TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?

Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?

Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?

ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikken

Wat kan ik, hoe 't ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?

_Bilderdyk_, Floris de Vijfde.

Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof

was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige straten en stegen

doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst

bezochte gedeelte der stad gelegen. Eene oude vrouw, welke al het

uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem,

na een soort van wachtwoord met hem gewisseld te hebben, in een

berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren,

plannen en landkaarten overdekte tafel, een manspersoon bij het

flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een

groote opene kist, zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de

tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen

en dus aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat

verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier,

ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere

dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers lagen op een stoel

twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en een

_vulgata_. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes,

een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap.

In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een

grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot rustbank

had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man,

die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de tooverroede miste,

om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld

voorhoofd, waarvan slechts eenige grauwende haren ongekamd afhingen,

kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder

de zware grijze wenkbrauwen waren twee gitzwarte oogen zoo diep in

de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken

worden bij fakkels, welke men aan het einde van een donker verwulf

ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met

diepe voren ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van

algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven,

zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De

dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers, het geschrift

varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een

der binnen haar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het

aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten; doch,

zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van

Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder zijner overdenkingen

was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding.

"Gij ziet mij reeds terug, Pater!" zeide Ludwig: "alles heeft een

spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!"

"Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld," zeide Eugenio, wien onze

lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds zullen

herkend hebben: "ik ben zeer over u voldaan."

"Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?"

"Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?"

"Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!" zeide Ludwig, zich op een stoel

werpende.

"Uw taal bevreemdt mij," zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende,

dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen: "doch

ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende

lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid ontnomen

heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?"--Dit zeggende,

plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte met een koel gelaat

het antwoord des jongelings af.

"Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?" riep Ludwig uit, weder

opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende:

"Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?"

"Hmm!" bromde de Jezuïet: "uw meester is de Koning van Spanje."

"De Koning van Spanje!" herhaalde Ludwig: "heeft de Koning van Spanje

mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen geschonken?"

"Gij zijt een gek," zeide Eugenio, "na al hetgeen gij verricht hebt,

zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel te bereiken,

waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk,

kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven, aan de deur des

heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen

terugkeeren! Gij zijt als een schipper, die, een rijke lading van

verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in

de haven overboord zoude werpen."

"Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht," zeide

Ludwig, met een diepen zucht: "dan zou het bloed van den jongen Graaf

van Falckestein niet op mijn hoofd wegen."

"Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben,"

bromde Eugenio.

"Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb,

mijn boezem niet drukken," vervolgde Ludwig, meer en meer ontsteld.

"Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd," merkte de Jezuïet, aan.

"Dan zou ik," vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden

van den Pater, "mij niet te verwijten hebben, op een lage wijze

het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand

valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem zelven met eigen

handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd."

"Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis

van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk voor

de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft."

Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den

Jezuïet. "Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren

nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere

bewegingen deed, dan die òf gij òf Magdalena mij toelieten te doen,

dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw."

"Die slavernij houdt voortaan op," zeide Eugenio: "eens ons doel

bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom

van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren

vergoeden."

"En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?" vroeg Ludwig.

"Ik heb u reeds gezegd," hernam Eugenio, "dat uw zonden u vergeven

zijn. Wat kan u dan nog kwellen?"

"Al genoeg," zeide de geheimschrijver, "al genoeg heb ik de

afschuwelijke drogredenen, welke uw Sociëteit kenmerken, aangewend,

om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog

hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans, nu het

misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug."

"Er is niets dwazer," zeide Eugenio, met de uiterste koelheid,

"dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is, kan

niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men

uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest wisschen,

dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig,

uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel mijn leven door

in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij,

Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken, alleen uw rust en welzijn;

in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van

uw kindsheid af zijt gij het voorwerp mijner trouwhartigste zorg en

genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat

ik u, in wien ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen,

tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel

beleid en trouw vervuld, ja, 't welk gij ten einde gebracht hebt. Na

gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik, wiens leven

aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt,

ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten genieten. De keuze waar, en

in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel

niet, of mijn invloed zal u den rang of de bediening doen verkrijgen,

welke gij verlangen zult."

Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen

jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in zijn oogen

hoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd

en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan de koude drogredenen

van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van

het misdrijf gebracht hadden. Ziende, dat de geheimschrijver zich

niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt

geweten door geen hoop op belooning meer tot rust zou kunnen gebracht

worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van

redeneering te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was

om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem in een

vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat

had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het Bestand met de week

eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in

één woord, dat het uur gekomen was, waarop men de vrucht van zoovele

moeite en opofferingen smaken zoude. "En zoudt gij," vervolgde hij,

"dwaas genoeg zijn, om, in één oogenblik, ter voldoening van eenige

belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen,

maar voor u zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van

den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden

werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen

hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen, maakte

hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet

het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers. Ziedaar

een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons

niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk gezag

is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen

de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn den dag na het

hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen

van den Advocaat slijpen den dolk, die Maurits' hart doorboren zal--en

waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich

in dit land uitdrukt, uw koetjes op 't droge, eer de overstrooming

hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden

zot naakt en berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij

geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop

gij bij deeling wettige aanspraak hadt."

De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos

verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking dan

die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een

vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans minder

door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de

straffen der hel, welke hij, in weerwil van 's Paters geruststellende

woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig

meer benauwd door de voorstellingen, die hem Eugenio deed, en welke

hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte

kwaad lieten zien. Zijn gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd;

zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug

te keeren, en, zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten

hebben, toen Eugenio hem, op den welbekenden strengen toon, aan welken

bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven.

Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk

der deur niet.

"Wat gaat gij doen?" vroeg Eugenio.

Ludwig zweeg.

"Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan

hem verklappen."

Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet.

"Hoe edel! hoe aandoenlijk!" zeide Eugenio, met een bitteren

glimlach: "gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid

en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich

zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft, gij zult

vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands

prijsgeven.--Voorwaar, een schitterende heldendaad, en welke uw

politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal."

Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen.

"En denkt gij," vervolgde Eugenio, "dat deze trage bekentenis u baten

zal?--Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?--Neen! neen! wij

zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk

een aandoenlijk familietafereel zal dat geven, als gij tusschen uw

moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie

reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt en u met gloeiende tangen het

vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen."

De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan,

die al zijn leden beven deed.

"Doch ik zie al," zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, "dat gij

wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd. Kom! wees

een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik

heb u lief," vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende, "anders ware

het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om

mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan. Was uw leven niet aan

het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u,

eer gij een stap verder deedt, buiten de mogelijkheid te stellen,

uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een

goede nachtrust zult gij geheel anders denken."

"Misschien," zeide Ludwig, oprijzende: "ik zal 't beproeven; doch

hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; 't is of ik

stikken zal."--Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis.

"Ik zal u laten gaan, Ludwig! op één voorwaarde. Beloof mij, dat

gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf

keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt:

doch beloof mij thans te gaan slapen."

"Ik beloof het u," hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het

vertrek op en neder liep: "nog meer, ik beloof u, dat wat er ook

geschiede, ik u niet betichten zal."

"Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd

van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teug wijns zal

u goeddoen"--Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem

tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met een kan wijns en twee

glazen terug.

Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine

omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden

gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden,

door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad verkocht, opnieuw

een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts

deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht zijn woord niet houden zoude,

en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden

zoude, had hij een slaapdrank onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank

redde de Nederlanden.

"Hier," zeide hij, terwijl hij inschonk: "drink Ludwig! _damus vinum

his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius_,

[58] gelijk de _vulgata_ zegt."

Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn

leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij het

glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en

schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was.

"Die wijn is vergiftigd!" riep hij, den Jezuïet met een vreeselijken

blik aanziende.

"Zoo! de wijn is bedorven," zeide Eugenio, en goot haastig het

glas ledig.

"Dat zal ik gaan onderzoeken," hernam Ludwig, en, de kan van de tafel

nemende, wilde hij vertrekken.

"Sta!" riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende:

"niet van uw plaats. Hoor mij eerst!"

Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen

bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel als de

beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven

deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in 't gezicht, dat

het bloed hem uit neus en mond sprong.

Bedwelmd van pijn tastte de Jezuïet naar zijn pistolen; doch Ludwig

voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het Eugenio tot

het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover:

hij poogde te spreken; doch alleen door een afschuwelijken lach kon

hij zijn zielsgevoelens uitdrukken.

Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag,

de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar het oude Hof.

"Wie daar?" vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten

het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan.

"Ik ben de Secretaris van Z. D.", gaf deze ten antwoord.

"Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo

dadelijk te spreken."

"Ha! welkom!" riep de jongeling: "ik ook, ik moet Zijn Hoogheid

spreken!--Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!"

De Pleegzoon · 第 48 / 50 题