Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft,
Wat stormen waeiden my niet sedert over 't hooft:
Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de baren
Der zee kan overzien van al mijn wedervaeren.
_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en
nieuwerwetsche Fransche _vaudevillisten_, wederom eenige onbeduidende
jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats
greep, toen Joan zestien jaren bereikt had, en dat op zijn volgende
loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen
verwachten.
Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien
vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed, wanneer
hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte
heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter genoegen, dan om
alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwen hond Veltman, met het
jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden
te doorkruisen: dan trok hij, in 't eenvoudigste gewaad, tegen weer
en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch
het slot uit om er niet zelden eerst tegen het vallen van den avond
met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en
onvermoeid zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen
tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle
Ulrica 's avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld,
met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking te doen
erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling
voort te zetten.
Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuriënde onder 't
gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van het dorp
Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was
een dier schoone herfstavonden, waarin de hemel met zulke heerlijke
schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de
dampen, die over de vochtige velden gleden, door de breede zonnestralen
verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica's en bedekten
het grauwe mostapijt als met purperen vlekken: van alle kanten
stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden
zich heinde en ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend
van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en
de omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het
donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich de hooge
kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf
stak, in 't verschiet, de dom van Reenen somber af tegen het heldere
zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke
huizen uit de donkere bosschages. Voor hem rolde de Rijn met effen,
stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste
als een spiegel den blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige
natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender
gewaarwordingen bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur,
dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch
verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de
jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig bleef Joan op
de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad,
dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde, om zijn oogen aan
een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij,
als ware hij alleen in de natuur. Slechts de rook, die uit het dorp
in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen,
die naar de stallen keerden, en het eentonig geluid der klinkende
schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid
van menschen aan. Verzonken in aandacht en verrukking, gevoelde
hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen
en wischte een traan uit het oog, toen de onverwachte verschijning
van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde,
door zijn nieuwsgierigheid gaande te maken.
Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar
was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen, door
vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging
het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen was, waar de
weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed
op een vluggen draf de straat van Sonheuvel in. Met snelle schreden
aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op
een dijkje van plaggen neder, om het rijtuig, dat langzaam den heuvel
afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met
wapens en blazoenen beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend,
was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver
geborduurd. Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend
met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop
bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met
vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der achterpaarden
hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed,
een kastanjebruinen rok vol linten en strikken, hooge laarzen met
zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige
kleeding stak bijster af tegen het gewaad des postiljons, die op
het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer,
met ongedekten hoofde, aschgrauw, ongekamd en stijf afhangend haar,
linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten.
Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd
ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig zag ontstaan,
terwijl de paarden hollende op hem afkwamen.
Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder 't zand
begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel gesteund,
het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange
zweep des koetsiers door de lucht: driemalen voelden de voorpaarden het
touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte:
eindelijk deed het bijdehandsche voorpaard zulk een geweldigen ruk,
dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit
was oorzaak, dat het dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span
ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel
geweld over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen
den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van
geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden,
poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in 't zand: de
paarden, schichtig geworden, sloegen aan 't hollen en waren niet
door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden. De page, die
mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik
te spartelen, en een in 't zwart gekleede vrouw, die de gordijnen
had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en
al gillende hulp vroeg, scheen in beraad om ook den sprong te wagen,
toen er hulp verschaft werd.
Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden
gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp aankwamen,
alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden
kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er hulp kon
bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan
den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen: een daarvan tilde hij
op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging
zelf aan de andere zijde van het spoor staan, het dikke einde van den
boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna
op hetzelfde oogenblik waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden
over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet
moeilijk viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen
stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde,
dan ik noodig heb om het te verhalen.
Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit,
benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een woord te
spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk
op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den weg af, toen haar
page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren
oud scheen en wiens kleeding en gelaat deerlijk van de doornen
gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen,
en met tallooze dienstbetooning vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel
bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden
en wendde zich vervolgens tot den koetsier, die van den bok geklommen
was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met
behulp van anderen, de paarden had kunnen stuiten.--"Ich? Genädige
Frau!" antwoordde de koetsier: "nein waaraftig nicht: das ware
onmöglich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein
jungen jäger, die mit eine kantsch prave tegenwortigkeid von keist
die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gnäde er so gefällig
niet afjekomen: er ware ein hupscher knabe, und Ludwig (vervolgde hij,
den page schuins aanziende) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich
te ketraken in eine sortkelike kelekenheid."
"Ik zou hetzelfde gedaan hebben," antwoordde de page: "kan ik het
helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?"
"Neen," zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: "doch gij
kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet, toen ik
zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees,
die u beving, is uw beste verschooning."
Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood
van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner meesteres
bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds,
beet op de lippen, wendde zich af en ging naar de paarden, als om te
helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met
de verklaring, dat hij hem hinderde.
Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw
op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden en dorpelingen,
die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten,
wie hunner den kloeken jongeling kende, die zich zoo moedig en behendig
voor haar behoud geweerd had.
"Er was ein jongen jäger," zeide de koetsier: "ein hupscher borst."
"Een jonge jager", zeiden de boeren, de schouders ophalende: "wie
kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker."
"Of het moest Teun Wezer zijn," mompelde de vrouw van den metselaar
tegen den barbier.
"Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen," zeide de
barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat hij
zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden."
"Wat praat jelui van Teun Wezer?" liet zich een stem achter de koets
hooren: "bemoei je met je eigen duiveljagerijen."
Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als
postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde: hij
stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde
strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij goed ruiter
was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan
reizenden medegegeven.
"Zie je nou, buurman?" hernam de metselaarsvrouw: "daar is hij al zelf:
ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar, dat ik kwaad van
hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit
wraak mijn kippen stelen."
Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij
met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst gewond,
en het andere aan 't been gekneusd was, een schade, welke de genadige
vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen zou.
"Spreek maar zoo bout niet, Teun!" sprak iemand achter hem: "het
geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn, indien
gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient
smeer in stede van betaling."
Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker
van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard naar hem
toekwam.
Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend
ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de andere
zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog
verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit gerold, lagen
op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn
eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi weder bijeen te gaan
zoeken, 't geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar
dit bukkende geschiedde, was hij tot nu toe door het dijkje aan aller
oogen onttrokken gebleven.
"Ziedaêr, Genädige Frau," zeide de koetsier, "ziedaêr den knabe,
die ons keret heeft."
Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw
naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond: "Ik bedank
u, knaap!" zeide zij: "gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met
kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen; u is immers
geen letsel overkomen?"
"Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg
zijn," antwoordde Joan lachende: "doch waar is mijn matten fleschje
gebleven?" vroeg hij, zich plotseling omwendende: "dat is zeker aan
den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman! zoek! verloren!" en
Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug.
Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar
de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op 't land opgebracht,
waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden
van hoogen rang, als deze Mevrouw scheen te zijn, in gezelschap geweest
was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af;
doch de page vond goed zich daarover gebelgd te toonen.
"Goede vriend," zeide hij, "gij stelt zeker veel belang in uw fleschje,
dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin door vergeet:
gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden
uit te spannen."
Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en
ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen.
"Zwijg Ludwig!" zeide de Gravin, "en schaam u! zoo die knaap iets
verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde, en gij deedt
beter hem in 't zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek
niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen."
"De page mocht den bek wel halten," zeide de koetsier, terwijl hij
Joan met hartelijkheid de hand schudde: "du bist bei meine seele ein
gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher."
"Bewaar ons!" zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins
aanziende: "hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker spieken?"
"Wat jonker?" zeide Ludwig, zich tot haar keerende: "van welken jonker
spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?"
"De bonte aap ben jij!" hervatte de vrouw, de armen in de zijde
zettende: "en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel, versta
je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je
moffegezwets."
De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens
het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het hoofd tot
de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: "Is dat de Jonker
van Sonheuvel?"
"En wie had je hier anders verwacht?" antwoordde de barbier.
"Zoo!" zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een
deuntje tusschen de tanden.
De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van
deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar Joan, en,
terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de
andere eenig goud aan.
"Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak," zeide Joan,
achteruittredende: "maar geld behoef ik niet. Mijn vader is rijk
genoeg, om...."
Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond
streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid, en
eensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen:
"Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar hebt
gij dien hond?"
"Die hond," zeide Joan met eenige trotschheid, "is op mijns vaders
slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene zoon van den
ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den
Graaf van Falckestein had toebehoord, maar hem door de Spanjaards
ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen."
"Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?"
"Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp:
ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij u daar te
brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult
gij van avond toch niet willen reizen."
"Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!" zeide de Gravin, op wier
gelaat een diepe ontroering leesbaar was: "met onuitsprekelijk veel
genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend
beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken, dat mij deze
ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader
meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek en dienstvaardig vind ik
thans zijn zoon.... Goede Fenix," vervolgde zij, Veltman nogmaals
streelende, "gij zijt gelukkiger geweest dan uw meester. Uw kroost
is gespaard gebleven, en het mijne...." hier stroomde een tranenvloed
langs hare van hartzeer vermagerde wangen.
De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de
koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen, toen
zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht,
bij de Gravin vervoegde.
"Met uw verlof, Mevrouw!" zeide hij, "en met dat van den Jonker,
zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding
voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker,
al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar Uwe
Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er
zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo Mevrouw dus zoo
goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van 't paard gedaan
in dienst van Uwe Genade."
"Ja, in 't warme zand," zeide Joan, hem in de rede vallende: "dat
zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat gij nog
zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag,
zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!"
"Ik heb Mevrouw toch wel bediend," zeide Teun Wezer, het hoofd op
den schouder leggende als een bok die stooten wil.
"Genoeg hiervan," sprak de Gravin: "Ludwig, betaal den man en laat
hem in 's Hemels naam maar wegrijden."
Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf
hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem, of hij hem
een dienst bewijzen wilde.
"Tien voor één, genadige Jonker Page!" was het antwoord.
"Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?"
"Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim."
"Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier
ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen
vallen. Voort hier vandaan." Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon
oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden naar
Reenen terug.
Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn
rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden.
"Verschoon mij, Jonker!" zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: "gij
hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik belast te worden."
"Indien de Jonker het mij toestaat," zeide Ludwig, beleefdelijk
toeschietende, "dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen, en nog
aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid
van zooeven vergeeft."
"Die vergeef ik u gaarne", antwoordde Joan: "en zult gij dit jachtgerij
voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas op dat de hoenders
niet uit de weitasch vliegen." Dit zeggende hing hij die om den hals
van den page.
"En pas op," vervolgde de Gravin, spotachtig, "dat uwe fraaie kleeren
niet bederven."
Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de
vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen.
"Helaas!" antwoordde de Gravin, "al mijn namen veroorzaken mij droevige
herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien heeft uw
vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk
weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en vroeger van Graaf
Ulrich von Daun?...."
"Is 't mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?"
"Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn
echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen."
"Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij
moet veel hebben doorgestaan."
"Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn
beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje kwam met
zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook
hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord."
"Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt
hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij gewag maakt...."
"Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet,
mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel geleden,
dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard
was, werd het slachtoffer van den Spaanschen haat: en allen zijn nog
ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige
was, durf ik op goede gronden betwijfelen."
"Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald."
"Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader
heeft in Velasco's bloed den dood van zijn vriend willen wreken:
het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingeland
Mendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde
ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de hand gewezen,
mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk
beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan: ik wil uw vader een
vriendelijk gelaat toonen."
"Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet," riep Joan verheugd uit,
op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin verwittigd,
met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden.
Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan
voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste geprezen
had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn
adellijke gast met een handkus welkom heette, en bevelen gaf om een
prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten
Joan, door niemand veel eer gedaan werd. Op het nagerecht, toen Ulrica,
in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een
groot welgevallen scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel
het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na
den dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het
volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in 't bezit van
haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door
te brengen; dan vergeefs: haar oudste en thans eenige zoon werd in de
nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden
Beckman heenreisde, door Spanjaards overvallen en omgebracht. Een
jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood
getroffen: en thans, nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren,
ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar
woonplaats vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een
einde aan zoovele rampen maken zoude.
"Mevrouw!" riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift
uit: "ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk te
wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van
die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten mocht,
mijn zwaard zal...."
"Zwijg knaap!" viel Reede haastig in: "gij weet niet wat gij begeert."
"Laat hem spreken," zeide de Gravin: "het doet mij goed hem te hooren."
"En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!" hervatte de knaap: "gij
hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans weinig
meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte
onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus uw voorschrift niet,
wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede
zaak zijn gevallen?"
"Ja!" zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen
beschouwde; "gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu af maak ik u tot
ridder." Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg
die om den nek van den jongeling. Dankbaar en verlegen over zulk een
fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen; doch hem oprichtende,
kuste zij hem op het voorhoofd: "als mijn ridder kus ik u," vervolgde
zij: "maak u meer en meer waardig dien naam te dragen, en, zoo gij
de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer
dan een bloote titel zijn."
"Gij ziet het, vader!" riep Joan verheugd uit: "de Genadige Vrouw
acht mijn woorden zoo gering niet."
Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in 't vuur. Zwaar drukte
hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat deze,
eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten,
ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen voeren
zoude. "Mevrouw!" zeide hij, na lang zwijgen: "ik trachtte altijd
aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan onze vijanden te
vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo
hij eens de wapenen voert, waaraan ik nog twijfel, zal hij, hoop ik,
voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden."
De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen:
de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had zij dien beantwoord;
doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe
uitdrukking tegen een voor 't overige zoo vriendelijken gastheer te
veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het
Atrechtsche tafelkleed gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die
achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in
orde was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt.
"Die knaap heeft een schrander uitzicht," zeide de Baron, toen Ludwig
vertrokken was: "doch hij schijnt wat teer van maaksel en ongeschikt
voor zware vermoeienis."
"Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen," antwoordde de
Gravin: "zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit Bruck
vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder
tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was, zooals
ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid
geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem tot page, na den
dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want,
ondanks een zekere poppigheid en keurigheid op uiterlijke vormen, die
aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend
geschikt om te volbrengen wat hem wordt opgedragen, ook hetgeen
niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons,
ontkwam niet dan met moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde
mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid,
die beide aan zijn verstand en hart eer deden."
"Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen,"
zeide Joan halfluid: "onze Bouke zou zeggen: 't wil muizen wat van
katten komt."
"Alweder!" zeide de Baron: "hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven
zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?"
"Ik zal geen woord meer spreken," mompelde Joan: "doch ik houd niet
van dien page."
"Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat
gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen, zoo hij het
verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten."
"Nu," viel de Gravin in: "het spijt mij, dat mijn page aanleiding
geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn braven ridder;
doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn
Spaansche afkomst niet en legt in al zijn gesprekken en handelingen
afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard
aan den dag."
Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch
de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid, die
tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en
ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer hoe meer bedrukt
door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst
niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend zijn magen te haten,
te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit
bepaaldelijk over nagedacht, hoe en wanneer hij den jongeling het
geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd
en de omstandigheden hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en
zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven;
doch thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem
met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot een plicht
gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem
zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem schokte op het denkbeeld,
dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op
eenmaal zou moeten verloochenen: en wat kon niet bij den gevoeligen
jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien
radeloosheid, vertwijfeling of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in
Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards
als een gelukzoeker verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder
troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen,
die zijn kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?--Als
vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den
geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden
morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met den Predikant
Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid
te brengen, en deze dan hoe eer hoe beter in 't werk te stellen.