ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Maar gij, die hier het woord voert in 't gezantschap,

Wie zijt ge?

_Bilderdijk_, Floris de Vijfde.

De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman

het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen een

paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met

een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden neus, die, van

menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn

niet zelden den vromen man te stade kwam, als hij zijn zorgen begeerde

te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien,

dat het niet voor zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en

voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te

trappen, dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn

heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den

leeraar aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar

dan den zedenpreker. Of de waard in den _Gouden Ooievaar_ hem bij

deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust:

zeker is het, dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde,

waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht.

Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde

haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins

verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan,

met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op zijde, in

een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage,

een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen en breede

ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een

predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen houding trad

hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem

met de volgende bewoordingen aan Van Dyk (want onder dien naam alleen

kende hij Eugenio) voorstelde: "_Eruditissime vir! Dominé_ Van Dyk,

_vel melius Ab Aggere!_ Ik ben uw onderdanige Dienaar, _humillimus

servus!_ Groote dingen zullen door UEd. in Israël uitgericht worden. Ik

heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden.... _virum juvenem egregium,

magno ingenio vel magni ingenii_, want beide zegt men, _teste Gerardo

Joanne, viro celeberrimo_.... een voortreffelijk jong mensch, den

Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam, _sed

nominum vana curiositas_.--_Sufficiat_, dat hij de feniks van alle

reisgezellen is, _nec minus bonus potator_.... he! he! kastelein! een

glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in."

Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette

de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz toe, dat

hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder,

vouwde de handen over den buik ineen, en zag het gezelschap met een

wijdopgesparden mond aan.

"Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?" vroeg Mom halfluid

aan Eugenio.

"Hem laten slapen tot hij nuchter wordt," antwoordde deze op denzelfden

toon: "hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad uitrichten, al

verspreekt hij zich."

"Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept

geweest?" vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende,

die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde.

"Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij

heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen, en

heeft niet losgelaten, of ik moest nog in den _Gouden Ooievaar_ een

tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is,

naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik hier geroepen ben."

"Dat is te zeggen," zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: "op

mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn vriend

Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft,

ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u weder te zien."

"Met uw verlof," hernam de jongeling: "hedenavond was het mijn

voornemen, om...."

"Tot straks," hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze met de hand

groetende en zich vervolgens tot den Jezuïet wendende: "ik ga naar

Preys en Leendertz," zeide hij: "gij zult het noodige met deze Heeren

wel afhandelen."--Dit gezegd hebbende vertrok hij.

"Maar!" vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende "ik moet

hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen men hebben

kan, mij hier op te houden."

"Hoe!" vroeg de Jezuïet: "vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht,

dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde."

"Dat kan hij ook niet," hernam de reiziger: "dat verbieden de

omstandigheden."

"Zeer natuurlijk!" merkte Eugenio aan: "wanneer men geheel andere

grondbeginselen heeft:--daarenboven, wat zegt de Schrift: _si quis

non odit_...." [40]

"Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?" vroeg Groenhof uit de

sluimering opschietende, waarin hij geraakt was.

"Ik!" antwoordde Eugenio bedaard: "gij weet, ik ben een Bosschenaar,

en daar hoort men zelden anders als uit de _Vulgata_ praten:--daar

is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij

van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten aldaar met mij naar

het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der

geleerdheid doorvoed en gestoofd in de zon der gezonde rede.... daarvan

gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn,

voor de dierbare kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie

te houden.--Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien...."

"Ik?" riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden

Bosschenaar met verwondering had aangehoord: "en voor wien ziet

UEd. mij aan?"

"Zoo!" zeide Groenhof: "is mijn jonge reismakker ook een Nazireër! _en

collega_? waarlijk _valdegaudeo_, een geleerde, een broeder, een

medeverdrukte, een medearbeider in 's Heeren wijngaard in hem te

ontmoeten. Ik dacht aan zijn kleeding eerder, dat hij een _miles

gloriosus, de quo Plautus_, dan een _miles Christianus, de quo Paulus

habet_, ware."

"Wat collega! wat verdrukte!" riep de vreemdeling uit, terwijl hij

rood werd van drift: "ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op

de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.--Hoe is

het? een misverstand? of scheren wij elkaar?"

"Ik prijs de achterhoudendheid," zeide Eugenio: "doch hier is zij

althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening niet te

verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk

vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal der goede zaak,

de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen

tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen aan geen onwaardige

geschonken werd."

"Ik u vertrouwen geschonken?" vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer

verwonderd: "en door wien dan ben ik hier ontboden?"

"Door wien?--Door mij, door Van Dyk," antwoordde Eugenio: "ik ben

degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk herwaarts

te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote

en godzalige voornemen, waartoe wij...."

"Ik ben te Mulheim niet geweest," viel hem de jongeling in: "ik heb

geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen: ik weet

van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn,

ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest."

Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond

strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen, door

een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken,

dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord geweest

was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden:

althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan 't gevest van

zijn hartsvanger. Doch de Jezuïet liet na een oogenblik zwijgen den

arm weder zakken en vroeg zeer bedaard: "zoo, is UEd. dan niet de

persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?"

"Hendrik Raesfelt?--neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van

Hendrik Raesfelt?" vroeg de jongeling met levendige deelneming.

"Niets! UEd. schijnt hem te kennen?" hernam Eugenio, volgens zijn

gewoonte een vraag met een andere beantwoordende.

"Of ik hem ken?--Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel

belang in hem gesteld."

"Zoo!--Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags

hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk niet, dat

er maatregelen worden in 't werk gesteld om de gebannen predikanten,

die onderwerping beloven, weder te herstellen in hun bedieningen:

hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn

jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk maakten; doch daar

UEd. die persoon niet zijt...."

"Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?" viel de reiziger in:

"ik moet u echter bekennen," vervolgde hij, "dat, bijaldien de

tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging,

dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet tevreden moesten

stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud,

dat mij misschien beletten zal, heden nog de stad te verlaten; want

naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn."

"Gij ons verlaten!" riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder

toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte. "Wilt gij mij

verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt

voor de goede zaak, gij moet blijven en met ons strijden of afwachten

de groote dingen, die er geschieden zullen. _Manendum est et fortiter

pugnandum!_" [41]

"Stil!" zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige

toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan den

jongeling zou bekend maken: "stil Dominee! het is noodeloos hierover

met dien heer te spreken."

"Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot," zeide Groenhof, die, zonder

acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den jongen

vreemdeling bij de hand bleef houden: "ja, mijn broeder! hij zal

vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige profeten...."

"Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?" vroeg Eugenio aan

den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof

losrukkende. Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door

de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was.

"Het is alles gereed, _omnia parata sunt_," [42] vervolgde de

Predikant: "de dwingeland kan den strik niet ontkomen."

"Van welken dwingeland spreekt gij toch?" vroeg de onbekende, haastig.

Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren.

"Het is te laat!" zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende,

verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot achter zich toe.

"Om 's Hemels naam, wien bedoelt gij?" herhaalde de vreemdeling,

zonder op het vertrek van den Jezuïet bijzondere aandacht te slaan.

"Wien ik bedoel?" herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was

om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk versproken had:

"ik bedoel den Koning van Spanje, _Hispanarum regem, inimicum nostrum

communem_." [43]

"Zoo!" zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid

schuddende: "doch waar is onze gastheer? of hoe moet ik den man

noemen, die ons hier ontvangen heeft?--hij zou mij uitbrengen, en

hij verlaat ons."

"Hij zal wel zoo terugkomen," zeide Groenhof, die inmiddels weder was

gaan zitten. "Wacht maar een oogenblikje; het is toch te laat om de

poort uit te komen."

"Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten,

wat hierop volgen zal," zeide zijn makker, zich verdrietig in een

stoel werpende.

Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant,

die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was, begon het toeven

hem hartelijk te vervelen. "'t Is recht vermakelijk om hier voor gek

te blijven zitten," riep hij uit, terwijl hij wrevelig opstond en

zijn stoel van zich afstootte: "en wat het fraaist is," mompelde hij

er op zachteren toon bij: "alles is mijn eigen schuld. Wat behoefde

ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn

geleide naar Tiel te reizen? mijn oude vriend zou zeggen: met wie je

verkeert wordje geëerd. Wist ik maar hoe er uit te komen!"

"Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg," zeide Groenhof,

ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: "en de kastelein of de baas

van 't huis, wie hij wezen moog', schijnt het zoopje ook te vergeten,

dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen haast."

"Maar ik wel," viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede:

"en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik zien,

of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen."

Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met

al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke eiken

planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk

ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er voor zijn oogmerken

in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en

weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende, zich gereedmaakte,

de deur met geweld open te breken.

"Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!" zeide hij: "men zal wel

dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld in groote

besognes. _Paululum exspecta_. [44]

"'t Is een verbruid werk," riep de jongeling, "ik zit hier als een

muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden aangezien,

zoo sprong ik het venster uit." Dit zeggende keerde hij zich om,

met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te openen, toen zijn

voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik

open te maken. "Aha!" zeide hij, "die gelegenheid had ik nog niet

opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen."

"Ja! naar den een of anderen wijnkelder," zeide Groenhof.

"Zoo dat het geval is," hernam de vreemdeling, "zult gij er mij zonder

weerzin volgen willen."

"_Bone Deus!_ wat doet gij!" vroeg de Predikant, ziende dat hij het

valluik, 't welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte.

"Ik baan mij een doortocht," antwoordde zijn makker: "ik heb

altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel op

het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u

genegen mij te volgen, 't is mij wel: ik ga u voor." Dit zeggende,

klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde.

"Ik moet toch zien, waar die vent belandt." dacht Groenhof: "hij

mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte." Met dit oogmerk

volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, 't welk

op het eerste oog geen anderen toegang scheen te hebben, dan langs

de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien

kant al zijn licht, en de flauwe schemering, die er in doordrong,

veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine

vaatjes te zien, welke tegen de naakte wanden waren opgestapeld.

"Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn," merkte de jongeling aan.

"De Hemel zij ons genadig!" zeide Groenhof: "zouden wij dan niet

liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo goed wij

kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang."

"Dat zegt gij," hervatte de andere gevangene: "doch ik stel vast dat

er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van binnen gesloten:

die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben:

want hier is hij niet meer: indien het slechts zoo verbruid donker

niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten." Dit

zeggende, wees hij op een reet in een hoek van het kamertje, en

zich op zijn knieën latende vallen, beschouwde hij den wand met een

opmerkzaam oog. Spoedig ontdekte hij een kleine vierkante opening,

met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk

dienen moest om de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met

kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij

het luikje wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op

een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven,

zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon.

"Goddank!" zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het

gat kijkende: "hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan zullen

wij wel ergens te land komen."

"_An stultus es?_" [45] vroeg de Predikant, toen ook hij de

hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. "Het is me

_hercule_! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen."

"Zooals gij wilt," hernam zijn reisgezel: "ik waag den sprong!" en

meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij zijn

hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter

halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling,

was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten,

zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze pogingen

zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd

de benauwde toestand, waarin hij zich bevond, nog vergroot, doordien

hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te voren bevonden

had, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en

geroep van "waar steekt de guit? waar zit de spion?" ontdekte, dat

verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans

geen zeer vriendelijke oogmerken jegens hem koesterden.

"Dominee!" zeide hij met een gesmoorde stem; "maak dat onderste

plankje los."

"Ik bedank u," zeide Groenhof: "hier!" vervolgde hij, zijn stem

verheffende tot die, welke boven waren: "hier moet gij wezen."

"Schurk!" riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant

een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige man schreeuwende

terugstoof.

De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk

diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond uit twee

deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan

stukken gesprongen: het onderste, een plankje van twee duim breedte,

dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden

gesloten werd, was blijven zitten. Door de geweldige pogingen, die

hij in dit oogenblik van benauwdheid in 't werk stelde, gelukte het

den gevangene, dit plankje te doen losbersten, waardoor de opening

ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge

jongeling op en snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij

in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere

de scheede weder vasthechtte.--Aan het einde van de gang gekomen,

sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen

een ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt

deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in de

verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de

gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen, hetwelk onder

een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was

verborgen. Dit deurtje stond aan, en onze vluchteling aarzelde niet het

binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen,

of hij bleef bewusteloos staan, in de onzekerheid, of hij niet, door

Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem

de onverwachte vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof.

Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht

ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde

ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters

omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen de

pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar 't scheen,

tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden: althans de

uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven

ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke bewoners dier

nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren

twee hooge dubbele deuren, met breede posten en Gothisch snijwerk,

welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels

waren geheel verroest en de sloten met spinrag bedekt. Behalve deze

hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door

een van welke onze onbekende vriend was binnengekomen. Midden in de

zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig

vierkante tafel, met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt

overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met

hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en

witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis duidden een

Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid,

aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis, waar een zilveren

christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd

lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde van den voorzitter zaten op

houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk,

deels in wereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en

schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te

luisteren naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter

stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met drie

zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte,

toen zij krakende openging voor den binnentredenden vreemdeling,

werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar

den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner samenkomst. Toen zij

den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger

nog stijf in de vuist gekneld) stoven allen gelijkelijk op: sommigen

grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en

anderen zochten onder hun opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De

voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood

hij stilte en trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus,

op een vriendelijken toon, aansprak:

"Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte

komst?"

"Verschoon mij," antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen

zijn geweer opstekende: "ik ben verdwaald in dit gebouw, ik weet

zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op

straat bracht."

De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd.

"Het komt mij vreemd voor," zeide de voorzitter, "dat gij, alleen

omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een dolleman

hier binnen komt stuiven,"

"Ik beken," was het antwoord, "dat de schijn tegen mij is; doch

openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen: een

zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden

dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan den _Gouden Ooievaar_

stapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht

ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning, naar ik zie,

al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet

diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar daar zit hij zelf:

laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt."

Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel

gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel was

blijven zitten.

"Ik ontken niets," zeide hij, opstaande: "het geheele voorval berust

op een misverstand."

"Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die

althans van u niet verwacht, Pater!" bromde een der aanwezigen.

"Dwaas!" antwoordde Eugenio halfluid: "is de vogel niet in de knip,

en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de wieken te

korten of den hals om te draaien?"

"Stil!" zeide de voorzitter: "wat aanleiding tot de komst van dezen

jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik te onderzoeken:

daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig;

dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder

te erlangen."

"Ik wist niet, dat ik gevangen ware," antwoordde de vreemdeling met

fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande.

"Spaar die snorkerijen," hernam de deftige grijsaard: "ik zie gaarne,

dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet het op gepaste

tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?"

"Sta ik hier voor een rechtbank?" vroeg op zijn beurt de jongeling "Ik

ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen heer noch meester

op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in

't gehoor te nemen.... of sedert wanneer is Tiel aan een papenrecht

onderworpen?"

"Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen," zeide een der aanwezigen,

die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende lieden

terugkeerde.

De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde

hij zich in staat van verdediging.

"Hoogwaardigste!" zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: "het komt

mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder bescheid

te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van

eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij en onverhinderd

te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al

wat hem is overkomen sedert hij de herberg van den _Gouden Ooievaar_

verlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie

hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make."

De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den

Jezuïet met scherpe blikken aan, als wilde hij diens geheime oogmerken

doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen

man, die zich eerst bij hem voor een Remonstrant had uitgegeven en

zich nu in 't gezelschap van Roomsche geestelijken bevond.

Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen

overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en vroeg hem,

of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd,

genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem werden opgelegd. De jongeling

antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al

hetgeen hij gezien of gehoord had, zou verhalen, tenware zijn plicht,

of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven.

"Die uitdrukkingen omvatten wat veel," merkte de voorzitter aan;

"want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel

beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid

uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden vrij te

laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven,

en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons gevergd ware."

"Het doet mij leed," hernam de reiziger; "doch ik kan geen andere

voorwaarden aannemen."

"Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven," zeide

de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in 't bijzonder

aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen vreemdeling in

verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld,

om zich te laten knippen: hij had zich steeds in de nabijheid gehouden

van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een

vrijen terugtocht voor te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op

hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel

in de lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen

afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een der

gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op

den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig achter zich toe,

dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den

weg dien hij gekomen was, de gewelfde gang weder door en het vierkante

gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen,

stootte hij een ongesloten deur open en bevond zich nu tot zijn groote

vreugd in de open lucht.

De Pleegzoon · 第 29 / 50 题