Het zal den Vorst believen,
Te vorschen naer 't geheim.
_Vondel_, Palamedes.
Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten
Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder eenig bezoek,
in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke
verlossing aan moest brengen, toen de knecht des cipiers hun gevangenis
binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden
was, die hem verlangde te spreken. Deze boodschap verwonderde den
beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende,
was reeds voor een geruimen tijd verstreken; dit belette echter niet,
dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht,
en hem met een vreemdeling alleen liet.
Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts
even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan in 't eerst den man
niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat
met het eene been over 't andere en de armen gekruist: te meer daar
een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een
groote mantel de leden bedekte. Eenige oogenblikken gingen voorbij,
waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in
't aangezicht bleef zien.
"Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?" vroeg deze eindelijk,
eenigszins geraakt: "of heeft hier een misverstand plaats?"
"Geen misverstand, volstrekt geen," antwoordde de ander: "gij schijnt
mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander toch vroeger
gezien."
"'t Is waar," zeide Joan "uw stem is mij niet onbekend: doch het is
hier zoo verbaasd duister, dat...."
"Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander
voor vier weken te Tiel ontmoet."
"Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik
mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?"
"Even alsof ik u gisteren niet op 't Binnenhof gezien had?.... Gij
hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat er een ander
voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat
is billijk,--doch ik zag en herkende u terstond: en om te weten,
dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar."
"En UEd. komt mij bezoeken!--Dat is recht hupsch van u."
"Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet
u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om u uit dezen
kerker te redden."
"Waarlijk!" zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende:
"geloof, dat mijn dankbaarheid...."
"Dankbaarheid!" herhaalde de kapitein: "ja, reken op dankbaarheid:
dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer betalingen
ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is
de schil van den citroen, welke men u toewerpt, nadat men het sap
heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!"--Hier
begon Holtvast op een gemaakte wijze te lachen en scheen toen opeens
in mijmeringen verdiept.
"Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben," zeide Joan,
met een eenigzins beschroomde stem.
"Wat zegt gij, knaap?" vroeg Holtvast met een bulderende stem,
terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg: "wie zou
dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen
geschonken hebben?"
Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan.
"Doch dit alles komt hier niet te pas," zeide deze, wederom gaande
zitten: "ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!" vervolgde
hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde "weet gij wel,
dat het schavot voor u opgericht wordt?"
Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke
mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook onze held
voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger
dier slechte tijding met strakke oogen aan.
"Morgen uw laatste verhoor, man!--en dan uw vonnis: de galg kunt gij
niet ontgaan," vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid.
"Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig
te werk zou gaan?"
"Spoedig!--Ja! misschien nog te langzaam," zeide Holtvast, weder
in zich zelven sprekende: "Onbarmhartig!--maar wat is grooter
barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?"
"Indien deze laatste woorden mij gelden," riep Joan uit, "dan zouden
zij u duur te staan kunnen komen." Bij het uiten dezer woorden sloeg
hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen
verwachtte. "Ach!" zeide hij: "'t is waar: er is geen degen meer; doch
des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen."
"Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging," zeide Holtvast
met koelheid: "ik sprak met mij zelven.... ik bevind mij dikwijls in
de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het
is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk overmorgen wordt gij gehangen."
"Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld...."
"Dat doet niets ter zake, vriend!" zeide Holtvast: "ha! ha! als men
alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet, of gij schuldig
of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet."
"Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?"
"Hoor!" zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: "het is
juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste gelegd wordt,
dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door
wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck samenspannen."
"Wel mogelijk," antwoordde Joan, met koelheid: "doch buiten mijn
weten."
"Wat!" riep de kapitein, opvliegende: "wel mogelijk? houdt gij het
voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik...."
"Waarom niet?" vroeg Joan: "de rechters, die mij ondervroegen,
schenen het wel voor mogelijk te houden."
"Om 't even," zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen
had: "doch het kan u niet onbewust zijn," vervolgde hij, fluisterende,
"dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan 't hoofd der
zaken te stellen."
"'t Is voor 't eerst dat ik er van hoor," antwoordde Joan.
"Gij behoeft met mij niet te veinzen," hernam de kapitein: "ik weet
alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt om met den
Graaf te onderhandelen:--Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag,
dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet."
"En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?" vroeg Joan, die hem
wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende
zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen.
"Of ik gek was?--Ik ben zelf ook in 't geheim, zeide ik u immers. Volg
gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u hier uit, eer
het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck
de laatste brieven des Graven wel ontvangen?"
"Ik herhaal u, ik weet van Graaf, van Grobbendonck, noch van
brieven. Ik heb een pakket vanwege de Remonstrantsche Heeren
medegebracht, zonder te weten wat er inzat: ziedaar mijn heele
misdaad."
"Gij houdt dus den Graaf voor onschuldig?" vroeg Holtvast, met
overhaasting.
"Ik hou mijzelf voor bedrogen en vel verder geen oordeel over iemand."
"Gij wilt dus mijn bijstand niet aannemen om deze droevige gevangenis
en een wissen dood te ontgaan."
"Ik heb nog niet gehoord, op welke voorwaarden mij uw bijstand
verleend wordt."
"Vooreerst, dat gij onbewimpeld met mij spreken zult en niet langer
een onbekendheid met de zaken voorwenden, welke u niets baten kan;
ten tweede, dat gij deel neemt in den aanslag.... welken gij kent."
"Zoo gij volhoudt, niet dan in raadselen te willen spreken, zal het
beter zijn, dat wij ons gesprek eindigen," zeide Joan, zich omwendende.
"Welnu dan! Ik meen den aanslag.... Begrijpt gij mij nu?" vroeg
Holtvast, met de hand de gebaarde makende van iemand die een dolksteek
toebrengt.
"Wat! een aanslag om Prins Maurits te vermoorden?" vroeg Joan,
verontwaardigd.
"En waarom niet?" vroeg Holtvast: "men heeft zijn vader wel vermoord."
"En gij, een kapitein bij de Garde! Schurk! dit zult gij boeten! Hier
stokbewaarder! dienaars hier! deze wil den Prins vermoorden!--Onder het
uiten dezer woorden was Joan den kapitein aangevlogen en had hem in
de borst gegrepen; doch Holtvast slingerde hem op een onzachte wijze
van zich en wierp hem in den armstoel. Op hetzelfde oogenblik trad de
stokbewaarder binnen op het geroep, en eer Joan weder opgestaan was,
was de kapitein verdwenen.
"Zacht wat!" zeide de cipier; "wat wil dat gedruisch?"
"Die schurk wilde den Prins vermoorden," herhaalde Joan.
"Kom! zotteklap!" hernam de cipier: "ga maar weder naar uw kooi en
slaap uw roes uit, opdat gij morgen verstandig moogt antwoorden,
wanneer gij verhoord wordt."
"Maar ik verzeker u, dat die guit...."
"Volgt gij gewillig? of moet ik u laten voortslepen en de boeien
aanzetten?" vroeg de cipier, altijd even koel.
"Ik ga al," zeide Joan, oordeelende dat de stokbewaarder aan zijn
aanklacht toch geen geloof zou slaan.
Hendrik hoorde met verwondering naar het verhaal, hetwelk zijn vriend
hem, na zijn terugkomst in de gevangenis, van het zonderlinge gesprek
met den vreemdeling deed. De meest waarschijnlijke veronderstelling
kwam den proponent voor, deze te zijn, dat die kapitein een spion
was van den Fiskaal, die hem kwam uithooren.
"Dat dacht ik ook een oogenblik," zeide Joan: "doch te Tiel was hij
stellig een kapitein en geen spion.... Het spijt mij, dat ik mij zoo
in 's mans gelaatstrekken en ronde taal vergist heb. Te Tiel beviel
hij mij zoo uitnemend wel, niettegenstaande wij zwaren twist hadden."
"En hier, waar hij u bijstand kwam aanbieden, beviel hij u niemendal,"
merkte Hendrik aan.
"Gij hebt gelijk," zeide Joan: "maar met dit al zijn de tijdingen, die
hij mij bracht, niet onbelangrijk: en ik begin waarlijk te gelooven,
dat ik wijselijk zal doen, door mij, zoo er eenige mogelijkheid toe
bestaat, aan het gevaar te onttrekken, dat mij boven 't hoofd hangt."
Raesfelt, die niets liever verlangde, dan Joan tot metgezel in zijn
vlucht te hebben, wendde al zijn welsprekendheid aan om hem in dit
voornemen te versterken.
"Maar!" zeide Joan eindelijk: "alles is goed en wel: doch is het
gezegd, dat uw Dulcinea, die zeer geneigd is om u te verlossen,
evenzeer er op gesteld zal wezen, om mij aan mijn kerker te laten
ontsnappen?"
"Ach!" zeide Hendrik, "zou zij weigeren, u, die zoo geheel onschuldig
lijdt, te helpen?"
"Zal zij aan mijn gezicht zien, dat ik onschuldig ben?" vroeg Joan:
"en daarenboven, wat gaat haar mijn schuld of onschuld aan?"
"'t Is waar," zeide Hendrik: "doch geen zorgen voor den tijd! laat
ons alles aan Gods bestuur overlaten."
"Recht zoo!" hernam Joan: "en, ofschoon een Arminiaan," voegde hij er
glimlachend bij: "zult gij toch moeten toestemmen, dat wij ontkomen
zullen, indien het in Gods raad besloten is, dat wij ontkomen moeten."
"Ik heb tegen dat argument niets in te brengen," antwoordde Hendrik:
"wij zullen intusschen Zijn hulp en zegen bij onze onderneming
afsmeeken."
Dit geschiedde en de beide vrienden wachtten nu getroost en gelaten
het uur der redding af.
De klok van den grooten kerktoren had reeds twaalf slagen van zich
gegeven: een doodsche stilte heerschte door heel het gesticht; en nog
hadden de beide vrienden geen gerucht gehoord, dat hun een schijn van
redding aankondigde. Verscheidene minuten verliepen er: nog liet zich
niets hooren: een kwartier: alles was stil als in het graf.
"Er is zeker iets in den weg gekomen," zeide Hendrik al zuchtende.
"Of gij hebt de hiëroglyphen, die op het bord stonden, kwalijk
verstaan," fluisterde Joan hem in.
Op hetzelfde oogenblik hoorden zij opeens een geluid, alsof het slot
der gevangenisdeur opensprong.
Noch Joan, noch Hendrik spraken een woord; maar zij drukten elkaar
onwillekeurig de hand. Een lang stilzwijgen volgde.
"Hoe!" zeide Hendrik eindelijk: "ik meende toch gehoord te hebben...."
"Stil!" zeide Joan, begrijpende, dat degene die buiten was, vreesde dat
het omdraaien van 't slot gehoord geweest ware en eenigen tijd wachtte
met het opendoen der deur, om niet weder opnieuw aandacht te verwekken.
Eindelijk sprong nogmaals het slot om, en de deur ging open.
Hendrik trad dadelijk toe, terwijl Joan achter hem bleef. De
duisternis, welke zoowel in de gang als in hun kamer heerschte,
belette hun echter te zien of gezien te worden.
"Doe uw schoenen uit!" zeide een zachte stem.
"Dit is geschied," antwoordde Hendrik, die reeds met de zijne, gelijk
Joan met zijn laarzen, in de hand stond.
"Stil!" antwoordde dezelfde stem: "hier.... reik mij uw hand. Neem
deze twee pistolen."
Hendrik aanvaardde de beide pistolen en stak er dadelijk een aan
Joan toe.
"Volg mij nu en spreek geen woord."
Dit zeggende nam de jeugdige geleidster den gevangenen Hendrik bij de
hand en voerde hem achter zich uit het vertrek waar zij zich bevonden,
de gang door, naar een trap, en voor een venster, hetwelk zij opende:
Joan was hen met zachte schreden gevolgd.
"Klim hier onbevreesd uit," zeide zij tegen Hendrik: "het regent
buiten: de lucht is bewolkt: niemand zal u zien."
Hendrik had den linkervoet reeds buiten het venster gestoken, terwijl
hij, den rechterarm om den hals van het lieve meisje slaande, haar
den vaarwelkus op den rozenmond drukte. Dan in hetzelfde oogenblik
vertoonde een gemoedsbezwaar, dat hem reeds vroeger gehinderd had,
zich als een dreigend spook voor zijn geest. Hij trok het been terug.
"Maar Truitje!" zeide hij: "indien uw vader onze.... ik wil zeggen
mijn ontkoming bemerkt, zal hij dan niet verstoord op u zijn?"
"Laat dat aan mij over, en haast u," fluisterde Truitje: "nu, hoe is
't? vertrekt gij of niet? moet ik hier staan wachten tot vader ons
hoort.... dan, ja dan!...."
"Maar op wie anders zoude zijn vermoeden rusten als op u?"
"Gek! op u zelve! Zoodra gij weg zijt, ga ik naar uw gevangenis terug
en breek het slot."
Joan stond op heete kolen.
"Maar mogen wij uw vader aldus bedriegen?" vroeg Raesfelt. Op dit
oogenblik hoorde men gerucht in het benedenhuis.
"Voort! voort!" zeide Truitje, "of alle hoop is voor ons
verloren."--Dit zeggende, greep zij, in de duisternis tastende,
Joan bij de hand. Deze liet zich geen tweemalen tot de vlucht
aanmoedigen. Hij stapte naar buiten, voelde een ladder onder zijn
voeten, klom af en stond, weldra op vrijen grond.
"Goddank!" zeide Truitje: "hij is gered."
"Ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat ik hem volgen moet," zeide
Hendrik.
"Hoe!" riep Truitje met een gil van verbazing. "Heb ik u het raam
niet zien uitklimmen? Wie was dan die ander?"
"De deelgenoot mijner gevangenis, mijn vriend, een onschuldige
jongeling, die...."
"Om 't even: hij heeft althans tienmaal meer gezond verstand dan gij;
want hij weet van de gelegenheid gebruik te maken."
Hendrik antwoordde geen syllabe; doch Truitje nog eenmaal vaarwel
kussende, nam hij denzelfden weg, dien Joan gevolgd was en stond
weldra beneden op straat.
Naast de ladder wachtte hem Joan af, benevens een lange stevige knaap,
met een grooten mantel om, die de ladder had vastgehouden. Deze laatste
raapte nu een zwarten mantel van den grond, welken hij Hendrik omsloeg,
en gaf, na een kort fluisteren met dezen, zijn eigen mantel aan Joan;
vervolgens nam hij de ladder onder den arm en wenkte den vluchtelingen,
dat zij hem volgen zouden.
"Waar brengt gij ons?" vroeg Hendrik hem, zoodra zij een eindweegs
waren opgewandeld.
"Stil!" gaf hij ten antwoord: "Volg mij slechts: ik breng u bij uw
vrienden.--Wacht! hier zullen wij de ladder nederzetten: die haar
vindt, mag haar aan den eigenaar terugbezorgen."--Dit zeggende,
plaatste hij de ladder tegen een afdak, en voortwandelende, sloeg
hij met zijn volgers een steegje in, midden in hetwelk hun een
manspersoon tegenkwam, die dadelijk op den leidsman aanstapte en hem
met een nauwelijks hoorbare stem toefluisterde: "moeten die Heeren
bij ons zijn?"
"Ik meen van ja, Jan _Doodeklok_!" [55] zeide de sjouwerman; (want
hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te
wezen;) "Mijne Heeren!" vervolgde hij, zich tot dezen wendende:
"Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet." Met
deze woorden en zonder antwoord of dank te wachten, keerde hij zich
om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der
zoogenaamde _Doodeklok_, die, met een beleefde buiging, doch zonder
den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een
deur was, welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de
vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen
hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde
Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden ware: reeds had
Joan de haan van zijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen
de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede,
en, de _Doodeklok_ gemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de
vromen al vergaderd waren.
De _Doodeklok_ beantwoordde deze vraag toestemmend, waarop de onbekende
binnentrad en Joan, die in den donkeren ingang stond, bij den arm nam:
"vergun mij, Mijnheer!" zeide hij: "dat ik mij aan u vasthoude;
want ofschoon ik hier meer geweest ben, zoo ben ik altijd bang,
om in dit donkere gat armen of beenen te breken."
Joan stond niet weinig ontzet: want hij had de stem van Bleiswyk
herkend en was hoogst beducht voor een ontdekking; echter hield hij
zich bedaard en trad, evenals Hendrik, met hun nieuwen leidsman
de duistere gang ten einde, waarna zij een slecht verlichte trap
beklommen, en voorts weder een lange trap afliepen tot aan een deur,
welke zich op het aankloppen van Bleiswyk opende. Dan welk een schrik
beving de vluchtelingen, toen zij een verlichte zaal en een groote
schaar van menschen voor zich zagen. Beiden verzetteden en wilde
terugtreden; doch het was te laat. Bleiswyk had Joan reeds met zich
naar binnengetrokken, en Hendrik, die niet van zijn vriend wilde
scheiden, volgde hen.
Het vertrek, waar zij zich thans in bevonden, was ruim, doch laag
en bedompt en met weinige lampen verlicht, welke eene onaangenamen
damp en geen minderen stank verspreidden. Op stoelen en banken van
verschillende grootten en vormen, en welke kenmerken droegen van
overal vandaan geraapt en geleend te zijn, waren onderscheidene
lieden van beiderlei kunne gezeten, meest vermomd of althans wel
dicht in hun mantels en huiken gewikkeld, hoewel sommigen onder hen
hun gewone kleeding droegen en de hoofden vrijmoedig uitstaken, als
wilden zij daardoor toonen, dat zij zich des noods voor hun zaak het
martelaarschap getroosten zouden. Midden in de zaal was een soort
van predikstoel opgericht, waarin een redenaar in 't zwart gekleed,
en wien Joan al dadelijk voor Groenhovius herkende, met de gebaren
eens bezetenen stond te galmen: dichter bij hem zaten eenige lieden,
die in deze vergadering den boventoon schenen te houden: onder dezen
stak uit een lang, deftig gekleed man met spierwitten baard en een
zwarte fluweelen muts op het hoofd.
Bij het inkomen van Bleiswyk en zijn twee gezellen, schikten zij,
die het naast aan de deur gezeten waren, dadelijk in, en wenkten hun
beleefdelijk toe, dat zij plaats hadden te nemen.--Voordat Bleiswyk
aan deze uitnoodiging verkoos te voldoen, stak hij de handen in de
zijde, wierp den rug achterover en liet in die houding het oog over
de gansche vergadering weiden, waarschijnlijk om de schoone te zoeken,
die hem derwaarts gelokt had. 't Zij dat hij haar niet ontdekken kon,
't zij dat zij er waarlijk niet aanwezig ware, hij nam een ontevreden
houding aan, wierp zich meer dan hij zitten ging op de hem aangeboden
bank, snoot zich met geweld, stak vervolgens de handen in de zakken en
liet zijn donkerkleurigen mantel openvallen, waardoor zijn prachtige
onderkleedij zichtbaar werd, terwijl hij trotsch om zich heen zag,
als wilde hij zeggen: ik lach wat om ulieden, en het bruit mij weinig,
of gij mij kent of niet. Daarna gaapte hij den redenaar aan en begon
aandachtig naar diens woorden te luisteren.
Wat Joan en Hendrik betrof, dezen, althans de laatste, begrepen
dat zij, niettegenstaande de kans van ontdekt te worden, hier
misschien hulp zouden vinden onder de Remonstrantsche broederschap;
en daar zij toch te ver gekomen waren om ongemerkt weder te kunnen
vertrekken, plaatsten zij zich naast Bleiswyk, echter zorg dragende,
hun gelaat met hoed en mantel te bedekken; dan hoe ontstelde Joan,
toen hij niet ver van zich af een heer zag zitten, die, schoon hij
ook vermomd was, bijna terstond door hem voor den Fiskaal Van Kinschot
herkend werd. Vol angst van door dezen gezien te worden, trok nu Joan
den hoed nog dieper in de oogen, en verborg de punt van zijn neus
(alles wat er van zijn persoon nog zichtbaar was) achter de holte
zijner hand, terwijl hij als een zoutzak in elkander kroop. Hendrik,
die den Fiskaal niet herkend had, leende dadelijk zulk een aandacht
aan de predikatie, dat hij daardoor al spoedig vergat de noodige
voorzorgen te nemen, welke hem konden verbergen. Groenhovius had,
naar het bleek, tot tekst zijner redevoering genomen de woorden des
heiligen geschiedschrijvers Lucas, wanneer hij de bekeering van Saulus
verhaald hebbende, van de Apostelen zegt: "zij vreesden hem allen,
niet geloovende dat hij een discipel was."--Met veel arglistigheid
wist hij, zonder iemand te noemen, in den loop zijner predikatie,
den tekst in zijn geheel verband toepasselijk te maken op Graaf
Frederik Hendrik, terwijl hij door zijn zijdelingsche aanduidingen
aan de gemeente zocht diets te maken, dat zij van dien vorst alleen
haar hulp en verlossing te wachten had.--"Ja," riep hij uit met een
vervaarlijke stem, terwijl hij gedurig met de breede vuist op den voor
hem liggenden Bijbel sloeg: "hoor mijn stemme, gij kuddeke Israëls, en
geloof mijn woorden, niet aan hen gelijk zijnde, die ooren hebbende,
niet hooren, en, oogen hebbende, niet zien willen. Want weet, uit
Edom, uit Galilea der volkeren, uit de landpale der vijanden is hij
voortgekomen, die de groote verlossinge Israëls teweeg zal brengen,
en zijn naam is Wonderlijk! Zegt niet in uw harte: kan er iets goeds
uit Nazareth komen? Want hier geschiedt meer, en uit dat geslachte
Pharaonis, uit den huize Sauls, is deze reize het licht opgegaan:
uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen, en het is wonderlijk in onze
oogen; en de Heer heeft hem met kracht bekleed en tot hem gezegd:
ik ben met u, gij strijdbare held! ga henen in uwe kracht, en gij
zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: dus wantrouw niet
meer, gij huize Davids! en wees niet ongeloovig; want gij zult uwe
vijanden zien vertreden in den grooten wijnpersbak des toorns Gods,
en daar zal bloed uitkomen tot aan de toornen der peerden, duizend
zeshonderd stadiën verre! en als men vraagt en zeggen zal de een
tot den anderen: wie heeft dat stuk gedaan? dan zal men antwoorden:
Gideon de zoon van Joas, heeft dat stuk gedaan. Doch wie is nu Gideon
de zoon van Joas? Vraagt gij het nog? Begeert gij nog een teeken,
gij kleingeloovigen? en weet gij nog niet, wie de ware Jozef zijn
zal? Ziet, ik zal nog duidelijker spreken. Jacob, de aartsvader,
Jozefs vader, was uit een grooten en machtigen stam;--en ook de vader
van onzen Jozef was van aanzienlijken huize. Jacob heeft gestreden
met machtiger dan hij, en overmocht hem:--en de vader van onzen Jozef
heeft van gelijken gedaan. Jacob heeft een zwervend leven geleid:--en
de vader van onzen Jozef niet minder. Jacob heeft vier wijven gehad;
doch Rachel had hij lief en zij baarde Jozef:--onze Jacob had ook vier
wijven; doch zijn Rachel heeft hem onzen beschermer gebaard. Jozefs
oudere broeders hebben het bloed der rechtvaardigheid geplengd, hun
handelingen zijn werktuigen van geweld geweest; en ook de ouder broeder
van onzen Jozef heeft in zijnen toorn de mannen doodgeslagen, die den
vaderlande dierbaar waren; doch onze Jozef zal het afgebrokene weder
oprichten en de verdorde takken weder bloeien doen. Dus waakt! want
de ure is nabij, waarin deze dingen geschieden moeten! Gordt aan het
zwaard ten strijde, versterkt de lendenen zeer!"
Met een verbazende vlugheid en kracht van stem had Groenhovius tot
dusverre een voorstel uitgebracht, hetwelk, ofschoon het thans in
vele opzichten wartaal zal schijnen te behelzen, echter niet naliet,
op dat tijdstip en bij zulke toehoorders een verwonderlijken indruk te
maken, toen hij opeens in het vervolgen zijner rede belet en door een
anderen spreker vervangen werd. Hendrik Raesfelt had namelijk niet
dan met ongeduld en verontwaardiging de oproerige en doldriftige
taal des Predikants aangehoord; doch toen deze in het laatste
gedeelte der door ons aangehaalde toespraak de gemeente kennelijk
tot burgeroorlog aanspoorde, was hij buiten staat zich langer te
bedwingen; driftig opgesprongen zijnde, drong hij door de menigte
heen tot voor den kansel, en greep Groenhovius heftig bij den arm:
"Van hier, gij Beliäls zoon!" riep hij driftig uit: "wie geeft u last
en commissie tot het voeren eener zoo gruwelijke taal? Durft gij,
de leeraar des vredes, de ongelukkige gemeente tot oproer manen?"
"Braaf gesproken!" zeide Bleiswyk overluid: "dat is taal, die men
verstaat: dat andere was zoo diep, dat niemand het vatten kon, die
niet gestudeerd had."
"Wat onvoorzichtigheid!" zeide Joan tot zich zelven: en meteen
gebruik makende van de algemeene opschudding, welke dit voorval
had te weeggebracht, drong hij zich dichter bij den predikstoel, om,
ingeval van nood, Hendrik bij te kunnen springen. Voorzichtiger had hij
misschien gedaan met het voorbeeld te volgen, dat eenige der aanwezigen
gaven, die zich bij de eerste verwarring uit de zaal maakten.
"Jonkman! wie zijt gij, die mij zoo stout het woord durft
afnemen?" vroeg Groenhovius: "ben ik niet de gezondene en geroepene
van omhoog, die den volke leeren moet, wat het noodig heeft te weten?"
"Leugenprofeet!" riep Hendrik, Groenhovius overschreeuwende: "is dit
het Christendom, dat gij leert? al wat gij zegt is uit den Booze!"
"Afvallige!" brulde de Predikant, aan wien een der bijstanders Hendriks
naam had in het oor geblazen: "_scelerate! nonne Raesfeldii filius?_
[56] Gelooft hem niet, broeders! hij is de zoon van den boozen
Raesfeldii, en als hij een verdrukker der gemeente, die welbehagen
heeft in onzen dood."
"Jongeling!" zeide nu de man met de fluweelen muts, die
naast Groenhovius gezeten had, terwijl hij opstond en Hendrik
terugstootte! "laat af van den vromen man; want hij spreekt de woorden
der waarheid: zie om u heen: de groote verlosser Israëls, wien hij
bedoelde, is onder u, is in deze vergadering gekomen, om uwe valsche
beschuldiging te logenstraffen."
"Ha! wien hebben wij hier!" riep Joan, die deze stem herkende, voor den
dag springende en den onbekende zijn valschen witten baard afrukkende:
"Pater Eugenio in dezen kring!"
Aller oogen wendden zich op den Jezuïet, die dus ontdekt in hun midden
stond; doch op hetzelfde oogenblik werd de aandacht wederom afgetrokken
en op een anderen bijstander gevestigd, die, zijn mantel openslaande,
zich voor graaf Frederik Hendrik kennen deed.
"Ja, ik ben hier gekomen," zeide deze: "doch geenszins...."
"Wat onvoorzichtigheid! om 's Hemels wil! Uwe Doorluchtigheid," zeide
Ludwig, die nevens hem stond, terwijl hij zijn best deed om hem zijn
mantel weder om te slaan.
"Laat af, Ludwig!" riep de Graaf: "ik moet redenen van mijn gedrag
geven: ik moet aan deze onberaden lieden zeggen, dat...."
"Die redenen zult ge mij geven," zeide, op een half gesmoorden,
doch strengen toon, iemand, die, in een grooten mantel gewikkeld,
achter hem oprees en hem op den schouder tikte.
"Maurits!" zeide de Graaf, zich verschrikt omwendende.
"Stil!" beet de Prins hem in 't oor: "ik wacht u tot mijnent. Kom,
Van Kinschot! laat ons gaan."--Na het uiten dezer woorden drong hij
in hevige gemoedsbeweging de kamer uit. De Fiskaal volgde hem: ook
verscheidene der aanwezigen, die den Prins herkend hadden en voor
de gevolgen begonnen te vreezen, welke hun tegenwoordigheid in deze
vergadering hebben kon. Frederik Hendrik was als versteend blijven
staan; totdat Ludwig hem zijn mantel omsloeg en hem bijna als een kind
de kamer uitgeleidde. Inmiddels had Eugenio zich door een zijdeur
weggemaakt. Groenhof had mantel en bef van zich gesmeten en zich
onder de menigte begeven. Hendrik Raesfelt, zijn onvoorzichtigheid
bespeurende, begon ook naar een goed heenkomen te verlangen en zocht
Joan, doch vruchteloos, onder de nog aanwezige personen, toen een
zijner geloofsgenooten, wien hij te Amsterdam gekend had, hem met
zich nam, met belofte van hem een veilige schuilplaats te bezorgen.