ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist,

't Is uit onnozelheit en zonder argh of list.

_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.

"_Dies albo notanda lapillo!_" [54] zeide Hendrik Raesfelt; want deze

was het, welke Joan zoo onverwachts begroette.

"Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?" zeide

Joan.

"Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?" vroeg Hendrik.

"Waarlijk, mijn beste vriend!" antwoordde Joan: "ik was dezen morgen

even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken."

"Gij komt dan niet vrijwillig?--Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij

uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet deze Heer...."

"Uw maat zijn," zeide de cipier: "juist geraden: en het doet mij

genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder niets

te zeggen?--Niet!--Dan wensch ik u een vroolijken dag samen."--Dit

zeggende, vertrok hij.

"Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen," hernam Raesfelt: "wat

kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?"

"Noem mij met dien naam niet meer," zeide Joan: "dien heb ik reeds

lang verloren."

"Verloren? En door welk toeval?--Doch, ik bid u, neem plaats."

Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag

van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen te kennen

gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt

voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig wat hem overkomen

was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers

mededeelen. Hendrik was, gelijk wij vroeger gezien hebben, te Amsterdam

bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had

aldaar zijn betrekkingen met de Remonstranten geenszins afgebroken,

doch zijn studiën voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot

proponent aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was

hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had

hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een

briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te Tiel te komen,

ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij

hebben vroeger gezien dat dit briefje door Eugenio geschreven was

en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo

duur was te staan gekomen. Te Nijmegen echter was Raesfelt reeds

gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert

dien tijd op de Gevangenpoort gezeten had.

"En," zeide Joan, "zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij

dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche gevangenis."

"Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben," antwoordde

Raesfelt: "God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet vergeten:

en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij

zond mij een engel."

"Of een engelin?" viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid,

welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn zachte

wezenstrekken vertoonde.

"De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde

het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in haar een

geloofsgenoot vinden."

"Wat nu!" vroeg Joan: "is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas

een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene, die daarenboven

een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen,

dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden mag. En is die liefde zoo

plotseling in den kerker ontstaan?"

"Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam,

waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken leerde:

zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de

huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt zij den gevangenen hun

eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en...."

"En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en

zijn gevangene!"

"Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar

Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk zou stellen,

om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.--Doch nu gij de deelgenoot

mijner ellende geworden zijt," vervolgde Hendrik, Joan met warmte de

hand drukkende, "zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij

mij vergezelt."

"Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs," zeide Joan;

"maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen dat mijn

zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet

erkend en ik in vrijheid gesteld worden."

"Vlei u daar niet mede," zeide Hendrik: "vurig zou ik wenschen u

eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch, naar

hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij

bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten bijstand

zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De

Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven te hebben gesmeed:

de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche

betrekkingen werken in uw nadeel: de stokbewaarder, die getuige was

van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen,

dat gij in mij weder een Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden:

in 't kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te

veel op uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen

wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig hoofd

van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk

geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen, die, als gij,

noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren

voor zich kan doen pleiten."

"Mij dunkt, hier is een groot verschil," zeide Joan: "de Advocaat

had het land verraden, en ik...."

"Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!" zeide Hendrik: "wij oordeelen

er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim de gelegenheid

ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden."

"Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?"

"Zij zal mij niet bezoeken," antwoordde Hendrik, "ten einde geen

vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar is."

Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen

van een der suppoosten, die het middageten bracht, uit een schotel

brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik

een kort gebed uit en zette zich aan 't eten, niet een gretigheid,

die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd

was, met verbazing sloeg.

"O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt," zeide Hendrik,

"zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort tegen den

middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik

dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang nog meer dien van onderen,

dan van boven te zien."

"En waarom dat?" vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing.

"Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvan

mijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang

voor ons kan zijn."

"Heerlijk bedacht," zeide Joan, opspringende: "dan zal ik u helpen om

het adres van den brief open te maken." Dit zeggende, begon hij mede te

eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide

Hendrik hem haastig om, en ontcijferde, na een wijl zoekens, de letters

S. 12 M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren.

"Een zeer duidelijke missive," zeide Joan: "de drommel haal mij,

zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van een hemd."

"Ik begrijp die des te beter," hernam zijn vriend: S. is Sondag,

dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht: zijnde

het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal

moeten gereedhouden."

"Waarlijk!" zeide Joan: "indien de middelen ter ontkoming even

schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te houden,

dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!"

Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat

de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde deze

terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker

bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste blijdschap

voor den Predikant Raesfelt herkenden.

"Gij hier, mijn vader!" riep Hendrik: "o nu is alle hoop nog niet

voor mij verloren."

"Ik herleef, nu ik u wederzie," zeide Joan: "gij althans kunt

getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht werd

voorgeschreven."

"Ik dacht niet," zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen

ten hemel hief, "dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer Baron

naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde

van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm CXLVII, mij hier

zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan

twee deerniswaardige gevangenen, waarvan de een mijn vleeschelijke,

en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is."

"Onze gevangenneming was u dus bekend?" vroeg Joan.

"Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden

ambtgenoot Dm. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan

wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond,

haar verhaald moet hebben."

"Hij heeft mij een weldaad bewezen," zeide Joan, hem de hand drukkende,

"door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman als u. Doch

Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten,

want ik zie geen kans om mij te verwijderen, maar althans uw onderhoud

niet storen."--Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek

zitten, zonder zich in het gesprek tusschen vader en zoon te mengen.

"Zoover," zeide Raesfelt tegen Hendrik, "heeft uw kettersche afval

u dan gebracht?"

"Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?" vroeg deze:

"heeft niet Daniël, hebben niet de Apostelen op gelijke wijze in den

kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?"

"Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?--Ach! ik

vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den Baäl gediend

hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou

aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer ik mij bedrogen heb."

"Lieve vader!" zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den

slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand zijn

beide handen drukte: "lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden,

dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en verwijdering voor

toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of

ik u immer wederzie: overmorgen wellicht vertrek ik voor mijn leven

naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken:

misschien is het de laatste reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag."

"Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!" zeide Raesfelt, opstaande en de beide

handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende: "ach! mocht hij de

kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad,

dat gij gekozen hebt. Dan God alleen kent de harten: niemand kan

tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal

aan duizend geslachten lankmoedigheid betoonen: dit was Zijn belofte

aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille

bewaarheid worden!"

"God loone u, mijn vader!" zeide Hendrik, zijn handen met kussen

bedekkende: "de God des vredes en der genade bevestige deze uwe

woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk

gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid en niet

uit boozen wil."

Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard

was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid elkanders

weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun

scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich spoedig mengen

kon.

Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht

gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of het waar was,

dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou

worden. Raesfelt bevestigde zulks.

"En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?"

"Ongetwijfeld!" antwoordde de Predikant: "niet zoozeer omdat gij

den Jezuïet hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige briefje,

dat gij geschreven hebt."

"Ik heb geen Jezuïet laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven,"

zeide Joan: "aan wien was dat briefje gericht?"

"Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker," zeide Raesfelt.

"Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben."

"Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet

dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er, meen ik,

een kopie van gehouden."--Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch

voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang zoeken, een afschrift

van het fragment, 't welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel

ontdekt was.

"Is dat alles?" vroeg Joan, toen hij het gelezen had: "welk een geluk,

dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel gelezen,

niets misdadigs bevat."--Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en

nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant overhandigde.

"Men passe deze stukken bij het fragment," zeide hij, "en het zal

dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig was."

De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij

den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te geven

omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam

de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek volgens de

voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht.

"Vaartwel dan, mijn kinderen!" zeide de vrome man, de beide jongelingen

omhelzende.

"God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet

weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen, waar ik u eerst

na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des

Heeren niet ontwijden zal, door er eenige uren aan te besteden: want

daar staat geschreven, dat men wèl moet doen ook op den Sabbat." Met

deze woorden liet hij de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk

afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf,

bij wien hij gedurende zijn verblijf te 's-Hage huisvesting genoot.

Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis

voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en gingen eindelijk

welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker

laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van Sonheuvel, te bezoeken,

die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau

had genomen.

De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had

aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden, zat de Baron,

daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet

behaagde, in de door hem betrokkene kamer met zijn getrouwen Bouke

te praten.

"Ziezoo!" zeide deze: "aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan

de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat het twaalf

uren in den nacht ware."

"En dat waarom?" vroeg hem de Baron.

"Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het

huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten,

festoenen en loovertakken te plaatsen."

"Ik wou ook dat ik het al zag," zeide Reede: "Ik weet niet wat er aan

hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche brief maalt

mij door 't hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk,

en nu begrijp ik er geen stom woord van."

"Welke brief is het, die UEd. kwelt?'"

"Weet je dat niet?--Ja, 't is waar, ik heb je niet verteld, dat ik

door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een epistel aan

wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om

zijn toestemming tot Ulrica's huwelijk."

"Welnu?"

"Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden:

ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt:

""Mijn waarde neef!

Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het

huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature

toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten

deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij

aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan,

sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het,

gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte

van Ulrica's stervende moeder geweest is, dat zij niet dan

met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als

bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij

voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe

gerechtigd te kunnen houden.--Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van

den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat,

indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich

geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel

gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met

haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen,

ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn

volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger

plaats hebbe dan op Maandag den 28sten Juni des jaars 1621.

_Ambrosius_,

Gr.-Vicaris.""

"Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?" vroeg de Baron, na het

ten einde gelezen te hebben.

"Had UEd. mij dat eerder laten lezen," antwoordde Bouke, het hoofd

schuddende, "ik zou er nogal reden in gevonden hebben, om dat huwelijk

vooreerst niet te laten doorgaan."

"Zoo?"

"Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is

hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt is om een

vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is

om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik, dat, als dat malle

stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op

haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel ware geloopen, dan haar

hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld."

"Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog al zoo

onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze

oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen is als deze."

"Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen,

dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat weergaas, dat hij

zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als

hij zoo groote schuld had, kwam hij niet waar menschen zijn. Steek uw

vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: 't beste brood leit men op

't venster en er vliegen geen uilen bij valken."

"Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwade

consciëntie had bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezuïet wel verlost

hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?"

"Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet,

dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest en sinds

nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen

niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens een strooper,

altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch

voor een groote schoelje--en wat betreft, dat Joan weggereisd is,

zonder boe en ba te zeggen,--Dominee zegt immers zelf, dat hij niets

anders doen kon, omdat hij u voor den moordenaar zijns vaders hield."

"Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van

den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter de tralies:

ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft

hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer Van Botbergen wachtte,

durven verschijnen?"

"Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje

ging."

"Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel:

want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden, waar hij den

ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft."

"Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan

moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer durven

vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien

zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een blaas met boonen

is weg te krijgen."

"Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan

een schelm en een lafbek is?"

"De gansche wereld is niet overtuigd; want _ik_ geloof het niet,

en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen

zij van het Hof terugkwam."

"Zoo! waar heb je dat aan gezien?"

"Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan 't been wel, waar de hoos gescheurd

is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen toen zij van Joan

sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?"

"Kom! kom! gekheid!"

"Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging en zeide:

Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en...."

"Ik er berouw over hebben?--Ge raast, Bouke!"

"En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft

doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.--En als hij dan hier

kwam...."

"Hij zal hier wel vandaan blijven," zeide de Baron: "zit hij niet in

een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?"

"En als hij dan hier kwam," vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns

meesters gezegden te storen, "en voor UEd. stond met de tranen in de

oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft,

en tot UEd. zeide...."

"Hij zou den bek wel houden!--Is de kerel dol?"

"En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd geëerd

en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest: en die anders

spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en...."

"Het zal nimmer zoover komen," zeide Reede, zich met zijn stoel

omdraaiende.

"En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat

zou UEd. dan doen?"

"Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?"

"Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem

zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en weder als

voorheen leven gelijk vader en zoon."

De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen

het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk blijken droeg

van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte.

"Maar die satansche brief!" zeide hij eindelijk, stilstaande.

"Aha!" zeide Bouke: "die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat

kan niemand loochenen!"

"Welnu?--En levert die geen genoegzaam bewijs op?"

"Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!"

"Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?"

"Dat kan ik," zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee

stukjes papier voor den dag.

"Wat zijn dat?" vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende:

"is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?"

"Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan 't kuieren was, is

Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis bezocht en

zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit."

"Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem."

"Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat

UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed deed, omdat hij

niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij,

om u deze stukjes te geven, die naar zijn zeggen, bij den gevonden

brief behooren."

"Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten," zeide de Baron,

en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans kamer op

Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee had medegebracht,

werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op,

van den volgenden inhoud:

"Het bewijs uwer        nooit volprezen goedheid, dat

ge mij heden        deedt toekomen,        heeft mij ten minste

van een smart       verlost, door mij        de zekerheid te

geven, dat uw e       dele boezem aan        de zoo ongerijmde

als onverdien       de beschuldiging       en, welke tegen mij

worden ingebracht,        alle geloof blijft wei      geren. Neen,

mijn Ulrica! hij, die        den naam van uw vriend      verdienen

mocht, hij is nog        ten volle uwer waardig.        Misschien

zal het mij in het        eerst bezwaarlijk vallen        aan den

waarden Heer Baron        de vermoedens te ont       nemen; doch

houd u des verz       ekerd, de tijd zal mij        rechtvaardigen,

en den sluier        doen vallen, die        mijn handelingen

nog bedekken        moet, en aan de        geheele wereld

toonen, dat de Heer        Van Sonheuvel        in mij geenszins

zijn vijand, veelmin        zijn moordenaar        heeft grootgebracht.

geheel de uwe

J."

"Wat drommel!" riep Reede, na gelezen te hebben, "dat briefje luidt

aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?"

"Is dat de toon van een schelm?" vroeg Bouke.

"Ik weet niet," zeide de Baron: "doch wat doet hij aan Ulrica te

schrijven?"

"Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is

dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil slaan, vindt

licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust

hebt, een stok te vinden."

"Zwijg Bouke!.... weet je wat,--morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan

zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij geen schuld,

dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden."

Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide

hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairière was en

op ZEd. wachtte.

"De Fiskaal!" zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: "wat

moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over Joan komen

ondervragen."

Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek,

waarin de Douairière met den Fiskaal nederzaten.

"Mijnheer Van Sonheuvel!" riep deze: "ik ben zoo vrij geweest, mij

bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel als UEd. te

vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij

zekeren jongeling, onder den naam van Joan door UEd., Heer Baron,

op den huize Sonheuvel grootgebracht."--Dit zeggende leide hij een

pak op de tafel en opende het.

"Dezen ketting," vervolgde hij, "beweert gemelde jongeling van Mevrouw

de Gravin te hebben ontvangen."

"Ik herken die," zeide de Gravin: "zij was het loon voor den

gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen heeft."

"En deze kinderkleeren,".... vervolgde Van Kinschot.

"O! die herken ik," zeide Reede: "het is het pakje, dat hij aanhad,

toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even alsof hem dat

wat helpen zou."

"Ik herken het fatsoen," zeide de Gravin, terwijl een traan in haar

oogen blonk. "Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen in dien

tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij

vergund?" Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde het, bekeek

het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk

met een scherpe nauwkeurigheid.

"Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil," zeide de Fiskaal, "zoo

heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder belang in, het

kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen,

indien ik thans van hier moet vertrekken. Ik heb hedenavond nog zaken

te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden."

"Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?" riep de Baron eensklaps

verschrikt uit.

De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke

bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij was bewusteloos

in haar stoel gezegen.

Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde

huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder bij

haar zelve.

"Om Gods wil!" waren haar eerste woorden: "waar is die knaap? hoe

komt hij aan dat jurkje?"

"Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw," zeide de Baron.

"Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk

inspannen, en...."

"Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen," hernam Reede:

"zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken,

mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging...."

"Om 't even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet

ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?"

"Ik bid UEd. bedaar!" hernam de Baron: "ik wil gaarne zelf naar den

Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen gezelschap

houden. Waar is Ulrica?"

"De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn," zeide

de kamenier der Gravin: "Leentje is bij haar."

"Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving," merkte de

Baron aan: "dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw de Gravin! zeg

ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het

die kleedertjes, wier gezicht alleen u zoo getroffen heeft?"

"Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders," zeide de Gravin,

terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde.

"Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog,

van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!"

"Maar Mevrouw! om 's hemels wil," zeide de Baron: "hoe kan UEd. zoo

spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt hebben?"

"Joan.... Joan!...." herhaalde zij op een verwilderden toon: "wie

is Joan?"

"Joan, mijn pleegzoon," antwoordde Reede; "of zoo UEd. liever wil,

de zoon van den gesneuvelden Velasco."

"Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben,

door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn zoontje,

mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?"

"Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf

van Falckestein zich toeëigende, kon hij zijn kind met den roof van

het uwe optooien."

"'t Is waar!" zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende:

"'t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te

vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.--Nietwaar,

Beckman!" vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester, die insgelijks

in het vertrek was gekomen: "nietwaar, gij hebt het met eigen oogen

gezien, dat een verfoeilijke booswicht het kind...." Hier zweeg zij,

als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden.

"Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen

Jezuïet das kleinen kinde in 's wasser worf," antwoordde Beckman.

"Ik heb mij door een ijdele begoocheling van 't spoor laten voeren,"

hernam de Gravin: "verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel! het bespottelijke

tooneel, waar gij getuige van geweest zijt."

Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol

waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet

te begeven.

De Pleegzoon · 第 43 / 50 题