VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Daar's niets dan 't zwoord en 't been: al 't spek is geëclipseerd.

_Langendyk_, de Wiskunstenaars.

Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel

terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan te laten voor

hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in

't Lischboschje gehouden, op te geven. De Baron, zulks goedgekeurd

hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens

tegenwoordigheid te verzoeken; dan al spoedig kwam deze terug met

het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, 't welk

bevestigd werd, toen de Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat

Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. "Hij zal wat

zijn gaan kuieren om zijn leed te verzetten," zeide Reede: "welnu! men

spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen dan

beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt

hem binnen!"

De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio's

kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien en

gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur

opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door kon vernomen

worden. "Klink! klank!" zeide de Baron tegen den Schout, toen hij

het hoorde: "die bewaarplaats is een weinig zekerder dan de kamer te

Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is:

van hier zal die vermaledijde Jezuïet niet wegkomen, of hij moest

kunnen vliegen."

"Dat moet hij dan kunnen," zeide Bouke, stampvoetende en vloekende

binnenkomende: "want weg is hij!"

"Wie? wat? wie is weg?" zeide de Baron.

"De gevangene."

"Ben je dol, kerel?" en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl

de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te hebben, de

schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat de eer hun

ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd.

"Maar voor Sint-Felten, Bouke!" riep Reede, toen hij met hem voor

den ledigen kerker stond: "hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?"

"Gesloten?--Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden;

het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den ketel;

maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet."

"De vent is wis een toovenaar," zeide een der dienaars. "Zou de

Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is nog op

het gemeentehuis."

"Dat mag ik wel lijden," zeide de Baron: "maar wij moeten hem eerst

hebben."

"Met uw verlof, Heer Baron!" zeide de Schout, de gevangenis

binnentredende: "is hier geen andere uitgang dan door de deur?"

"Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn," zeide de Baron, op een

rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen, en dat

bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: "en bij het luik, dat de

pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan men van hier niet reiken."

"Dat zal het toch wezen," zeide de Schout, naar boven ziende en het

luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende:

"door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander,

die bovenstaat."

De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om

de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang men die noodig

had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok;

doch zooals Geert aan Magdalena 's daags te voren verhaald had,

"nog bij 't leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de

keuken gebouwd, en dit hok tot een gevangenis ingericht voor dieven

en stroopers of voor groote schelmen, zooals deze paap was."--De pijp

was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten

geweest, en dit nog wel behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige

beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen:

en er bleef dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg

een uitkomst verkregen.

"Joost haal me!" zeide de Baron, na gedaan onderzoek: "ik dacht ik

had hem zoo wis."

"Ja!" zeide Bouke: "gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe

kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft altoos een maat."

"Men moet het gaan onderzoeken," zeide de Schout.

"Eerst den schelm weerom gekregen!" riep de Baron: "zit op mannen! en

jaag hem achterna, tot gij hem vindt."

"Dat is gemakkelijk gezeid," merkte Bouke aan: "maar waar vinden wij

hem? want alle muiske heeft zijn kluiske."

"Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan

kwam."

"Naar het veer dan," zeide Bouke: "daar hooren wij zeker wat van hem:

want vaart men over een sloot, men laat er een brood; vaart men over

een veer, men laat er nog meer."

"Met verlof!" hernam de Schout: "zoude UEd. niet eerst het kasteel

laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen."

Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en

ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den Jezuïet gemerkt;

doch Geert verhaalde, hoe de Jonker 's daags te voren bij haar had

aangedrongen, om den gevangene te spreken. Dit deed het vermoeden

ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras

de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf hij zich met al de overigen

naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald,

en men vond eindelijk in het ledikant, tusschen de lakens, een wigge

en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij

onderzoek bleek het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels

op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezuïet

ontsnapt was.

"Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!" zeide

de Schout: "ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen, en de Heer

Secretaris verzoeken, die te nummeren."--Dit zeggende, beschouwde hij

nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant te lezen, welke daarop

gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde

den roest eenigszins weg te wrijven, raapte hij een papiertje op, dat

voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep:

"dat is de hand van Joan!" ontrukte.

Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken

ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen:

"Het bewijs uwer . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . .

. . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . .

. . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . .

. . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . .

. . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . .

. . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . .

. . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . .

De Pleegzoon · 第 38 / 50 题