De Abydeensche Verloofde.
Evenals een beekje, dat, van den top der Alpen ontweld, lange
tallooze omwegen voortgevloeid, verscheidene kronkelingen en
bochten beschrijvende, een geruimen tijd naamloos en als onbewust
waarheen, over rotsen en klippen, door velden en akkers dwaalt, en
den wandelaar, die zijn boorden volgen wil, in de onzekerheid laat,
waarheen zijn reis zal geleiden, totdat het eindelijk, door den
toevloed van andere beken en den aanvoer des bergwaters gezwollen,
zijn oevers verbreeden ziet, en over een dieper bedding onder een
bepaalden naam zijn weg vervolgt, zoo ook is ons verhaal, dat tot
nu toe niet de lotgevallen van een bijzonderen hoofdpersoon, maar
de wederwaardigheden van verschillende personages heeft geschetst,
eindelijk zooverre gevorderd, dat het zich niet meer ter rechter-
of ter linkerzijde behoeft af te wenden, maar onafgebroken met de
daden van den wezenlijken held der geschiedenis de aandacht des
lezers kan bezighouden. Het voegt ons dus, ter dezer plaatse, waar
de geschiedenis, die wij beschrijven, eigenlijk een aanvang neemt,
den Lezer dank te zeggen voor het geduld, betoond in het ten einde
brengen onzer vrij lange inleiding, die hij misschien bij zich zelven
reeds zal vergeleken hebben met den Brijberg, waar men moest dooreten,
alvorens men in Luilekkerland aankwam, afgebeeld op het oude prentje,
in mijne kindsheid voor de som van een oortje alom verkrijgbaar, en
thans, nu er geen oortjes meer afgepast kunnen worden en de kinderen
veel te verstandig zijn, dan dat zij zich met Luilekkerland, Jan de
Wasscher en dergelijke grollen zouden bezighouden, wellicht niet
meer te bekomen. Men wane echter niet, dat ik, mijn inleiding bij
den Brijberg vergelijkende, de gelijkenis verder zou willen trekken
en het verhaal zelf voor Luilekkerland laten doorgaan. Hiertoe ben
ik, ik zal niet zeggen te nederig (want die verontschuldiging is
afgezaagd), maar te trotsch; want ik wil, uit loutere trotschheid,
nimmer iets beloven, dat ik vooruit zeker weet, niet te kunnen geven.
Indien er nu een Lezer vragen mocht (want het is een vragend
geslacht, dat der lezers, en vooral dat der Recensenten), waarom ik
niet liever al hetgene ik nu in mijn inleiding heb te boek gesteld,
naderhand bijwijze van herinnering of verhaal in mijn geschiedenis heb
ingelascht, zoo zou ik hem antwoorden, niet alleen dat het mij altijd
vermoeiend en lastig is voorgekomen, wanneer in werken van deze soort
de draad der geschiedenis werd afgebroken, om te vertellen hetgeen voor
de geboorte van den hoofdpersoon, althans lang voor den tijd van het
verhaal, was voorgevallen; maar ook, dat ik in deze geschiedenis van
den ouden tijd, het voorbeeld heb willen volgen van de legerhoofden
van dien tijd. Dezen trokken niet, zooals thans geschiedt, dadelijk
op de hoofdstad aan, om, na deze bemachtigd te hebben, door dezen
of genen Generaal de mindere steden en vestingen aan hun wapenen te
onderwerpen, maar zij belegerden eerst de grenskasteelen, vervolgens
de schansen en vestingen, die zij op hun weg ontmoetten en eerst na
de verovering van die alle, drongen zij in het hart van het land door.
De kleine Joan werd dan, gelijk wij in het slot van het vorige
Hoofdstuk hebben verhaald, op het kasteel te Sonheuvel opgevoed,
en ging er voor den zoon van zijn pleegvader door. Alleen de
predikant Raesfelt, wien Reede zijn vertrouwen geschonken had,
en die het door zijn braafheid verdiende, de getrouwe Bouke en de
oude Geertrui kenden het geheim van zijn geboorte. De Baron, zoowel
als Raesfelt, beducht dat het Spaansche bloed eenmaal in de aderen
des jongelings mocht spreken, boezemden hem, van kindsbeen af, een
vreeselijken haat in tegen zijn landgenooten, en een groote liefde
en achting voor het huis van Oranje, vooral voor Graaf Maurits, zijn
meest schitterende ster. Zij deden meer: zij zochten hem, onder de
aanwakkerende godsdiensttwisten, tot een ijverigen voorstander der
oude rechtzinnige leer te maken: en het was vooral de Predikant,
die hiertoe zijn uiterste best deed.
De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen)
was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een man vol groote
bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden
beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat werd. Koelheid,
lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men
was gedwongen, zoo niet uit overtuiging, althans uit noodzakelijkheid,
voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en
ziel gehecht aan de leerwijze, die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en
hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook
hun staatkundige beginsels. Evenals de genoemde schrijvers was hij een
door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der
godgeleerde schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig
bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest
geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken
aan de voortzetting zijner studiën, terwijl oprechte waarheidsbegeerte
en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een
brandende weetgierigheid, de spoorslagen waren, die hem het werken
zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks
echter en niettegenstaande deze drijfveeren leidde de bij den mensch
ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden
te blijven aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de
strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal
gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen
en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden, verkregen
in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen,
die niet met zijne meeningen strookten, werden door hem veel spoediger
dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard:
zoodat hij, hoe onpartijdig hij meende en wenschte te zijn, dikwijls
en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd.
Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht
hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God en voor
de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en
zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem geen theorie,
maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht,
en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde om den andersdenkende te
beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels,
niet in zijn huis mocht ontvangen, noch tot hem zeggen: "wees gegroet,"
zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer
gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks haar weinig aangenamen aard,
van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men
zegt. Ook de inwoners van het slot en het dorp Sonheuvel waren aan
hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een
oprechten, deelnemenden, getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken
raadsman.
De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand
vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft over:
hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek,
't welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar hij, na een korte
wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De
Zondag alleen bracht in deze levenswijze eenige verandering teweeg:
dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den
zwarten rok, ging, na de predikatie, doorgaans op het kasteel het
middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen,
met Joan en zijn zoons een wandeling in den omtrek: terwijl hij
den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw
uitgekomen werken over controverse punten, ten einde bracht.
Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte:
zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde
van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen,
als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen
in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige
weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de vleugels
van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe
oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor zich uit; doch hun
gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de
deelneming van den Predikant gaande maakte, of wanneer zijn gemoed door
het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studiën betreffende,
bijzonder was aangedaan.
Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met
haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant in dien tijd
trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden,
en omdat zij een ordentlijken stuiver bezat; doch hij had gewis een
betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat
met sproeten en puisten, met een rooden neus, scherpe kin en vale
kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der
beminnelijke echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men
verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordantiën,
toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet,
en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig zijn arbeid
van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: "God
zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn werk ten einde brengen!"--Ook
Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had
minder van haar boozen aard te lijden dan eenig ander, ja zelfs had
hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de
zachtzinnigste vrouw in de wereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het
gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal,
waar hij den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor
't overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam van 't
geen om hem gebeurde--en in bed, waar het vroege opstaan van den man en
de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich door loopen en praten, en
kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij
hun huwelijk, als een plechtige voorwaarde door den Predikant bepaald,
dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig
gezag uitoefenen, 't zij in eigen persoon, 't zij door middel van meid
of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht 's morgens aan
haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt
boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der uiterste stilte;
niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er
het avondeten op te plaatsen, het ontbijt nog onaangeroerd staan:
eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het
in gedachten met papieren en boeken in zijn schrijflade gesloten,
waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam.
De zoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd
waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst kon zijn,
hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot
het _Sanctum Sanctorum_, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen
werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen
eenmaal te kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide
oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf,
met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de
eerste gronden der theologische studiën, en met vreugde herhaalde de
Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig:
Laet over ons' kinderen schijnen uwe eere,
wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van
de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de aanvallen
van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen
zouden verdedigen.
Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de
lessen des leeraars te hooren. Viermalen 's weeks wandelde hij naar
de Pastorie, om er in 't Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid
onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans drie uren achtereen
en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van
den knaap, uit het zoldervenster (want het studeervertrek was onder
de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het
oog te volgen, of met een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden,
iets dat Raesfelt òf niet bemerkte, òf door de vingeren zag. Ook
gebeurde het wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent
het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst
aanhaalde, zonder het voorgestelde bevattelijker te maken, dat Joan
al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen
op zijn bestoven en met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld
Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden.
Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij
meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron als lijfknecht
gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten
van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken op zijn kasteel
doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en
nog eenige andere _cumuleerde_. Van dezen leerde Joan al spoedig de
bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof
hij hem in al die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid
vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den
stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht
zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond de
kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan
welken kant van 't water de meeste visch te vinden zou wezen.
Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants
niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting;
en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust
zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste zooveel
van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der
letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig jonker in den
omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de
droevige scheuringen, die toen het vaderland verdeelden, gesprekken,
over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren.
Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja
zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw, in welke
vakken Reede geheel niet onbedreven was:--ook het paardrijden, zoowel
in theorie als in praktijk, zoodat hij mede over den toomprang kon
spreken en de lengte der stangen naar 't maaksel van 't gebit wist te
berekenen. Hartelijk beminde hem de Baron, die geen onderscheid maakte
tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel
als de dorpsbewoners hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en
dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, 't geen iets ongehoords
scheen, de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar
nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit te roeien,
die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog
aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had verklaard.
Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en
lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte lief; doch zij
verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en
hooghartig, hetgeen de Baron aan het Spaansche bloed toeschreef; deed
hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen,
dan sprak zij hem voor: werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan
hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoog werd het door haar geprezen,
en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was
zij gelukkiger dan in zijn gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij
wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In één woord, haar
genegenheid te hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de
jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon,
dikwijls aan te merken: "ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven,
dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat zoude
het mensch er wel van zeggen!"--Het was alleen tegen Bouke, dat zij
op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde te geven;
doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende:
"Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter gezwegen dan van veel
spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want
men wordt voor mondhouên gevangen, voor praten gehangen!"--"Ja! ja:"
zuchtte Geert: "ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te
gebruiken, het einde zal den last dragen en de laatste loodjes wegen
't zwaarst."
Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af;
een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze was zoo
sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens
menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer hun handelingen hem
onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen,
hetwelk meteen zal kunnen strekken om de karakters der in dit verhaal
betrokkene personen nader te ontwikkelen.
Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap)
kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs genoten
had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin
stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens blozende vruchten reeds
dikwijls, bij 't voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen
van Raesfelt hadden met niet minder verlangen het ooft zien rijpen;
doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om
daarvan eens recht op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het
oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig
was, de rijpste vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde,
doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende,
hield Joan stil en riep den snoeper toe: "zoo Koen! als moeder op
het mat komt, zal je er slecht afkomen."
"Dat heb ik ook al gezeid," zeide Koenraads broeder Hendrik, die in
een hoek des tuins zat te lezen, "maar hij wil het maar niet laten."
"Wel dan moet jij het hem beletten," hernam Joan.
"Jawél! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik."
"Hij moest ereis komen," zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een
abrikoos in den mond stak: "dat zou hem geraden wezen; daar Hein! dat
's voor jou!" en hij wierp hem den steen toe.
Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad
af, en greep hem bij het been. "Je meugt niet stelen!" riep hij,
"en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom
Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen."
Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van
Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette hen met
eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat,
toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte, hem op den grond te
krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij
op en pakte zich weg, terwijl de beide knapen verbaasd bleven staan
en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den
tuin ingekomen. Spoedig zag zij wat er aan de hand was, en als een
razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen
deed, terwijl zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers,
vernielers, dieven enz. begroette.
Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde
reizen: "Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij heeft niet
meegesnoept."
"Wat! ik hem niet straffen!" riep de vertoornde vrouw, den armen knaap
des te feller slaande en knijpende: "en zou jij me dat beletten, jou
snotneus? Ga maar naar 't kasteel, ik zal er je vader over spreken,
dat zal ik!"
Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige
handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht dezen
laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben
en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem in den halskraag, gaf
hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op
den weg, waarna zij, onder vele scheldwoorden tegen de beide knapen,
Hendrik met eenige schoppen in huis joeg.
Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan
nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt van de
wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel.
Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid
en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal, met de localiteiten
bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet
verre van de grenzen van Gelderland gelegen. Een rijweg, die zich met
den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde,
liep langs den slottuin zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn
overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen,
boomgaarden en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen,
door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den
binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de
woning van den portier: de andere was een hek met een smal bruggetje
voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf
stond midden op het grondgebied, en was insgelijks door een tweede
gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde,
vertoonde, aan zijn vier hoeken, de wapenen der Heeren van Sonheuvel,
in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij
modern, daar het door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was
gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep,
mede van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden,
kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden en eenige schuren
of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken:
vooral waren de benedenzaal, waarin de afbeeldsels der Heeren en
Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal
in een goeden smaak gebouwd en wel bezienswaardig. Een lommerrijke
laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar
het slot. In deze ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting,
waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine
Ulrica, die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde.
"Goeden morgen, lieve Joan!" riep zij, zoo ras zij hem ontwaard
had: "zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje
afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals
laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw oogen zijn zoo
rood als vuur."
"Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom
sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed ik mij
braaf zeer: maar ik huilde toch niet."
"Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen
alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde, omdat je
het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel."
"Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans
den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een soortgelijke
reden geweest;" en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad.
Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar
tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem hare
besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen,
den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche, geheel vergeten.
Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur
kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk spreken: "daar
zal wat voor je opzitten, jongelief!" zeide hij: "ja, kijk maar zoo
onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden, en wat men dronken doet,
moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten,
en die is zoo mak als een bunsing, waar men het hol van uitdelft."
Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en
schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de voorzaal
in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond,
met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen, die weinig goeds
beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen
in de zijden, terwijl zij, ongeduldig met het bovenlijf waggelende,
op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van
den uitslag eener zaak onzeker, zich niet op zijn gemak bevindt. Aan
de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding
verlegen, die hij aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich
zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen,
terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag
met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende vroolijkheid
kamp voerden.
"Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!" zeide de Baron: "het kon wel
eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij
in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt, dat gij haar gebeten
en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter
bevestiging van dit punt der beschuldiging) en dat gij haar vruchten
snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en
wat hebt ge nu daartegen in te brengen?"
Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift
wederkeerde. "Zij liegt het allemaal, vader!" antwoordde hij:
"behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!"
"Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan
als ik verkies, en zal zoo'n snotjongen mij dat beletten?" "Een
snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!" riep Joan, huilende en met
de voeten stampende.
"Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt."
"Joan!" zeide Reede op een gestrengen toon: "wilt gij op staanden
voet de Juffrouw om vergeving vragen?"
"Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk."
"Niet," riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara
op de knieën werpende: "vraag terstond om verschooning of ik zal
er op ranselen, dat...." Joan wentelde zich op den grond om en om,
al roepende, dat hij het niet deed.
"Hei Bouke!" riep de Baron: "breng mij de hondenzweep eens hier.... of
neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren op water en brood:
daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt."
"Maar mijnheer," zeide Bouke: "UEd. weet, dat op den toren...."
"Doe wat ik u zeg!" herhaalde de Baron, zonder naar iets te
luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging
maakte.
"Hoe is 't, stijfkop?" vervolgde de Baron: "zult gij om vergeving
bidden?--Niet?--Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar ik gezegd
heb."
Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje
sluiten, 't welk zich onder 't torentje bevond, dat uit het dak
oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het
gezicht plat op den vloer en snikte luid.
Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk
brood. Joan lag nog in dezelfde houding.
"Jonker! jonker Joan!--Slaap je?"--Geen antwoord.--"Jonker, je vader
laat vragen of je gehoorzamen zult."--Geen antwoord.--
"Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te
gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: 't beste berouw is het
vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan moèt je hier den
nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?--Ja, als 't kalf verdronken is,
zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan...." en
hij vertrok.
De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte
spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap: tegen den
avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijn eenvoudig maal
te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten met een grendel
gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad.
Weenende kwam zij naar hem toe, zette zich naast hem op den grond,
sloeg het poezelige armpje om zijn hals en kuste hem op het
voorhoofd. Beschaamd en wrevelig stootte haar Joan van zich af.
"Foei, Joan! heb ik dat aan u verdiend?--Zie eens, wat ik u heb
meegebracht; maar zeg het vooral aan niemand: want dan zou ik knorren
krijgen, schoon het mijn eigen eten is en ik er dus mee doen mag wat
ik wil."
Al sprekende haalde zij een hengselmandje van onder haar voorschootje
en bood hem haar voorraad aan, bestaande uit een patrijzenboutje:
eenige trossen bessen en gedroogde confituren.
Snikkende viel Joan het lieve kind om den hals en verborg toen zijn
hoofd in haar schoot. In deze gestalte bleven zij eenige oogenblikken
zitten.
"Kom Joan! zeide eindelijk Ulrica, hem met schroomvalligheid aanziende:
"je moest de juffrouw maar om vergeving vragen."
Joan zweeg en schudde het hoofd.
"Och lieve Joan! doe het toch: anders wordt vader zeker nooit weer goed
op u.--Och het is hier zoo akelig om 's nachts te blijven. Hier vliegen
zeker vleermuizen en uilen. Och Joan! doe het toch om mijnentwille:
dat kan je mij toch niet weigeren; ik zal je zoo liefhebben als je
het doet."
"Neen!" zeide Joan: "ik kan het niet, ik mag het niet doen: het is
een heks van een wijf: dien armen Hein zoo te slaan. Als het Koen
nog geweest ware, dan...."
"Och, spreek zoo niet, Joan! Hein zal toch wel wat verdiend hebben,
anders...."
Hier stoof de knaap driftig op: "Hein wat verdiend? niets had de arme
jongen gedaan, zoomin als gij of ik. Hoor maar eens hoe het gebeurd
is. Ik ging...."
"Ik geloof u wel, lieve Joan! je hebt het mij van morgen al verteld;
maar je had je er niet mee moeten bemoeien: dat was altijd verkeerd
van u."
"Wat! moest ik als een lafbek zijn blijven staan kijken, hoe kwalijk
zij haar kind behandelde! neen! al moest ik er een jaar voor zitten op
water en brood, en ik zag het haar weer doen, ik zou evenzoo handelen
als ik gedaan heb."
Deze belijdenis legde Joan af met de armen over elkaar geslagen,
de tanden stijf gesloten, de onderlip opgetrokken en met het hoofd
knikkende. Hij meende gewis, daardoor aan Ulrica een gedeelte van
zijn standvastigheid of liever hardnekkigheid mede te deelen: doch de
uitwerking was geheel anders dan hij zich had voorgesteld. Toen het
goedhartige meisje hem zoo vastbesloten zag, op den verkeerden weg,
dien hij had ingeslagen, voort te gaan, werd zij bleek als een doek,
vouwde de handen stijf tegen haar borst, zag hem een geruimen tijd
met wilde oogen aan, en viel toen eensklaps onmachtig naast hem neder.
Dikwijls is de mensch, op het oogenblik dat hij zich het sterkst
bestand waant tegen alle aanvechting, het naast aan het oogenblik
van toegevendheid en zwakheid: dit althans was 't geval bij Joan:
zooras hij Ulrica door zijne schuld in dien toestand gebracht
zag, wierp hij zich bij haar neder, klemde haar in de armen en
bedekte haar bleek gelaat met kussen. "Ulrica!" riep hij: "lieve
Ulrica! huil toch niet: lieve beste zusje! ik zal alles doen wat
ge wilt: och! kom toch bij u zelve." Dan zijn roepen was vergeefs
en het meisje bleef stokstijf in zijn armen liggen. Vreeselijk
kwam hem nu de gedachte voor den geest: "zij leeft niet meer! Ik
ben de oorzaak van haren dood.--"Ulrica!" gilde hij angstig uit:
"lieve beste Ulrica! help! help! ik heb haar gedood! Komt er dan geen
mensch! Bouke! Geert! help! help!"
Op dat oogenblik ging de muur open en er trad iemand in het vertrek,
wiens onverwachte verschijning de ontsteltenis van den beangsten
knaap niet weinig vermeerderde.