseld te hebben, in een
berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren,
plannen en landkaarten overdekte tafel, een manspersoon bij het
flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een
groote opene kist, zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de
tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen
en dus aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat
verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier,
ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere
dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers lagen op een stoel
twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en een
_vulgata_. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes,
een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap.
In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een
grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot rustbank
had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man,
die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de tooverroede miste,
om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld
voorhoofd, waarvan slechts eenige grauwende haren ongekamd afhingen,
kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder
de zware grijze wenkbrauwen waren twee gitzwarte oogen zoo diep in
de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken
worden bij fakkels, welke men aan het einde van een donker verwulf
ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met
diepe voren ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van
algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven,
zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De
dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers, het geschrift
varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een
der binnen haar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het
aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten; doch,
zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van
Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder zijner overdenkingen
was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding.
"Gij ziet mij reeds terug, Pater!" zeide Ludwig: "alles heeft een
spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!"
"Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld," zeide Eugenio, wien onze
lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds zullen
herkend hebben: "ik ben zeer over u voldaan."
"Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?"
"Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?"
"Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!" zeide Ludwig, zich op een stoel
werpende.
"Uw taal bevreemdt mij," zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende,
dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen: "doch
ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende
lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid ontnomen
heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?"--Dit zeggende,
plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte met een koel gelaat
het antwoord des jongelings af.
"Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?" riep Ludwig uit, weder
opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende:
"Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?"
"Hmm!" bromde de Jezuïet: "uw meester is de Koning van Spanje."
"De Koning van Spanje!" herhaalde Ludwig: "heeft de Koning van Spanje
mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen geschonken?"
"Gij zijt een gek," zeide Eugenio, "na al hetgeen gij verricht hebt,
zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel te bereiken,
waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk,
kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven, aan de deur des
heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen
terugkeeren! Gij zijt als een schipper, die, een rijke lading van
verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in
de haven overboord zoude werpen."
"Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht," zeide
Ludwig, met een diepen zucht: "dan zou het bloed van den jongen Graaf
van Falckestein niet op mijn hoofd wegen."
"Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben,"
bromde Eugenio.
"Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb,
mijn boezem niet drukken," vervolgde Ludwig, meer en meer ontsteld.
"Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd," merkte de Jezuïet, aan.
"Dan zou ik," vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden
van den Pater, "mij niet te verwijten hebben, op een lage wijze
het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand
valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem zelven met eigen
handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd."
"Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis
van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk voor
de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft."
Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den
Jezuïet. "Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren
nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere
bewegingen deed, dan die òf gij òf Magdalena mij toelieten te doen,
dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw."
"Die slavernij houdt voortaan op," zeide Eugenio: "eens ons doel
bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom
van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren
vergoeden."
"En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?" vroeg Ludwig.
"Ik heb u reeds gezegd," hernam Eugenio, "dat uw zonden u vergeven
zijn. Wat kan u dan nog kwellen?"
"Al genoeg," zeide de geheimschrijver, "al genoeg heb ik de
afschuwelijke drogredenen, welke uw Sociëteit kenmerken, aangewend,
om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog
hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans, nu het
misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug."
"Er is niets dwazer," zeide Eugenio, met de uiterste koelheid,
"dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is, kan
niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men
uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest wisschen,
dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig,
uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel mijn leven door
in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij,
Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken, alleen uw rust en welzijn;
in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van
uw kindsheid af zijt gij het voorwerp mijner trouwhartigste zorg en
genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat
ik u, in wien ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen,
tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel
beleid en trouw vervuld, ja, 't welk gij ten einde gebracht hebt. Na
gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik, wiens leven
aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt,
ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten genieten. De keuze waar, en
in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel
niet, of mijn invloed zal u den rang of de bediening doen verkrijgen,
welke gij verlangen zult."
Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen
jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in zijn oogen
hoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd
en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan de koude drogredenen
van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van
het misdrijf gebracht hadden. Ziende, dat de geheimschrijver zich
niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt
geweten door geen hoop op belooning meer tot rust zou kunnen gebracht
worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van
redeneering te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was
om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem in een
vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat
had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het Bestand met de week
eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in
één woord, dat het uur gekomen was, waarop men de vrucht van zoovele
moeite en opofferingen smaken zoude. "En zoudt gij," vervolgde hij,
"dwaas genoeg zijn, om, in één oogenblik, ter voldoening van eenige
belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen,
maar voor u zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van
den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden
werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen
hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen, maakte
hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet
het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers. Ziedaar
een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons
niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk gezag
is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen
de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn den dag na het
hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen
van den Advocaat slijpen den dolk, die Maurits' hart doorboren zal--en
waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich
in dit land uitdrukt, uw koetjes op 't droge, eer de overstrooming
hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden
zot naakt en berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij
geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop
gij bij deeling wettige aanspraak hadt."
De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos
verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking dan
die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een
vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans minder
door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de
straffen der hel, welke hij, in weerwil van 's Paters geruststellende
woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig
meer benauwd door de voorstellingen, die hem Eugenio deed, en welke
hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte
kwaad lieten zien. Zijn gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd;
zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug
te keeren, en, zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten
hebben, toen Eugenio hem, op den welbekenden strengen toon, aan welken
bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven.
Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk
der deur niet.
"Wat gaat gij doen?" vroeg Eugenio.
Ludwig zweeg.
"Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan
hem verklappen."
Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet.
"Hoe edel! hoe aandoenlijk!" zeide Eugenio, met een bitteren
glimlach: "gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid
en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich
zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft, gij zult
vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands
prijsgeven.--Voorwaar, een schitterende heldendaad, en welke uw
politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal."
Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen.
"En denkt gij," vervolgde Eugenio, "dat deze trage bekentenis u baten
zal?--Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?--Neen! neen! wij
zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk
een aandoenlijk familietafereel zal dat geven, als gij tusschen uw
moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie
reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt en u met gloeiende tangen het
vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen."
De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan,
die al zijn leden beven deed.
"Doch ik zie al," zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, "dat gij
wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd. Kom! wees
een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik
heb u lief," vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende, "anders ware
het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om
mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan. Was uw leven niet aan
het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u,
eer gij een stap verder deedt, buiten de mogelijkheid te stellen,
uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een
goede nachtrust zult gij geheel anders denken."
"Misschien," zeide Ludwig, oprijzende: "ik zal 't beproeven; doch
hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; 't is of ik
stikken zal."--Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis.
"Ik zal u laten gaan, Ludwig! op één voorwaarde. Beloof mij, dat
gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf
keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt:
doch beloof mij thans te gaan slapen."
"Ik beloof het u," hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het
vertrek op en neder liep: "nog meer, ik beloof u, dat wat er ook
geschiede, ik u niet betichten zal."
"Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd
van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teug wijns zal
u goeddoen"--Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem
tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met een kan wijns en twee
glazen terug.
Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine
omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden
gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden,
door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad verkocht, opnieuw
een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts
deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht zijn woord niet houden zoude,
en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden
zoude, had hij een slaapdrank onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank
redde de Nederlanden.
"Hier," zeide hij, terwijl hij inschonk: "drink Ludwig! _damus vinum
his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius_,
[58] gelijk de _vulgata_ zegt."
Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn
leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij het
glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en
schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was.
"Die wijn is vergiftigd!" riep hij, den Jezuïet met een vreeselijken
blik aanziende.
"Zoo! de wijn is bedorven," zeide Eugenio, en goot haastig het
glas ledig.
"Dat zal ik gaan onderzoeken," hernam Ludwig, en, de kan van de tafel
nemende, wilde hij vertrekken.
"Sta!" riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende:
"niet van uw plaats. Hoor mij eerst!"
Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen
bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel als de
beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven
deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in 't gezicht, dat
het bloed hem uit neus en mond sprong.
Bedwelmd van pijn tastte de Jezuïet naar zijn pistolen; doch Ludwig
voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het Eugenio tot
het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover:
hij poogde te spreken; doch alleen door een afschuwelijken lach kon
hij zijn zielsgevoelens uitdrukken.
Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag,
de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar het oude Hof.
"Wie daar?" vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten
het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan.
"Ik ben de Secretaris van Z. D.", gaf deze ten antwoord.
"Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo
dadelijk te spreken."
"Ha! welkom!" riep de jongeling: "ik ook, ik moet Zijn Hoogheid
spreken!--Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!"