Om in dien schijn te gaen
Zijn vyanden bespiên, en letten hoe men 't maakte.
_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om
aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden zijnde,
zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voor te lezen,
een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule
verricht had en welke deze thans met evenveel bereidwilligheid
voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield,
schijnbaar aandachtig, de handen onder het voorschoot te zamen
gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van
een bedesnoer en haar lippen prevelden onhoorbare gebeden. Geertrui
zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig
op zijde gedraaid, om beter te kunnen hooren: nu en dan toonde zij,
bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk
oordeelde, haar welgevallen door een hoofdknik, en somtijds zelfs
maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene.
Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der
Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en verward
gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg
haar oogen naar het venster, en zag een menigte lieden in een dichten
drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader
herkende. Verwonderd over dezen ongewonen toeloop, zoo vroeg in den
morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze,
haar bereidwilligheid met een stijven knik te kennen gevende, verliet
het vertrek.
"Kijk mij zoo een malle prinses eens aan," zeide Geertrui: "knikt ze
je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier was. Die madam
heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was."
"Zij is niet voor dienstbaarheid geboren," antwoordde Ulrica: "en
mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u niet over
haar behoeft te beklagen."
"Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel," zeide Geert: "maar UEd. moet
denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen aard maar half. Je
moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte:
als UEd. dat nog deedt, UEd. is de meesteres; maar zoo een madam,
die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil
spelen en met elk den spot drijven en voor elk den neus opsteken,
tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt."
"Nu, nu Geert!" viel haar Ulrica in de rede: "gij zijt ook niet altijd
even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens met hem hooren
twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij
wel, dat in vroegere dagen de dienstboden even bang waren voor u,
als thans voor haar."
"Dat's waar," zeide Geert: "ik hield mijn fatsoen onder 't volk;
maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en dan Mevrouw
zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij
deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten haar de booien in
de wandeling...."
"Geert!" zeide Ulrica: "ik hou niet van die bijnamen. Ik weet,
zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel eens
wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat
opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van boerenknapen,
zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar."
"Dan moest zij er zich in schikken," hernam Geertrui, zich ontevreden
op haar stoel nederzettende: "maar als UEd. _per fors_ gelijk wil
hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat
Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht hebben. Nu! ik hoop maar,
dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is,
hetgeen Roelof Teeuwiszoon vertelt, dat hij haar laatst een kruis op
de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar
bed verborgen heeft."
Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging
te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid van haar oude
Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te
moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek af en vroeg aan Geertrui,
of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had.
"Onzen besten Jonker Joan!" herhaalde Geertrui, terwijl zich over
haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde: "och
neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude
Geert te denken."
"Dit heeft hij toch gedaan," hernam Ulrica: "hij heeft naar u gevraagd;
doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis zullen hem belet
hebben u te gaan omhelzen."
"Die goede jongen!" zeide Geert: "heeft hij waarlijk naar mij
gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was een
knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het
drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren geweest.... toen
hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd
zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog eens zien kon!.... en u ook,
Freule Ulrica!--Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat
en toen Mijnheer met hem binnenkwam; of neen.... Bouke kwam met
hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds,
Freule! God vergeve het mij! maar ik bezondigde mij en beoordeelde
Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de
Jonker de oude Geert nog niet vergeten heeft.--Wat verlang ik hem
weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje
lang uitblijft!"
"Mij dunkt, ik hoor haar komen," zeide Ulrica: "mijn hemel! wat is
er gebeurd?"
Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad,
met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar gewoonte.
"Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?" vervolgde
Ulrica.
"Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag," mompelde Geertrui.
"Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!" zeide Magdalena:
"doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het
Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij
gevangen medebrengen."
"Een schermutseling!" riep Ulrica: "er is toch niemand gewond?"
"Daar heb ik niets van gehoord," antwoordde Magdalena.
"Mij dunkt," merkte Geert aan, "dat je ook het fijne van de mis niet
weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegt _miaauw_
als ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen
ophangen."
"Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien," hernam de kamenier
met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze van Geertrui,
welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar
vereering. "Wat zou Heer Godard van Reede zeggen, indien hij u hoorde
spreken?"
"Heer Godard!" riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande.
"Kent gij mijn oom?" vroeg Ulrica verwonderd.
"'t Is al één rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde," zeide Geert:
"lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger...." hier werd het geluid van
haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten.
"Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats
gehad," vervolgde Magdalena: "men zegt dat de Jonker van Craeihorst
de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron."
"Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!" riep Ulrica, met een
ontroerde stem.
"Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?" vroeg Geert, terwijl
zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof: "wat durf je
van Jonker Joan vertellen?"
"Ik herhaal wat ik gehoord heb," antwoordde Magdalena, de schouders
ophalende: "ik kan het niet helpen, indien de berichten. welke ik
breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik
heb uit het gereutel dier domme boeren niet half wijs kunnen worden."
"Ja, je zijt maar al te wijs," zeide Geert; "maar zulke praatjes!"
"Geert heeft gelijk," zeide Ulrica: "men moet zonder goede waarborgen
geen uitstrooisels van dien aard vertellen."
"UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!" hernam
de kamenier.
"Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk," riep Ulrica, en snelde naar
beneden.
"En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit," zeide Geert,
terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres navolgde;
"lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw
zaliger nog zoo iets beleven zoude?"
Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De
eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt Maessen, die
den Jezuïet bij den arm vasthield. "Zoo gaôt het, Freule!" zeide hij:
"ik dacht oe een ben goede eieren met te brengen, en daôr breng ik
oe een gevangen man met. De eieren staôn nog op den weg: die zol de
kat opvretten."
Huiverend wendde Ulrica bij deze toespraak een zijdelingschen blik
op Eugenio; deze groette haar beleefd: "het spijt mij, schoone
Freule!"' zeide hij: "dat de Jonker van Craeihorst om mijnentwille
misschien in ongelegenheid zal komen."
"Om uwentwille?" herhaalde Ulrica, verbleekende: zij zag rond, en
nu eerst ontdekte zij Joan, die, van de menigte afgezonderd, met het
hoofd in de hand, tegen een staldeur leunde, de oogen nedergeslagen
houdende, en bleek als een doode.
"Joan!" riep zij, angstig naar hem toesnellende: "Joan! wat hebt gij
gedaan? wat verhaalt men van u? Is het waar, dat....?"
"Wat doet gij hier?" zeide de Baron, naar haar toetredende, en haar
eenigszins onzacht terugtrekkende: "ga naar uw kamer: hier althans
hebt ge niets noodig."
"O God! het is dan waar?" zeide Ulrica, sidderend: en haar
aangezicht met de handen bedekkende, trad zij snikkend terug. Aan
de trap ontmoette zij Geertrui, welke zij dringend verzocht, naar
de ware toedracht der zaak te vernemen en haar het gehoorde te komen
mededeelen.
"En gij," vervolgde de Baron tegen Joan: "begeef u naar uw vertrek,
en wacht daar, tot ik u laat roepen."--Joan gehoorzaamde. "Welnu,
Bouke, hebt gij den Schout laten ontbieden?"
"Ik ben er zelf geweest," zeide Bouke: "Zijn edele zal dadelijk
hier zijn."
"Goed," hernam Reede: "er moet terstond iemand te paard naar Tiel
gaan om den Ambtman van alles bericht te geven:--breng den Jezuïet
in den kelder rechts af, en laten al de brave lieden, die het hunne
hebben gedaan om hem te krijgen, bij mij in de benedenzaal komen:
laat Roelof mij daar wat papier en pennen brengen."
De bevelen van den Baron werden opgevolgd. Hij plaatste zich in
de benedenzaal en wachtte in zijn groote leunstoel de boeren af,
die één voor één verschenen, en wier namen hij opschreef, opdat
zij als getuigen in rechten zouden kunnen strekken, terwijl hij
een goede belooning aan elk hunner beloofde voor de aan hem bewezen
goede diensten.
Eindelijk kwam de beurt aan Gheryt Maessen, die, ofschoon hij van
Ulrica verscheidene gunstbewijzen ontvangen had, den Baron slechts
bij name bekend was. Daar hij de eerste was geweest, die door zijn
tijdige komst, de gevangenneming van Eugenio bewerkt had, bewees hem
de Baron nog meer vriendelijkheid dan aan de anderen.
"Gij hebt u als een kerel geweerd," zeide Reede, "en als de schelm
hangt, zult ge een mooien kermisduit van mij hebben."
"Dat hoeft niet," zeide Gheryt; "maôr als oe Genade mij een dienst
wilde bewijzen, dan had ik gaôrne dat oe een woordeke aôn den Heer
Ambtman zeide, dat ik den hofbeer bezorgen mocht, die naôr Den Haôg
moet gaôn. Ik heb er aôn de Freule al van esproken."
"Wij zullen zien," zeide de Baron: "de Heer Ambtman komt hier, dan
kunt gij zelf uw verzoek doen. Verlangt gij Den Haag te zien?"
"Mijn vrouws vaôder woont er, bij de Gravin van Falckestein."
Deze naam deed een tooverachtige uitwerking op den Baron en helderde
zijn wezen nog meer op: "Wij zullen zien," herhaalde hij, zich
de handen wrijvende: "en als gij bij uw schoonvader komt, kunt
gij hem vertellen, dat wij den schoelje gehangen hebben, die zijn
vorigen meester eens zoo leelijk de kool gestoofd heeft.--Nu, goeden
morgen! gij kunt gaan; maar hou u in de buurt, hoor! Is er nog iemand?"
"Ja," antwoordde Bouke: "daar is nog een stuk van een neef van mij:
maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning krijgen:
't is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan
't vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en op old ijs vriest
het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had
Klaartje-nicht nooit getrouwd."
"Om 't even, " zeide de Baron: "laat hem binnenkomen."
Bouke opende deur, en liet, half tegen zijn zin, Teun Wezer in.
"Aha!" zeide Reede, zoodra zij alleen waren: "gij hebt u best gekweten,
kameraad!"
"Dat verheugt mij, dat UEd. die getuigenis van mij geeft," antwoordde
Teun, met een grappige buiging: "voor tien a twaalf jaren zoude
UEd. zoo iets niet gezegd hebben."
"Wel mogelijk," hernam de Baron: "nu, een goed man, die zich
betert. Gij zult getuigenis moeten afleggen: daarom moet ik uw naam
en woonplaats opschrijven."
"Niemand zal beter daartoe in staat zijn, dan ik," zeide Teun: "die Van
Dyk is met mij tot aan den Rijn gekomen. Ik heb hem den weg gewezen."
"Van Dyk? zoo! heet de schurk Van Dyk? Nu, het zal hem om een naam
meer of minder niet te doen zijn--En hebt gij hem den weg gewezen? Dan
zal uw getuigenis zeker nogal belangrijk zijn. Dan ware het misschien
beter dat gij hier bleeft, tot de Schout kwam."
"Ik ben veerman te Tiel, Heer baron!"
"Ja, dat is wel mogelijk; maar als gij dien vent den weg gewezen hebt
hier naar toe, kunt gij ook blijven om te zien waar hij verder naar toe
zal gaan. Wacht dus maar in de keuken, tot ik u roepen laat.--Bouke!"
Bouke verscheen en de Baron gelastte hem, al de boeren wel te
onthalen en goede wacht voor de gevangenis van den Jezuïet te laten
houden. Inmiddels maakte Teun Wezer een buiging, nam zijn afscheid
en vertrok. Aan het einde van het voorportaal voelde hij zich op
den schouder tikken, en zich omkeerende, zag hij Magdalena voor zich
staan, die hem in een zijvertrek riep, waarvan zij terstond de deur
met behoedzaamheid achter zich sloot.
"Vlegel!" zeide zij, hem verstoord aanziende: "waarom hebt ge niet
beter opgepast en den eerwaarden Pater tegen die ketters bijgestaan?"
"Gehoorzame dienaar, Mevrouw!" zeide Teun: "ik dank oe hartelijk. De
Pater was al geknipt, eer ik er bijkwam: waarom is hij zoo gek geweest,
den wolf in den bek te loopen. Ik heb hem helpen binden en met voeren,
om door dien weg een oog in 't zeil te houden, 't gunt mij zoo wel
elukt is, dat de Baron mij elast heeft, hier te blijven."
"'t Is wel," hernam Magdalena, "en oordeelt gij u zelven behendig
genoeg, om den Pater uit den benauwden toestand te redden, waar hij
in gebleven is?"
"Hm! hm!" zeide Wezer, "met oe hulp en die van een paôr knaôpen hier
dicht bij, die niets beters verlangen, dan een goed handgeld te
verdienen.... maôr er moet niets van kunnen oetlekken, dat ik met
eholpen heb. Ik ben landsambtenaar en heb geen zin om voor _lezum
majestatum_ op'eknoopt te worden."
"Gek!" zeide Magdalena, hem verachtelijk aanziende: "alsof er
iets aan een ellendig leven, als het uwe, verbeurd ware;--doch, om
't even! hier!" vervolgde zij, hem een beursje ter hand stellende:
"hier is de zenuw van den aanslag: deel uit en beschik wat gij wilt:
doch wees spaarzaam en voorzichtig."
"Ze zullen de helft er niet van hebben, dat beloof ik oe!" zeide Teun,
het geld op de vlakke hand wegende: "oe is bylo milder dan de Ambtman
zelf. Doch wat moet verder edaôn worden?"
"Laten uw makkers dezen nacht te een uur een wagen of een paard aan
de achtertuinpoort klaarhouden. Ik zal voor de rest zorgen. Tegen
twaalf uren wacht ik u boven aan de zoldertrap. Maak nu zooveel haast
als ge kunt, en zorg dat ge uw kameraden opschommelt. Doch!... wee u,
zoo gij ons verraadt!"
"Papperlepap!" zeide Teun: "zoo eindigen zij allemaôl, en het zou
eigenlijk niet meer dan billijk wezen, dat hij, die zijn leven slijt
met anderen te bedriegen, ook eens zijn loon wegkreeg. Doch, zooals oe
weet, voor geld en kwaie woorden ben ik altijd te vinden. Hadie dan
mevrouw! tot van nacht.--Dat jaloersche vel, mijn wijf," vervolgde
hij bij zichzelven onder 't weggaan, "zou juist van deuze afspraak
niet geërgerd worden."
Laat ons nu terugkeeren tot Joan, die, op last van den Baron, zich naar
zijn kamer begeven had. Geen bevel had hem in deze tijdsomstandigheid
meer welkom kunnen zijn; want niets scheen hem noodzakelijker, dan in
de eenzaamheid over het gebeurde van den dag en den weg, dien hij moest
inslaan, na te denken. Wij zullen echter geen poging aanwenden, om de
onderscheidene overdenkingen na te gaan, die zijn geest beurtelings
vermoeiden, noch de verschillende besluiten op te noemen, welke
daarvan de gevolgen waren, en bijna even spoedig verworpen als
gevormd werden. Hij, die het voorgaande met eenige oplettendheid
heeft nagegaan, zal klaar kunnen beseffen, hoe zonderling hij te
moede was. Dan, bij al de akelige denkbeelden, welke de voorvallen en
mededeelingen van deze en de vorige dagen in hem hadden doen ontstaan,
was er toch een, dat hem welkom en streelend was als de zonnegloed,
die in den kerker des gevangenen nederdaalt en hem in 't midden van
zijn lijden een flauwe verkwikking komt aanbieden. De onbekende, die
zich de vriend zijns vaders genoemd had, had hem wel geen stellige,
maar toch ook geen geheel verwerpelijke hoop gegeven, dat zijn moeder
nog leefde, en dat hij die wellicht in Den Bosch zou kunnen vinden:
en het hart des jongelings, hoe gefolterd ook en benepen, ontsloot
zich voor deze zoete verwachting. Hij bevond zich in den toestand
van een reiziger, die, bij nacht op een eenzame heide verdwaald,
zich van moerassen en kloven omringd vindt en onbewust is, welken
weg hij zal kiezen, daar alle paden hem even moeilijk en gevaarlijk
voorkomen, totdat hij de oogen slaat op het schemerend lichtje, dat
hij in de verte ziet gloren, en waarheen hij, onbewust nog of die
flauwe glans een waarheid, dan een ijdele luchtverheveling zal zijn,
de schreden eindelijk wendt. Nadat hij gedurende een paar uren in
gedurige gemoedsbeweging de kamer had op en neder geloopen, zag hij
zijn deur opengaan, en de oude Geertrui, zich met moeite op haar
krukje voortwerkende, trad de kamer in.
"Wel mijn beste Geertrui!" zeide Joan, terwijl hij zich haastte
haar zijn arm aan te bieden, en haar naar een stoel te geleiden,
waarna hij haar met hartelijkheid kuste: "dat is recht hupsch van u,
dat gij mij thans komt bezoeken. Hoe gaat het u op den ouden dag?"
"Op mijn ouden dag, ja dat moogt gij wel zeggen Jonker!--'t Is nu
met Pinkster vijf en twintig jaren geweest, dat Mevrouw zaliger
overleden is, en toen was ik twee en vijftig jaren: dus 't is geen
wonder, dat de gebreken komen!--Maar Jonker! Jonker! wat ben je
een kerel geworden! Zoo waar ik leef, ik zou je bijna niet herkend
hebben;.... maar laat ik eens uitblazen; want al dat trappen klimmen
lijkt mij niet meer, en ik ben doodaf." Hier zweeg zij en zat eenige
oogenblikken te hijgen, terwijl zij Joan van top tot teen beschouwde.
"Waarlijk, beste, Geert!" zeide Joan, haar vriendelijk de hand
drukkende, "ik weet bijna niemand, wiens bezoek mij op dit oogenblik
aangenamer zou kunnen zijn dan het uwe."
De trekken der oude dienstmaagd namen op het hooren van dit gezegde
een min vroolijke uitdrukking aan. "Ja!" zeide zij: "dat geloof ik wel,
want als de Baron hier kwam, die zou je minder vriendelijk aankijken,
dan ik gedaan heb: hij is dan _miserabel_ boos op je, en Bouke ook,
dat beloof ik je. Je hebt het dan leelijk bij hen verkorven. Maar,
Jonker! waar waren toch je zinnen, om dien stinkenden monnik tegen
je pleegvader, die je van kind af heeft opgebracht, te gaan bijstaan?"
"Ik heb hem niet bijgestaan: ik heb slechts een gevecht willen
voorkomen, dat voor mij niet dan noodlottig kon uitvallen."
"Noodlottig!" herhaalde Geert, hem verbaasd aanziende: "wat kon u
toch dien leelijken Jezuïet schelen?"
Joan zweeg eenige oogenblikken, en liep de kamer op en neder;
vervolgens kwam hij weder bij Geertrui terug en zeide: "die Jezuïet
was de vriend mijns vaders, en door zijn hulp kan ik mijn moeder
misschien terugvinden."
"Je vader! je moeder!--Och, denk je nog om die Spanjoolsche ouders,
die je verzaakt en vergeten hebben. Is de Baron u niet altijd meer
dan een vader geweest, en was Mevrouw zaliger, in den korten tijd dat
het mensch u nog bij haar heeft gehad, niet een trouwe moeder voor u?"
Joan streek zich de hand over 't voorhoofd, als wilde hij de treurige
gedachten verdrijven, welke de aanmerking der oude dienstmaagd
bij hem deed ontstaan. Hij begreep, dat het moeilijk zoude zijn,
haar te doen gevoelen, dat dankbaarheid aan den Baron de liefde,
die hij zijn wezenlijken ouders verschuldigd was, niet behoefde uit
te sluiten. Hij vergenoegde zich dus met te zeggen: "Denkt gij dan
niet goede Geert! dat die moeder verlangt haar zoon terug te zien,
van wien zij zoolang gescheiden is?"
"Dat geloof ik," zeide Geert: "en zoo een knappen zoon! Maar wie weet,
wat voor een vrouwmensch het is," voegde zij er bij met een gelaat,
dat haren afkeer toonde van al wat tot de Spaanschen betrekking had.
"Geert!" zeide Joan, wrevelig: "gij komt mij uit vriendschap
bezoeken!"....
"Dat doe ik," hernam zij, eenigszins berouw gevoelende over hare
overijlde woorden: "en ik meende het ook zoo kwaad niet. Maar nu,
die Spanjoolsche daargelaten, ik bid je, maak toch, dat je weer bij
Mijnheer in genade wordt aangenomen; want waarlijk, het loopt anders
slecht met je af. Ik geloof niet aan al die praatjes, die over u gaan,
en Freule Ulrica ook niet, meen ik...."
"Ulrica's hart rechtvaardigt mij," zeide Joan, terwijl zijn
oogen fonkelden en hij met drift de hand van Geertrui greep. "Dan
ach!" vervolgde hij, de armen weder latende vallen, op een somberen
toon: "wat is de meening van Ulrica voortaan voor mij?"
"Zeg dat niet, Jonker! Wij zullen, Ulrica en ik, den Baron zoo lang
bidden en smeeken, dat hij de geheele zaak maar blauw blauw laat."
Joan zweeg eenige oogenblikken. "Geert!" zeide hij eindelijk: "gij
kunt mij misschien een dienst bewijzen.--Waar zit de gevangene?"
"In het oude turfhok, beneden, weet gij?"
"En zoude er geen mogelijkheid wezen, dat ik hem een oogenblik sprak?"
"Heer beware ons! wel Jonker! Jonker! hoe kunt ge zulke dingen in je
hoofd halen? Den gevangene spreken? Ja! de Baron zou je zien komen...."
"Geert! ik bid u, en smeek u! doe uw best en maak dat ik den gevangene
spreke!"
"Zet dat uit het hoofd, Jonker! Er staan schildwachten voor de deur
van het hok met vuurroers op schouder, en Bouke heeft, hoor ik,
last gekregen van Mijnheer, om niemand bij den schelm toe te laten,
't geen ook niet gemakkelijk gaan zou, al wilde hij, want Mijnheer
heeft den sleutel in den zak."
"In 's Hemels naam," zeide Joan, met een diepen zucht: "dan zal ik
moeten wachten tot ik mijn vad.... tot ik den Heer Baron zelf spreke."
"Nu!" zeide Geert: "ik durf niet langer hier blijven: ik heb hier
al lang genoeg mijn tijd verpraat. Kijk!" vervolgde zij, terwijl zij
opstond en zich langzaam naar de deur begaf: "als ik in den tijd van
Mevrouw zaliger zoo lang.... maar wacht, daar vergeet ik nog iets:
onze Freule, dat lieve kind! heeft mij dit kleine briefje medegegeven,
om u ter hand te stellen: ei zie! daar had ik haast niet om gedacht!"
"Ulrica!" riep Joan verrast, de hand uitstekende. "Geef toch
Geert! geef toch!"
"Ja! ja! mijn memorie wordt ook slecht! dat zou er mooi uitgezien
hebben, als ik bij de Freule weerom gekomen was, zonder mijn boodschap
gedaan te hebben!"
"Geef!" herhaalde Joan, haastig haar het briefje uit de hand trekkende
en het openbrekende. Met gretige oogen verslond hij het geschrift,
't welk luidde als volgt:
"Het is mij verboden een woord met u te wisselen. Men beschuldigt u
een aanslag tegen het leven van uw weldoener te hebben gesmeed. Wat
mij betreft, ik kan noch wil dit gelooven; doch verdedig u, leg
uw onschuld aan den dag en laten geen onteerende vermoedens op u
rusten. Wees bedaard en kalm, geef geen gehoor aan ontijdige drift:
want denk dat indien mijn _broeder_ (dit woord was tweewerf onderhaald)
door den toorn mijns vaders op te wekken, zich buiten staat stelde hem
van zijn onschuld te overtuigen, hij de innigste smart zou veroorzaken
aan zijn zuster en vriendin.