En daôr heeft de maôker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in."

"Nu ja, dat is zoo," zeide de reiziger: "doch wat denkt men in

't algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen in zijn

vrijage?"

"Kans?" hernam Maessen, verbaasd opziende: "wel man, hoe kan oe zoo

iets onnoozels vraôgen? Als men een schoonen naam, een goed fortuin en

een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk,

niet oetermate dom, niet oetermate old, niet oetermate boos is,

wel dan heeft men, naôr mijn slechte verstand, alle kansen voor zich

en maôr een kleintje tegen: wel is waôr, dat iene kleintje doet de

schaôl wel iens overslaôn."

"En wat is dat eene kleintje?" vroeg de officier, op een toon, die te

kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer wel voorzag, doch

aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven.

"Dat is," zeide de boer, "wanneer een klein, klein kuipedootje zich

in de aôre schaôl plaatst."

De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen

voor 't oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel vermeesterd,

en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat

deze, op een linksafslaand paadje wijzende, hem uit zijn mijmering

riep met deze woorden: "hier langs gaôn wij naôr mijn woning."

De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige

voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd. toen zij,

een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren

stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien zagen: slechts even bewoog

een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg

om op elk golfje den zuiveren schijn der maan te doen glinsteren. Aan

de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met

boomgaarden en boomen en bosschages dicht beplant, welke in de verte

zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond

de gedaante van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig

blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van

Sonheuvel uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken

van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen,

die den rook van zijn schoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen,

verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik,

en stapte, nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken

en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed

vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur

te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en hield het oog

onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat

het pad weder nederwaarts afliep en de dijk hem opnieuw belette, zich

in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En,

zonderlinge wisseling der menschelijke gedachten!--nauwelijks was de

in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest,

den dijk voor het lagere pad te verlaten, of de sombere denkbeelden,

die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats

voor het wezenlijke, en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat

van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan,

welke het doel van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte

te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik

van een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel

den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met deze

aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder

en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans nederige, doch

niet geheel onaanzienlijke hoeve.

Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin

ontving, toen hij, met een vroolijk: "gen avond samen!" zijn woning

binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan

zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor haar lag, toe, na

alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar

zij gebleven was, en maakte zich gereed haar zoon te omhelzen. Een

eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der

kamer aanwezige bedstede, waaruit op een flauwen, doch niet minder

hartelijken toon, een: "gen avond vader!" zich liet hooren. Drie

kloeke, wel doorvoede kinderen, waren hun vader reeds in 't gemoet

geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen,

den vreemdeling nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden

beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de

benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu

en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling van ter

zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift

op den reiziger was aangetogen en vervolgens al grommend en knorrend

tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de

plaats uitzoeken, waar het beste vleesch te happen ware, scheen over

zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder

bedaard op de warme plaat ter ruste.

"Gen avond, Gheryt!" zeide moeder: "kom, Klaôske! zet een bank voor

vaôder als een man. Nu! hoe staôt oe zoo te lanterfanten?--Maôr kijk,

daôr het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had."

"Gen avond vader! gen avond Gherytman!" herhaalde de vrouw des huizes,

haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende:

"komt oe mij niet eens een toet geven?"

"Hier ben ik al, vrouwke!" zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te

hebben: "hier ben ik: hoe staôt het er met sinds van mergen?" En

meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen.

"Dat's maôr zoo passelijk met onze Els," zeide moeder: "ze heit weer

wat koorts ehad, maôr het eten lijkt er toch nogal esmaôkt te hebben,

nietwaôr ook, Elske?"

"Nu, zoolang de appetijt er maôr is, zal het zoo spaôk niet loopen,"

merkte de luchthartige Gheryt aan: "ik heb teugen dat oe weer trek

in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht:

zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe staôt op maôken. Maôr kom,

Klaôske! zet me fluks eens als een man een bankje an den haôrd en leg

mij wat takkebossen op het vuur: want hier heb ik een wilden vogel

bij mij, die aôrs licht verkouen zou raken, nietwaôr ook, man?" Hier

klopte hij zijn gast vriendelijk op den schouder.

"En wie heit oe dan met ebracht?" vroeg de moeder, terwijl zij haar

bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling beter

te kunnen zien: "wie is dat heerschop?"

"Dat heb ik hum nog niet evraôgd," antwoordde de zoon met een gullen

lach: "de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten, den Rijn over

te vaôren eer hum zich eerst wat ewarmd heit."

"Ik hoop niet, moeder!" zeide de vreemdeling, toetredende, "dat ik u

eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap uw zoon niet

opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig

heb ik zijn aanbod aangenomen."

"Oe is welkom, heerschop!" zeide de oude vrouw: "men zeun doet wel:

want wat zeit de schrift: _ik was vreemdeling en ghij hebt mij

geherbergd_."

"Bewaôr ons!" riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten

drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet: "man! wat

is oe nat! waôr drommel heit oe ezeten?"

"'t Ware best," zeide de oude vrouw, "dat het heerschop zijn natte

kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok,

Gheryt! want zoo kan de man niet blijven."

"Jaô waôrlijk moeder, dat eloof ik ook;--ei Klaôske! haôl iens ezwind

mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kleêrkas: en oe

Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den

man goeddoen!"

De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende

verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide

hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil

zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid,

dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar

hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik en koude,

zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige

woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen en gepraat had,

was hij in een staat van overspanning gebleven, die hem nu des te

duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef

van hetgeen er gebeurde, liet hij zich door den braven huisman en

den oudsten zoon den natten overrok van 't lijf, en de niet minder

natte laarzen en broek van de beenen halen, welke kleedingstukken

vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin

de vreemdeling een vrij zonderling voorkomen had.

"Zal oe nu niet wat met eten?" vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden

zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden. "Kijk, dat

lacht oe toe!" en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij,

dien de oude vrouw had opgebracht.

"Hartelijk dank!" zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand

leunende: "gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op 't oogenblik

niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best

zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat gedroogd zijn, mij maar

weer op reis begeef."--Met deze woorden rees hij op en poogde een

paar stappen te doen; doch zijn knieën knikten hem onder het lijf,

en hij viel weer op zijn bankje neder.

"Droomt oe man?" zeide Gheryt: "oe zult van dezen nacht geen stap

verder doen, hoor!--Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij van koorts

is: blijf oe van dezen nacht maôr hier: wij zullen het wel schikken,

dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en dan kan oe morgen zoo vroeg

en laôt weder heentrekken als oe wilt."

"Ik hier blijven?" vroeg de reiziger: "dat zal u immers hinderen?"

"Niet het minst! niet het minst! breek daôr oe hoofd maôr niet met. Wat

zegt oe moeder? er kunnen immers schoone laôkens in de bedstee van

het opkaômerke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!"

"De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het

kabinet," zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede het gesprek

gehoord had.

Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf

zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf

van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen,

met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten bracht,

weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd

houdende op den rijstebrijschotel.

"Het doet mij van harte leed," zeide de vreemdeling tegen Gheryt,

"dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft.... waarom

niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen,

dat ik hen in die verrichting storen kom."

"Bekommer oe niet," riep de vrouw des huizes uit hare bedstede:

"'t spijt mij maôr, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist op mijn

bed moet liggen: nu, als oe op een aôre keer wederom komt...."

"Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden," zeide de reiziger, haar

volzin voleindigende; "maar daar komt moeder al weder terug; houdt

u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder

wel alleen klaarkomen."

De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in orde was;

waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte,

en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na stellig bescheid

ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het

verder wel alleen zou klaren, hem onder het toewenschen eener aangename

nachtrust alleenliet.

"Het was toch wat ewaôgd van oe, Gheryt!" zeide de moeder, toen

het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: "het was toch

ewaôgd, dien vreemden man zoo maôr bij ons te noodigen. Ik loof toch,

dat hum een hupsche borst is; maôr hum kon toch ook wel een dief of

een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens

willen vertellen!"

"Ja moeder!" zeide Grheryt: "dat weet ik niet recht: genoeg was het

voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een schelm of

vagebond. Had de man kwaôd in 't zin ehad, dan had hum mij immers

kunnen doorsteken met 't braôdmes, dat hum op zijde heeft, en mij

mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien

wat een kostelijke goldene keten hum onder zijn wammes droeg en watte

schoone goldene ringen hum aan de hand had?"

"God geve," zeide de meer ergdenkende oude vrouw, "dat hum daôr

eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen naôsten niet oordeelen:

ik wil gaôrne het beste van hum elooven."

De Pleegzoon · 第 31 / 50 题