Der papen kist is leegh.
Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.
Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof:
Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.
_Vondel_.
Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van
de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene,
alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der
aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, welke de
twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij
onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt had. Noch de lentezang
van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der
lieflijk bloeiende boomgaarden, noch zelfs de majestueuze vloed, die
zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het
boschje zich uitstrekte, schenen hun aandacht bezig te houden. Van de
bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren,
staroogden zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en
stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen.
"Ik weet niet," zeide de een, "of het door de spiegeling der zon in
't water komt of door den verren afstand, of dat mijn oogen er schuld
aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen."
Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van
gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar en baard. Hij
droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de
oorspronkelijk groene kleur verschoten en de eens gouden passementen
zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van
postuur en eenvoudig, doch sierlijk in 't zwart gekleed. Zijn geestige
oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen,
en de zorg, waarmede haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven
hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de
slapen van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer
het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van 't Land tusschen Maas en
Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan.
"Het is zeker onaangenaam," zeide hij, "te moeten wachten, wanneer
men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt."
"Kom! kom!" hernam degene die eerst gesproken had: "zoo gij den moed
laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar wel doen zal;
want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe."
"Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde
Botbergen!" zeide Mom.
"Neen," hervatte deze, "maar wat helpt deze, wanneer...."
"Zoo meen ik het niet," viel hem de Ambtman in de rede:--"men kan
niet verliezen wat men nooit gehad heeft."
"_Was zum henker_!" riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van
den degen slaande, "indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een
beleediging zeide."
"Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander," zeide deze:
"nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, dat uw
fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij
begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik."
"Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal
machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste en rijkste
meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder
van de geheele Provincie wordt, en zoo die mislukt, zich wel zal weten
te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die
van Elbert van Botbergen, die zich in geval van een goeden uitslag,
met een schraal ambtje, misschien wel met een "God loone u" zal zien
betalen, en zoo de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt."
"Dwaas!" zeide Mom: "juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het
mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik veel op het spel
zet;--echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn
krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk gedaald, en zoo er heden
geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch
zie eens toe, Elbert! heeft Teun Wezer niet twee vreemde passagiers
aan boord?"
"Gij hebt scherper gezicht dan ik," antwoordde Botbergen: "mijn oog
is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders van vreemden
te onderkennen."
"'t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg
nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door misverstand
een vriend te deren."
"Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen,"
antwoordde Botbergen, de borst opzettende: "doch ik denk er niet op
te antwoorden."
"Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge
antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen
passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz:
maar wie is die derde, die naast den veerman zit?"
"Ja!" zeide Botbergen: "hoe wil men een vent herkennen, die een hoed
met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? Kijk, daar
staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel
den koning uit het kegelspel.
"Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit," zeide
Mom, oprijzende. "Doch laten wij stadwaarts gaan en de aankomenden
verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat
zij mij aanbrachten."
"Foei!" zeide Botbergen: "zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre
gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge vrouw geen
droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw
wittebroodsdagen te helpen vieren."
"Dat ware het minste," antwoordde Mom: "doch mijn huwelijk moet
voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders komt er,
gelijk vanzelf spreekt, niets van."
"Dan zult ge u zeker moeten haasten."
"Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur,
een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak niet weet,
doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen,
die met haar is opgevoed, waarschijnlijk het hartje van dat bloemzoete
maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof
ik, thans bevindt."
"Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?"
"Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn" antwoordde Mom: "hij is, meen
ik, in 19 van hier vertrokken."
"Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking
tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen heer als de
Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch
misschien is het meisje wel van haar liefde te genezen! vooreerst,
wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat
zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... hoe heet die knaap? ik
zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag
onder dien Spotkoning Frederik gestreden."
"De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet
gelooven.--Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; want zoo ik
wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van
Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan van Craeihorst laten
inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is,
hem dat landgoed, 't welk onder Sonheuvel ligt, bij zijn afsterven
te legateeren."
"Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk,
dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een kool.... wat
opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad;
want wij dienden onder één vaandel."
"Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig
het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op te zoeken?" zeide
Mom, spottende.
"Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die
reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch dat
blijft onder ons."
"Natuurlijk!" zeide Mom: "ik zou u zelfs raden het voor u te houden,
eer men u in 't aangezicht logenstrafte!.... doch dat is om 't even:
gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?"
"Ongetwijfeld," antwoordde Botbergen: "en zoo ik hem kwaad kan doen,
zal ik het niet nalaten."
"Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel,
behendiglijk en op zijn plaats verhaald...."
"Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren," zeide
Botbergen: "een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde wijd van
hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij."
Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen
de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke zij het
woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man,
met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, een grijze kalot
op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze
man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, die hem omringden,
aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet,
welke bezigheid hij verlichtte door met een holle stem psalmen te
zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril
af, zag hen even aan, zonder zijn werk noch zijn gezang te staken,
en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank,
die hij voor zich had.
"Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?"--was de vraag, welke hem
de Ambtman deed.
De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien.
"En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En
weet ge het woord?"
De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder
zijn arbeid te staken.
"Zou men niet zeggen," merkte Mom aan, zooras hij zich in het
achterkamertje met Botbergen alleen bevond: "dat diezelfde Klaas
Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien
had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter op verstaat
een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij
de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid en zonder ontdekt
te worden."
"Dat geloof ik wel," zeide Botbergen: "daar de Ambtman van Maas en Waal
in 't geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje gaan liet. Doch
men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient
de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor geld: en voor geld zou hij
die even gereedelijk verraden."
"Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs,
op Eyndhouts, ja--op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering uwer
middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?"
"UEd. wordt al te scherp," zeide Botbergen: "indien, hetgeen gij zegt,
waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, zooals ik,
u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen."
Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige
uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijker toon aan. "Nu,
Elbert," zeide hij: "maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te
verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, dat ik, zoo er kans voor
mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands
weder goed te maken, geen Spanjaards zou inroepen."
Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad
binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, dat er
iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken.
"Is hij van die wij verwachten?" vroeg Mom.
"Hij weet het wachtwoord," antwoordde Meinertz, de schouders ophalende.
"Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen."
De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen.
"Wat dralen zij nu?" riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder
gaande. "Elbert! ga eens zien waar zij blijven."--Botbergen opende
de deur.
"_Pax vobiscum_!" [37] zeide een lange zwarte gedaante, die juist
binnentrad.
"Wie duivel?" riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en
de hand aan hun degens slaande.
"Eilaas! Sint-Jan is dood," zeide de onbekende, zacht.
"Maar alle hoop nog niet ontvlood," antwoordde Mom op denzelfden
toon. "Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken wij?"
"Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij
te zien?" vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging.
"Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang,"
antwoordde de Ambtman: "kort en goed, wie zijt gij?"
"Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om
over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn
vertrouweling, zijn biechtheer."
"Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan," hervatte Mom: "neem plaats,
eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid wezen van de
reis. Waarmede kan men u gerieven?--Meinertz!"
"Meinertz is uitgegaan," zeide de biechtvader: "ik heb hem eenige
boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. Bekommer
u inmiddels niet over mij. _Panis meus est ut faciam voluntatem eius
qui me misit._" [38]
"Ja maar!" zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen
wendende: "als nu Preys en Leendertz komen...."
"Die zullen vooreerst niet komen," hernam de geestelijke heer: "die
heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen zal wel zoo
goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het
gesprek kome storen, 't welk ik met Zijne Edelheid hebben moet."
Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich
aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos aan.
"Mij dunkt," zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: "dat de Heer
van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb ik althans
geen geheimen...."
"Maar ik wel," zeide de onbekende, "ik vertrouw nooit iemand, dan
dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, dat vertrouwen
te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om
den Heer Mom alleen te spreken, dan kan deze, dunkt mij, de moeite op
zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit
al," (voegde hij er bij, daar Elbert nogal staan bleef) "ik kan den
Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer
Mom naar wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan
hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit,
die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken."
"Nu ga dan, Botbergen!" zeide Mom, "en laat mij met den Eerwaarden
Pater alleen."
Botbergen gehoorzaamde. "Waar blijft nu," dacht hij bij zich zelven:
"onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van 't gansche spel
te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen
naar zijn pijpen zal laten dansen."
"Zal ik," zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had:
"thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer van uw bezoek
verschaffen?"
"Mij dunkt," antwoordde de Monnik: "dat die nogal licht te raden
zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, geen
volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den
Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld gevoelde,
werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen
vernam, begreep ik, dat het voor de belangen van de goede zaak, zoowel
als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave:
en daarom ziet gij mij hier, gereed al uw bedenkingen of zwarigheden
op te lossen."
"Ik heb u slechts ééne vraag te doen," zeide Mom, "brengt gij geld
mede?"
"De kinderen der Heilige Kerk," antwoordde de biechtvader, zijn armen
deemoedig over de borst kruisende, "zijn niet gewoon, zich met de
schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift:
"_nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis
vestris_." [39]
"Dan behoef ik u niet langer aan te hooren," zeide Mom, hem in drift
den rug toekeerende.
"UEd. spot er mede," hervatte de vreemdeling: "maar...."
"Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den
Aartshertog," zeide de Ambtman, willende heengaan.
"Sta! gij dwaas!" zeide de Pater, hem met een forsche vuist
terughoudende: "gij zijt immers te ver gegaan om terug te
krabben. Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het
Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?"
"Dreigt gij mij?" vroeg Mom, toornig: "keer tot hem, die u afzond,
of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar een dag
ouder is."
"Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?" vroeg de Monnik, lachende:
"dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. Kom,
kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt
immers maar één woord van mij vereischt, en gij komt met mij op de
gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd:
dat is niet meer dan billijk en een privilege, dat u rechtmatig
toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?" voegde hij
er bij, hem met een doordringenden, scherpen blik aanziende.
"Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens," zeide Mom,
zich wrevelig nederzettende.
"Niet?--En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke
gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de materialen
kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en
de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige Elbert van Botbergen en
zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden,
buiten pijn en banden zouden afleggen? Telt gij die voor niets?--Al
ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert,
en wel in een plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot
is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu,
komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op 't hoofd
weder huiswaarts te keeren, of--'t geen nog erger zou wezen--om de
markt van Tiel uit de hoogte te bekijken."
Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend
zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd tot tijd
ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade
te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem teweegbracht. De
Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene
geheel verplet; zonder antwoord te geven bleef hij zitten en keek
ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op
een vriendelijke wijze zijn hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok,
en vervolgde in voege:
"Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en
opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld geslagen,
zooals thans. Laten wij een dwazen twist--of hoe zal ik het noemen,
't geen tusschen ons voorviel?--vergeten, en woorden van gezonden zin
tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke
Katholieke Majesteit geijverd te hebben, de goede zaak, zonder eenige
billijke reden, op eenmaal verlaten?"
"Ik ben het niet, die haar verlaat," antwoordde Mom: "het zijn de
Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, al wilde
ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?"
"Het zal hier geld en ambten regenen," zeide Eugenio, "als maar eerst
de zaak haar beslag heeft."
"Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand
mede beschenken," zeide Mom, met bitterheid: "Is het zoo niet? Ik weet
den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola
berooid en de geestelijke orden zijn, zooals altijd, niet scheutig."
"Daar is misschien wat van aan," antwoordde de Jezuïet, altijd met
dezelfde koelbloedigheid; "doch weet ge wat de voornaamste reden is,
waarom men u thans geen geld zendt?--Men vertrouwt u maar half."
Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een
oog van verbazing aan: "nu geloof ik, Pater!" zeide hij, "dat gij
voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt."
"Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt:
men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij een logen
heeft.--Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco,
twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al wat de staatkunde betreft
hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij,
omdat gij de Staatschen misleidt, ook de Spaanschen zoudt kunnen
misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen."
"En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het:
zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... en
voorschotten doe ik niet."
"UEd. heeft volmaakt gelijk," hernam de zoon van Lojola; "doch van
wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand stellen?"
Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem
en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid
opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom
enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, en
was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd.
"Welnu!" zeide de Jezuïet, "dit is meer dan een belofte, nietwaar?"
"Het is nog veel minder," antwoordde Mom, droogjes: "de Aartshertog
verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil niet eens
geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen."
"Wapens zullen u overvloedig verschaft worden," hervatte Eugenio:
"daarvoor sta ik u borg."
"Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan," vervolgde Mom:
"want alleen...."
"Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van
geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. Botbergen
hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen
zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid zich bij ons
te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van
geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten van Grobbendonck
hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand,
vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer pogingen. En," voegde hij
er zacht en langzaam bij, "Graaf Hendrik Frederik...."
"Is toch niet op onze zijde?" vroeg de Ambtman, hem haastig in de
rede vallende.
"Dat juist niet," antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach:
"maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, welke hij
tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de
verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open oogen bedriegt,
hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen
hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de oogen van alle misnoegden
in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en
het oogenblik is daar, dat broedertwist en binnenlandsche tweespalt,
de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen
stellen over al de nog overig zijnde zwarigheden te zegevieren."
"Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws," zeide Mom; "doch gij
neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan ik hier
mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder...."
"Daarom juist kom ik hier," hervatte Eugenio: "Ik, die vijf en
twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien,
om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen
bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, met pen
en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al
de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden of aangeblazen:
ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden
zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: ik, die den arm wapende
van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide
kinderen om hals liet brengen, die Ludwig, ten dienste van Spanje,
in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en
aristocraten tot muiterij en tweedracht aanzette, die, in één woord
alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,--ik zal ook in
dit geval het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot
rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen
mij voor het einde van 't Bestand in 's-Bosch en in 's-Hage), nog
dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door mij intijds
verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult
gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, ja orthodoxe
Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om
tot ons doel te geraken: en van de uitvoering zal ik al de moeite,
gij al de eer hebben.--Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te
beoordeelen, of gij u aan 't hoofd dier schaar plaatsen wilt, dan
of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des
beuls ter prooi wilt geven."
Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep
de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem opzat,
dat het voorstel aan te nemen. "In Gods naam," zeide hij, hem de
hand toereikende: "de teerling is geworpen, en ik geef mij aan uw
leiding over."
"Gij doet wel," zeide Eugenio: "en uw keuze zal u niet
berouwen;--intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb,
is dat gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz,
met wie ik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn
betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en het
kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben
ik Van Dijk, inwoner van 's-Hertogenbosch, en...."
Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in.
"Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel," zeide hij, "die
den Heer Mom verlangt te spreken."
"De kamenier van de Freule;" riep Mom verwonderd uit; "en hoe wist
zij dat ik hier was?"
"Zij wist meer dan dat," antwoordde Botbergen: "want toen ik haar
vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt zuidwest."
"Daar schuilt verraad onder," riep Mom; "doch wij zullen dadelijk...."
"Bedaar!" zeide de Jezuïet, hem terughoudende: "Magdalena is van
de onzen!"
"Zij van de onzen?" herhaalde de Ambtman, verbaasd: "hoe langer hoe
vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, niet meer
doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft." Hier zag
hij Eugenio veelbeduidend aan.
"Nu, als zij van de onzen is," hervatte Botbergen: "moet zij dan maar
hier komen?"
"Ongetwijfeld," zeide Mom: "zij heeft misschien een boodschap van
haar meesteres."
"Die is althans niet van de onzen," zeide Elbert, meesmuilende:
"als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?" Dit
zeggende verliet hij het vertrek.
Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule
van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede vrouw,
wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen
bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken van een vergevorderden
leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer
waar te nemen, was Magdalena, door de voorspraak van Klaas Meinertz,
die den Baron van Sonheuvel onder zijn klanten telde, haar plaats op
het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in
't bestieren van de huishouding en door haar geschikt en ordelijk
gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter
weten te verwerven.
"Goeden morgen, Magdalena!" sprak Mom, zoodra zij binnentrad. "Gij
brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? uw
Heer?.... en de Freule?"
"Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!" antwoordde de kamenier. "De
Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas Meinertz te komen
bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen
te koopen: en de Heer Baron gelastte mij eens naar den welstand Uwer
Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen
zijt, morgen na den middag op het slot te komen. Er zal een groote
kegelpartij wezen."
"Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed
aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartij behoeft te
wezen, om mij daarheen te lokken. En," vervolgde hij, haar een stuk
goud aanbiedende, "vergeet ook vooral niet, lieve Magdalena! mij in
de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen."
"Ik dank u," zeide de kamenier: "de Baron van Sonheuvel alleen heeft
het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs ik die zonder
loon." Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af,
doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij den Jezuïet, die zich bij
haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil.
"Wat schort er aan? wat deert u?" riepen Mom en Botbergen, als uit
één mond.
"Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning
verwittigd?" vroeg Eugenio, vooruittredende.
"Neen!" antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: "mijn oom, wien
ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik den Heer Mom
hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar...."
"Een wachtwoord!" viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was,
in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking
stond. "En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord
noodig ware, om mij te spreken?"
"Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!" antwoordde Magdalena, het
hoofd met fierheid oprichtende: "omdat uw bedoelingen en aanslagen mij
bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio
zich aan geen gevaren zou blootstellen zonder de noodige voorzorgen
te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets," vervolgde zij,
de hand aan den van verbazing sprakeloozen Ambtman toereikende: "waar
ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken,
en u allen, die voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de
waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij
hebt mij waarschijnlijk geen bevelen te geven?" vroeg zij, dezen
laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende.
"Magdalena!" zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of
aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: "moeten
wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt
gelijk, het is hier de geschikte plaats niet...."
"Vaarwel, Pater Eugenio!" herhaalde Magdalena en verliet het vertrek.
"Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp," zeide Elbert, zooras
zij weg was.
"Ik sta als versteend," zeide Mom: "zult gij ons ook van dit raadsel
de oplossing verkiezen te geven, Pater?"
"Ik heet Van Dyk," zeide Eugenio koeltjes, "en ben een verjaagde
Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht mij niet
bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee
Arminianen komen."
"Juist," zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende,
"dat zijn twee vreemdelingen, die in den _Gouden Ooievaar_ zoo straks
zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren."
"Alles loopt naar wensch," hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes
naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in 't oor: "De Aartshertog
heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een
geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden ophouden en zorg dat
Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar
ketters bezig zijn. Klaas Meindertz zal u wel wat Rijnschen wijn
schenken. De man heeft een goeden kelder."
"Tot uw dienst Pater.... Van Dyk," zeide Botbergen en vertrok. "En
wat moet er nu gedaan worden?" vroeg Mom, die zich, maar half tevreden
en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen.
"Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij
moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze zijde overhalen. Een
hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den
Predikant te Sonheuvel.... Hendrik Raesfelt.
"Ik heb van hem hooren spreken," zeide Mom; "maar zorg toch, mij niet
bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke eene herkenning
zou kunnen hebben."
"Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar," zeide Klaas
Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende.