J."

"Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?" riep de Baron uit, zoodra

hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: "blijkt het niet uit

dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezuïet

heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de woorden: _deed toekomen_,

_verlost door mij_, _Van Sonheuvel_, _zijn moordenaar_.... O! het is

niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik

dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk liefhad? Moest gij

de Judas worden, die mij verraadde!" Hier bedekte de brave man zijn

gelaat met beide handen en snikte luid.

"Wat beveelt UEd.?" zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens,

't welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals na

te lezen. "Zal men den Jonker nazitten?"

"Neen!" zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: "Laat den

ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In den oorlog

werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed

zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga en leve in vrede,

indien zijn geweten het hem toelaat."

"Wat den Jezuïet betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren,"

zeide de Schout. "Hij is aan hoogverraad schuldig, en het zou mij

spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg."

Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te

sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte men, na

een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel

met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar Wijk te Duurstede

was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere

berichten vermeldden, dat Joan, met een vermomden grijsaard, de Waal

te Tiel was overgevaren.

Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood

bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend wees de Baron

haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus:

"Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad;

ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei maar niet:

ik wil u daarvoor thans niet beknorren: 't was ook eenigszins

mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief, en zoo hij geen

Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het

verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen u waarschuwen, dat ge

voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een

onwaardig, een slecht voorwerp, ja slechter dan ik u zeggen kan: mij,

zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft,

dien hij nu heeft doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik

zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen."

"Was hij een verrader," zeide Ulrica met kracht, "dan is hij de

grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw getuigenis,

mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden."

"Welnu dan," hernam de Baron: "wat dunkt u van zijn ontsnapping, te

gelijk met den Jezuïet? van deze wigge en dat touw? van dit briefje?"

Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl

haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die tegen Joan

konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend

staan en berstte toen uit in tranen.

"Welnu!" zeide de Baron: "en aan dien slechthoofd wilde de brave

Ambtman u afstaan. Hoe zult gij 's mans edelheid beloonen?"

"Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt," zeide Ulrica, opstaande

en haar tranen wegvegende: "ik ben bereid, zijn gade te worden."

"God zegene u, beste meid!" zeide de Baron, haar omhelzende. "Gij

verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit te nemen. De

liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de

tranen te drogen, die gij over den onwaardigen Joan nog storten mocht!"

"De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten," zeide zijn

dochter: "maar de verachting heeft er geene: en die alleen vervult

thans mijn boezem voor den booswicht!"

Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen,

was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de

poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar den Gouden

Ooievaar begeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar

bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene

personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten,

te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene

richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te

bouwen: in één woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel

vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte,

eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men

hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen

waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren,

terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een

eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend

rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest,

eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds

weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had

onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar

in gezelschap van Groenhovius vertoond had.

"Wat is er van je dienst, heerschop?" vroeg hij, zijn breeden

vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. "Ai mij! wat

zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier

ekomen zijt?"

"Ik zelf!" zeide Joan: "geef mij een snede brood en een kan bier,

en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder."

"Wel is 't mij bijzonder aangenaam, oe te zien," hervatte de waard. "Ai

mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: jaô, een snee brood

en een kan bier, daôr kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook,

die leit nog boven achter 't slot, wel bewaôrd; ai mij! 't zou mij

pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; maôr oe paôrd,

man! dat is marsch!"

"Hoe!" riep Joan, opvliegende: "wat heeft dat te beduiden?"

"Ai mij! maôk u niet driftig, heerschop! 't Is dat...."

"Ik wil mij driftig maken," hernam Joan: "wat is er met mijn paard

gebeurd?"

"Oe paôrd, heerschop! jaô! oe paôrd! Ai mij dat.... het is geprest

voor de lichting, en deur dien weg is het marsch." En hij vergezelde

deze woorden met een zeer beduidende gebaarde.

"Larie!" zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende:

"mijn paard weerom, òf ik klaag u zoo dadelijk aan bij het gerecht."

"Ai mij!" hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een

zoo geweldige weerpartij zocht los te maken.

"Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!"

"Wel daôr speult Sint-Felten mee," riep de waard, half boos, half

bevreesd, "kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik het ebeteren,

dat je zonder betaôlen aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur

dood houdt en dat oe paôrd geprest wordt en dat je nou weer levend

veur mij staôt? Zie dat jij oe paôrd van den ritmeester weer krijgt,

die het met enomen heeft: aôrs, honderd daôlders heeft hij er veur

elaôten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe

zeide, niemand moet iets bij mij te kort komen."

De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand

verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den uitslag van

dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in

een engen kring verzameld, zich met de gramschap des jongelings en

den angst des kasteleins vermakende.

"Honderd daalders!" riep Joan verontwaardigd: "die Jood! die Griek! een

paard, dat de helft meer waard is."

"Weeg uw woorden wat, vriendje!"' voegde hem een officier toe

(die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was, en de

laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte:

"die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven wat de Staten als prijs

hebben vastgesteld voor officiers-paarden."

"De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard

iets te beschikken," hernam Joan op een zachteren toon: "beiden zijn

wij in dienst van den Koning van Bohemen."

"De Koning van Bohemen" zeide de officier met een spotachtigen lach:

"pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij geprest ook,

de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan," vervolgde

hij, ziende dat Joan de hand aan 't rapier sloeg: "ge schijnt mij een

goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik

zal ze er wel bijleggen: dan hou ik het paard voor mij; want zuiver,

de knol bevalt mij."

"Verplicht!" zeide Joan: "ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch

uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden te sparen,

die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik

moet nog heden verder."

Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren,

hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude; want zij

beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit

zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn valkenblik en uit zijn

door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet

gemakkelijk op de teenen zou laten trappen; doch hun verwachtingen,

wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude

ontstaan, werd niet vervuld. De officier beschouwde Joan een wijl

met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om,

zag de omstanders aan en vroeg op een vrij forschen toon: "welnu! wat

hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn

Engelsch, een hanengevecht gaan houden?"

Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken,

en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de omstanders

beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing

ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het verder onderhoud

gadeslaan.

"Hoor eens, kameraad!" vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder

den arm nemende: "antwoord mij eens oprecht: wie heeft het _model_

opgegeven, volgens 't welk uw paard getoomd en geteugeld is?"

"Wel ik zelf!--Maar wat zal deze vraag?"

"Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet," hernam de ritmeester,

altijd bedaard en vriendelijk, "dat meester Symen, die een bol in de

toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom

juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet weerom krijgen; want ik

heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model."

"Verplicht voor de eer," hernam Joan; "maar dat helpt mij weinig."

"Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan," zeide de officier,

zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: "ik sta u borg,

dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein

Schwanck?" vervolgde hij, zich tot den anderen officier wendende.

"Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!" antwoordde deze.

"Uw naam," vervolgde de andere tot Joan, "uw naam is, zoo ik mij niet

bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....! Ja waarlijk,

volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb."

Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en

bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein Holtvast

ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat

Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen gebeurt, wanneer men

die bij een ander heeft doen opstijgen.

"Ja!" hernam hij: "nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u

daarvoor niet te schamen, jongeling!--ik voorspel u, gij zult een naam

verwerven, zoo gij er nog geen hebt;--althans het zal uw schuld niet

zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt ge? neemt ge dienst

bij ons?"

"Ik kan noch mag daarop antwoorden", zeide Joan, "voor 't oogenblik

moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van uw vriendelijke

uitnoodiging gebruik kunnen maken."

"Hm! hm!" zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd

schudde: "die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half: schoon ik

er ook eens hoop te komen.--Wat drommel moet ge in dat Paapsche

land uitrichten?"

"Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben," zeide Joan.

"Misschien!" antwoordde Schwanck: "het moet ons vreemd voorkomen,

dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar Den Bosch

reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt."

"Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!" zeide zijn krijgsmakker. "De

Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te

onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben,

en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch het is

onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons

begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien gij hier ziet,

Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te

dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen, beloof ik u, dat ik u

aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen

hebben;.... doch waarom hieldt gij u ook dood?"

Deze toespraak geëindigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder

antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld van Kapitein

Schwanck. "Bij mijn degen," zeide hij tegen dezen in 't uitgaan: "die

knaap herinnert mij volkomen een dapperen Kleefschen Graaf.... doch

dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!"

Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl

wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die zijn paard

verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed,

waaraan hij geen verklaring geven kon, en op zich zelven, daar hij

begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos

voor zich keek, rees een der aanwezigen, die zich met den ganschen

twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten,

van zijn bank op, naderde hem, en zeide in een vreemden tongval, dat

hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen,

en dat het hem aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van

zijn gezelschap wilde verschaffen.

Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag

deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen Jood, droeg

een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren

stak, een diep ingedrukte bonten muts en een bruinen baard. Schoon

onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven,

begreep hij echter, de gelegenheid niet te moeten versmaden, weshalve

hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende,

wanneer hij dacht te vertrekken.

"Zoo op het oogenblik," antwoordde de Jood: "indien UEd. uw pakkage

gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten."

Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard

terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezelde den

waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand

stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald was,

daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor

zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde naar het

voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de

Waal en in de veerschuit gestapt.

De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op:

zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier stengen

en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden,

die op den stroom de aankomst van Koning Frederik verbeidden. De

beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad

lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel de Prinsenvlag als het

wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met

zijn gevolg, waaronder de Ambtman Mom en meer hoofdbeambten van het

gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de

wapenen, om den doorluchtigen gast van Nederland bij zijn doortocht

verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten

bemand, gingen den Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen

versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den

vloed zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel

vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel te doen

weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart

geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere zijde gekomen was en

toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis,

Teun Wezer. Niet verlangende, met dezen in gesprek te treden, wendde

hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen

beschrijvende, stond dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak

hem met de volgende woorden aan:

"Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gisteraôvend

liet ik u immers nog op Sonheuvel."

"Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!" hernam

Joan: "en moet gij er niet weder naar toe?"

"Vandaôg en morgen niet," antwoordde Teun: "ik moet eerst dien

Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je 't vat."

"Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen."

"Zoo!" hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; "nu

ja! maôr ik weet niet of het zich wel schikken zal.... Patientie! wij

zullen zien.--Haalt aan, jongens! haalt aan!"

Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde,

zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee kloeke

paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield.

"Ziedaôr uw rijtuig," zeide Teun, hem op de kar wijzende: "wil ik

er de bagage maar inbrengen?" Dit zeggende, nam hij de valiezen der

beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende

en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende, dat zij de

paarden averechts gespannen had.

"Maar zij staan immers altijd zoo," zeide de jonge vrouw.

"Houd den bek, wijf!" grauwde Teun haar halfluid toe, "of ik zal oe

een muilpeer geven, die oe de lust tot snaôteren wel benemen zal. Ik

zeg, ze staôn verkeerd om, en dan is het zoo!"

Tegen dit _martiaal argument_ was niets in te brengen: de goede vrouw

haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende,

verwonderd uit: "Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?"

"Ja! dat is onze Jonker: ga je maôr naôr hem toe, je staôt mij hier

meer in dan uit den weg," antwoordde Teun op denzelfden vriendelijken

toon. "Heerschoppen!" vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel

wendende: "blijf daôr zoolang niet in den wind staôn. Gaôt in dat

kapelleke, terwijl ik de paarden verspan."

De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan

den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer, in dewelke Joan

nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende.

"Wel Klaartje!" vroeg hij haar na de eerste groete, "hoe maakt gij

het al in den echten staat?"

"Ja," antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen

liepen: "als men alles van te voren wist!.... doch ik geloof waarlijk,

dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen," zeide

zij, terugkeerende: "hij kan mij wel missen: trouwens, dat kan hij

altijd wel.... daar is hij!"

Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in 't voorbijgaan een

vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar de

toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer,

die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had; waarna hij zich

tot de reizigers wendde met een: "'t is klaôr, heerschoppen!"

In 't uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die

reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen had:

bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich

weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet ontsnapt waren,

keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de

hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen, nam zij dit oogenblik

waar om hem schielijk in te fluisteren: "uw pistolen!" waarna zij

zich haastig omwendde en een luid vaarwel toeriep.

De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over

de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen had, nadenkende:

en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om

te zien; doch hij vond die, zooals hij ze gelaten had, aan weerszijden

in zijn mantelzak gestoken.

Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende,

greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien rang bekleedden,

in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven;

waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken en het rijtuig

door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt,

voorttrokken. Met weemoedige deelneming staarde onze held op die

welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe

weldra, na het eindigen van het Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw

in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoop des veldmans

verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in

asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsliên het graan zouden maaien,

't welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere

stemming, waarin hem deze overdenkingen brachten en de nog dieper

zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen

toestand nadacht en zich de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige

dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij

uit een gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem

over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren. Wat den Jood

betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich,

't zij uit voorzorg tegen den wind, 't zij omdat hij van tandpijn

gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte

van zijn gelaat, dat nog zichtbaar gebleven was, ten volle bedekte. De

voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men

van iemand uit zijn stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een

liedje te neuriën, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg,

zakte ineen en verviel weder als in een dommeling, en als dit een

korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw

te fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen

draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit naliet het

zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte,

hem reeds van verre had staan toereiken.

Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier

over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep zijn

paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid

zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten om in de herberg een

sober ontbijt te gebruiken.

Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij

gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek stond

met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige

woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid wekte opnieuw

eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam

oordeelde, zich nogmaals van den toestand, waarin zijn wapenen zich

bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den

stal, alwaar hij op dat oogenblik niemand vond, vermits Teun Wezer

zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen

voeder was gaan halen. Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide

pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn

verbazing ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij

zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel

gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had

verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij op verzoek

van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu,

dat die schelm zich deze gelegenheid had ten nutte gemaakt om, onder

voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat

te stellen eenig letsel te doen, welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld

had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende

verschrikken, en onbewust of deze geen medeplichtige aan een tegen

zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig

van de gedane ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op

hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis.

Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd

was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg door een zwaar,

slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te

gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter en hinderlijker de modder

werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden,

tot de helft der wielen in het moeras zaten.

Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich

eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de verte

uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en

gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich uit, doch aan

den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijk scheen:

doch met teleurstelling ontwaarde hij bij 't naderen, dat het alleen

uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel eener nog

vóór den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans

uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats van uilen en kraaien,

en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan,

die oplettend was op al wat zijn vermoedens op kon wekken, geenszins,

dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden,

die even uitkwamen, doch bij het zien van het rijtuig dadelijk

terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn

pistolen uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer

zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij reden

echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam;

doch nauwelijks was men een twintig roeden verder gekomen of Teun Wezer

liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en

sprong af, als wilde hij die gaan oprapen. "Met uw verlof!" zeide Joan,

die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, "dat zal ik wel

voor u doen;" en, meteen sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger

dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond

haalde Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit,

welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-,

mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met

Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde tijdstip

sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die

Joan in de herberg gezien had, met het mes in de vuist, voor den dag,

en snelden op de kar aan.

"Staat!" riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: "of ik brand los."

"Loop maar toe!" riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van

achteren aangreep: "zij zijn niet eladen."

"Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende,

schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de paarden

rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling

zich in postuur om de beide anderen af te wachten: dezen, door het

gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geen poging te doen

om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten

spoed hun weg weer naar den kant van Kessel nemende. Joan volgde hen

een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te

ver van de kar verwijderen wilde; doch hij verloor hen weldra uit

het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand

zich de arme Jood en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn

verbazing, toen hij bij 't naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer

zag, maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten

voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede, zooals

hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende.

"Wat zie ik?" riep Joan, verbaasd achteruittredende.

"Stil!" zeide de geestelijke: "die ongelukkige leeft nog: hij is

misschien nog te helpen."

"Gij wilt dien ellendige bijstaan?" hernam Joan, een vertoornden blik

op Teun Wezer werpende.

"Hij heeft mijn bijstand ingeroepen," antwoordde de grijsaard:

"en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan."

Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men

weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch het machteloos

lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk.

"Wacht!" zeide Joan: "laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten

grond brengen!" En meteen zette hij de voeten vast aaneengesloten in

het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde

hem op het voetpad. De gewonde opende nu de oogen en zeide met een

schorre en gebroken stem: "o wee! het is met mij gedaan.... laat de

Vicaris.... een gebed.... voor mijn ziel.... o wee!" Deze woorden

met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen

en sloot de oogen, terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat

verspreidde.

"Hier is geen hulp in den omtrek," zeide de geestelijke: "laten wij

hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts iets had

om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de

kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen hield."

"Hoe!" riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde:

"gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?"

"Ik ben een ongelukkige zwerver," antwoordde Ambrosius: "die nergens

veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan door Gods

vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk

ontsnapt ben, die mij dreigde."

"Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?"

"Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben."

"En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?"

"Leert men in uwe Kerk," vroeg de geestelijke, den jongeling met

ernst en waardigheid aanziende, "dan het heilige voorschrift niet:

""doe wel aan die u haten?""

"Voorzeker," zeide Joan blozende: "doch, verschoon mij, ik had het

voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde

verwacht."

"Slechts één hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons

van verhaalt, en die was een Samaritaan," zeide Ambrosius met nadruk.

Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun

mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de grijsaard

ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen

de al te sterke schokken van het rijtuig te bewaren. Joan nam de

teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden

hun weg vervolgen.

"Zou het niet te vrijpostig wezen," vroeg Ambrosius, na eenige

oogenblikken zwijgens, "om te vragen, welke zaken den Jonker van

Craeihorst in Den Bosch roepen?"

"Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de

laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te verwonderen."

"Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof

mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde

mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring

geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie."

"Welnu, zoo UEd. mij kent," zeide Joan: "zal uw verwondering over

mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan zult ge ook

de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste,

ik moet dit veronderstellen, na u in 't gezelschap van Van Dyk te

hebben ontmoet."

"Van Van Dyk?" hernam Ambrosius: "was hij de man die u derwaarts

zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg, om u een

huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?"

Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot,

wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids had

ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking,

die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond. Daarenboven was

hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem

zou kunnen verhalen, beter en vollediger onderricht ware, dan hij zelf.

"Ik weet niet," antwoordde hij, "of ik vooralsnog vrijheid heb,

UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft, dien

ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn,

indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond gesprek met hem

te verkrijgen."

"Jongeling!" hervatte Ambrosius: "versta ik u wel? Zijt gij niet in

dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning van Bohemen

noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?"

Joan zweeg.

"En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?"

Joan schudde het hoofd en zuchtte.

"Jongeling!" zeide de grijsaard met een ernstig en weemoedig

gelaat: "ik ben een ijverig en getrouw, schoon onwaardig dienaar

der Moederkerk, en zou mijn leven gewillig prijsgeven, zoo

ik de Nederlanden van ketterij verlost en tot de zuivere leer

zag teruggebracht; maar verachting en smaad is in mijn oogen de

Nederlander waardig, die de zijnen, lafhartig, om wereldsch goed,

verlaten en verraden zou."

"Die smet mag mij niet aangewreven worden," riep Joan uit, terwijl een

hoogrood zijn wangen overdekte: "God weet hoe zuiver mijn bedoelingen

zijn!"

"En toch!" hernam Ambrosius: "het is Van Dyk, die u naar Den Bosch

zendt!.... slechts één verontschuldiging kan uw gedrag hebben: dat gij

namelijk uw kettersche gevoelens af wilt zweren en een heilige steê

gaat zoeken, waar gij u aan den dienst Godes wijden moogt;.... doch

het is niet Don Louis, welke u die verschaffen zal."

"Ook dit is mijn bedoeling niet: en echter is in deze mijn gedrag

onberispelijk."

"Zoo dit waar is, gelijk ik op uw herhaalde verzekering gelooven wil,

maak dan staat op mijn diensten, die ik u van harte aanbiedt; doch,

nogmaals, weiger mij uw vertrouwen niet: ik ben het waardig;--en,

geloof mij, geen laakbare nieuwsgierigheid drijft mij aan; maar de

zucht om u nuttig te zijn, u, mijnen redder."

"Ik heb geen recht op uw dankbaarheid," hernam Joan: "gaarne had ik

voor u in de bres gesprongen; doch ik dacht, dat het slechts op mij

gemunt was, en dat het alleen mijn eigen leven was, dat ik verdedigde."

"Geenszins! Teun Wezer kende mij, en de vermomming, waarin ik stak,

moest mij alleen dienen, om bij anderen onbekend te blijven. Het is,

helaas! niet de eerste reis, dat ik ondervinden moet, hoe verre de

haat en nijd mijner vijanden gaan kunnen; doch nooit had ik gedacht,

dat men die tot zulk een uiterste zou durven voeren."

Na deze aanmerking, welke tot pijnlijke herinneringen aanleiding scheen

te geven, verviel de geestelijke in een diepe mijmering, waarin Joan,

die aan zijn eigene bekommernissen daarenboven genoeg had, hem niet

wenschte te storen. Nadat zij, op deze wijze, gedurende eenigen tijd

door de modder hadden voortgesukkeld, kwamen zij op een gullen zandweg,

die hen in korten tijd tot bij een wetering bracht, bij welke zich

voor een boerenherberg eenige lakeien bevonden, in deftige livreien

uitgedost en allen te paard gezeten, welke, zoo 't scheen, dit of

dat voornaam personage stonden af te wachten. Zoodra zij de kar in

't oog kregen, reed een van hen haar op een goeden draf te gemoet,

sprong af toen hij haar genaderd was, en bleef met ongedekten hoofde

eerbiedig de bevelen afwachten, die men hem geven zoude; toen stak

tot Joans verwondering, Ambrosius het hoofd buiten en vroeg of alles

in orde was, 't geen de lakei met een diepe buiging beantwoordde.

"Welnu!" hernam de grijsaard: "laat dan mijn muilezel oprijden;

want ik verlang hartelijk uit dit ongemakkelijke rijtuig te zijn:

laat een uwer, die het beste paard berijdt, afstijgen en het aan

dezen edelman geven, die zich te onpas heeft genoodzaakt gezien,

voor koetsier te spelen. Wat die kar betreft, die moet, met dien

gewonden man medegevoerd worden, en ik beveel, dat er nauwe zorg voor

den ongelukkige gedragen worde. Jonker! wees zoo goed, af te klimmen

en een voegzamer gelegenheid aan te nemen om uw reis voort te zetten."

Joan maakte met blijdschap van deze aanbieding gebruik, en klom

af, terwijl de overige lakeien, inmiddels genaderd, den ouden man

uit de kar hielpen. Een fraai getoomd muildier werd voorgebracht,

waar Ambrosius opsteeg, terwijl Joan een kloek rijpaard bekwam. Twee

dienaars plaatsten zich in de kar bij den gekwetste, en volgden, met

een langzamer tred den trein, welke zich nu verder, op een vlugger

draf, naar Den Bosch begaf.

De Pleegzoon · 第 39 / 50 题