Dat's er éen, dat's er een,
Ter waereld schoonder geen,
Dat yder moet belijen.
Ontgin hem maar eens, heen en weêr,
En denk dat uit een anders leêr,
Goed riemen is te snijen.
_Jan de Regt_.
Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de
plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aan den
Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets
anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste dat in de
provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren
bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van onderdanigheid met
de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik
is bij geen schrijver aangeteekend en ligt derhalve in het duister;
hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden
in de overrompeling en plundering van Den Haag, in den jare 1528,
door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die
geschied was door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer
hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals de
_temporaliteit_ of het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam,
hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou
opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan
den Hove van Holland. Hoe 't zij, zeker is het, dat de Magistraat
van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan
den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan aan een
paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld,
vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die 't hoofd kreeg)
en zijn Raden verdeeld.
Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten,
welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers gevuld. De
schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen,
maakte hier en daar de bezetting uit, welke de orde bewaren moest:
de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof
omringden, en waar men alle voorwerpen van galanterie verkrijgen kon,
stalden hun beste waren uit: in één woord, het gansche plein leverde
een bijzonder vroolijk en levendig voorkomen op.
Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van
Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk) had
aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook
thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel te aanschouwen
en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote
gebouw geleund, van waar hij èn den weg waar het zwijn langs moest
komen, èn de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak
kon zien.
"Ik hoop," zeide hij tegen een deftigen, in 't zwart gekleeden Heer,
die naast hem stond, "dat Utrecht van 't jaar een fatsoenlijker varken
sturen zal, dan dat van verleden jaar."
"En wat haperde daaraan?" vroeg de ander.
"Weet UEd. dat niet?--Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het,
zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden beging; ik zelf
stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven."
"Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de
straatjongens over," zeide de deftige man.
"Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wilde
mij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de
Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig en vuil
bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander
schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij begon met het varken en
eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest,
en toen waren onze lekkerbekken uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne
Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!"
"Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet
lang meer duren zal," hervatte de andere spreker.
"Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over
gewisseld worden," zeide Bleiswyk: "Ik heb het zelf van den Heer Duyk
gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd,
en waarover, denkt gij? Niet over den last van den beer te leveren;
maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan 't hart ligt,
dat zij niet verduwen kunnen, dat het aan de kaak gelegd wordt en dat
er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en
spot: zoo luidt hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men
heden den ring en 't ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen kaak
zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord."
"Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is."
"Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten
tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger achter de zaken
dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde
hij mij eer iemand het wist; ik maakte ook veel werks van den ouden
man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb
zelfs geen vier treden van hem afgestaan, toen hij onthoofd werd:
ik had een treffelijk plaatsje op 't schavot, vlak achter den Fiskaal."
"UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan."
"Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar
als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven.... ik
zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten
zien wegreizen."
"Gisteren!" zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde
stond: "ik dacht dat zij hedenmiddag...."
"Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort
uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen.... Zijne
Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij 't vertrekken:
nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder? En de
Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te
ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons juist van een anderen
kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat
hij in 't zin heeft, opdat men het tegendeel zou gelooven; dat heeft
Z. H. mij dikwijls zelve gezegd."
"Wij zullen dus oorlog hebben," zeide de zwarte man.
"Natuurlijk," hervatte Bleiswyk: "dat was lang van te voren beslist,
gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger
zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig jaren: toen was het
een andere troep als thans!"
"Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd," zeide de deftige Heer spottende:
"want ik twijfel of UEd. het gezien heeft."
"Ik was toen nog een knaap," hervatte Bleiswyk; "doch ik hield veel
van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens.... kent
gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de
schaar heendringt?--Niet?--Dat is de Arminiaansche Predikant
Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?"
Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor
zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant.
"Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok
een Arminiaan of een spion van 't gerecht is!" vervolgde Bleiswyk,
zich tot den jongen onbekende wendende: "UEd. ziet dien Dominee na:
ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil 't niet weten.--Heeft
UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?"
"Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan,"
zeide deze.
"Dat is te zeggen," hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: "het
is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar om zijn
nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met
dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest."
"Een fijne distinctie!--En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?"
"Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd
heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat de moeite
wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een
volgende reis niet weer heen trek; ik wil die kennis gaarne aanhouden."
"Ik zou het u niet raden, Jonker," zeide een deftig gekleed Heer,
(die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen, zich
juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had),
terwijl hij hem op den schouder tikte.
"Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal," zeide Bleiswyk, zonder
van kleur te veranderen: "en waarom zou UEd. mij dat niet raden?"
"Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten," hernam
de Fiskaal.
"Eilieve, zie eens!" zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke
koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; "zou de Justitie
mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar
het mij belieft?--Ik wil u de boete wel daags te voren te huis sturen;
maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor 't halfje met mij
accordeeren?"
"De Justitie treedt in geen akkoorden," zeide de Fiskaal op een
strengen toon.
"Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!" hernam Bleiswyk, lachende: "ik ga
naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels,
naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal waar het mij bevalt,
en 't zal een kerel zijn die het mij belet."
"Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen," hernam de Fiskaal.
"Pas maar zelf op, oude Heer!" zeide Bleiswyk, de deftige houding
des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: "of 't zal u gaan als
't uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche
samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen de tralies,
waar hij doorkeek, vast bleef zitten."
Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij,
die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet gaarne tot vijand
wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden
er de hand voor om niet uit te bersten. De Fiskaal antwoordde niet,
doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende,
trad hij eenige stappen terug in 't gedrang.
"Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van 't Gerecht omspringen,"
vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die sinds eenige
minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de
oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd had gehouden:
"doch waar kijkt UEd. naar?--Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin
is aan de ramen gekomen: zie eens, die aan dat middelste venster
met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat
botte uitzicht, die naast hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar
gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat
meer bezienswaardig te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge
Dame, die naast de Gravin Douairière Lodewijk Gunther zit, is gansch
niet onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer,
die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met haar
trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het
staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel ouder is;
doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb
zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een knaap had opgevoed,
wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan."
"Dat is niet waar," riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden
en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk, die de reden
van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit,
doch herstelde zich spoedig.
"Wat drommel gaat het u aan?" zeide hij: "maak u om die Freule niet
dik; zij gaat toch met een ander in 't schuitje."
"Geen beleedigingen meer!" zeide Joan (want niemand anders was de
onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen Jonker
op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene
kreet van: _ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!_ de
menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras
vertoonde zich nu een vendel schutters, 'twelk de noodige ruimte op het
Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend
door twee hellebaardiers, die den Schout en Burgemeesteren begeleidden;
op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden
van den Provincialen Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en
vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp
van het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer,
met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende
(zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van
de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden van een
sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch
dit was slechts _pro forma_! want degene, die de gangen van het varken
werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand
gekleed; deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende
alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de trein, die
door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld,
geschiedde de overdracht, daarin bestaande, dat de Utrechtsche Boden
de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove
overgaven. Nadat dit geschied was, bond men het dier aan den daartoe
bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken
voor de doorluchtige toeschouwers, die het vette dier van dichtbij
bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof,
van een aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun
nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken,
die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees,
en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met groote blijken
van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd,
scheen het varken gramstorig te worden en eindelijk te begrijpen,
dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met
hevigheid een zijsprong nemende, het touw ('t geen, als Bleiswyk
verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte
en, zonder aanzien des persoons, op de doorluchte toeschouwers
aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien
onverwachten misslag van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond:
de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren
trapten in 't vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters:
't gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames
gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede
te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den beer te keeren;
doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie
menschen onder den voet en juist op de Freule Van Sonheuvel aan,
die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest,
ware niet haar trouwe minnaar nabij haar geweest. Joan was, toen het
dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij
wierp zich snel als de wind op het dier en greep het bij de ooren met
zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen,
die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd.
"Ulrica! mijn kind!" schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke
dochter toesnellende: "zijt gij gewond?"
"Het is niets, mijn vader!" antwoordde zij, met een gebroken stem:
"laten wij van hier gaan."--Deze woorden uitsprekende, zocht zij half
buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch zij miste haar
greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen.
"Duizend kanonnen!" riep de Baron; "hij ook hier!"
"Had ik geweten, Heer Baron!" zeide Joan, de oogen nederslaande,
"dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijn tegenwoordigheid
gespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb."
"Met uw verlof," zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende:
"ik zal wel voor de Freule zorgen."
"UEd. had zulks wat vroeger moeten doen," zeide Joan eenigszins
geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige buiging
voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een
haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks was hij echter op het
Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk
te begeven en daar de terugkomst van Frederik Hendrik af te wachten,
toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte
en zich voor den Jonker van Bleiswyk herkennen deed.
"Verschoon mij," zeide deze: "Ik ben zooeven wat van u afgeraakt;
echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw
heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen
UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen hebt, _re et
verbis_, als de geleerden zeggen."
"Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten," hernam Joan, hem met een
toornigen blik aanziende, "om het hedenavond te kunnen rondvertellen,
en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt."
"Misschien wel" hernam Bleiswyk lachende: "nieuwsgierigheid is
mijn zwak."
"En mijn zwak is," zeide Joan, "geen onbeschaamdheid te dulden:
ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht bekomen."
Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen:
doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af en
verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. "Zoo 't UEd. gelieft,
uw behendigheid tegen de mijne te meten," vervolgde hij, "zoo vindt
gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan,
daar kunnen wij elkander gevoeglijk een lating geven: ik wil daar
met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis
maar verneme."
"Ha! dat is te veel!" riep Joan. "Ik volg u terstond."
"Met verlof!" riep een barsche stem achter hem: "dat zal nu niet
gebeuren. Dienaars, treedt voor."
"Houdt! wat!" zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal,
die degene was, welke gesproken had: "UEd. legt het er vandaag op toe,
om mij in mijn vermaken te storen."
"Zwijg Jonker!" hernam de Fiskaal: "uw aardigheden zijn thans hoogst
ongepast. Mijnheer!" vervolgde hij, zich tot Joan wendende: "gij zijt
mijn gevangene: uw degen, als 't u gelieft."
"In geenen deele," zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den
Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: "wat is dat voor een malle
grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman,
door diefleiders achteraf gebracht worde."
"Jonker Van Bleiswyk!" hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem:
"gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan
hoogverraad aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad
schuldig wordt?"
"Aan hoogverraad!" zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de
oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon declameerde:
"Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis,
Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?" [53]
"Aan hoogverraad!" herhaalde Joan, met verbazing: "wat is mijn
misdaad?"
"Die zal nader onderzocht worden," antwoordde de Fiskaal: "geef uw
degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan, anders liet
ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet."
"Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren,"
merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid verloor. "Mijn
goede vriend," vervolgde hij tegen Joan: "of liever mijn mislukte
vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed tegen de smerige kalot van
Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort
is voorzeker geen vermakelijk verblijf; althans daarin komen al wie
er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders...."
"Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding
bezorgen," zeide de Fiskaal.
"Boe! boe! ik ga al heen," riep de onverbeterlijke snapper uit:
"ik ga al heen, wees maar niet boos!"
Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond
wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren in
stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: "vaarwel,
Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat het dan maar weten
bij Willem Van Bleiswyk, in 't Voorhout, die u helpen zal, waar hij
kan en mag, ja, al mag hij niet."
Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een
pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen aan ieder
die 't hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens
hoogverraad was vastgezet.
"Lichtzinnig, maar goedhartig," zeide Joan, hem naoogende. "Heer
Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij wilt. Sedert
lang is mijn verblijf mij onverschillig."
"Wij zullen niet ver gaan," zeide de Fiskaal: "Mijnheer! hier is
uw weg."
Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker
boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden.
De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen
hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde toesluiten
en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen
kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat een bloot misverstand
tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra
zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd zijn geleider. De cipier,
of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een
vrij ruim vertrek, hetwelk voor het verhooren was ingericht en welks
wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten
van boeien, kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven
enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte
strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd
en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed van al wie
tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren,
gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden van den Hove
gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug
naar de binnenkomenden gewend stond en wiens antwoorden de Griffier,
die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende.
"Mijne Heeren!" zeide Van Kinschot bij 't inkomen: "hier is de man,
in quaestie."
"Één oogenblik slechts, Heer Fiskaal!" zeide een der Gecommitteerden,
een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat van verwaandheid
en trotschheid glom: "wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan."
De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan,
niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem veroorloofde
zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo
op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen worden, als op de wijze,
waarop hij antwoorden moest.
"Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst
hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche vergadering
bijgewoond te hebben?" vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had,
den gevangene.
"Ik blijf dit ontkennen," antwoordde deze, met een vaste stem, welke
aan Joan niet onbekend voorkwam.
"Vriendje! vriendje!" hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende:
"Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht met u
afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in
gezeten hebben, die even koppig waren als gij?"
"God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek," zeide de
gevangene.
"Wat doet des Heeren naam," vroeg de Raadsheer, "in den mond van
een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte al
verdoemd is?"
"Dat is _ons_ geloof niet," antwoordde de gevangene, die een
Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: "UEd. Achtbare
meent...."
"Wil je 't mij leeren, vlegel?" bromde de gewichtige man: "heb ik den
_gepraedestineerden_ dief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan
als jij geschreven?"
"UEd. Achtbare gelieve op te merken," hernam de Remonstrant, "dat
dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins
overeenstemme, alleen _ironice_ geschreven is, en er dus...."
"_Erotice!_" hernam de Raadsheer: "wat rammel je? ik heb er niets
verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen
wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik
iets in te brengen heb: daar zal je _mores_ leeren: onze haan kraait
koning! wij zijn 't vet, wij drijven boven."
"Dan zijt gijlieden 't schuim," viel de gevangene in, "dat drijft boven
't vet."
"Onbeschaamde vlegel!" riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande:
"is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven durft!"
"Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen,
dan passen hem zulke antwoorden," zeide de Remonstrant.
"Mijnheer de Vlaere," zeide de andere Raadsheer, die een bedaard,
ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: "wij hebben nog veel
te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware
het niet verkieslijker, het verhoor te staken en den Heer Fiskaal
niet langer op te houden?"
"Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!" antwoordde De Vlaere, zeer tevreden
van een goede aanleiding te hebben om een twist te eindigen, waarin hij
de gelukkigste rol niet speelde. "Dienaars! leidt den gevangene weg!"
De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het
Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra hij vertrokken
was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel,
waaraan zij gezeten waren, te naderen.
Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad
aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam.
"Uw naam?" vroeg De Vlaere.
Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de
moeilijkste.
"Wees niet beteuterd," vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees
toeschrijvende: "geef ons openhartig antwoord. Hoe heet gij?"
"Don Diego de Velasco."
"Zijt gij daar zeker van?" vroeg de Fiskaal, Joan scherp in 't
gezicht ziende.
"Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men
mij Joan Van Craeihorst."
"Zeer wel!" zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met
het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere zette
het verhoor intusschen voort.
"Waar zijt gij geboren?"
"Ik weet het niet."
"Gij weet het niet?--Wat is dat voor een antwoord!" Hier trad de
Fiskaal toe en fluisterde hem iets in 't oor: "aha ja! _filius
illegitimus!_--Waar opgevoed?"
"Op den huize Sonheuvel?
"_Recte_. Waar laatst woonachtig?"
"Ik heb nu 't laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het
vorige jaar heb ik in 't leger van Z. M. van Bohemen gediend."
"Dat komt juist uit," zeide de Fiskaal, een geschreven papier
doorloopende, dat hij in de hand hield. "Doch! indien de Heeren mij
vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier
weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze verlaten?"
"Ten einde mij naar Den Bosch te begeven."
"En met wien hebt ge daar omgang gehad?"
"Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den
Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen."
"Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen
te verrichten?"
"Is dat mijn gansche misdrijf?" vroeg Joan verbaasd: "ja, dat heb
ik: en hier is het pakket, 't welk ik op mij had genomen te bezorgen
aan...."
"Zwijg!" riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit
de handen rukkende. "Dit pakket," vervolgde hij langzaam, terwijl
hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor
de Raadsheeren nederleide, "zal meer onheil brouwen, dan ooit eenig
ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen
hierin gevonden wordt."
"Ik kan niet begrijpen," zeide Joan, "welk kwaad er in steekt, brieven
te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.--Of is dit ook een _suspecte_
persoon?"
De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. "Het zal noodig zijn,"
zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, "dat dit verhoor zonder
eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met
mij gevoelen."
"Ongetwijfeld!" zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te
staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal afvroeg van, alles,
wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had,
had voorbereid. Het gewicht eener openhartige bekentenis gevoelende,
voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal
duurde des te langer, daar de Griffier, die alles nauwkeurig
opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed.
Toen hij geëindigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen
betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert
ter misse ging, of hij kennis met de Jezuïeten hield, of hij raadsman
van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan huis kwam,
en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend:
op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden.
"Zullen wij thans het pakket niet openen?" vroeg eindelijk De Vlaere
aan zijn ambtgenoot.
"Vooraf," zeide deze, "wenschte ik den gevangene te vragen of hem de
inhoud bekend is."
"Zoover ik weet," antwoordde Joan, "zijn het brieven, waarin de
verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen."
"Het bevreemdt mij," merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon,
"dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik, dat wij de
stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen,
of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel wat anders in die
brieven staan."
"Dan zou ik bedrogen zijn geweest," zeide Joan, de schouders ophalende.
"Waarlijk!" zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: "wij
zullen zien, wie hier de bedrogene is." Het pakket werd nu geopend
en de inhoud onderzocht.
"Mijn God!" riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten
brief den besten gelezen had: "wie kon dat ooit gelooven?"
"Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en
huichelarij!" riep De Vlaere.
"Laat ons voorzichtig zijn," zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot:
"deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot iemand, die
op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn
opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade vermoedens te werpen op
hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket
in handen?"
"Mijn oom, Louis de Velasco."
"Onbeschaamde!" zeide De Vlaere: "en gij zeidet, dat het brieven van
de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede te maken?"
"Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in
twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er onschuldig aan."
"Deze brieven," hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, "zijn
van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten voorkennis
Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen."
De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder
in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld werd.
"Was het overbrengen van dit pakket," vroeg toen Van Kinschot aan de
gevangene, "de eenige reden van uw reis herwaarts?"
"Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik
hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat thans nog
duister voor mij lag."
"Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.--Wie hebt gij
sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?"
Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne
Doorluchtigheid.
"Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen,
onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?"
"Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken."
"Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?"
"Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien
tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig misverstand...."
"Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven
samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf, als in
de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde,
valt niet onder 's Hofs jurisdictie.--Ik vrees, dat het slecht met
u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken
schuil te houden."
"Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen
mij zien kon," zeide Joan met drift: "doch, men zal zich nog bedenken,
eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen
niet dulden, dat de neef van Don Louis de Velasco...."
"Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs," viel hem Van Kinschot in:
"gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor zijn vertrek,
en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden
aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker hield."
"Dan is het beter, dat ik zwijge," zeide Joan: "ik zie dat mijn
verderf vastbesloten is!"
"Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd," zeide De Vlaere,
oprijzende: "stokbewaarder!"
De stokbewaarder en de dienaars traden binnen.
"Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het
uiterste gewicht."
"Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan," antwoordde
de stokbewaarder: "doch ik zal hem bij dien Arminiaan zetten, die
zooeven hier geweest is."
"Mijn eenig verzoek is," zeide Joan, "dat mijn reiszak, die in
de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit eenige
verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben."
"Die is hier al gekomen," zeide de cipier; "ik had vergeten zulks
aan de Heeren te zeggen."
De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door
den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich vertoonde,
was een prachtige gouden keten.
"Ei! ei!" zeide De Vlaere: "een kostbaar stuk werks, genoeg om een
geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat pronkstuk?"
"Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd."
"Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.--Maar wat is
dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?" vroeg De Vlaere,
toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, 't welk een volkomen,
schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde.
"Een stellig bewijs van hoogverraad," zeide Joan, met een bitteren
glimlach.
"Wat doet gij met kindergoed in uw valies?" vroeg De Vlaere.
"Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reede mij
tot kind aannam. Ik had die met mij naar 's-Bosch gevoerd, om ze aan
mijn oom te vertoonen."
"Voeg die kleertjes bij de _preciosa_," zeide De Vlaere tegen
den Griffier: "de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau
gehuisvest, en wij zullen ons van de waarheid van 't een en ander
gaan verzekeren.--Is er niets meer?"
"Het komt mij voor," zeide de Fiskaal, "dat wij het overige veilig aan
dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen gevangene weg."
Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman,
die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine vertrekje
bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag
Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend was voorgekomen,
aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij
rees op toen hij een deelgenoot zijner gevangenschap zag binnenkomen,
en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in 't gezicht;
doch eer men tien had kunnen tellen, vielen zij met den uitroep van
Joan!--Hendrik--in elkanders armen.