Geluckt de voor-genomen daed,
't Loon zal een hand vol wind zijn;
Loftuyting en een eeren-praet
Van die met u gezint zijn.
Maar zoo ghy 't voornemen sneeft,
Ghy blijft en zelfs verlegen;
En die 't geluck maer tegen heeft,
Krijght heel de werelt tegen.
Den algemeynen haet en spot
Hebt ge in ellendt te wachten.
Of overboos of al te bot
Zal u een yeder achten.
_Camphuisen_.
Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij
thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen verplaatsen in
het vorstelijk 's. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge
van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen bekend
onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf
Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen, begon
de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had
gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die in andere landen
zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die
van zijn broeder), de aandacht der landzaten op zich te vestigen en de
noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten
moede werd, de oogen richtte. Zijn bekende gematigde denkwijze,
de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral
uit een vrouw, die tot aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten
had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen
hij, schoon van haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en
inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd
bij de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting,
dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude,
had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de
wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden
vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande
te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal uit het vervolg
dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen
zullen moeten opmaken uit het navolgende gesprek tusschen hem en zijn
geheimschrijver gehouden.
"Wel Ludwig!" zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad
het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien hij sprak, aan
een tafel vol papieren gezeten was: "wat nieuws is er hedenmorgen?"
"De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest," antwoordde
de Secretaris, "om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor de genoten
ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich
met alle geweld voor de knieën van Uwe Doorl. gaan werpen om haar
vol gemoed en haar erkentenis uit te storten."
"Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school
geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben moest,
op een bedekte wijze te doen geworden?"
"Gelijk door mij is verricht," antwoordde Ludwig: "doch zoo bedekte
giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering eener
verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime
weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die haar herkomst
vanzelf verraden."
"Vrij poëtisch," zeide Frederik Hendrik: "op mijn eer! bij Paai Priaap
[52] af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt,
vriend! gij hebt gebabbeld."
"Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij
maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen gever raden
kon. De _arme_ Remonstranten _hebben niets_ en de _rijken geven niets_:
daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden
ingeroepen."
"Al genoeg, al genoeg," zeide de Graaf, ongeduldig: "wanneer gaat
zij op reis?"
"Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men
voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met het uitzicht
op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift
inleveren om bij haar man te worden opgesloten."
"'t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad wél
ken.--Is er niets meer?"
"Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om
de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de andere,
om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van
Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te vereeren. De Heer
Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen,
en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting te mogen maken."
"Is de bruid bevallig?"
"Ik heb haar eens als kind gezien," antwoordde Ludwig, "en toen
beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar zeker:
zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de
Gravin Douarière."
"Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk:
hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de jaren des
Ambtmans uit te trouwen!--Is er nog iets?"
"Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de
hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren der
Remonstrantsche Sociëteit, _Niellius cum suis_."
"Ja waarlijk!" zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig
had opengebroken: "onderteekend door het machtige Driemanschap. Hoe
komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn
ondersteuning en voorspraak te vragen!"--Dit zeggende, smeet hij den
brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in
verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig toe en stak hem bij zich.
"Wat zal ik zeggen?" hervatte Ludwig: "de Remonstranten zien Uwe
Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen."
"Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven," zeide de
Graaf op een gemelijken toon.
"Met verlof," zeide Ludwig: "Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen
geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe
Doorl. kennende, die als een milde regen...."
"Gij zijt een gek met uw vergelijkingen," hernam de Graaf: "ik ben
niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege níet geprezen
te worden."
Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereed
om te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik
op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine oogen,
veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam
aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns meesters weinig geloof
hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo
iets grappigs, dat de Graaf niet kon nalaten, nadat hij een wijl op
hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de
vraag spoedig deed volgen: "gelooft ge mij niet?"
Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin
de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt, legde hij hem dit
open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene
giften aan verdrukte Remonstranten waren opgeteekend, giften, die,
te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen.
Hoewel in 't algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets
plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd te worden,
vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam
Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid zijns dienaars niet euvel
op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter
uit de hem voorgelegde nota's bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens
de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven,
begreep hij, te dezen opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan,
volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen
te doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in 't
eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het laatste
uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij
de tafel nederzettende en het voorhoofd met de hand ondersteunende,
schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel
toe en sprak hem aan in dezer voege:
"Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen,
dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan van dit
boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond
heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen wèl. Zij deelen in mijn gunst
en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het
onbekend blijve: en ook hiervoor heb ik gezonde redenen. Die redenen
acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te
ontvouwen. Reeds sinds jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden,
zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid
aan wijlen den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid,
wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik
als een grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger
en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij
weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om,
op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te dienen. Dan,
mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor
haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde, de verdrukte partij
genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij door
haar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen,
zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige geneigdheid
tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu
en dan de Remonstranten, doch bedektelijk, uit vrees voor mijns
broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur
verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie van te maken, om de
verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons
Gemeenebest op een zoo geduchte wijze aan binnenlandsche onlusten ter
prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke
ik te voren nooit vermoed had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog
in de toekomst, en het verschiet, 't welk zich voor mij opdeed, was
zoo duister en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de
uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien
zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der
wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen, en ik had
met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette
Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten onder was gebracht:
hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen
opheffen, wanneer eens het fiksche brein mijns broeders (wien God nog
lang in 't leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug
tegen den tijd, waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid
in 't Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een
zoo geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet
geëvenredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd.
"Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te
leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd opgedragen,
het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende
geesten te zuiveren: en tot bereiking van dit oogmerk schreef
ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen
bewandeld heb. De partij der Remonstranten openlijk te kiezen,
streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten:
van een anderen kant wilde ik haar niet tot radeloosheid gebracht
zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in
't openbaar de Contra-Remonstranten te moeten voorstaan, en in 't
geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig
is om hen voor volstrekte armoede en daaruit voortkomende wanhoop
te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit
haren naam uitgedeeld; doch na haar dood zag ik mij verplicht andere
middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus
mijn geheim aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe,
verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is aan
menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette
tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven houden: de
verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich
reeds te gewennen en zelfs de heethoofden achten het onnoodig, die met
geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen:
de bezadigdheid en zucht naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: de
gebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren
geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten, die niet lang
meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid,
ziet met oogluiking aan wat zij beletten kon, is minder ijverig in
het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen
en draalt in hen te achterhalen: in één woord, alles bevestigt mij in
't denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht
uit dit Gemeenebest verbannen zullen worden en regenten en burgerij
zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van
onderlingen wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging
van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten."
Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in
dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke oogen, waarin
zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was,
flikkerden van tevredenheid over het schoon verschiet, 't welk hij
zich in de toekomst voorspelde.
"Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.,"
zeide Ludwig: "hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop, welke Uwe
Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is,
thans, naar mijn oordeel weinig kans op."
"Hoe dan!" riep de Graaf uit: "wat doet u vreezen?"
"Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden," antwoordde
Ludwig: "waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking
ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen
alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal gesteld worden."
"Wie heeft u die zotheid in 't hoofd gebracht?" vroeg Frederik
Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem innerlijk
verontrustte.
"De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar
men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer
Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende
Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding gegeven
hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs
hier ter stede, onder de Arminianen gehouden zijn."
"Wat gij zegt!" hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren.
"Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan
niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize van een
kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen
gepredikt zijn."
"Praatjes!" riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach.
"Ik heb iemand gesproken, die 't zelf gehoord heeft, den jongen
Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij verteld."
"Zoo!--Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij
te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan."
"Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst
te geleiden, waar niemand haar kennen zal."
"Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden," zeide
Frederik Hendrik: "indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te
kort te doen, door uw voorstel aan te nemen."
"En ik," zeide Ludwig, met een buiging, "zou Uwe Doorl. sterk
aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle
vooringenomenheid met de Arminianen genezen."
"Wij zullen zien," hervatte de Graaf, lachende: "doch het wordt
mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling:
met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe
decreet. Tot wederziens."--Dit zeggende, wilde hij vertrekken.
"Met verlof!" zeide Ludwig: "Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief
der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft. Zal ik daar
geen kopie van houden?"
Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel
en vertrok.
Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief
een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de papieren zijns
meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield,
als besluiteloos, wat er mede te verrichten. Eindelijk rukte hij
een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig
in en begon eenige andere schriften en papieren, welke in die
lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met
beide handen vasthoudende, ten einde ze bij de minste stoornis te
kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en
wandelde in hevigen gemoedsangst de kamer op en neder, somtijds de
zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. "Ben ik geen
groote gek?" vroeg hij zichzelven: "en den hond gelijk, die zijn prooi
voor den schijn in 't water vallen liet? En echter, een post als die
van Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver
gegaan om kinderachtig te worden."
Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende
vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde te spreken.
"Een onbekende vrouw!" mompelde Ludwig: "hm! hm! zeker weder de eene
of andere onbestorven Arminiaansche weêuw. Laat zij komen."
De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen,
van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder haar huif bedekt:
vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij.
"Wat is er van uw dienst, vrouwtje?" vroeg Ludwig, haar een teeken
gevende om te gaan zitten.
"Kent gij mij niet meer, Ludwig?" vroeg de kamenier der Freule Van
Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker blik
werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen.
"Moeder!" riep Ludwig, een stap achteruittredende.
"Stil!" hernam Magdalena: "dien naam mag ik niet hooren.... en
toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind ik u zoo
koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?"
"Kunt gij daaraan twijfelen?" vroeg Ludwig, haar de hand
kussende: "doch uw plotselinge verschijning verraste mij:--hoe
onvoorzichtig! indien iemand u hier zag...."
"Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk
gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?--Zoek u niet te
verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich
alleen voor het eigenbelang opent: ik weet, dat gij u zelven tot het
eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen."
"Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien."
Eene hevige verontwaardiging deed, bij 't hooren dezer woorden, de
kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende, toornige
blikken op haar ongevoeligen zoon. "Ellendige belangzoeker!" zeide zij:
"waarover verheugt gij u? Dat de dochter des Graven van Wertheim in den
lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?--of dat gij,
nu zij voor haar onderhoud niet meer bekommerd is, ontslagen zijt
van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht
gekweten hebt, om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de
vloek mijner moeder drukt mij zwaar op 't hoofd, nu ik door mijn
eigen zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en
verstooten worde."
"Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken," zeide Ludwig,
ongeduldig op zijn pen knauwende: "gij hebt u immers over niets
te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing
geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen gij nooddruft leedt, is
mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had
niet veel te geven, daar ik de grootste helft mijner verdiensten voor
de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van
u zou genoten hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik
ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt
ingestuurd, om een leven vol zorg en kommer te leiden."
De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal
haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken, en voor het eerst,
na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit.
"Ween niet, moeder!" zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem
terugstootte: "ween niet en vergeef mij mijn harde woorden: ik
zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden
uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd heb. Ik
weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook
toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot en mijn eigen loopbaan
volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog."
Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het
oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde den
boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende,
sprak zij:
"Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zie ik
dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij
mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft u bij de
Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere
posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik, heeft u, te midden van
ketters, voor 't ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige
bestemming erlangen om, in dit vijandig land, de eer te genieten van
uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak
genoemd worden, dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk
hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van
allen zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest
verschuldigd zijn!"
"Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!" zeide de Secretaris, op
den minzaamsten toon; "doch waarlijk, ik beschouw het als zulk een
groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte
rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig bedriegen, die mij de
meeste gunst bewijzen."
"Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht
hebben voorgeschreven, en niet aan mij," antwoordde zijn
moeder. "Noodzakelijkheid drijft u en mij."
"Ik stem u dit toe," zeide Ludwig: "doch," vervolgde hij met een
flauwe stem: "was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan de
bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf
van Falckestein, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal
der moordenaren opofferde?"
Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich.
"Was het ook noodzakelijkheid," vervolgde hij, "dat ik in dit
afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel,
heb moeten treden, ten gevalle van dienzelfden vervloekten Jezuïet?"
"Zwijg stil om Godes wil," zeide Magdalena, hem snel de hand op den
mond leggende: "gij weet niet wien gij vloekt."
"Ik weet zeer wel," hernam hij, "dat ik van eenen, in uw oogen
eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij gelast
hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het
rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne, en, vergeef mij,
wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam
geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven dan onrust hier," de
hand op het hart leggende, "en vrij twijfelachtige verwachtingen in
de toekomst."
"Onrust!" herhaalde Magdalena verbaasd: "wat kan u ontrusten, wanneer
gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt? of zoudt
gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij,
waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden, en een plasdank
bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?"
"Ik weet het niet," antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende
de schouders optrok: "Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in de
tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn."
"O!" zeide Magdalena, "die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer
gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten afmeet, dan moet
gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt,
al de vruchten van uw tot nog toe verrichten arbeid, als nutteloos en
nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven
doel werkzaam waren, bij uw meesters te gaan verraden. Want, is de
hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de
bloedprijs voor het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan."
"Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den
naam van verrader verdien."
"Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches
beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden
beoordeeld worden, dan de denkwijze van 't algemeen. En acht gij dan
het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het heerlijk werk der
verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet,
die op uw schedel dalen zoude, indien uw dagen door afval geteekend
werden? Zie deze haren, mijn zoon! die vóór den tijd vergrijsd zijn
geworden, zult gij ze met schande bedekken of met eere kronen?--Het
hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere
knaap, uit mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf,
toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te
midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande
ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt, dat deze
heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders
terug moest brengen. Toen streelde een, misschien zondige, hoogmoed
mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten
en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen. Helaas! hoe fel worde
ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij
aan de heerlijke vooruitzichten, welke mij uw daden in den beginne
beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw
trekken vertoont, de bekrompenheid uwer ziel. Welaan dan, ik wil,
u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen:
dan nog vordert uw eer, ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den
eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen
dwingeland of aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt:
wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs
uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht
der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn, en bij hen, wier
kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder,
veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult willen nederzetten,
overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Kaïns
merk op het voorhoofd zult gij, ellendig, vervolgd en ontweken, als
banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den
vloek der wereld beladen, in het graf een schuilplaats zoeken zult,
die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan."
"Na al hetgeen ik reeds gedaan heb," zeide de geheimschrijver op
den bedaardsten toon der wereld, "verdien ik zooveel gestrengheid
niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u
bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn daden door
voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder
gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen anderen toon
voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt."
"Dat zal van uw gedragingen afhangen," zeide Magdalena, en stak hem
tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste. Op dit oogenblik
trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan.
"Laat hij een oogenblik vertoeven," zeide Ludwig.--"Welnu,
moeder!" vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: "hebt gij nog
iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren."
"Dit pakket," zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te
voorschijn halende, "moet aan den Kanselier bezorgd worden. Het bevat
rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken
hier te lande."
"Het zal bezorgd worden," hernam Ludwig, het pakket aannemende:
"ik moet de gezanten toch nog spreken vóór hun vertrek uit Den Haag."
"En deze brief," vervolgde zij, "is voor den Veldheer Spinola."
"Waarschijnlijk van den Ambtman," hernam hij: "ja, ik herken die
hand. 't Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal krijgen. Is
er nog iets?"
Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand,
trok haar falie weder over 't gezicht en verwijderde zich; waarna
Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en
hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten.
"Ik heb daar een zwaren post gehad," mompelde hij bij zichzelven,
terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; "nu, alles zal afhangen
van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet
zekerheid hebben!--Wat verlangt UEd.!" vervolgde hij overluid, zich
tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed,
binnentrad.
"Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht,"
zeide de vreemdeling, "doch, daar UEd., naar ik verneme, de vertrouwde
geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht
genoegzaam te kwijten door mijn boodschap aan UEd. te doen."
"Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid."
Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren
voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen was om die te
ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden
herinnerden zich, elkander meer gezien te hebben; doch waar en wanneer,
dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen.
"Ik ben uit Den Bosch gekomen," zeide de onbekende, eenige brieven
voor den dag halende.
"Uit Den Bosch," zeide Ludwig haastig: "ga zitten: schuif wat
naderbij, als 't u belieft. Gij komt toch niet van.... van, gij weet
wel wien...." Dit zeggende, zag hij hem scherp in 't gezicht, als
wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten,
wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio hield.
"Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom," antwoordde de ander, op een
toon, die Ludwigs vermoeden versterkte.
"Van den zwarten vos misschien?" zeide Ludwig, den Jezuïet bedoelende.
"Ik geloof van ja," antwoordde de vreemdeling, die in den waan
verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten
bedoelde.
"Ik had mij gevleid," hernam Ludwig, fluisterend, "dat hij zelf hier
zou komen snuffelen."
"Hij zou er wel op passen," zeide de ander: "hij zou hier slecht
ontvangen worden."
"Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater
niet. Doch, wat mij verwondert," vervolgde Ludwig, wiens vermoedens
op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, "is dat hij den pleegzoon
van den Baron Van Sonheuvel tot zijn zendeling uitkipt."
"Met uw verlof," zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver
herkende: "ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen, waarop men
minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de
eer had, u te ontmoeten."
"Verheugd u weer te zien," zeide Ludwig, zich buigende: "doch hoe
duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van."
"Gij kent Pater Eugenio?" hernam Joan verbaasd: "doch waarover
verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd aan
Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte
hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan menig ander."
"Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al
die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt."
"Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?" vroeg Joan: "doch
gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is zeer eenvoudig
en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven,
alsook een paar handschriften van de Remonstrantsche ballingen, die
zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik
Hendrik toegezonden, om daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde
Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen
meer zou aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van
zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid."
"Aha!" zeide Ludwig: "gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat
verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat de kweekeling
van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt."
"Het was het verlangen van Don Louis," antwoordde Joan, wiens ronde
oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, "het was het verlangen
mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden
ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner belangen zou ophouden
en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten
gebruiken. Terwijl de Gezanten des Konings van Spanje met Prins Maurits
aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar
genoegen rekenen, hier den binnenlandschen krijg te helpen smoren."
"Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?--En hoe komt het dan, dat ik
u thans eerst hier zie?"
"Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot
deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge boodschap
aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?"
"Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?--Ja, heden zal er moeilijk
kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?"
"Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap."
"Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik
zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit papier
weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon
aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een weinig huiverig,
om mij met een dusdanige commissie te belasten."
"Zooals gij verkiest," hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende:
"gij zegt dan, morgenochtend...."
"Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant."
"Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!" zeide Joan en vertrok.
"Morgenochtend te negen uren!" herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen
was. "Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet vandaan laat
vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden
zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom! heb ik geen eigen genie
genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de
brieven aan de Gezanten bezorgd en dan.... Doorluchtig Broederpaar,
gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een
Thebaïs van tweedracht en vijandschap verwek."