ten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig
tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich op 't zelfde
oogenblik een nog grievender verwijt dan 't geen uit 's vaders oogen
sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte het hoofd als een edele
windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte
zijn degen en liet dien met bandelier en al op den grond vallen,
waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen
verborg. Zijn broeder, door dien onverwachten omkeer niet min bewogen
dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en
trachtte door vleiende woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid
en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid
te brengen,
Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de
overtuiging van 's Graven verraderij verloren. Zoodra zijn droefheid
over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn
denkbeelden weder tot het punt, waarvan zij waren uitgegaan, de
ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met
de rechterhand een afwijzende beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat
zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De
schouders zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats.
"Gij misduidt mij," zeide Maurits, "zoo gij denkt, dat mijn ontroering
aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik op mijzelven
toornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik
een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter toekomt."
"Ongelukkige!" hernam de Graaf: "ik beklaag u, zoo gij er berouw
over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur en
menschelijkheid te hebben geluisterd."
"Frits!" riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken
stroomden; "denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten,
mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb,
als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs te geven? Bloed
zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:--hoor, Frits! weet
gij wat het is, rechtvaardig te _moeten_ wezen? hebt gij, als ik,
u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang,
ja, het geheele welzijn van dit arme volk het vorderen, een ouden
Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in 't graf stond, een
man, die oneindige diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had,
en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, te _moeten_
overgeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een
wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid te
hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?--Ik heb het vonnis
van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig was: ik heb het
bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik
zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had ik hem liefgehad. Nu
weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van
ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet altijd billijk nageslacht,
op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na
zal praten, en, zich vermetel als rechter mijner daden opwerpende, in
mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht
zien zal. Ik weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend
het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn
roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen
het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd. Thans,
oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar
zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat geweest is. Overweeg
nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of
ik gronden heb om mij diep ongelukkig te noemen! Want, zoo ik toen
rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden
zijn nu het mijn broeder gelden moet."
Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had
uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk
gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht.
"Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt," zeide Frederik Hendrik, na
eenige oogenblikken zwijgens: "en daarom verwondert het mij, dat gij,
alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt,
en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige bijwoning van een
Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht."
Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens
met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenste kuilen
zijns harten doorschouwen wilde. "Frits!" zeide hij ten laatste:
"gij zijt òf de miskende onnoozelheid in persoon, òf de grootste
huichelaar die ooit bestaan heeft:--hebt gij u dan niets anders te
verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd niets?"
"Tegen u en den Staat?--Hoegenaamd niets."
"Niets?" herhaalde Maurits: "welaan, wij zullen zien:--Heer
Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen." Dit zeggende, stond
hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op
het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig in de
deur staan.
"Heer Fiskaal!" vervolgde de Prins: "haal mij eens al die processale
stukken hier.--Gij weet immers wat ik bedoel?"
Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid
liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken van ongedurigheid
de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en
gesloten oogen, in een biddende houding staan bleef.
"Ja!" zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo 't scheen
voleindigd had, "gij zoudt ook wel, geloof ik, als _vetter_ Lodewijk,
een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart;
doch dat is niet genoeg," vervolgde hij, zich op het hart slaande:
"men moet Scherpenheuvel hier hebben."
Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze,
zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij zich en verliet
de zaal.
"Nu, Frits!" zeide Maurits: "neem plaats: wij zullen dit pakket eens
gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den besten en
lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen."
De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing,
stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert, en de
Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de
Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot, die zijn
huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens,
evenals Uyttenbogaert, 's Graven raad vroeg over de aanbiedingen,
vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag
Frederik Hendrik den Prins met vragende oogen aan.
"Lees verder, Frits! lees verder!" zeide Maurits, hem een derden
brief voorleggende.
Frederik Hendrik opende dien;--doch nauwelijks had hij eenige regelen
gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging
kleurde zijn voorhoofd.
"Aha! de brief van Grobbendonck!" zeide Maurits! over zijns broeders
schouder heen ziende: "welnu! wat zegt gij?"
Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive
des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat deze, ingevolge
zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die
hij noemde en welke hij deed voorkomen, als aan Spanje verkocht) in
de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer,
die aan den vijand mochten overleveren: verder vernam hij, of de
Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen
opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van de toegenegenheid van den
Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken
gelukkig tot stand gebracht was, het Stadhouderschap zou opdragen,
benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten.
"Ik zeg," antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat
die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat de vijand zoo
iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk
beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat mijn broeder aan zulk bedrog
geloof hecht, bevreemdt mij:--let eens op, dat in dit geschrift juist
uw getrouwste legerhoofden genoemd worden."
"Denkt gij," zeide Maurits, hem scherp aanziende, "denkt gij waarlijk,
dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?--Doch lees verder."
De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten
onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck,
en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden.
"Ik wilde maar," zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al
het _aan_ mij geschrevene, iets _door_ mij geschreven kon voor den dag
brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen."
"Het grieft mij," hernam de Prins, "dat ik aan uw onvoorzichtigen
wensch voldoen kan." Dit zeggende, reikte hij den Graaf een anderen
brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den
Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld was. Hij was in
cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met
zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan den Kanselier Pekkius gericht.
"Ik weet niet wat die teekens beduiden," zeide de Graaf: "doch dit
weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag aan dit
prulschrift geen kennis."
"Fijn uitgedacht!" zeide Maurits: "het ééne is niet door
Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij
zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet
veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd geven,
om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere
verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat mijn argwaan
niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en
gewenscht hadt."
"Ik zie," zeide Frederik Hendrik, "dat ik het slachtoffer ben van
een verfoeilijk bedrog."
"'t Is wel," hernam de Prins: "wij zullen dit nader onderzoeken,
Van Kinschot! kom binnen!"
De Fiskaal verscheen.
"Zijn de wachten aan het Hof afgelost?"
"Dat kan niet lang meer duren," antwoordde Van Kinschot: "het is
reeds klaar dag."
"Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt. Zeg
aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te
bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen
worden.--Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder
zijn:--uw kerker, de naaste kamer."
Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen.
"Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?" vervolgde
Maurits, zich tot Van Kinschot wendende.
"Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver," zeide de Graaf:
"en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met het bericht dat ik
hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen
zou komen."
"Dan is die zwarigheid opgelost," vervolgde de Prins: "Heer
Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren, die
den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme,
welke tegen den Graaf is ingebracht."
"Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken,"
antwoordde de Fiskaal: "doch...."
"Welnu?"
Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op
Frederik Hendrik.
"Als Uwe Doorl. gereed is," zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde,
terwijl hij de deur van het zijvertrek opende.
"Broeder!" zeide de Graaf: "rust wel, en God opene uw oogen voor de
kracht der waarheid."--Met deze woorden begaf hij zich in de kamer,
welke Maurits wederom sloot.
"Wat wildet gij zeggen," vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij
alleen waren.
"Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren
zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan zijn kerker
ontsnapt is."
"Ontsnapt!.... niet mogelijk."
"Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht,
evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid mij
vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik
dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord en weder
_geïncarcereerd_ worden."
"Laat hen naar den duivel loopen," zeide Maurits: "die Joan, of hoe
hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die mij bijna
doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de
andere.... dat was immers de jongeling die Groenhof tegensprak?"
"Dezelfde, Uwe Hoogheid!"
"Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hem _zoeken_,
zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de
Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te worden."
"Zal ik deze papieren met mij nemen?" vroeg de Fiskaal, ze willende
opnemen.
"Een oogenblik," zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den
brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: "hadden wij,"
vervolgde hij, "slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen
spellen." Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een geruimen tijd,
zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die
hem niet storen dorst, zwijgend achter hem stond en moeite had zijn
ongeduld te verbergen.
"Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?" vroeg eindelijk
de Prins.
"Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid
te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren kunnen meester
maken, en...."
"Hoe!" riep Maurits, opstuivende: "gij zoudt uw rakkers de handen
laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op een bloot
vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst
van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage niet! dat past alleen
aan mij."
Van Kinschot haalde de schouders op: "_qui vult finem, vult media_,"
[57] zeide hij: "dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd
herinneren."
"Iets anders!" zeide Maurits!--"wacht! daar schiet mij wat te
binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?"
"Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid
zulks verkozen had."
"Laat hem hier komen!"
"Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag
ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding baren,
en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig."
"Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed," zeide
Maurits wrevelig.
De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok.