Tot in de ziel getroffen over dit sprekend bewijs, dat zij althans,
op wier achting hij meer prijs stelde dan op de meening der gansche
wereld, hem niet alleen voor onschuldig hield aan het misdrijf dat
hem te laste gelegd werd, maar hem ook in zijn ongeluk haar teedere
belangstelling betoonde, riep hij uit, terwijl hij het briefje tegen
zijn hart drukte: "goede, edele ziel! dit is de tweede reis, dat ik op
last van uw vader gevangen zit, en de tweede reis, dat gij mij in mijn
droeve omstandigheden zoekt op te beuren. Dan, toen lachte alles mij
toe, en thans.... o! 't ware beter dat ik nooit geboren geweest ware."
"Foei!" zeide Geert: "dat zeide onze Heer van den boozen Judas;
maar zulk een aarstverrader hoop ik, dat gij niet geworden zijt!"
"Dat hoop ik ook niet," riep Bouke, die op dit oogenblik met een mand
met eten de kamer binnenkwam; "maar wat doe jij hier, Geert? Als
Mijnheer het hoort, dan stuurt hij je nog op je ouwen dag op
marsch." Dit zeggende, schoof hij de goede oude dienstmaagd de deur
uit, terwijl zij al zuchtend onder 't weggaan zich beklaagde, dat
haar in den tijd van Mevrouw zaliger nooit iets dergelijks gebeurd was.
"Hoe!" zeide Joan met sombere blikken tegen Bouke, die zich, zoodra
Geertrui vertrokken was, haastte zijn mand uit te pakken en het
middagmaal op tafel te zetten: "zijn de bevelen zoo streng? zit ik
hier buiten toegang?"
Bouke zette zwijgend zijn bezigheid voort: doch de zware zuchten, welke
zijn borst slaakte, en de krachtige vloeken, welke hij binnensmonds
bromde, toonden hoeveel het hem kostte, dat hij aan zijn ouden vriend
geen antwoord geven kon.
"Bouke!" hernam Joan, terwijl een traan langs zijn wangen rolde:
"is uw oude vriend u geen antwoord meer waardig?"
"Voor den duivel!" zeide Bouke, zich niet langer kunnende bedwingen;
"dat je ook met dien satanschen Jezuïet moest komplotteeren!"
"Ik heb niet met hem gekomplotteerd! zeide Joan: "_wie_ was de vriend
mijns vaders, en...."
"De vriend des duivels, en.... doch ik kan nu niet met je spreken;
mijn gemoed is vol." Dit zeggende, keerde Bouke zich om en liep de
kamer uit, terwijl hij de deur met drift achter zich toesloeg.
Joan bleef lang met donkere blikken als op den grond genageld staan,
en wierp zich eindelijk zuchtend op een stoel. Men begrijpt lichtelijk,
dat hij in de tegenwoordige oogenblikken weinig eetlust had; echter
plaatste hij zich aan tafel en poogde eenige mondvollen door te
krijgen; dan ras wierp hij mes en lepel weder van zich, stond op en
ging als te voren de kamer in haar geheele lengte op en neder wandelen;
vervolgens bleef hij weder bij den etensbak staan, nam de bierkan
op en dronk of liever zwolg die in eenige teugen geheel uit, waarna
hij zijn marsch weder aannam. Eindelijk haalde hij het briefje van
Ulrica, dat hij bij Boukes komst verborgen had, weder voor den dag,
las en herlas het, scheurde bij mangel aan schrijfgereedschappen een
blaadje uit zijn zakboek en wilde met potlood een antwoord aan Ulrica
gaan schrijven, toen de deur zich opnieuw opende en iemand binnenliet,
die hem in deze oogenblikken boven allen welkom wezen moest, namelijk
den Predikant Raesfelt. Deze was in het geval en te zijnen opzichte
geheel onpartijdig: van hem had hij nooit anders dan goede lessen
ontvangen: en met hem alleen begreep hij thans geheel vrijmoedig en
openhartig te kunnen spreken.
De Predikant had, zoodra het gerucht van het spiegelgevecht aan het
Lischboschje in zijn eenzaam studeervertrek was doorgedrongen, zich
naar het kasteel begeven, alwaar hem de Baron met al het voorgevallene
bekend gemaakt had en geraadpleegd over de wijze, waarop hij omtrent
Joan zou handelen. Raesfelt vond het geval duister en geheimzinnig,
en besloot zijn aanmerkingen op het gebeurde met den raad, toch vooral
behoedzaam en niet overijld te werk te gaan, opdat het den Baron niet
mocht berouwen, dat hij Joan zijn gunst onttrokken had, gelijk het
David berouwde, dat hij Mephiboseth onschuldig had veroordeeld.
"Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt," zeide hij: "en schort
uw meening op omtrent een jongeling, die u tot nog toe alleen stof van
blijdschap en verheuging gegeven heeft. Ik kan niet gelooven, dat hij,
die zoo dikwijls met warmte en gevoel over de groote weldaden sprak,
welke hij van UEd. ontvangen heeft, op eenmaal alle erkentelijkheid,
alle beginselen van plicht en godsdienst met voeten zou treden, om,
gelijk een tweede Absalom, met Achitophels te heulen en zijn vader
baldadig aan te randen. Vergun mij, heer Baron! dat ik zelf hem ga
spreken; en ik twijfel niet, of hij zal zijn hart voor mij blootleggen,
gelijk Koning David deed voor Nathan den Profeet!"
De Baron keurde dezen raad volkomen goed, en Raesfelt begaf zich naar
de kamer van zijn gewezen leerling. Met een ernstig en bedrukt gelaat
trad hij binnen; doch de tevredenheid klaarde zijn wezen weder op,
toen Joan hem verheugd te gemoet snelde, hem dubbel welkom heette,
de hand drukte en een zetel aanbood.
"Kom, Joan!" zeide de Predikant, nadat zij zich kortelijk hun
wederzijdsche vreugde, van elkander in gezondheid weder te zien,
hadden betoond: "Laat ik u eens scherp in de oogen zien, gelijk
Petrus Ananiam en Saphiram aanzag, toen zij zich van den prijs des
lands onttrokken.--Gij blikt mij openhartig tegen en slaat uw oogen
niet neder: dan heb ik mijn vriend, mijn Joan, nog niet verloren."
Joan drukte hem met warmte nogmaals de hand en verzekerde hem van
zijn blijdschap, dat Dominee althans hem niet vergat, 't geen hem
tot een blijk strekte, dat hij zich nog niet als geheel ongelukkig
moest beschouwen.
"Geheel ongelukkig!" herhaalde Raesfelt: "en wie leeft er op aarde, die
zich alzoo durft noemen? Het zal met u zijn, gelijk de Psalmist zegt:
De stricken des Doods hadden mij omvaên.
Ick was beladen met anghsten der hellen,
Ick was in noodt, in zuchten en in quellen.
Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan:
O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt!
En ick bevondt dat hy was seer weldadigh,
Seer vriendelijck en oock seere genadigh,
Die wel behoedt d'eenvoudige seer bloot;
Want als ick ter neder lagh onder voet,
Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh,
Dies weest te vreden o mijn siele klachtig
Nadien dat de Heer u dees weldaet doet.
En strekt deze liefderijke hand zich niet uit over allen, wie
zij wezen mogen? Laat niet God zijn zon opgaan over de goeden en
over de goddeloozen? en valt er een haar van uw hoofd buiten Zijn
beschikking? Alleen hij, die van de liefde en verzorging onzes
Hemelschen Vaders verstoken ware, zou zich geheel ongelukkig mogen
noemen: en niemand kan zich beschouwen in dat geval te verkeeren. Hij,
die derhalve tot wanhoop vervalt, begaat de grootste zonde, die te
begaan is: want hij wantrouwt de goedheid van Hem, die gezegd heeft:
al wie tot mij komen, zullen niet beschaamd worden."
"God verhoede, dat ik Zijn goedheid ooit betwijfele," zeide Joan,
de oogen eerbiedig opheffende: "tot Hem alleen kan ik mij keeren:
van Hem alleen troost in mijn lijden verwachten;--doch hier op aard
is de poort des heils voor mij gesloten."
"En wat zegt het aardsche heil voor hem, die een beter vaderland
verwacht?" zeide Raesfelt: "alle vleesch is als gras, en alle
heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds: het gras is
verdord en zijn bloem is afgevallen: want hoedanig is het leven? het is
een damp, die voor weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.--Is
niet eens ieders leven een samenweefsel van korten voorspoed en
duurzame ellende? weet ik zelf niet bij ondervinding, wat het zegt,
wederwaardigheden te lijden, welke alleen door een vast geloof kunnen
worden doorstaan? Heeft niet mijn eigen zoon, gelijk Nadab en Abihu,
de zonen Aärons, vreemd vuur op het altaar gebracht? en mijn haren
van hartzeer doen grijs worden voor den tijd, gelijk Simeon en Levi,
de zonen Jacobs, huns vaders haren grijzen deden?"
"Uw zoon!" riep Joan haastig uit: "hij wil uw gunst weder verwerven:
hij...."
"Hoe nu!" zeide de Predikant: "wat weet ge van hem? hebt ge hem
gezien? Ach! hoe is het met den jongeling, met...."
"Neen," zeide Joan, eenigszins verlegen: "maar eergisteren zag men
mij voor hem aan.... de man, die hier gevangen zit.... die weet meer
van hem.... hij scheen hem te kennen."
"Die Jezuïet?" vroeg Raesfelt: "zijn de zoodanigen de bekenden mijns
zoons? O mijn ongelukkige Hendrik! is het niet genoeg dat gij uwen God
verliet? moet gij ook den Baäl nahoereeren? Ach! wel mag ik met Jacob
zeggen: het is mijns zoons rok: een wild dier heeft hem verslonden!"
"Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen,
dat kan toch niet...."
"Hoe!" zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: "weet
gij niet, wie en wat die gevangene is?"
"Ik zag hem eergisteren voor 't eerst en toen onder een anderen
schijn dan heden? maar wie hij is?...." Hier schudde hij het hoofd,
zag voor zich en haalde de schouders op.
"Joan!" zeide de Predikant: "de Paapschen hebben een instelling,
welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde toepassing
namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht
aangematigd, 't geen Gode alleen behoort, om, na gedane biecht,
de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een
valsche verklaring, want de Apostel leert niet ter aangehaalde plaatse,
dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde
daarvan vergeving te ontvangen; maar hij spreekt uitdrukkelijk van
een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige
aan den ander, en vooral van die zaken, waardoor de liefde des
naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:--zoodat het in de
meeste gevallen niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en
plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man
van ondervinding, vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime
gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of
vertroosting te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans,
en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad,
hulp en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij,
Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij hiertoe
door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen
met de onderwijzing, die ik vermag te geven. Doch verberg mij niets;
want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete."
"Reeds voor uw verzoek," zeide Joan, "had ik besloten u mede te
deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden heb
moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding
verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga."
"Een oogenblik," zeide Raesfelt: "geheimhouding te beloven!.... dat
zou mij onder de verplichting leggen, die een priester heeft aangegaan
bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover
moet ik even nadenken!"
Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn
zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen over zijn te
ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun
gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken. "In allen gevalle,"
zeide hij, "kan ik de biecht wel hooren, als er toch geen _absolutie_
op volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden
en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet: sprekende de
Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van
gezondheid des lichaams."
En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met
Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het Lischboschje
gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de
Predikant van het voorgenomen tweegevecht hoorde gewagen, schudde hij
het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch
zooras Joan hem begon te vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had
gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich
hierbij te bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren
naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in 't
aangezicht, om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem
zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over
hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn
knieën stijf met de handen vastknijpende als beducht, een beweging te
maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns
vaders moordenaar noemde, trok de Predikant haastig de handen terug,
vouwde die samen voor 't gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot
de oogen stijf toe, als wilde hij òf een gebed doen, òf zich iets,
dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na
eenige oogenblikken in die houding te hebben doorgebracht, liet hij
de handen weder vallen, zakte als 't ware ineen, sloeg de oogen op
den grond en zweeg.
Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van
het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop blijven voeden, dat
deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel,
en zoo diep werkte die overtuiging op zijn gemoed, dat hij niet met
spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend
aanzag, met oogen, waaruit vertwijfeling straalde.
Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had, stond
Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe
en zeide: "Gij bevindt u waarlijk in een toestand zoo rampzalig als
weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot
zaligheid voor hem die gelooft."
Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder
eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan op
zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of
Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend was, en of
dit strookte met het verhaal van den vreemdeling.
"Over 't geheel genomen, ja!" antwoordde Raesfelt: "en gij kunt het
ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen juist,
in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt
zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord hebben, of zelfs
den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het
ook niet:.... waarschijnlijk is dat een bijvoegsel van den gevangene,
om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij,
een sluikmoordenaar, kan lichtelijk zoo iets verzinnen, om...."
"Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te
trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten."
De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde,
wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco's dood te
binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom
en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest, en poogde hem dus ook
met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te
verschaffen, daarmede vond hij zich meer verlegen. Eindelijk kwamen
zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos
opzet hoegenaamd tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen
in 't werk stellen, om een onderhoud met den Jezuïet te hebben, ten
einde van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan;
en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven, om
zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem
te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak werd dadelijk
door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen
had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt aan den Baron, dat
Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de
redenen van zijn geheimzinnig gedrag nog niet vermocht te openbaren,
waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld
van zijn pleegzoon, besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken,
ten einde alles op te helderen wat nog duister was.
Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer
van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde, om bij
deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen
dagelijks verwacht werd; 't geen de tegenwoordigheid aller ambtenaren
in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne
zijne tegenwoordigheid genoten, vermits Eugenio, die eindelijk mede
een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en
door den Heer van Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij
te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men,
om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van
den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte. Men
besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom
weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan, hen tegen den
volgenden morgen terug bescheidende.