De brief was toegezegelt
Met 's Konings eigen ringh, doch 't wapen is misluckt
In 't zeeglen, en de hant in 't schrijven wat gedruckt.
_Vondel_, Palamedes.
"O Van Kinschot!" riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal
aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel werpende:
"en hij, die mij verried, was mijn broeder."
De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger
en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer de geslagen
wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te
worden geheeld.
"Die ondankbare!" vervolgde Maurits: "en op welk een oogenblik
verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven! O
hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den
arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar was. O mijn
vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt
aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem een slang zou opvoeden,
die mij eenmaal naar de hartader steken moest."
"Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?" vroeg Van Kinschot,
met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende.
"Geene!--volstrekt geene!--zoo er nog één vonk gevoel in den verrader
is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;.... in
het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht
te redden."
"Doch zijn aanhangelingen?" hernam de Fiskaal: "doch die schandelijke
oproerprediker? moet die niet gevat worden?"
"Dat was uw zaak geweest," antwoordde Maurits: "zoo laag kan mijn
toorn nu niet dalen."
"Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de
vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het
ontkomen zijn."
"En morgen had geheel 's-Gravenhage geweten," viel de Prins driftig
in, "dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb, ten einde een
broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik
ben overtuigd, dat menigeen mij herkend heeft."
"Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel
te versmoren."
"En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?--Neen, Van
Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; daarom
wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid
der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroeg ik zelf den brenger
van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden
op de enkele bewijzen der aan hem gerichte brieven?"
"Misschien," zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, "had de
tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering eene
zeer billijke reden, die...."
"Paai mij niet met zulke praatjes," zeide Maurits, hem met drift
in de rede vallende; "zou hij zich dan openlijk aan die vergadering
vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De
Hemel gave, dat ik twijfelen mocht."
In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne
Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering beving den
Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te
laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich in een ander vertrek
te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te
beven, de komst des Graven af, terwijl hij in zichzelven mompelde:
"Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door."
Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte
en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, welke zoowel het
kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn
onschuld aan den dag te brengen, als van den overtuigden booswicht: en,
in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke
omstandigheid bevonden. De rechter, voor wien hij verschijnen moest,
was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en
vertrouwen betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap,
welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte 's
Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te
vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw in de
oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende
hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, door de
omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij
als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige tegen hem gesmede
aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit
de mededeeling van de inzichten en voornemens, die Frederik Hendrik
aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit
edele en onbelangzuchtige beginselen handelende, niet vrij was,
van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds
tegen het uitgedrukt verlangen zijns broeders; en thans zag hij
duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel,
gevoegd bij zijn tegenwoordigheid op de nachtelijke bijeenkomst,
de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen,
en hoe bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, een verontschuldiging hem
zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid
zijns broeders rekenen! doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet
zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht,
het eerste scheen hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden.
Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderd was,
bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn
broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan en zag voor zich naar
den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt,
aan welke de uitspraak van zijn lot verbleven is.--Maurits liet hem
eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat
de Graaf het eerst zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef
doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden
zou; hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag
dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, vroeg
hij met een flauwe en toch ernstige stem: "welnu! wat wilt ge?"
De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven
sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin de
stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden
broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte hij het naar den
grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke
de onrust zijner ziel aanduidde: "gij hebt mij bescheiden, Maurits!"
"En is dat de reden uwer komst?" vroeg Maurits, met hevigheid
losberstende: "en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan niet
gekomen zijn?--Dan heb ik u niet noodig."
"Maurits!" zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de
beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: "zoo moeten
wij niet tot elkander spreken."
"Terug!" zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: "geen stap
verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord te
kunnen begaan."
"Almachtige God!" riep Frederik Hendrik met ijzing uit: "wie kon u
zulke denkbeelden van mij inboezemen?"
"Wie?--uw gedrag:--hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den
huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, zijn
vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland
verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, is even goed tot
een broedermoord in staat."
"Maurits!" zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de
verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende
betichtingen de overhand nam boven droefheid en angst: "durft gij
uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?"
"Ik verdenk u niet meer," antwoordde de Prins met een verachtenden
glimlach: "dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid bestaat,
houden de vermoedens op."
"Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?" vroeg Frederik Hendrik;
"gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die gij den
laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?--Is dat de rechtvaardigheid,
waarop Maurits roem durft dragen?"
"Ik luister," zeide Maurits: "wat hebt gij tot uw verschooning in
te brengen?"
"Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde," antwoordde zijn
broeder met de fierheid van een rein geweten.
"Ellendige!" riep Maurits, vol gramschap opspringende;--doch spoedig
de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een
zachteren, ofschoon bitteren toon: "doch gij hebt gelijk; men moet u
niet van den aard uwer schuld onbewust laten.--Dan, waarmede zullen
wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele in getal."--Hier zweeg hij,
bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns
broeders grijpen kon.
"Ik ben gereed alles op te helderen," zeide Frederik Hendrik.
"Hebt gij," vroeg eensklaps zijn broeder, "de vrouw van Bysterus niet
met geld ondersteund?"
"En sedert wanneer," vroeg de Graaf op zijn beurt, "kan een aalmoes
iemand tot misdrijf worden aangerekend?"
"Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht," zeide
de Prins: "gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen van haar
sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad
en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in mijn handen. Had
uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten
u deswege een verwijt te doen hooren: alleen zou ik u in dit geval
tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of
liever die giften en raadgevingen zijn uitgedeeld, maken uw gedrag
strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te
verwekken en oproer aan te hitsen uw eenige bedoeling was."
"God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken," zeide de Graaf,
terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn hart legde.
"En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een
rein oogmerk bestuurd?" vervolgde Maurits, zich op de lippen van
gramschap bijtende.
"Mijn tegenwoordigheid aldaar," hernam zijn broeder, "was een dwaasheid
en niet meer.--Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke vergaderingen
nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot
muiterij aan de broederschap gegeven werden: en ik wilde mij met eigen
ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of
ik inderdaad mijn weldaden aan onwaardigen verspild had."
"Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de
vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... Uit
loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef
liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!"
"Zoo Uwe Hoogheid," hernam Frederik Hendrik met waardigheid,
"vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen,
dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te
doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe Hoogheid
nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen,
onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij onbevoegd is mij als
_zoodanig_ te verhooren, geen verder antwoord behoef te geven."
"Frits!" zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: "de
Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld helder
aan het licht te hebben gebracht;--doch antwoord mij, in den naam
des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen,
wat deedt gij in dat Arminianenhol?"
"Ik heb u de waarheid gezegd," antwoordde zijn broeder, "de zuivere,
onvervalschte waarheid."
"Frits! Frits!" hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende,
en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns harten
getuigden: "hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus
behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak aan 't hoofd van
een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik
u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht nemen zie. Heb ik niet
alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan
om de woorden van een dier schelmen te bevestigen, en aan te toonen,
dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?"
"Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn
bedoelingen uit den waan te brengen," antwoordde de Graaf.
"Waarachtig," zeide Maurits met bitterheid: "ik heb u niet laten
uitspreken; 't is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons
gehoord."
"Met uw verlof," zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht
der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder te doen
terugkaatsen: "waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als
ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?"
Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon,
terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, naderende, met
de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch
zijn vraag had een geheel andere uitwerking dan die, waarmede hij zich
gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen
strik wilde spreiden om hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn
eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals
een lijder, wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond,
onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten,
in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn
handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan het rauw geluid
des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt.
"Ha, slang!" brulde hij: "is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af
te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben daar ook gekomen:
ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er
oproer gepredikt werd, en dat mijn.... broeder er mede deel in had."
"Gij kwaamt dus om mij te bespieden?" vroeg Frederik Hendrik, bedaard
achteruittredende: "een ware trek van broederliefde!"
"Beleedigt ge mij nog, verrader!" grauwde Maurits, wiens gramschap nu
den hoogsten top bereikt had, hem toe: "sidder voor mijn toorn!" Met
het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest
van zijn degen, terwijl hij de linkervuist ophief en er zijn broeder
mede dreigde.
"Maurits!" zeide deze, innig geroerd: "keer tot u zelven."
De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds
bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits gezeten had,
hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den
stichter der Nederlandsche vrijheid. De Prins was op het laatst zijns
levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij
zich zoo dikwijls aan het hoofd zijner wakkere scharen vertoond had,
maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds
bij zijn beminde gade en in 't midden zijner waardste panden gezeten
was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte
des harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid
getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te lezen
was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans
temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige opwelling
der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel
zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, en hij waande,
in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den
mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt waren, een stil verwijt te
lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en
hem op een hartroerende wijze over een drift te berispen, die hem
de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien
hij zoo plechtig beloofd had, een getrouw en standvastig vriend en
beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleen