Dat 's een jonge, om zoo te spreken,
Die elk na de kroon zal steken,
Dat 's een knaapje met een bol.
_Greenwood_.
De persoon, die nu binnentrad, was een mager, bleek man, over den
middelbaren leeftijd: zijn hoofd was bloot en slechts van weinige
grauwe haren voorzien, terwijl de kruin kaal geschoren was: zijn
kleeding was allereenvoudigst en bestond uit een grauwen overrok:
van zijn linkerarm hing een bedesnoer af en in de hand hield hij een
klein getijboek.
De schrik van den knaap groeide meer en meer aan, toen de vreemdeling
hem naderde en hem dezelfde gelaatstrekken en houding, ja bijna
hetzelfde gewaad deed aanschouwen, door hem dagelijks in de groote
benedenzaal opgemerkt op de schilderij, welke de beeltenis van den
oudoom des Barons, Frederik van Reede tot Sonheuvel, voorstelde. Joan
dacht niet anders, dan dat de geest van zijn voorzaat hem over zijn
stoutigheid bestraffen kwam, en gillende viel hij op de knieën, zijn
gezicht met beide handen bedekkende. Dit scheen echter het oogmerk
van het spook niet te wezen, daar het, naar Ulrica toegaande, haar
keurslijf losmaakte en vervolgens haar gelaat met eenige waterdroppelen
besprenkelde. Zoodra zij eenig blijk van leven gaf, nam de gedaante
haar op, droeg haar buiten het vertrek en stelde haar in de handen van
Bouke, die het gegil van Joan gehoord had en daarop boven gekomen was.
"Goede hemel!" zeide deze: "wat is er met het lieve kind gebeurd? Wat
zal mijnheer wel zeggen? en de oude Geert? die zocht haar al het
heele kasteel door. Ja, omdat zij altijd op haar stoel zit, denkt
zij dat die kleine meid ook zoo zal blijven koekeloeren. Nu, zooals
de waard is, betrouwt hij zijn gasten. Maar...." vervolgde hij snel
tot den onbekende: "pak u weg; want daar klotst zij de trappen op."
De gestalte verdween.... door een zijdeur, terwijl de oude Geertrui
boven kwam.
"Bewaar ons! Bouke! wat is met dat lieve schaap gebeurd?"
"Dat weet ik niet. Zij was boven bij Joan: en daar is zij flauw
gevallen."
"Och dat hartje! toe! geef haar aan mij, je draagt haar zoo
onhandig. Nu, mijn engeltje!" vervolgde zij, het kind met de vlakke
hand op den rug tikkende: "huil maar, dat zal u goeddoen. Lieve
Hemel! dat had Mevrouw zaliger moeten zien....--maar wat is er toch
gebeurd, schatje?"
"Och Geert!" snikte het kind: "het was Joan, die...."
"Joan is stout, mijn diefje; daar moet je niet om grienen."
"Neen Geert! maar hij zal weer zoet zijn: hij heeft het mij beloofd."
"Wat beduidt dit geweld?" vroeg Reede, die inmiddels was boven gekomen:
"wat is hier gebeurd?"
"Zij was bij den jonker," zeide Bouke, "en...."
"Bij Joan?--En wat deed zij daar? Daar hebt gij haar toch niet
gebracht, Geert?"
"Ik? de hemel beware mij, Uw Edelheid! om naar dat kraaiennest te
gaan. Sinds Mevrouw zaliger laatst buiten was, ben ik er nooit geweest;
en dan zegt men dat het er spookt.--Het kleine hartje is naar boven
geloopen, terwijl ik...."
"Terwijl gij in uw stoel laagt te dutten, als naar gewoonte: dat
gebeurde ook niet, toen Mevrouw zaliger nog leefde, nietwaar?"
"Ja men wordt alle dagen wat ouder maar...."
"Genoeg. Nu, droog uw traantjes, Ulrica! en vertel mij wat gij
boven deedt."
Met veel tranen en snikken gaf Ulrica het gevraagde verslag, er
vooral bijvoegende, dat Joans laatste woorden, die zij gehoord had
toen zij haar bewustheid verloor, een verklaring behelsden, dat hij
om vergeving vragen zou.
"Zoo!" hernam de Baron: "dan zijt gij minder strafbaar dan ik dacht;
maar ongehoorzaam zijt gij toch geweest, dat gij zoo in 't geheim
naar boven zijt geloopen: en daarom zult gij zonder avondeten naar
bed gaan, 't geen voor uw gezondheid ook niet anders dan heilzaam
wezen kan. Kom, geef mij een zoen, droog uw traantjes af en toon mij
uw lief en vriendelijk gezichtje weder."
"En zult gij niet meer boos zijn op Joan?" vroeg het lieve meisje,
de wangen haars vaders streelende.
"Wij zullen zien, hoe hij is," zeide de Baron. "Wees gij maar heel
zoet, dan gaat gij morgen mede naar Tiel met de nieuwe paardjes."
Na haar vader omhelsd te hebben, vertrok Ulrica met
Geertrui. Vervolgens gaf de Baron aan Bouke het bevel om Joan te
halen en ging in een zijvertrek.
Bouke vond Joan nog op zijn knieën liggen, in dezelfde houding als
toen het spook de kamer had verlaten. "Jonker!" zeide hij: "uw vader
verlangt u te spreken."
"Zijt gij alleen, Bouke?" vroeg Joan, zich met een sprong oprichtende.
"Wel ja, wie zou er meer wezen?" antwoordde Bouke.
"En Ulrica?"
"Die is weer beter en al naar bed."
"En het spook?" vervolgde Joan met een zachte stem, terwijl hij
angstig rondzag.
"Het spook! Welk spook?"
"Het spook van grootoom: ik heb het spook van grootoom gezien met
een bijbeltje en een _paternoster_, net als in de benedenzaal."
"Zoo!" hervatte Bouke een weinig verlegen: "neen het spook is weg:
kom maar met mij en wees wijs."
"Wel Joan!" vroeg de Baron, zoodra de knaap met hem alleen was,
"zijt gij nu eindelijk tot betere gedachten gekomen, en zult gij
Mejuffrouw Raesfelt om verschooning vragen?"
"Ja vader!"
"Dus bekent gij, dat gij zeer dwaas of verkeerd tegen haar gehandeld
hebt?"
"Neen, vader, dat niet."
"Hoe! ben je dol, knaap! of spot gij met uw vader?"
"Ik doe het alleen omdat Ulrica anders zoo bedroefd is," antwoordde
Joan, den Baron met een openhartigen blik aanziende.
Hoewel Reede Joans inkeer wel aan deze reden had toegeschreven,
stond hij echter een weinig over de gulle bekentenis verslagen. Hij
was een trouwhartig en teeder vader, doch geen hoogvlieger in 't vak
van opvoeding, en was nu meer dan ooit verlegen welke handelwijze hem
in dit geval betaamde. Joans oprechtheid en gevoel van billijkheid
hadden hem behaagd, en thans wist hij niet, hoe den knaap te beduiden,
dat, bijaldien de drijfveer onzer handelingen niet plichtmatig is,
de daad zelve dien naam ook niet verdient. Uit deze verlegenheid
werd hij echter gered, doch door een bezoek, dat bij hem een andere
ongerustheid verwekte: de gedaante namelijk, welke aan Joan zooveel
schrik had aangejaagd, trad de kamer binnen.
"Help! daar is grootoom weer!" riep Joan, zich aan den Baron
vastklemmende.
"Wat onvoorzichtigheid!" zeide Reede tegen den onbekende: "hoe waagt
gij het, hier te verschijnen, en wel in dit gewaad, terwijl...." hier
wees hij op Joan.
"Juist daarom kom ik binnen," antwoordde de vreemdeling, "opdat
hij zich overtuigen zou, dat ik geen spook ben, maar een schepsel
van vleesch en been. Toen ik zooeven uw lief dochtertje hoorde
nedervallen, en hem een akelig gegil aanheffen, schoot ik ter hulp
toe, en de knaap zag mij waarschijnlijk voor een bietebauw aan, die
hem over zijn koppigheid straffen kwam. Is het niet zoo mijn jongen?"
Joan richtte zich half op, knikte hem een toestemmend antwoord toe
en vatte moeds genoeg om de gelijkenis van den ouden grootoom aan
te staren.
"En gij vergeet, dat de zucht om mijn zoon van een ingebeelden schrik
te genezen, u misschien, zoo hij maar iets verhaalt, in 't uiterste
gevaar brengt," zeide Reede.
"De knaap zal zwijgen," hervatte de onbekende, "zoo hij het wil
doen: hiervoor waarborgt mij zijn vastheid van inborst. Hoor
eens, knaap," vervolgde hij, Joan vriendelijk tot zich trekkende:
"gij zijt een verstandige jongen, aan wien men wel een geheim kan
toevertrouwen. Ik ben, ik zal niet zeggen een groot vriend, doch
zeker in nauwe betrekking met uw vader. Ofschoon ik geen kwaad deed,
willen booze menschen mij gevangennemen en leed aandoen, misschien
wel om hals brengen. Nu is uw vader zoo goed mij een schuilplaats
te leveren in zijn kasteel, buiten weten van iemand, dan alleen van
Bouke: en nu zijt gij de derde in het geheim. Durft gij nu aannemen,
mij te beloven, aan niemand ook aan Ulrica niet, te vertellen, dat gij
mij hier gezien hebt, zoo zult gij mij levenslang aan u verplichten."
"Dat beloof ik u op mijn woord," zeide Joan, hem de hand gevende.
"Dan is 't genoeg en ik maak er staat op," hervatte de
vreemdeling. "Mijn naam noem ik u niet: in lateren tijd zult gij
dien misschien vernemen: dan, om uw stilzwijgendheid niet geheel en
al onbeloond te laten, en opdat gij u dit voorval altijd zoudt kunnen
herinneren, schenk ik u deze kleinigheid."--Dit zeggende, trok hij een
kostbaar gewerkten ring van zijn vinger en reikte dien aan Joan over.
"Duizendmaal dank, mijnheer!" zeide Joan, rood van blijdschap
wordende. "Zie eens vader! welk een schoone ring! het wapen van
Sonheuvel is er opgesneden. Daar zal ik mijn brieven mede kunnen
verzegelen als ik grooter word, evenals vader."
"Een lieve knaap!" zeide de onbekende, met Joans blonde lokken
spelende: "doch hij herinnert mij mijn Maria niet!"
"Neen," zeide Reede met verlegenheid; "doch hierover nader. Ga nu maar
heen, Joan! het is van avond te laat om nog naar juffrouw Raesfelt
te gaan; gij zult haar morgenochtend wel om verschooning vragen."
Op dit bevel vertrok Joan, na een beleefde buiging voor het spook,
en begaf zich naar zijn slaapkamer, om aldaar in een zoete rust de
bekommernissen van den dag te vergeten.
"En gij," vervolgde de Baron tot den onbekende: "houd u morgen tegen
acht uren gereed, dan zal Bouke u een vermomming bezorgen en wij
rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem, om geen argwaan te
verwekken, naar Tiel, alwaar een schuitje u wacht, dat u veilig naar
de overzijde zal voeren. Begeef u thans weder naar uw schuilhoek;
ik durf niet langer hier blijven, men mocht ons komen storen."
"God loone u," zeide de vreemdeling de hand zijns beschermers
drukkende. "Hij vergelde u uwe grootmoedigheid en geve, dat zij u
nimmer berouwe, noch in ongelegenheid brenge."
"Wel!" zeide Reede: "dat was toch het minste dat ik doen kon dat ik
u een schuilplaats gaf in uw eigen kasteel."
"In mijn eigen kasteel," zuchtte de vreemdeling, terwijl hij treurig
om zich heen zag: "helaas! ik mag met onzen Gezegenden Heer zeggen:
_Vulpes foveas habent et volucres coeli nidos: ego autem non habeo
ubi caput reclinem_!" [25]
Reede haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat de
vreemdeling zich zelven dien onaangenamen toestand berokkend had.
"Dan, om 't even!" vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des
Barons op te merken, het vertrek met groote schreden op en neder ging:
"wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen,
als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille smaadheid lijde?--Is
er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld
worden? En moet niet de Kerk van Christus in het bloed der Heiligen
gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde
kinderen beweend hebben, en niet vruchteloos zal het geschrei te
Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag,
die Israël van zijn verdrukking bevrijden zal: de dag, waarop de
afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen
worden teruggeroepen en dat de ketterij zal uitgeroeid worden over
den aardbodem, _ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium,
terrestrium et infernorum_!" [26]
"Om 's Hemels wil," zeide Reede: "matig u en bedenk toch...."
"Dan zullen zij kermen en weeklagen en tandeknersen," vervolgde de
vreemdeling: "zij, die de roepstem niet gehoord en aan de zorgende
liefde wederstand geboden hebben, welke hen wilde verzamelen, gelijk
de klokhen hare kiekens verzamelt onder hare vleugelen. Dan zullen
zij roepen: _Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus_? [27]
maar de stem van boven zal antwoorden: _nunquam novi vos: discedite
ame, qui operamini iniquitatem_. [28] Hendrik!--gij zult wellicht dien
dag beleven, dat de triomf der ware Kerk, van welke de Heere gezegd
heeft, dat de poorten der Helle haar niet zouden overweldigen, over
het aardrijk zal gevierd worden. O bekeer u voor dien tijd! voordat die
schrikkelijke dag, de _dies irae_, [29] komen moge! Gij hebt kinderen,
lieve, beminnelijke kinderen, in wie het goede zaad nog niet verstikt
is door het koude ongeloof dezer dagen: o! breng hen niet op den weg,
die ter verderfenis leidt: laat hen terugkeeren tot het zuiver, oud
geloof, de vlek uitwisschen, die op hun geboorte kleeft, evenals de
wijsheid van Salomo de smet zijner overspelige afkomst vergeten deed!"
"Gij zijt te veel opgewonden," zeide Reede, "gij vergeet dat uwe,
dat mijne veiligheid er van afhangt, dat u niemand gewaarworde."
"Het is waar," zeide de onbekende, stilstaande: "ik vergat dat gij
onder hen behoort, die zeggen: _durus est hic sermo et quis dotest
eum audire_; [30] en echter, God zegene u en opene uwe oogen voor
het licht; want gij zijt waardig het te ontvangen, omdat gij mij niet
overgeleverd hebt in de handen van hen, die mijn verderf zoeken.--En
nu, vaarwel! ik begeef mij naar mijn eenzaam verblijf. Mochten de
gebeden, die ik thans en namaals voor u en de uwen zal opzenden tot
de moeder Gods, hare voorbidding bewerken, opdat ook gij eenmaal het
licht moogt ontvangen, dat in de duisternis schijnt en een lamp aan
onzen voet is."
Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar zijn schuilplaats, zijnde
een verborgen kamertje, dat, in de dikte van den muur gemetseld,
twee onderscheidene, van buiten bedekte, uitgangen had. Een dier
uitgangen had gemeenschap met de gevangenis, waarin Joan gezeten had,
en had den onbekende in de gelegenheid gesteld, om het gesprek der
kinderen aan te hooren.
"Wat is dat voor een gereutel?" mompelde Reede, terwijl hij grommende
de trappen weder afging. "Dominus Raesfelt is ook somtijds wat duister
en ingewikkeld in zijn uitdrukkingen, doch hij spreekt ten minste
verstaanbaar Neêrduitsch, en zoo hij al nu en dan een Latijnsch of
Grieksch woordje bezigt, vertolkt hij het altijd oogenblikkelijk;
maar uit die Paapsche aanhalingen mag Joost wijs worden. Nu, ik denk
er mijn hoofd ook niet veel mede te breken; 't spijt mij maar, dat
hij het weder over de geboorte van die kinderen had!"
Toen Joan den volgenden morgen vroegtijdig opstond, woog hem de
belofte, die hij 's avonds te voren aan zijn vader had gedaan,
van de Pastoorsche om verschooning te gaan vragen, oneindig zwaar
op het hart; zooals het gemeenlijk gaat, wanneer men een lastigen
plicht heeft uitgesteld. Onder het aankleeden, schikte hij in zijn
geest de woorden, welke den verzoenenden volzin moesten uitmaken. Met
trage stappen ging hij naar de benedenzaal, waar zijn vader en Ulrica
weldra verschenen. Na het ontbijt kwam Bouke den Baron verwittigen,
dat het rijtuig gereed stond. Reede vertrok hierop met Ulrica, na
aan Joan last te hebben gegeven van hen niet te volgen. Deze echter,
des te nieuwsgieriger na zulk een ongewoon verbod, ging uit een
der achterramen liggen en zag van daar, tusschen de boomen door,
het rijtuig voor het kleine bruggetje op den rijweg staan, met een
persoon er in, als een boer gekleed, doch wien Joans scherpziende
oogen dadelijk voor den vreemdeling, die hem den ring gegeven had,
herkenden. De Baron, bij het wagentje gekomen, plaatste zich naast
den vluchteling, terwijl Bouke op de achterste bank ging zitten met
Ulrica: waarna Reede de zweep over de paarden legde en den weg naar
den Rijn opreed.
Na hen een wijl nagestaard en vervolgens zijn taak voor den Predikant
te hebben afgewerkt, begaf zich Joan, wien de valsche schaamte hoe
langer hoe meer begon te kwellen, naar de Pastorie. Als lood woog
hem nu zijn verplichting op het hart. Dan eens wenschte hij, dat de
juffrouw maar uit ware: dan weder dat zij aan de deur zoude staan, in
welk geval hij terstond door het ergste heen zou wezen. Aldus peinzend
en zich zelven vruchteloos moed insprekend, ging hij langzaam voort,
bleef dikwijls staan, plukte nu en dan de bloemen, die langs den weg
groeiden, en wierp ze weder weg, keek de koppels vinken na, die over
zijn hoofd vlogen, en beschouwde eindelijk een bende ruiters, die op
een snellen draf van den kant van Gelderland de hoogte afkwam, en die,
zoodra zij bij het dorp was gekomen, halt hield, vervolgens regelrecht
op hem aanreed en hem omsingelde. Een hunner, die de hoofdman scheen en
even als de anderen, welke acht in getal waren, met vuurroer en degen
gewapend was, sprak hem, even den hoed oplichtende, in dier voege aan:
"Zeg eens, knechtske! hoort ge in de buurt te huis?"
"Om u te dienen!" antwoordde Joan: "ik ben de Jonker van Sonheuvel."
"Zoo! dan zijt ge waarschijnlijk best in staat, ons in te lichten. Hebt
ge hier gisteren of vandaag ook een landlooper gezien, die een
schuilplaats vroeg of om onderstand verzocht?"
"Jawel! die komen er dagelijks. Laat zien.... Gisteren was het smerige
Gijs, en dien gaf ik niets, omdat hij niet werken wil: en eergisteren
Kees Keessen met het stompje, en dien gaf ik een oortje, omdat hij
niet werken kan; want hij heeft maar ééne hand."
"Met verlof! Jonker! Dien wij zoeken is geen gewone bedelaar: hij is
een man met een deftig uitzicht, en in 't zwart gekleed, met een kale
kruin en...."
"Neen! die is hier in de buurt niet geweest," antwoordde Joan, die nu
begon te begrijpen, dat het spook van grootoom de persoon wel wezen
kon, dien men zocht.
"Ja! die is hier wel geweest," klonk de schrille stem van Mejuffrouw
Raesfelt achter hem: "ik heb den man, dien gij beschrijft, met Bouke
door het achterhek op Sonheuvel zien komen, toen ik gisteren naar
huis ging over de steenen brug."
"Zoo!" zeide de aanvoerder der bende, terwijl hij den beslissenden
toon, dien de juffrouw aannam, vergeleek met de bedremmelde wijze,
waarop Joan geantwoord had: "Jonker! mij dunkt, gij weet meer dan
gij zeggen wilt."
Joan beefde als een blad: dan, of zulks veroorzaakt werd door
de onverwachte verschijning der Predikantsvrouw, dan wel door de
vrees, die de ruiters hem aanjoegen, is ons niet bekend. Spoedig
echter vatte hij weder moed; en, het gewicht ten deele beseffende,
dat in het bewaren van des vreemdelings geheim was gelegen, besloot
hij de ruiters zoolang op te houden, tot de Baron weder terug en de
vluchteling in zekerheid ware.
"Wacht!" zeide hij, zich tot den Hoofdman wendende, evenals bezon hij
zich: "draagt de persoon, dien gij zoekt, niet een zwart manteltje,
een omvallenden kraag en een dichtgeknoopt buis? Heeft hij niet een
gebedenboek en een _paternoster_ bij zich?"
"Dat zal wel zoo wezen," antwoordde de ruiter: "maar waar is hij?"
"In het kasteel, en ik zal u terstond wijzen waar; doch eerst moet
ik de juffrouw even spreken. Juffrouw!" vervolgde hij stil en snel,
terwijl hij haar ter zijde trok: "ik vraag u om verschooning:
mijn vergrijp is mij van harte leed: wees zoo goed aan Dominee te
zeggen, dat ik vandaag geen les kan komen nemen."--Na deze woorden
op éénen toon en in éénen adem achter elkaar te hebben uitgerabbeld,
keerde hij zich weder tot de ruiters en zeide: "Komt nu maar mede,
Heeren! ik zal u voorgaan."
"Ja, maar!" zeide de hoofdman, zooras zij de steenen voorbrug over
waren gekomen: "is hij stellig op 't kasteel?"--Joan knikte met
het hoofd.--"Welnu, opdat hij niet ontvluchte, zullen wij eerst
de uittochten bezetten. Gij Roelof Sla-der-op, Peter Keinkenate en
Hans Knipper, aan het achterhek! niemand uit of in te laten!--Gij,
Joost Steek-maar-toe, Karl Blutzaufer en Melis Pif-paf, aan de
slotpoort! Niemand er uit! Niemand er in! Frans Smijter en Meeuwis
Kriegelkop volgen mij naar binnen."
Terwijl deze bevelen volvoerd werden en zich de ruiters naar de hun
aangewezen posten begaven, volgde de wachtmeester met twee ruiters
Joan binnen het slot; op het plein stegen zij af en gaven hun paarden
aan de verbaasde dienstboden te bewaren.
"Als de Heeren mij maar volgen willen," zeide Joan, die moeite had
een schalkschen lach te bedwingen, terwijl hij de ruiters vooruitging
naar de benedenzaal. Onder 't voortgaan haalde de wachtmeester een
papier uit de borst en las het _signalement_ van den voortvluchtige
overluid op: "blauwe oogen, gebogen neus, ronde kin, grijsachtig haar,
zware wenkbrauwen...."
"En een paternoster in de hand," zeide Joan, terwijl hij den ruiter
bij den arm nam en hem omdraaide, zoodat hij vlak over het afbeeldsel
van den ouden Frederik van Reede tot Sonheuvel stond: "daar is de
man dien gij zoekt: of ik heb abuis."
"Ja! dat lijkt hem op een haar; waar is hij nu?"
"Wel, daar!"
"Waar?"
"Daar op de schilderij. Anders is er geen zoodanige hier te vinden. Ik
dacht, dat gij het portret zocht."
"Wat henker! jou oolijke schalk! houdje ons voor de mallen! Ik zal
je leeren...."
Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij
zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld zou mogen
uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe
buiging en liep de zaal uit.
"Dat 's een satansche gauwdief!" riep de wachtmeester: "naar
boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of
daar verscholen." Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee
handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in een der
bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag
hij een kruik, nog half vol water, een brok brood en de lekkernijen,
die Ulrica 's avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet
aan geraakt had, gelijk men zich herinneren zal.
"Hier zal hij wezen!" riep de wachtmeester, "binnen mannen! en draagt
zorg, dat niemand er uitkome."
"Dat zal ik," riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de
deur achter hen toe. "Veel pleizier, vriendjes! slaap daar nu maar wat
uit." Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de
trappen af, riep den Bottelier, den Palfrenier, den Tuinier, de oude
Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden
bijeen, en vertelde hun, dat hij drie gevangenen gemaakt had, over
wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de
oude Geertrui al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een
geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort,
dat allen naar buiten stoven.
Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica
en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug en vond zich nu
voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar
geposteerde ruiters, die hem niet verstonden of niet wilden verstaan.
"Ik ben de Baron van Sonheuvel," schreeuwde hij.
"Ick kenne kein Baron," zeide Karl Blutzaufer: "potstauzend, du sollst
nicht drinn kommen!"
De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren
te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan, indien niet
Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door
zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich bijna niet verroeren
kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan
zijn Heer, uit den wagen geklommen en naar de ruiters toegestapt, aan
welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk
scheen te zijn, dat men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem
de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en
door soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen
begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke voldoen
moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te
halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden, allen welgewapend.
"Waar ist der Wachtmeister?" vroeg Melis: "ik muss hem sogleich
spreken!"
"Dat weet ik niet," antwoordde de Bottelier; "ik heb geen wachtmeester
gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je biezen moeten
pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht
met je zal afloopen." Terwijl hij sprak, grepen eenige tuinlieden
den ruiter aan en ontwapenden hem.
"Hilf! Jost! Karl! Hilf! Staôt bi kerlen!" riep Melis, zich vruchteloos
verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp komen: want
verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had,
dat er ruiters op het kasteel gekomen waren, hadden zich inmiddels
aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in
bedwang; de drie anderen, die aan het achterhek post gevat hadden,
kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en
het ware tot een algemeen gevecht gekomen, bijaldien niet de Baron
op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte
een algemeene stilte geboden had.
"Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester,
en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie gegeven
heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken
kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond men zich verstout,
in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten."
Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand
en sprak:
"Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf
soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten aan hen,
die boven ons gesteld zijn."
"Recht zoo," antwoordde de Baron: "maar wie gaf u dan last?"
"De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is."
"Laat hem dan hier komen," riep Reede, ongeduldig wordende: "waar
zit hij?"
"Ik heb hem op den toren gevangengezet," zeide Joan, die met zijn
kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: "hem en zijn
makkers!"
"Geen gekscheren, Joan!" zeide de Baron, gramstorig: "zulke malligheden
komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als er uilen geschoten
moeten worden, zal ik u roepen."
"De Jonker heeft gelijk," zeide de Bottelier: "hij heeft drie ruiters
in de steenenkamer opgesloten."
"Ja! hier zitten wij!" riep een stem, die uit de lucht scheen te
komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje het
hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden
geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen. Op dit gezicht
berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die
beneden stonden, moesten glimlachen op het denkbeeld van de poets, door
een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld.
"Zoo!" zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: "zitten
die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen," vervolgde hij tegen
de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken,
sedert dat de Schout met een nieuwen troep gewapende boerenknapen
den stoet vergroot had, "zit af en geeft de wapens ordentelijk over,
terwijl ik uw wachtmeester ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed,
mij te volgen." Dit geschiedde.
De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de
zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar de groote
benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging
verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester binnenbracht.
"Wat is uw last, wachtmeester?" vroeg Reede: "en hoe durft gij zoo
onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek de waarheid,
of ik laat u ophangen."
"Dat zoude UEd. moeten verantwoorden," antwoordde de wachtmeester,
op vrij hoogen toon: "wat mij betreft, hier is mijne verantwoording"
en hij reikte den Baron zijn lastbrief over.
Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en
bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester, om op te sporen
en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd
hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel (hier volgde de aanduiding)
en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter
Maanvreter de noodige hulp en assistentie te verleenen enz. enz.,
alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde
plakkaten.
"Ik zal hierop slechts ééne aanmerking maken," zeide de Baron, nadat
hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: "gij zijt hier
niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft
hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek willen doen, gij hadt
u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier
moeten komen."
"De Jonker heeft ons zelf hier gebracht," antwoordde de wachtmeester.
"Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje
van den rechten weg te laten afbrengen.--Doch heeft de Jonker die
buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?"
"Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware
niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten; doch ik
had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond,
en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet ontsnapte. Mag ik
UEd. wel een woordje in 't vertrouwen onder vier oogen mededeelen!"
"'t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke,
verlaat de kamer met uw volk.--Nu zijn wij alleen: wat hebt gij nu
te zeggen?"
"Heer Baron," zeide de wachtmeester: "wees zoo goed en zie dit
papiertje eens in." Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl hij het
zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit
vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het was een blaadje uit
een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven: _hic
liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom._ [31].
"Welnu! wat zal dit?" vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd
had.
"Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste,
dat daar vóór ons nog iemand geweest was, en dat de abt, uw oom, daar
òf gescholen heeft òf nog in de een of anderen hoek schuilt.--Wat
dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen zien, dat UEd. een
man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?"
Van Reede zweeg en streek zich over 't gezicht.
"Mij dunkt, Uwe Edelheid!" vervolgde de wachtmeester, ziende dat
zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, "mij dunkt,
wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want,
zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft worden;
doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die
UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude."
"Gij hebt gelijk, schurk!" zeide de Baron, "gelukkig, dat alles
zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is reeds
in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak
schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen."
De Schout kwam terug met de overigen. "Ik ben over de inlichtingen
voldaan, mij door den wachtmeester gegeven," zeide Reede, "en
hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk
geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren, hoe hij het toch
geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot
wederziens, Heer Schout."--Men gaf den ruiters hun wapenen terug,
waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden
zij het dorp niet verlaten, zonder een menigte scheldwoorden en
uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten
verduwen: dit getroostten zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen
waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert
te maken, en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten
dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren
kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en
het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk op den hoop,
en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen.
Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met
eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn pleegvader onder
een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten
hemel werd verheven.