VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Mathan! d'un prétre est-ce là le langage?

Is dit eens priesters taal, o Mathan?

_Racine_, Athalie.

Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was

gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de Velasco,

met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds

meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden van den

Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands

voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden een niet geringe

verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der

vertrouwde vrienden van het doorluchtig vorstenpaar, meer bijzonder

getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen,

hoe zich in deze omstandigheden te gedragen; het tijdstip naderde

met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand

geduurd had, zouden verloopen wezen, en Velasco was beducht, dat,

zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in

staat zoude zijn, bijtijds tot den oorlog gereed te wezen, voor

zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid

was toevertrouwd. Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog

had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer

staat- dan krijgskundige overpeinzingen van hem vorderde; hem werd

namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig

De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in

's-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins

over te halen om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene

begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak

van Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen,

ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegrip toescheen, dat twee

verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een

groote aanwinst niet zouden zijn voor de Spaansche partij. Zijn eigene

begaafdheid in 't behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende,

had hij den Heer Van Grobbendonck, een listigen, behendigen man,

en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen

verzoeken, de samenkomst te willen bijwonen. In afwachting van dezen,

las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris

zich bij hem liet aandienen.

"De Vicaris!" riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich

op zijn gelaat verspreidde: "voorwaar de man kan nooit op gelegener

tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde

tegen geleerde dat's kamp.--Maar de duivel!" vervolgde hij, zich

achter 't oor krabbende: "zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht:

_non tali auxilio, non talibus defensoribus_.... of hoe zeide mijn

hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?".... [47]

"Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?".... vroeg

de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende.

"Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!--laat Zijn Hoogwaardigheid

boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een persoon

meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u:

ik verlang al hem te spreken."

Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius

in. "_Salve: celsissime vir!_" zeide Velasco, zich nederig buigende en

den grijsaard de hand kussende: "nogmaals _salve_! en van harte welkom

in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid

binnen onze muren terug te bezitten?"

"Ik ben heden van Tiel teruggekeerd," antwoordde de Vicaris, na

beleefde groete, plaats genomen hebbende: "en hoe gedraagt UEd. zich

in de droeve omstandigheden welke wij beleven?"

Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden

wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen,

welke hieruit zouden ontspruiten.

"Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen," zeide Velasco, toen eindelijk het

gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het kuddeke gevonden

heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?"

"Daarover," zeide Ambrosius, "valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer

ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige arbeid het

wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk

word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die plichten jegens mijn kudde

te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik

mij geroepen zie."

"Uw eigen geloofsgenooten," riep Velasco verbaasd uit: "over wie hebt

gij te klagen?"

"Mijn klachten," hernam Ambrosius, "hoop ik eerstdaags bij den Nuntius

in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel, waarop zij

hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid

getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan, en het treft de

scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de

goede Herder is, de boozen beteugele en Zijn Heiligheid intijds nog

den banbliksem op 't hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in

alle dingen verwarring en meer gevaar van de huisgenooten, dan van

de vijanden des geloofs te vreezen."

"En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?"

"Wie?--het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa

doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke vijanden van

alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig

onder mijn gezag gesteld, geen andere bevelen volgen, dan die, welke

uit den boezem hunner Sociëteit voortkomen."

"Hoogwaardigste!" zeide Velasco, verbleekende: "gij bedoelt toch de

Jezuïeten niet!"

"Zie," hernam de Vicaris: "den indruk, dien het noemen alleen

van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden

van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht,

bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht als

ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het

eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen hun even

geschikt voorkomen:--en wat is dat doel? Niet de vestiging van de

echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging van alle volkeren

tot het heilig en onvervalscht geloof:--neen, alleen de tijdelijke,

geheel aardsche heerschappij hunner eigene Sociëteit over de geheele

wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan 't welk zij alle belangen,

alle plichten, alle menschelijke banden, ja het welzijn van hun

onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen."

"Mijn waarde Heer Vicaris!" zeide Velasco, nadat hij vruchteloos

dien stroom van woorden had pogen te stuiten: "laat ons liever

van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige

omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek toe, dat ik

u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht

hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog drie heeren, van welke

Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot,

Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe H. zal mij grooten dienst doen,

door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben

geen geleerde, gelijk Uwe H. bekend is."

De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl

Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie heeren

bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en,

kort daarna, de drie Hollandsche ballingen.

"Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te

beurt valt," zeide De Groot tot Velasco, "dat wij van UEds. beleefde

uitnoodiging hebben gebruik gemaakt."

"Geen plichtplegingen," was het antwoord van den gastheer: "het is aan

mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten te mogen ontvangen:

ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken

zullen; want ik ben geen geleerde, maar een krijgsman: _artium

liberalium expertus_, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide."

"_Expers_ meent UEd. voorzeker," zeide De Groot: "maar zoo heeft elk

zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk

ik de pen voere."

"Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd

is," hernam Velasco: "het verheugt mij intusschen, dat ik u, Mijn

Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer

Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend is, namelijk

van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig

en bekwaam...."

"Aangenaam is het ook mij," zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris

toetredende, "in de gelegenheid te zijn van in kennis te geraken met

een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun

mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen. Eer hebbe de Geleerdheid,

welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft,

de vriendschap te genieten en te oefenen, welke de heiligste van alle

menschelijke zaken is."

Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste

wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een zeer

onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig

begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen: de gasten

plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf,

op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig verhaal van zijn

zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit,

die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding nam, om hevig uit te

varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en

verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige wijze behandelden.

"Verschoon mij, Mijnheer!" hernam De Groot: "Ik wijt mijn ongeval

geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme, hooge

achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging

als die, welke ik lijden moet, is alleen het gevolg van den nijd

en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin

ik mij dus verheugen mag. Werd niet Miltiades door zijn medeburgers

in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd,

Cicero onthalsd, de groote Cato genoodzaakt zichzelf van het leven

te berooven?"

"Waren die Heeren ook Remonstranten?" vroeg Velasco, jegens wien De

Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde.

"Gewis, Mijnheer!" antwoordde Uyttenbogaert: "in zooverre als zij

remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd."

"UEd.," zeide De Groot met verbazing, "heeft toch den goddelijken

Cicero wel hooren noemen."

"Buiten twijfel," hernam Velasco: "mijn leermeester te Salamanca,

gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken:

dat was immers de man, die zeide; "_Quousque tandem Catalina_...."

"_Catilina_," verbeterde De Groot.

"Juist, _Catilina_.--Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje,

waar onze geëerde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en

daarom lag mij die naam in 't hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te

zeggen, ik ben geen geleerde, en _non omnes omnia_...."

"_Non omnia possumus, omnes_, [48] als UEd. te recht aanmerkt. Welnu,

Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote

en gewichtige diensten door hun medeburgers met ondank beloond,

en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven

daar herhaalde bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk

der Galliërs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor

het gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde,

Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht,

om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is,

moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven."

"Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te

zeggen," zeide Grobbendonck: "de meeste der helden, die UEd. ons

opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen

ulieden in 't werk gesteld, is meer gericht tegen een gevreesde

partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten

elk Nederlander, hoe ook in staatkundige of godsdienstige gevoelens

van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft."

"Ja, Mijne Heeren!" zeide Velasco: "het is niet zoozeer om uwentwil,

als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt voorgestaan,

dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin

te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der Brabantsche of

Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente

zich verzamelen mag: en onder geen andere voorwaarden, dan dat gij uw

bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede,

het uitzicht en de hoop van alle brave lieden."

"De vrede zou mij dierbaar zijn," riep De Groot uit: "doch zoo ik

daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins op verzoek

harer Doorluchtigheid geschieden."

"Ik eer uw nauwgezetheid," antwoordde Grobbendonck: "wij begeeren ook,

dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen: het zal ons zelfs

aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk 's Konings gunsten wilt

aannemen; want daardoor zal de wereld zien, hoe ons Hof, ook zonder

hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en

voor te staan; doch wij willen UEd. geenszins overrompelen: denkt

over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo 't u goeddunkt,

uw geloofsgenooten, uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw

verstandigen en doorluchtigen beschermheer."

"Onzen beschermheer?" vroeg De Groot, verwonderd: "wien kan

UEd. bedoelen?"

"Graaf Hendrik Frederik," antwoordde Grobbendonck: "zoo ik wel

onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is hij in

Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten."

De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van

besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk

zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van

derden daarin verhinderd wordt.--Grobbendonck redde hen echter uit die

verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst

niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige tijd en vrijheid

gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof

te beraden.

Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun

werken onderhield, weder een letterkundige wending nam, ontstond er

plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur,

waarop, na het openen daarvan, een verward geluid van stemmen volgde

en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen

haastig kwamen opgeloopen. En eer nog Velasco was opgestaan om naar de

reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad

binnen, die, hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk

deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier

van Brabant, Pieter Pekkius.

"Waarlijk," riep Velasco uit: "hoe later op den dag, hoe schooner

volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar komen de

vrienden met zulk een drift?"

"Spoorslags van Brussel," zeide Spinola: "ik heb den Heer Kanselier

laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft."

"Noch in mijn leven weder hoop te doen," zeide Pekkius, Spinola's

gezegde met een knik en een zucht bevestigende.

"Zoo gaat het," merkte Grobbendonck lachende aan: "die met Spinola

gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte. Laat ik u

een roemer wijn vullen, Heer Kanselier."

"Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?" vroeg Velasco: "zijn

er slechte tijdingen?"

"Van belang," antwoordde Spinola: "doch vergun mij te vragen, wie

zijn die Heeren?"

Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het

hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met hen te maken:

doch dat hij voor 't oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen

Overste af moest handelen en dienvolgens hun verzocht, zich wel te

willen verwijderen: ten gevolge van welke _injunctie_ De Groot en

zijn medeballingen vertrokken.

"Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd," zeide Spinola, ziende dat

Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: "UEd. mag de tijding gerust

vernemen, welke wij met ons brengen."

"En welke is die?" vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig.

"Zijne Majesteit...." antwoordde Spinola, de schouders ophalende.

"Is toch niet overleden," viel Grobbendonck in, met drift.

"Is overleden," antwoordde Pekkius.

"Is overleden," herhaalde de Generaal: "en zonder mij ooit te hebben

zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik zijn wapenen

in den Neder-Paltz heb doen zegepralen."

"Waarlijk, gewichtige en droevige slagen," hernam Velasco, "en dat

juist met het einde van 't Bestand."

"En wat dient er nu gedaan?" vroeg Grobbendonck.

"De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van

vrede te doen," zeide Spinola, somber voor zich ziende.

"God geve dat hij gesloten worde!" riep Ambrosius uit.

"Daar is geen nood voor," hervatte de Veldheer: "de voorwaarden

zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en ondanks

de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat

voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag van Frederik zal wat

schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig

gebruik te worden gemaakt. Drie dagen geleden kwam ik uit het leger

terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed

laten zakken: dan, de hemel zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen

Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik

zal de beloften vervullen, die ik hun deed, om binnen het jaar den

Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in

den schoot zullen leggen;--doch van wat anders! Hoe is het met de

Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?"

"Mij onbewust," antwoordde Grobbendonck: "ik wacht Pater Eugenio

dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te geven. Doch

misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer

licht kunnen geven."

"Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met

landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de Heeren bericht

verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezuïet Eugenio gewond bij

mij aan huis: die zal u zeker kunnen vertellen, wat hij er van weet."

"Gewond!" riepen al de aanwezigen uit: "en hoe is het mogelijk...."

"Men had het op mijn leven toegelegd," antwoordde de Vicaris; "doch

de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten verijdeld en

schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer

Grootmeester komen onderhouden."

"Uw leven was in gevaar!" riepen de aanwezigen uit: "wij bidden u,

verhaal ons...."

"Het verhaal is kort en eenvoudig," zeide Ambrosius, en hij gaf in

weinige woorden op, wat 's middags gebeurd was.

"En op wie vallen uw vermoedens?" vroeg Pekkius haastig.

"Ik heb geen vermoedens," hernam de Vicaris op een drogen toon.

"Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn," merkte Spinola aan.

"Geen wonder," hervatte Ambrosius; "hij is (of meent zulks althans

te zijn) een bloedverwant van Don Louis."

"Van mij?" vroeg Velasco verwonderd.

"Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed."

"Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men

mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig

hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem

morgen te tien uren zal afwachten."

De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk

hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen, en nam

afscheid van het gezelschap.

Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel

was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd hem geboodschapt,

dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem 's avonds te voren

gesproken had, in de benedenkamer zijn bevelen afwachtte.

"De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?" zeide de

Grootmeester, zich bezinnende: "ha ja, nu herinner ik mij: eilieve

hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu

laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik zit hier in een

mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen,

mijn familie dus ongevergd te vergrooten."

Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een

eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet minder

bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar

stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens met zichzelven

over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een

weifelenden toon: "mag ik weten wien ik de eer heb..."

"Dat is juist, wat ik vernemen kwam," was het antwoord, dat met een

gebroken stem gegeven werd.

"Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?"....

"Door Pater Eugenio!" herhaalde Joan, verbleekende. "En was de man,

die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?"....

"Van Dyk.... Eugenio...." stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in

de war: "nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij den Heer

Van Sonheuvel is opgevoed...."

"En die thans," vervolgde Joan, "de bevestiging komt vernemen van

een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn van uw

overleden broeder."

"Juist," hernam Velasco: "dezelfde: doch, neem plaats!"

Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor

zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het gesprek:

"Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al

hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren geschreven

heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen

meer heb om te twijfelen aan den graad van bloedverwantschap, die ons

verbindt: en ik beken tevens," voegde hij er met welwillendheid bij,

"dat, indien uw inborst en bekwaamheid slechts gedeeltelijk den

gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft,

ik het mij als een bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te

omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten."

"Ik was verre," zeide Joan, zich buigende, "zulk een onthaal van

UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn dankbaarheid

zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan

uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn plichten mij zulks

veroorloven."

"En mag ik thans vragen," zeide Velasco, "waarin ik u van dienst

kan zijn!"

"Voor 't oogenblik verlang ik niets," antwoordde Joan, "dan een mij

beloofde inlichting omtrent mijn geboorte."

"Natuurlijk, zeer natuurlijk!" zeide Velasco, zich over de kin

strijkende: "ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude

ontvangen."

"Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder

zoude vinden."

"Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,--Zoo

Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen

vertellen.... nu, hij zal spoedig hier zijn! _vindice nodus_, zooals

mijn leermeester te Salamanca zeide."

"Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat

de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit op het slot te

Sonheuvel gevangen."

"Wat zegt gij?" riep Don Louis verschrikt: "hij gevangen! voorwaar,

alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren."

Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal,

den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan.

"Slechte tijding!" zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: "deze

Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen zit."

"Gevangen zat," zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende:

"_Pax Vobiscum!_" [49]

"Voor den duivel!" riep Velasco, een stap terugtredende: "de Staatschen

zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen zij bewaren."

"_Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris_," [50] zeide

de Jezuïet: "ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen

Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, die om mijnentwille

in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide

Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, dat ik u Don Diego de Velasco

voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer

twintig jaren jammerlijk vermoord werd."--Dit zeggende, nam hij Joan

bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die

hem met vele plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich

Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen

en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der

mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen gemeld werd,

wie zijn moeder geweest ware.

"Ik zelf," antwoordde Eugenio, "heb in den jare 1597 uw vader in den

echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, een adellijke

Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders

uwer moeder daartegen verzet hadden. Een jaar na de verbintenis beviel

de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het

leven kostte. Die zoon waart gij."

"Zoo heb ik dan geen moeder," zeide Joan met een zucht: "en waarom mij

dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den Bosch zoude vinden?"

"Ik heb u alleen gezegd," hernam de Jezuïet, "dat men u hier de

noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt gelieven

te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden."

"Welaan, mijn waarde neef!" zeide Velasco: "sinds alles opgehelderd

is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons verbannen

zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw

waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete verzoek, u af wil

staan.--Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren

alleen willen laten."

"Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken,"

zeide Joan: "doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht te hebben van

zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar

Brussel vertrokken."

"Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?" vroeg Eugenio met eenige drift,

terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat verspreidde.

"Verwondert u dat?" vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik

aanziende. "Een woord met u, Pater!" en tegelijk, hem om den arm

nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek.

"Gij weet dus ook niet," vervolgde de Kanselier, "dat de Vicaris op

den weg is aangerand geweest."

"Ik kom pas in Den Bosch."

"Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.--Gij zijt geen vriend

van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd."

"Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand," hernam

de Jezuïet met trotschheid.

"Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.--Dit alleen weet ik, dat

de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig is

van Pater Eugenio."

"Heeft de schoft geklapt?" vroeg deze met een woesten blik.

"Dat geloof ik niet," antwoordde de Kanselier, "daar hij gisteren

buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden overleden

is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal 't mij aangenaam zijn: doch

als vriend raad ik u, in 't vervolg behoedzaam te werk te gaan, want

anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen,

u voor straf behoeden."

"Men moest eerst iets kunnen bewijzen," hernam Eugenio, wiens gelaat

weder de gewone kalmte vertoonde. "Intusschen dank ik UEd. voor

't bericht."

Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zij vonden

Joan reeds vertrokken.--"Mag ik nu weten," zeide Velasco, naar Eugenio

toetredende, "waar ons de klucht moet brengen, die wij spelen?"

"Hoe dan," vroeg Spinola; "is die jongeling dan uw neef niet?"

"Zoomin als UEd.," antwoordde Velasco: "het is een zeer gekke

vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van pas, om

mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke

vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord op wist te geven."

"Mijn doel is niet naar wensch gelukt," zeide Eugenio: "Ik had gehoopt,

dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, zijn pleegvader om

den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild."

"Santa Maria!" riep Velasco: "dus wildet gij dien armen Baron door zijn

voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk een boevenstuk

de hand bieden?"

"Is dit de handelwijze eens geestelijken?" vroeg Spinola met afgrijzen.

"Waarom niet?" antwoordde Eugenio met koelheid: "elk heeft het recht,

wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en het is, gelijk

de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd,

niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter bevordering van het nut

der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan

teweegbrengen."

"Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het

leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed," zeide Spinola.

"Wat hoor ik!" zeide Eugenio: "zal een voorvechter der ware Kerk die

aanslagen misprijzen?--en dat in mij, die tegen alle ketters den

eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is 't u bewust,

Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge de bevelen der

Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?"

"Ook de voldoening van personeelen wrok?" vroeg de Generaal.

"De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat

mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, moet in

't werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als

Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest zijn."

"De leer der Kerk luidt: _non occides_," [51] zeide Spinola.

"Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!"

"Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars

vergelijken?" vroeg de verontwaardigde Veldheer.

"Een sluikmoordenaar," antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde

bedaardheid, "is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad geld

of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak

verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit leeren onze

statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd."

"Laat ons," zeide Pekkius, "een gesprek staken, dat alleen tot onnutte

verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater heeft zooveel

diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip

kunnen laten handelen. Elk heeft op deze wereld zijn bijzondere taak te

vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en

zijd doen zegevieren: mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen

te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der

ketters is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen

weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven eens

anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen,

die men zichzelven heeft voorgesteld."

Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des

Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, en achtte

het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der

Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn zetel een weinig

terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in

't gesprek.

Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden

neef moest worden aangevangen.

"Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn,"

zeide Eugenio: "ik zag naar een geschikt werktuig om, dat de

achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon

verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen hen beiden

en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in

hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in staat stellen, mijn

plan te beoordeelen."

Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader

in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij dus hier niet

behoeven te vermelden.

De Pleegzoon · 第 40 / 50 题