Il dit fort posément ce dont on n'a que faire
Et court le grand galop quand il est à son fait.
_Racine_, Les plaideurs.
De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen
af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, brieven van
aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den
bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige daden de aandacht van
Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit
de Protestantsche landen uitlokten om onder zulk een wakker Overste
de oorlogskunst te leeren.--Raesfelt had het geluk, op den eersten
Zondagmorgen na zijn komst in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk
te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had
afgestaan: en bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel
de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te
tellen. Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat
zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan geworden
was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman
in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar de negotie te leeren.
Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral
naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige of moeilijke,
maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze
twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, gelijk de lezer
beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor
te stellen, hoe de Baron en Joan zich vruchteloos poogden goed te
houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar
broeder medegaf, hoe Raesfelt en Geertrui een schat van zedenlessen
aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand
hield en nu en dan met den handschoen een traan uit de oogen wipte,
al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude
vrienden vanéén zonder geluid te geven.
De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven,
welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn achtergebleven
vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben
kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende gezondheid, van
zijn smaak in 't leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over
zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, van zijn gehechtheid
vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen,
van hunnen kant, gevoelden diep het verlies van twee leden van het
huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt
hadden. Ulrica was in 't eerst als troosteloos: haar smart werd door
den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd;
doch met het vorderen der jaren groeide ook het besef van het eenige,
het ledige van haar toestand.
De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd
geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan hij zoo gewoon
was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit
den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, netjes naar zijn zin
opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig
moest hij drie a vier keeren fluiten, eer hem zijn ochtendgewaad was
bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het
ontbijt nam: zijn nieuwe dienaar bracht hem altijd van het verkeerde
merk. Met Bouke praatte hij onder 't aankleeden en ontbijten over
vroegere heldenfeiten: zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best
een paar bekkesnijdershistorietjes.--Ging hij te voren wandelen,
bezocht hij zijn diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond
hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd,
de jachtsprieten gladgewreven:--thans moest hij een paar dagen vooraf
bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken onklaar,
de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal
waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders gespeurd waren,
tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe
jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan tafel strekten voorheen de
vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het
maal: thans was ook de geestige kout en het meer en meer belangrijk
onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke,
verdrietige luim te krijgen.
Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had
te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene naburen,
meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks
zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn slot verzocht,
betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel,
waar tot dien tijd altijd geschiktheid en orde hadden plaats gevonden,
niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat
in den nacht werden voortgezet, zoodat Reede veel van de hooge achting
verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde
lieden genoten had. Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu
en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap
dolen doet, en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo
bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht
indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die
hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen van
vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de
vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds verplicht vond hem
in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: "Ja Dominee! maar
ik kan mijn leven toch niet moêrziel alleen doorbrengen. Als Bouke en
Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen." Wanneer
echter de oude Geert somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg
wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op
het slot gevoerd werd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar,
dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een
andere huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had.
Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans
leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje die genoegens te
verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke
eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. Hij zelf bedankte er voor, om
nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar
zeden en gewoonten aan te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus
om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig
haar stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter
te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, aan
welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen
(en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, haar page gevraagd,
doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver
naar Engeland was vertrokken). De Gravin bood hem haar diensten aan
en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne
voldeed de Baron aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje
voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten,
het stille, eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende
hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, dat
het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen
en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw te maken, daar de
natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof,
moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien een zeker iets geschonken
had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een
zeker aangeboren gevoel, dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat
over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak,
van welvoeglijkheid weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk
en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt:
een zeker iets, een _ick en weet niet wat_, hetgeen behaaglijk en
beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van
gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk onderscheid maakt tusschen
de wel_geboren_ en wel_opgevoede_ vrouw.
In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat
zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene partijen,
die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of
door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars had zich
nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad
alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon zij (de
Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet
zou mangelen. Onder de _pretendenten_ noemde Mevrouw van Nassau
voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van 't land tusschen Maas en Waal,
een welgezeten, bemiddeld ridder, van middelbare jaren en in groot
aanzien ten hove staande.
Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in
allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekenden op
't onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de
strooper en kippendief Teun Wezer; _sed quantum mutatus ab illo_
[36]. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en
met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen
lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een
degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai paard,
dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje,
Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: en het nieuwe gewaad,
waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn
persoon te vermeerderen: ja zij werd grootsch op haar eigen doorzicht:
want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de
galg opgroeide, had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht
aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen.
Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen,
vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan van den Ambtman Mom
(in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap,
die Ludwig hem aan dezen had gegeven) en verzocht voor zijn Heer de
eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron.
De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven,
en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem zonder veel omwegen
om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te
gelijk hoffelijke manieren behaagden den Heer van Sonheuvel evenzeer
als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had,
en zoover men gissen of nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek
echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn
dochter nog te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf
niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod
vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene
toestemming zou uittrouwen.
De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen
gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad waar. Hij
vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem
beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter vooreerst niets,
omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een
geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen.
Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen;
beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander verlangd en
waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun
blijdschap was niet weinig vermeerderd, toen eerlang onze beide
reizigers van hunne lange tochten in 't vaderland terugkwamen. Was het
afscheid aandoenlijk geweest, het wederzien was hartelijk en roerend,
echter minder dan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen
dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren
verloopen. Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking,
die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een
valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit
bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: hij was
nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere
ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, die hem te voren
minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid
tusschen de beide jonge lieden te schromen: hij bracht Joan veel op
groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk
met haar gewezen broeder alléén. "Bouke!" zeide de jongeling meermalen
tegen zijn wapenbroeder: "de oude Heer is niet meer wat hij geweest
is. Gij moet hem vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om
hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen."
Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer
zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad had:
anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen,
die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan en ten derde,
omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had)
zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid getrouwd had. Hij begreep
echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd,
weder naar het leger, dat hij slechts als verlofganger verlaten had,
terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden.
Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat
ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben
voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de
kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen van meer
aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst
van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik dat men de woorden, die ik als
motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij
teffens de reden van mijn vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik
zal antwoorden, dat het, in 't algemeen, niet van een schrijver afhangt
lang of kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt
onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal:
terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken
en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te zetten en
in de noodige orde te verhalen:--terwijl ik tevens zal aanmerken,
dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is geschied om niet
genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits
het in het vervolg dezer geschiedenis te zijner gelegenheid, nader
opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot
aan den tijd, waarop wij den draad van het verhaal weder opvatten,
om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere
beschouwing overslaan, alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter
verstand van het vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den
staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand.
Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende
Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner macht
en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke
vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare kunde
als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem
der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel aller krijgslieden
doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot
geacht, ware niet Willem de Eerste zijn vader geweest. Dan ondanks de
vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele
des laatsten te maken, gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom
en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van
Europa verkregen, aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen,
hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot
voor weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef,
oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch
onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen
en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over de Zeven
Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze
taak, over de maatregelen, door hem gebezigd tot bereiking van dat
gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het
zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken, dat de triomfeerende
Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren
ondervonden hadden, op een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze
aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der
Nederlanden was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en
grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende
partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen:
de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken uit alle
posten en bedieningen gestooten.
Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging
verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in hun oog
onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle,
ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen om hun verdrukte,
doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk
der synodale dwingelandij; ja zelfs het goud van Spanje en Frankrijk en
de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten.
Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel
die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden te runnen
aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig
en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij echter het vuur
van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat
bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door beloften en geschenken
uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig
echter voor Nederland en tot eer der natie waren er slechts weinigen,
zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselen gehoor
verleenden en den naam van landverraders verdienden.
Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen,
tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, welke wij met
den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren.