DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De brief was toegezegelt

Met 's Konings eigen ringh, doch 't wapen is misluckt

In 't zeeglen, en de hant in 't schrijven wat gedruckt.

_Vondel_, Palamedes.

"O Van Kinschot!" riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal

aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel werpende:

"en hij, die mij verried, was mijn broeder."

De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger

en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer de geslagen

wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te

worden geheeld.

"Die ondankbare!" vervolgde Maurits: "en op welk een oogenblik

verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven! O

hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den

arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar was. O mijn

vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt

aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem een slang zou opvoeden,

die mij eenmaal naar de hartader steken moest."

"Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?" vroeg Van Kinschot,

met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende.

"Geene!--volstrekt geene!--zoo er nog één vonk gevoel in den verrader

is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;.... in

het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht

te redden."

"Doch zijn aanhangelingen?" hernam de Fiskaal: "doch die schandelijke

oproerprediker? moet die niet gevat worden?"

"Dat was uw zaak geweest," antwoordde Maurits: "zoo laag kan mijn

toorn nu niet dalen."

"Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de

vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het

ontkomen zijn."

"En morgen had geheel 's-Gravenhage geweten," viel de Prins driftig

in, "dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb, ten einde een

broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik

ben overtuigd, dat menigeen mij herkend heeft."

"Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel

te versmoren."

"En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?--Neen, Van

Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; daarom

wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid

der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroeg ik zelf den brenger

van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden

op de enkele bewijzen der aan hem gerichte brieven?"

"Misschien," zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, "had de

tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering eene

zeer billijke reden, die...."

"Paai mij niet met zulke praatjes," zeide Maurits, hem met drift

in de rede vallende; "zou hij zich dan openlijk aan die vergadering

vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De

Hemel gave, dat ik twijfelen mocht."

In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne

Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering beving den

Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te

laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich in een ander vertrek

te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te

beven, de komst des Graven af, terwijl hij in zichzelven mompelde:

"Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door."

Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte

en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, welke zoowel het

kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn

onschuld aan den dag te brengen, als van den overtuigden booswicht: en,

in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke

omstandigheid bevonden. De rechter, voor wien hij verschijnen moest,

was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en

vertrouwen betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap,

welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte 's

Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te

vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw in de

oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende

hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, door de

omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij

als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige tegen hem gesmede

aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit

de mededeeling van de inzichten en voornemens, die Frederik Hendrik

aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit

edele en onbelangzuchtige beginselen handelende, niet vrij was,

van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds

tegen het uitgedrukt verlangen zijns broeders; en thans zag hij

duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel,

gevoegd bij zijn tegenwoordigheid op de nachtelijke bijeenkomst,

de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen,

en hoe bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, een verontschuldiging hem

zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid

zijns broeders rekenen! doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet

zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht,

het eerste scheen hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden.

Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderd was,

bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn

broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan en zag voor zich naar

den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt,

aan welke de uitspraak van zijn lot verbleven is.--Maurits liet hem

eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat

de Graaf het eerst zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef

doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden

zou; hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag

dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, vroeg

hij met een flauwe en toch ernstige stem: "welnu! wat wilt ge?"

De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven

sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin de

stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden

broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte hij het naar den

grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke

de onrust zijner ziel aanduidde: "gij hebt mij bescheiden, Maurits!"

"En is dat de reden uwer komst?" vroeg Maurits, met hevigheid

losberstende: "en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan niet

gekomen zijn?--Dan heb ik u niet noodig."

"Maurits!" zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de

beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: "zoo moeten

wij niet tot elkander spreken."

"Terug!" zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: "geen stap

verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord te

kunnen begaan."

"Almachtige God!" riep Frederik Hendrik met ijzing uit: "wie kon u

zulke denkbeelden van mij inboezemen?"

"Wie?--uw gedrag:--hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den

huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, zijn

vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland

verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, is even goed tot

een broedermoord in staat."

"Maurits!" zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de

verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende

betichtingen de overhand nam boven droefheid en angst: "durft gij

uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?"

"Ik verdenk u niet meer," antwoordde de Prins met een verachtenden

glimlach: "dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid bestaat,

houden de vermoedens op."

"Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?" vroeg Frederik Hendrik;

"gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die gij den

laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?--Is dat de rechtvaardigheid,

waarop Maurits roem durft dragen?"

"Ik luister," zeide Maurits: "wat hebt gij tot uw verschooning in

te brengen?"

"Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde," antwoordde zijn

broeder met de fierheid van een rein geweten.

"Ellendige!" riep Maurits, vol gramschap opspringende;--doch spoedig

de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een

zachteren, ofschoon bitteren toon: "doch gij hebt gelijk; men moet u

niet van den aard uwer schuld onbewust laten.--Dan, waarmede zullen

wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele in getal."--Hier zweeg hij,

bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns

broeders grijpen kon.

"Ik ben gereed alles op te helderen," zeide Frederik Hendrik.

"Hebt gij," vroeg eensklaps zijn broeder, "de vrouw van Bysterus niet

met geld ondersteund?"

"En sedert wanneer," vroeg de Graaf op zijn beurt, "kan een aalmoes

iemand tot misdrijf worden aangerekend?"

"Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht," zeide

de Prins: "gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen van haar

sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad

en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in mijn handen. Had

uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten

u deswege een verwijt te doen hooren: alleen zou ik u in dit geval

tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of

liever die giften en raadgevingen zijn uitgedeeld, maken uw gedrag

strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te

verwekken en oproer aan te hitsen uw eenige bedoeling was."

"God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken," zeide de Graaf,

terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn hart legde.

"En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een

rein oogmerk bestuurd?" vervolgde Maurits, zich op de lippen van

gramschap bijtende.

"Mijn tegenwoordigheid aldaar," hernam zijn broeder, "was een dwaasheid

en niet meer.--Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke vergaderingen

nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot

muiterij aan de broederschap gegeven werden: en ik wilde mij met eigen

ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of

ik inderdaad mijn weldaden aan onwaardigen verspild had."

"Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de

vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... Uit

loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef

liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!"

"Zoo Uwe Hoogheid," hernam Frederik Hendrik met waardigheid,

"vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen,

dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te

doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe Hoogheid

nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen,

onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij onbevoegd is mij als

_zoodanig_ te verhooren, geen verder antwoord behoef te geven."

"Frits!" zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: "de

Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld helder

aan het licht te hebben gebracht;--doch antwoord mij, in den naam

des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen,

wat deedt gij in dat Arminianenhol?"

"Ik heb u de waarheid gezegd," antwoordde zijn broeder, "de zuivere,

onvervalschte waarheid."

"Frits! Frits!" hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende,

en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns harten

getuigden: "hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus

behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak aan 't hoofd van

een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik

u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht nemen zie. Heb ik niet

alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan

om de woorden van een dier schelmen te bevestigen, en aan te toonen,

dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?"

"Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn

bedoelingen uit den waan te brengen," antwoordde de Graaf.

"Waarachtig," zeide Maurits met bitterheid: "ik heb u niet laten

uitspreken; 't is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons

gehoord."

"Met uw verlof," zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht

der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder te doen

terugkaatsen: "waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als

ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?"

Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon,

terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, naderende, met

de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch

zijn vraag had een geheel andere uitwerking dan die, waarmede hij zich

gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen

strik wilde spreiden om hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn

eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals

een lijder, wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond,

onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten,

in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn

handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan het rauw geluid

des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt.

"Ha, slang!" brulde hij: "is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af

te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben daar ook gekomen:

ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er

oproer gepredikt werd, en dat mijn.... broeder er mede deel in had."

"Gij kwaamt dus om mij te bespieden?" vroeg Frederik Hendrik, bedaard

achteruittredende: "een ware trek van broederliefde!"

"Beleedigt ge mij nog, verrader!" grauwde Maurits, wiens gramschap nu

den hoogsten top bereikt had, hem toe: "sidder voor mijn toorn!" Met

het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest

van zijn degen, terwijl hij de linkervuist ophief en er zijn broeder

mede dreigde.

"Maurits!" zeide deze, innig geroerd: "keer tot u zelven."

De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds

bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits gezeten had,

hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den

stichter der Nederlandsche vrijheid. De Prins was op het laatst zijns

levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij

zich zoo dikwijls aan het hoofd zijner wakkere scharen vertoond had,

maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds

bij zijn beminde gade en in 't midden zijner waardste panden gezeten

was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte

des harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid

getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te lezen

was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans

temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige opwelling

der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel

zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, en hij waande,

in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den

mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt waren, een stil verwijt te

lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en

hem op een hartroerende wijze over een drift te berispen, die hem

de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien

hij zoo plechtig beloofd had, een getrouw en standvastig vriend en

beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleen

De Pleegzoon · 第 45 / 50 题