Gy meught van nacht by ons wel blyven rusten
Wy hebben t'huis rype app'len, zoo ze u lusten,
De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.
_Virgilius_, Ecl. I. Vert. van Vondel.
De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen
hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich
buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en
dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders heenbracht
dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der
stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling weinig trek gevoelde
om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een
kort beraad, dat er toch voor hem niets beter opzat dan een spoedige
vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de
schildwachten, die ver van daar op de stadswallen geplaatst waren,
hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes
in 't water glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de
overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken
der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan,
dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den Rijn bracht. Het
was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich,
nu buiten het gezicht van iedereen, aan den voet van een wilgeboom
nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te
overleggen, wat hem te doen stond. Dat hij door een misverstand
in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk
genoeg toe; doch dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol
zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit
kwam hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke
kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den stadswal,
dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot
mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden, doch bij de Hervorming
meerendeels door 't gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren:
en het was wellicht met een van die gestichten, dat het huis van
Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou
wezen, dat er menschen van zoo verschillende geloofsbelijdenis in
vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam
hem onverklaarbaar voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad
achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde
hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had,
waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor, alsof die man
ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn
hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude hij al wat hij gezien had,
gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen;
daarenboven, waren zijn vermoedens wel gegrond?--hij was zoolang in
vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn
vaderland gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al
de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!....
Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug
te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort meer inliet:
en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven,
vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij in Tiel paard en mantelzak
achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in den
_Gouden Ooievaar_ de noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen
hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De
lucht was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende
kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die tusschen
het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de
opkomende maan in vollen luister neder over de wijduitgestrekte
weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen
ontlokene bloesems als met een sneeuwwit laken schenen overdekt te
wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand,
de zuivere tonen der nachtegalen uit de omliggende boschjes
weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het,
ja buitenachtig, doch niet vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan
ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonige _brekkekekez
coax coax_, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets
harmonisch voor zijn gehoor.
Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij
op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere stem
hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag,
onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij aan een stok
gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk,
den veldeling eerlang op zijde te komen, en de woorden van het liedje
van Starter te onderkennen, welke aldus luidden:
Wy syn in 't soetste van ons jeught,
In 't allerschoonste van ons tijt,
En dat wy die niet sonder vreught
Dus klackloos worden quijt.
Wanneer den grijsen ouderdom
De groente van ons jeught verdort,
Dan komen all' ons lusten om
De vreught wordt opgeschort.
Dus wel an.
Laat ons dan,
Wijl men magh
En de tijt
Sullix lijdt
Met verdrag
Recht lustigh wesen,
Vreught wort gepresen,
En lachen in 't gelach.
"Gij schijnt vroolijk, landman!" zeide de reiziger, nadat de dorpeling
zijn lied geëindigd en zijn groet met een wederkeerig _gen avond_
beantwoord had.
"Dat ben ik ook, koopman!" was het antwoord: "en wie zou ook niet
vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as men zoo een
goede welkomt'huis met brengt, alhoewel de vracht zwaôr enoeg is."
"Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt," merkte de
reiziger aan.
"Dat raodt ge de koekoek, koopman!" hervatte de dorpsbewoner: "het
zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen. Ik heb ze bij
occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog
wezen en dan: hadie vreemde producten.... is 't nietwaôr, koopman?"
"Maar ziet ge dan niet, vriendlief," zeide zijn reisgenoot, "dat ik
geen koopman ben?" Hier wees hij op zijn degen.
"Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen soldaôt, hoop ik:
want dan zeg ik: _beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!_ en gaat oe
rechts, ik slaô linksom; want de soldaôten zijn maôr boerenplaôgen. Hoe
zeit het liedeken?
_Tire le vin!_ 't sa spoelt de glazen!
_Faictes grand chère_, laet droefheyt staen
En laet ons roepen, tieren, rasen,
_Vive la guerre!_ de krijg gaet aen.
't Sa lustigh! 't sa, laet het glas omgaen.
Ick moet nu pooien, want ick sal weer
De boeren plagen, 't kan nu niet dragen,
Of ick een daeldertje meer verteer."
"Ik ben een afgedankt krijgsman," zeide de officier, lachende: "ge
hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor uw hammen."
"Warentig! nou, dan is 't alles zeven," zeide de boer, zijn reisgenoot
op den schouder kloppende: "maôr wat pots honderd tausent slapferment
is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! waôr het oe gezeten? het
oe in de sloot elegen?"
"Zoo half en half," was het antwoord van zijn reisgenoot.
"Wel me dunkt wel hiel ende al," hernam de landman, hem van top tot
teen in oogenschouw nemende: "en mot je nog ver loopen, eer je oe
voor een viertje drogen kunt?"
"Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel."
"En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zal _pardienne_
niet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!"
"Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn
dragen om samen uit te drinken," zeide de officier.
"Jij bent een nobele baôs!" hernam de boer: "maôr niemand zal van
Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning heeft
laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit
kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen als van buiten
verwermen."
"Daar zegt ge wel an, landman!--en om u te toonen, dat ik ook liedekens
weet, zoowel als gij:
Is 't weer te guur,
By Knelisbuur
Daar stookt men 't vuur
En warmt men sich de leden.
Vat kou ons bij 't lijf,
Dan stelt zijn wijf
Tot ons gerijf
Met lekkeren wijn ons tevreden.
En wie dan met tang en met glazen kan schermen,
Die kan zich van buite en van binne verwermen."
"Een klettig lied, en wel ezongen," zeide de landman: "ik loof
warentig, als je niet zoo nat waôrt, oe zoude zingen as onze
dorpszanger, en die is bylo gien prul!"
"Wat is uw dorp?" vroeg de reiziger.
"Ik woon te Rijming," antwoordde de boer: "even oet het dorp en
krek aan de rivier. 't Is wel te zien, dat oe een vreemdeling zijt,
anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap
van de hiele waard."
"Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest," zeide de officier:
"doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te
voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed als mij zelven."
"Dat ben ik," hernam Gheryt Maessen: "van te voren woonde ik aan gene
zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede bediening en
een gemakkelijk postje; maôr ik ben om de religie vervolgd eworden."
"Om de religie?" vroeg de officier verbaasd.
"Jaô! jaô! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden
as een edelman?" vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd: "ik zeg oe
man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens
Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn post afgezet, en die werd
aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven
al in 't geheel maôr van geen godsdienst afweet. Ja, zoo gaôt het al
in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid."
"Teun Wezer!" herhaalde de jongeling: "die placht een groote strooper
te zijn, zoo ik mij wel herinner."
"Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige
treftigheid. Maôr wat was het? de vent had veul voorspraak bij de
groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen
liep naôr den overkant, die zoo maôr half in den haôk waren; maôr
wie kan 't bewijzen? 't is maôr, die 't laôst verteld heit, leeft nog."
"Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas
Meinertz is?" vroeg de vreemdeling.
"Of ik Klaas Meinertz ken," antwoordde Gheryt: "pots dit en dat,
wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?--Ik kom zoo van den vent
vandaôn: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet
negotie in allerlei...."
"Zoo! komt ge van hem vandaan?" vroeg de officier, wiens
nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: "het
was vol tot zijnent, niet?"
"Vol! met kisten en kasten, in 't voorhuis, ja, dat gaôt wel an."
"Maar met menschen?" vervolgde de reiziger.
"Met menschen!" herhaalde zijn reismakker: "dat kan ik juist niet
zeggen. Ik heb niemand buiten hem in 't voorhuis ezien."
"Nu ja, in 't voorhuis; maar zijn woning is groot."
"Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet gaôf toestemmen: want
behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en zijn werkplaots
is nog aôn de overzijde van de straôt."
"Ik meende echter vernomen te hebben," hervatte de officier, "dat
zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van...." Hier
poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen.
"Van Sinte-Cecilja, meent oe?--Ja, dat was zoo in vroegeren tijd:
maôr die is al lang toeëstopt."
"Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een
vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven
zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;--en woonden
naast dat klooster geen Dominicaner monniken?"
"Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was,
gelijk men mij wel verteld heit, van de namaôgschap van den Heer
van Sonheuvel."
"Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar
neen!...." en de reiziger verzonk in diep gepeins.
"Jaô," vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: "hum was ien
vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum nog leeft, althans
naar 't zeggen van de Paôpschen: ze vertellen al raôre historietjes
van hum."
"Zoo!" zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde
werd opgewekt: "en wat zegt men dan van dien vromen Prior?"
"Jaô," antwoordde Gheryt Maessen: "voor de waôrheid van het geval
staô ik niet in, dat riekt mij zoo paôpsch; maar mijn grootje heit
het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken
tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van Sint-Dominicus
te Tiel?--"jaô, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik
verwed er vijfhonderd stokslagen onder, dat ik hum van puren schrik
zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo
ezeid zoo edaôn: het duvelken springt in een wip voor den Prior op
de tafel, waôrvoor hum bij de keerse te lezen zat, en maôkt honderd
kromme sprongen vlak voor zijn neus; maôr het raôkte den Prior niet
eenemaôl aan zijn kouwe kleeren: het duvelken weêr van voren of an:
maôr wat zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy
mijn keerse vast:--en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext,
dat hum de keerse oet den kandelaôr nam en den Prior lichtte. Nu liep
de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op de vingers,
zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst
niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel en al weg, en
duvelkenmaôt kreeg van den Prior verlof om heen te gaôn; maôr zijn
poot was deerlijk verbrand en daôr hum de weddingschap verloren had,
kreeg hum nog vijfhonderd stokslaôgen toe."
"Ik heb die klucht meer gehoord," zeide de vreemdeling: "doch zij is
mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald geweest,
die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent
gij den Heer van Sonheuvel?"
"Of ik hum ken?--dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen,
en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet ik
zeggen: sinds mijn wijf laôst een kwaôde kraôm ehad heit, komt ze om
den aôren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo wat een liflafje
met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met
een mengsel er bij, dat zij zelvers maakt, en zoo voort: ik hoop maôr,
dat we heur niet kwijtraôken; want zij zeggen, ze gaôt trouwen met den
Ambtman Mom, en misselijken pottentaôt, die heur vaôder wel wezen kon:
ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post
van veerman het afënomen."
"En denkt men," vroeg de officier op een toon van stem, dien hij
luchtig zocht te maken, "dat zij zin in hem heeft?"
"Of zij zin in hem heeft?" herhaalde Gheryt Maessen, een stemmig
gelaat trekkende: "nu vraôgt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden
kan. Wat zegt het lied:
Wie weet ooit, wat een meisken wil?
Nooit zeit ze, hoe ze 't mient.
Dan heeft ze deuzen tot heur vriend,
Dan heeft ze weer een aôren gril:
't Valt zwaôr, in 't stuk der min,
Te weten wat een vrijster dient,
Te kennen heuren zin.