vertrouwelijk gesprek met God. Dergelijke gesprekken worden in de
middeleeuwsche mysterie-spelen (door geestelijken vervaardigd)
herhaaldelijk vertoond, en de woordkeus is er nog heel wat menschelijker
en realistischer dan bij Goethe. Zij die het Goethe kwalijk nemen, dat
hij Mephisto laat mompelen: Het is toch wel leuk van den Ouwe, zoo
menschelijk met den duivel-zelf te verkeeren!, ontmoeten geen instemming
bij hem, die van deze Katholiek-Christelijke literatuur iets weet. In
bedoeld gesprek prijst De Heer "zijn dienstknecht Faust" als een ijverig
zoekend man, die zich in de duisternis van zijn streven toch bewust
blijft van het goede, zij het ook waar, dat hij dwaalt, zoolang hij
streeft (nog niet heeft "gevonden"!). Spottend beweert Mephisto dat God
dezen dienstknecht op den duur zal verliezen. En God, die den
ganschelijk van God verlaten duivel voor hemelsche argumenten
ontoegankelijk weet, wil hem nu door feiten overtuigen: hij gaat op 's
duivels verlangen kalm een weddenschap aan, dat deze Faust op den duur
niet in zijn macht zal houden, al heeft hij volle vrijheid, hem in te
blazen wat hij wil.--En nu blijkt, waarom de Heer zich de spotternijen
van den Booze met zooveel gelijkmoedigheid laat welgevallen. Mephisto,
deze geest die steeds ontkent, is gedwongen, het Goede te weeg te
brengen, terwijl hij het Slechte wil. 's Menschen geestkracht zou
verslappen indien hij niet door vernietiging van zijn pogen en door
verzoeking aanhoudend werd geprikkeld: daarom is Mephisto den mensch
toegevoegd. Deze maakt dus deel uit van Gods wereldplan. Hij moet in den
mensch--ook in Faust--vruchteloos trachtend hem in 't ongeluk te
storten, de goddelijke vonk telkens opnieuw doen ontgloeien. Zoo heeft
de booze zijn plaats in de eeuwig wordende en evolueerende schepping, en
toch op den duur géén plaats.
V
Als Faust den boven beschreven geestestoestand heeft bereikt, en reeds
op het punt heeft gestaan zich te vergiftigen, teneinde spoediger te
weten wat er "aan gene zijde" is, is hij rijp voor aanraking met
Mephisto, en deze verschijnt dan ook weldra, onder eigenaardige
bijomstandigheden, die hier buiten beschouwing blijven: Door zijn
Proloog in den Hemel heeft Goethe zich bij voorbaat ontslagen van de
taak, allerlei bovennatuurlijke en tooverachtige uiterlijkheden te
motiveeren; als hij maar zorgt voor een juiste ontleding van de
geestesprocessen in zijn personen, dan zorgt De Heer in verbond met
Mephisto voor de rest.
Het is Mephisto's roeping, zich in te spannen en steeds teleurgesteld te
worden. Hij heeft in den loop der eeuwen genoeg tegenvallers beleefd om
Fausts zorgen, welke hij (blijkens zijn onmenschelijk-ironiesch gesprek,
met een student die bij den wereldberoemden Faust les wil nemen)
volkomen peilt, niet ernstig te nemen. Er wordt tusschen hem en Faust
alras een verdrag gesloten dat beide partijen voldoet. Het voldoet Faust
omdat deze gelooft: al zwerf ik, smartelijk genietend, ook heel de
wereld door, al zal ìk alleen in mijn boezem ondervinden wat de heele
Menschheid is toegedacht: nooit komt het oogenblik van harmonie, dat ik
zal wenschen vast te houden omdat het zoo schoon is.... Het voldoet
Mephisto omdat hij verwacht, den wel geleerden maar onervaren Faust in
zingenot te doen ondergaan, m. a. w. het animale in Faust te doen
overheerschen, zoo sterk, dat hij van zijn intellectueelen onvrede al
minder gewaar wordt, en in deze tweede jeugd, in deze voluptueuze
kindsheid, met zijn verdoofden geest gelooft, dat hij eindelijk in
overeenstemming is geraakt met de buitenwereld.
Maar--Mephisto wordt teleurgesteld. De malle dronkemansgrappen, die hij
Faust in Auerbachs kelder te genieten geeft, maken op dezen geen indruk.
Nu laat hij hem een tooverdrank slikken. Faust wordt een mooie,
volbloedige jonkman, en in de nabijheid van Margareta geleid, voelt hij
aanvankelijk niets als wulpsch verlangen naar het mooie kind. Maar nu
brengt Mephisto, bijna zeker van zijn triomf, hem in aanraking met het
meisje, zoo argeloos als men ze slechts in Katholieke landen aantreft.
En ziet: Fausts zinnelijkheid zet zich om in liefde, het goede overwint.
En opnieuw trekt de verleider Faust naar beneden. In een duel met
Margareta's broer Valentin verlamt hij den arm van Fausts tegenstander;
deze wordt gedood en Faust moet vluchten, Gretchen in kommerlijke
omstandigheden achterlatend. Nu voert de duivel hem naar den Blocksberg,
waar de heksen in gierende welluststuipen het heidensche eerste-Meifeest
(Walpurgisnacht) vieren. Hij leert hem de meest afzichtelijke vuiligheid
(dit gedeelte heeft Goethe uit de tragedie gelicht; het is te vinden in
de Paralipomena) doch als Mephisto gelooft, Faust van zijn oerwezen te
hebben vervreemd, ontwaart deze in zijn verbeelding: Margareta, met
bijeengebonden voeten, en om 't halsje een bloedig snoertje, fijn als de
snee van een mes. Hij weet niet dat Gretchen, die haar moeder en haar
kindje heeft vermoord, op het punt staat onder beulshanden te sterven,
maar hij bevroedt dat hij haar diep ongelukkig heeft gemaakt. De
Xeniën-warrelwind die Goethe-Mephisto op hem blaast (Oberons gouden
bruiloft) vermag hem niet te verstrooien: op het beslissende oogenblik
is de geliefde Gretchen zijn reddende engel geweest. Want nu beveelt hij
Mephisto, die immers nog zijn dienaar is, hem bij de verlossing van het
ongelukkig schepseltje behulpzaam te zijn. Hij beveelt hem dit in zwaar
proza, dat, plotseling opkantelend te midden van de welgemeten verzen,
den lezer doet beven. En weer moet Mephisto gehoorzamen, want Faust
heeft berouw, is dus nog zich zelf. Hij brengt Faust 's nachts in den
kerker--waardoor hij zelf in gevaar komt, wijl zijn bloedschuld nog op
de stad rust. De smart van heel de menschheid grijpt Faust aan, nu hij
Margaretha ontredderd en verdwaasd op het stroo ziet zitten, zingend
zinnelooze liederen, zooals een modern psychiater, begaafd met veel
phantasie en impressionistische dichtermacht, ze den intuïtieven Goethe
niet zou verbeteren. Faust wil haar uit het hol leiden, de poort staat
open, Mephisto wacht met tooverpaarden. Maar schoon ze aanhoudend om
haren Heinrich roept, kan ze het in haar hysterische helderziendheid
niet van zich verkrijgen, zich aan de menschelijke gerechtigheid te
onttrekken. Ze aarzelt totdat de morgen grauwt, en Mephisto voor eigen
veiligheid wordt beducht. Met een bulderend "Her zu mir" rukt hij Faust
van haar zijde. "Zij is veroordeeld" roept hij, terwijl hij met Faust
verdwijnt. En op dat "ist gerichtet" klinkt uit den hemel als een echo:
"Gerettet". Gretchen, uit haar aardsche lijden verlost, tracht vergeefs
met heur stem haar minnaar te bereiken. Zij verstaan elkaar niet
meer.--Zoo eindigt het eerste deel.
VI
Faust, met schuld beladen, heeft begrepen dat hij zich aan de menschheid
moet geven. Wij ontmoeten hem nu aan het Hof van den Keizer, en door
uitvinding van papiergeld (waarbij echter Mephisto de hoofdrol speelt)
maakt hij een eind aan de financiëele moeilijkheden waarin het rijk
verkeert. Nu voert hij, om (gelijk zoo vaak Goethe het heeft gedaan) het
hof te vermaken, Helena, de schoonste vrouw uit de oudheid, ten
tooneele. Mephisto heeft hem hierbij niet kunnen helpen; Mephisto, een
product van Christelijken geest, heeft over de antieken geen macht. Hij
zelf moet Helena halen van "De Moeders", met welke "wonderlijk-klinkende"
uitdrukking Goethe gezegd wil hebben: de innerlijke, vrouwelijk-vruchtbare
kracht van de schepping. Terwijl nu het hof zich met deze verschijning
amuseert, en vooral aan het classieke naakt behagen heeft, vergeet
Faust dat Helena slechts een schim is, verlieft zich in haar, wil haar
omarmen, maar wordt door een geweldige ontploffing neergeveld, waarna
Mephisto hem voor dood wegdraagt.
Faust is idealist gebleven: Als anderen zich vermaken dan bespeurt hij
iets edels, waaraan hij zich wil geven.
Het volgend bedrijf vertoont hem, nog bewusteloos, in het phantastiesch
studeervertrek, waar wij hem leerden kennen. (Moet dit--vragen wij
terloops--beduiden dat hij al het voorafgaande heeft gedroomd en nu gaat
ontwaken?) Wagner, zijn waanwijze assistent, is hem als hoogleeraar
opgevolgd, en verkondigt onder vele nieuwigheden ook deze: het is den
mensch onwaardig, langs natuurlijken weg kinderen voort te brengen; het
moet der Wetenschap gelukken, door crystallisatie in een retort kinderen
voort te brengen. Dit werd in Goethes tijd, en wel door een geleerde met
name Wagner, iets dergelijks wordt in onzen tijd door sommige
onwijsgeerige natuuronderzoekers verkondigd. Mephisto, vroolijk door een
ontmoeting met den thans uitgestudeerden student van het eerste bedrijf,
wiens volslagen idealisme hij, allesbehalve naar den zin van de
jongelingen in het parterre, heeft bespot, besluit den waanwijzen
Wagner, die zelf niet gelooft wat hij zegt, een handje te helpen, zoodat
in de fiool werkelijk een schimmig menschje, Homunculus genaamd,
ontstaat. Dit ineens geschapen, en dus aanstonds absurd-rijpe
waterhoofdje zal Faust en Mephisto den weg wijzen naar den classieken
Blocksberg, waar eerstgenoemde, in den loop van den classieken
Walpurgisnacht, Helena wel op het spoor zal komen. Dit is een allegorie
voor het volgende: Zooals het humanisme, product van de muffe
boekensnuffelarij der renaissance, de oude beschaving heeft ontsloten en
zoodoende kennis van de classieke schoonheid voor het nageslacht heeft
mogelijk gemaakt, zoo onttrekt het renaissance-product Homunculus Faust
aan de middeleeuwen en voert hem naar een hooger beschavingsstadium. Men
merkt op dat Mephisto niet meer de leider is.
Nadat hij vergeefs heeft getracht, het hof "esthetiesch op te voeden",
zal Faust dit nu zich zelf doen. Hij doorleeft vele uitermate leerrijke
ontmoetingen met personages uit de schimmenwereld. Goethe heeft de
verwachting uitgesproken, dat de meeste lezers dit wel niet zullen
begrijpen; ook Mephisto begrijpt er niet veel van: hij voelt zich in
deze zuidelijke wereld àl minder tehuis en Faust is in zekeren zin
onafhankelijk van hem. Eindelijk bereikt deze Helena, ideaal van
classiek-menschelijke schoonheid--en in zijn kwaliteit van beschermend
Germaansch hertog huwt hij haar. Nieuwe allegorie: Uit het huwelijk van
den geest der middeleeuwen met den geest der oudheid spruit een zoon,
Euphorion, die zeer voorspoedig opgroeit, zijn ouders door zijn
stoutmoedige aspiraties verrukt en beangst; als hij vreemde soldaten
tegen wil vliegen, stort hij uit den hemel te pletter. Uit het rijk der
duisternis roept hij om zijn moeder. Helena begrijpt, dat geluk en
schoonheid op den duur zich niet laten vereenigen; en nu de band van
leven en liefde tusschen haar en Faust is verbroken, omarmt ze dezen
voor het laatst en verdwijnt, hem kleed en sluier--den schoonen vorm der
classieke kunst--achterlatend.
Fausts zoon beschrijvend, dacht Goethe aan den Engelschen dichter Byron,
dien hij beminde als een zoon. Hij achtte hem den grootsten geest van
den nieuweren tijd, en beweerde steeds dat hij, aan het eind van zijn
uitspattingen, wel op den goeden weg zou komen. Byron bereidde hem
groote vreugde door de verdrukte Grieken te hulp te snellen; kort daarop
sneuvelde hij in den strijd voor de bevrijding van den classieken bodem.
Faust heeft nu in de oude wereld zelfbeheersching geleerd, en, in
Helena's sluier gehuld als in een wolk, zweeft hij weer naar Germanië,
om zich daar in dienst van de menschheid te stellen. Verschillende
veelbelovende carrières, die Mephisto hem aanbiedt, wijst hij af: hij
wil zijn deel zelf veroveren. Aan de hooge politiek doet hij niet mee:
hij wil als nuchter staatsman daden verrichten, die direct voordeel
opleveren. Met Goethiaanschen geestdrift eischt hij een reep strand, om
van daar de zee terug te drijven, en op zelf-gewonnen grond een vrij
volk te vestigen: op het mogelijke gerichte scheppingsdrang. Hij
vecht--gebruik makend van Mephisto's duivelskunsten--voor den keizer en
krijgt zoo bedoeld stuk strand in leen. Daar doet hij wat zijn hand
vindt te doen, brengt er welvaart en hoopt (ook als hij door zorgen
blind is geworden) zoo voort te werken. Om hem heen wordt alles duister,
maar in hem is het licht. Hij hoort het gewoel van vele spittende
arbeiders, en hij verheugt zich in de gedachte, dat deze bezig zijn een
stinkend moeras, dat hem reeds lang heeft gehinderd, droog te leggen.
Hij weet niet, dat hij feitelijk Mephisto's gezellen hoort, die zijn
graf graven. Dìt is de laatste slotsom van de wijsheid (zoo overpeinst
hij):
Nur der verdient sich Freiheit wie das Leben,
Der täglich sie erobern muss.
Als ik nu kon zien, hoe naast mij een vrij volk leeft op vrijen grond,
dan zou ik tot dìt oogenblik willen zeggen: Blijf toch, ge zijt zoo
schoon! De sporen van mijn aardsch bestaan kunnen in lengte van tijden
niet uitgewischt.... En--voorvoelend dit geluk--beleef ik thans het
hoogste oogenblik mijns levens.... Hij zinkt ineen en 's duivels
knechten willen hem vatten. Mephisto heeft dus gewonnen?
Neen, immers Faust heeft het oogenblik dat hij tegen wilde houden
slechts voor-voeld, en hij kon het niet bereiken, omdat de zorgen, door
hem van zijn gezicht berooven, hem volledig contact met het aardsche
voor goed onmogelijk maakten. Hier is de ongrijpbare wijsheid van het
eerste deel scherper geformuleerd: Absoluut aardsch geluk voor den
denkenden en voelenden mensch niet te bereiken! Wie de wereld met zijn
animale krachten grijpt, kan slechts absoluut gelukkig zijn als zijn
geest is vertroebeld: doch zoo is het Faust niet gegaan
(Walpurgisnacht). Wie het volmaakte geestesgeluk wil smaken, zal de
schoonheid van dit leven derven (Helena-episode). En Faust ziet het
suprême oogenblik zijns levens naderen, als hij, voor deze aarde
gedeeltelijk blind, niet bemerkt, hoe aan zijn ondergang wordt gearbeid,
zoodat hij deze verwoestings-pogingen kan beschouwen als een dóórwerken
van zijn ideeën. Doch Mephisto, de eenzijdige duivel, kijkt zoo nauw
niet, heeft Faust maar half verstaan, houdt hem het verdrag voor, dat
hij eens met zijn bloed teekende; en waarin hij beloofde den duivel toe
te behooren, zoodra hij mocht bereiken den toestand waarin hij kon
berusten. De helrakkers willen Faust meesleepen, Mephisto wil zijn geest
beletten, het overbodig geworden lichaam te verlaten. Doch nu naderen
hemelsche scharen en verdrijven, rozen-strooiend, de satans-trawanten
van Fausts graf. Mephisto, prat op zijn recht, meent stand te houden, doch
ook hém verwint de liefde, daar hij--zij het ook echt-duivels--verlekkerd
wordt op de hemelknaapjes die Faust omzweven. De engelen kunnen (zoo kondt
hun gezang) Faust verlossen omdat hij--naar Goethes levensgeloof--steeds
krachtdadig bleef streven.
Een boetelinge, vroeger Gretchen genaamd, bidt voor hem, bijgestaan door
drie bijbelsche vrouwen, en terwijl hij zich langzaam los maakt uit zijn
stoffelijk hulsel, is het hàar gegeven, den Nieuweling binnen te leiden
in het verblindend-lichte lenteleven....
VII
Jammer maar--heeft men wel eens opgemerkt--dat Faust nu niet wordt
geroepen, om voor Gods rechterstoel (waar eens Mephisto macht over hem
kreeg) zijn verlossing te bepleiten. Dan zou de tragedie eindigen in de
sfeer waar ze is ontsprongen, dàn was er esthetiesch evenwicht bereikt.
En bovendien zou Goethe dan gedwongen zijn toe te geven, dat het met
Fausts "redlich sich bemühen" maar zoo-zoo is geweest, dat hij pas zeer
laat tot echte _daden_ is gekomen, dat men zijn leven als geheel toch
niet kan achten welbesteed.
Hierop past dit antwoord:
Goethe heeft voorzien en wilde, dat de begrijpende lezer, in verband met
den Prolog im Himmel, deze en nog diepzinniger overdenkingen zou houden.
Maar--gelijk hij in de slotaccoorden uitspreekt--hij achtte Gods hoogste
en laatste raadsbesluit over het menschelijk leven _onvoorstelbaar_ en
_onbeschrijfelijk_. En hij liet de onvatbare liefde Gods pas optreden,
toen ze door Gretchens verzoenende liefde--tot _daad_ werd. Het
eeuwige-vrouwelijke--zoo wist Goethe--trekt ons naar de onbereikbare
goddelijkheid. En deze beroert ons, lezers, lang nadat voor den
beeldenrijkdom der tragedie het scherm is gevallen, lang nadat in onze
ziel zijn overgegaan de woorden van het Chorus mysticus:
Alles vergängliche
Ist nur ein Gleichniss;
Das Unzulängliche,
Hier wird 's Ereigniss;
Das Unbeschreibliche,
Hier ist es gethan;
Das Ewig-Weibliche
Zieht uns hinan.
En verder:
Dat Fausts leven niet een welbesteed--in den zin van practiesch
vruchtbaar--leven kon zijn, ja, een lange reeks leerrijke mislukkingen
moest worden, het ligt opgesloten in de oorspronkelijke conceptie.
Goethe--o hoogwijze commentators--wist wel, dat het niet een grootsche
daad is, een keizer met assignaties tijdelijk uit geldnood te helpen,
een verheven-schoone vrouw te volgen, met helsche kunst een leger te
verslaan. Doch Goethe zelf besteedde misschien de grootste helft van
zijn leven aan zoeken. Zoeken naar hetgeen de gewone man reeds meent te
bezitten, of zegt niet te behoeven. Goethe en Faust zijn de
evenwichtloozen, die door de grenzen van het gewone leven worden
bekneld, als hun tijdgenooten er zich nog in voelen t'huis. Zij
verbreken de hinderlijke perken van de heerschende levensverhoudingen en
speuren naar een nieuwen weg, naar een betere roeping, niet alleen voor
zich.... Of eigenlijk heelemáal niet voor zich, want nooit vinden zij op
aarde rust, en zij sterven als zij hebben bereikt.... voor latere
geslachten.
In dit licht hebben Goethe èn Faust door hun eigenzuchtig idealisme
practiesch werk geleverd. Zij zochten zich zelf om zich aan anderen te
schenken!
Zij zijn oppermenschen om ons te toonen, hoeveel, maar ook hoe weinig de
mensch vermag in het Heelal. Want--dit is het allerlaatste dat de
Faust-tragedie ons leert: Waar hun màchtigste kunnen ophoudt, daar
begint het goddelijk Ideaal.
[Illustratie: 22 Maart 1832]
XXXI
Auch im Scheiden gross!
GOETHE tot
ondergaande zon.
.... Hij bevond zich in een soort van exaltatie, die hem in staat
stelde, de poëzie te bevelen, zelfs tot beelding van dingen die hij
nooit beleefde; hij geloofde zich door een geheimzinnig psychiesch
gebeuren tot zulk een staat van vruchtbaarheid verheven, dat hij
volkomen willekeurig voortbracht wat hij zelf wenschte. Na zijn laatste
bloedspuwing wist hij, dat hij niet lang meer had te leven in zijn
aardsche gestalte. En door godsdienstige overpeinzingen, door
voortdurend opgaan in het ware en het schoone bereidde hij zich voor op
de scheiding, die hij wist nabij, en op het hiernamaals, waarin hij vast
geloofde. Met een diepen zucht verzegelde hij het pakket, dat het
handschrift van zijn Faust bevatte, en opgewekt nam hij maatregelen voor
de verschijning van zijn tragedie, onmiddellijk na zijn sterven. Al wat
er voorviel in het rijk van kunst en wetenschap had zijn gretige
belangstelling; en wie, zonder den schrijver te kennen, zijn heldere
opstellen leest over Geoffroy St.-Hilaire en over den "Spiraalgang der
plantenontwikkeling", zal niet vermoeden, dat deze schrijver reeds over
de tachtig was. In belanglooze voldoening zag hij anderen roem behalen
met ideeën, die bespot werden toen hij ze verkondigde, een halve eeuw te
voren: de waarheid won dan toch eindelijk veld!
Op zijn twee-en-tachtigsten jaardag verliet hij, ouder gewoonte, de
stad; in de vreugdige atmosfeer van het hooggelegen Ilmenau ontvluchtte
hij de feestelijkheden die men te zijner huldiging op touw zette. Hij
bezocht het jachthuisje dat Carl-August zoo dikwijls had geherbergd, en
de tranen sprongen hem in de oogen, toen hij herlas de verzen, die hij
daar op den wand had geschreven vijftig jaren vroeger:
"Ueber allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch...."
En, terugdenkend aan dien tijd van inkeer en onbestemd verlangen,
herhaalde hij met bevende stem: "Ja, warte nur, balde ruhest du auch.."
Bij dezen geestestoestand trof hem het verjaarsgeschenk dat "Vijftien
Engelschen" hem toezonden. Het was een gouden zegelstempel, waarop
gegraveerd de slang der eeuwigheid, omsluitend een ster en de woorden:
"ohne Hast, ohne Rast", die zinspeelden op zijn bekende strophe: "Wie
das Gestirn...." Thomas Carlyle, voor wiens "Life of Schiller" hij nog
pas een voorrede had geschreven, is de onderwerper van dit voorname
huldeblijk.
Hij had nu inderdaad zijn roeping zonder haast en zonder rust vervuld,
maar toen zes maanden nadien een ernstige ziekte hem trof, kon hij niet
gelooven dat hij bezig was zich los te maken. Voor zijn jaren
buitengewoon statig en sterk, imponeerend door zijn heldere,
schitterende oogen--men vertelt van een boer, die als aan den grond
genageld hem bleef aanstaren, toen hij door zijn park wandelde--imponeerend
de artsen door zijn niet verzwakkenden eetlust, was hij toch een ouwe
man. En hij, die voorheen in vertrouwelijken omgang met water en lucht
placht te leven, bleef nu lang achtereen thuis, in heetgestookte
kamers, zoodat hij telkens koû vatte, als hij zich door een helderen
dag weer naar buiten liet lokken.
Zoo ook begin Maart 1832. Hij had 's morgens het gewone Donderdagsche
bezoek van de jonge Groothertogin ontvangen, hij had opgewekt gesproken
over een schilderij, dat in het bijzijn van zijn zoon te Pompeï was
opgegraven, en waarvan men hem op zijn verjaardag een schets had
gezonden. 's Avonds voelde hij een hevige pijn in zijn borst opkomen,
zijn adem stokte, onrust beving hem. Hij beweerde dat dit wel naar, doch
niet gevaarlijk was; niemand mocht bij hem waken, geen dokter mocht dien
nacht gehaald. Zijn geneesheer, die hem terzijde stond in het beheer van
verschillende instellingen voor kunst en wetenschap, wist de pijn tot
bedaren te brengen, en alsof er niets gebeurd was, deed Goethe de
loopende "zaken" met hem af. Tot zijn vreugde vernam hij, dat zijn
pogingen om een veelbelovenden jongeman te helpen succes hadden, en zijn
sidderende hand zette hij onder een stuk, ten behoeve van een
kunstenares, die hij wilde protegeeren.
Maar een week later vond zijn dokter hem, badende in zijn zweet, met
aschgrauw gelaat en weggezonken oogen 's morgens op zijn bed, waar hij
angstig heen en weer woelde. Voor 't eerst in langen tijd ontbeet hij
niet met zijn kleinzoon. Maar toen hij een uurtje later in zijn
leunstoel zat, een deken over zijn knieën, liet hij zich het boek
brengen, dat hij pas had open gesneden. Hij was toch te zwak om te
lezen. Zijn schoondochter Ottilie moest naast hem plaats nemen. "Nu mijn
wijfje", zei hij, "geef me dat brave pootje van jou." En met haar hand
in de zijne praatte hij opgewekt. Hij wilde weten, wie er al zoo naar
hem had geïnformeerd, hij nam zich voor, om die belangstellenden te
denken, zoodra hij weer op straat mocht. Toen werd zijn spreken
onduidelijk, en zijn denken onsamenhangend. "Zie toch," sprak hij: "die
schoone vrouwekop.... zwarte lokken.... wondermooie verven.... donkere
achtergrond." Een stuk papier op den grond deed hem vragen of men
Schillers brieven dan maar liet zwerven? De kamer benauwde hem, alle
luiken moest zijn bediende openzetten, want het binnenstroomende licht
deed hem zoo goed. Toen hij niet meer kon spreken, schreef hij met zijn
vinger woorden in het leege; zijn arm verlamde: hij trok woorden op zijn
deken. Hij streed....
Tegen den middag herwon hij zijn zelfbeheersching. Sterven had hij
altijd gehouden voor een vrijwillige daad. Kalm nu legde hij zijn hoofd
tegen den linkerhoek van zijn leunstoel en sliep glimlachend in.
BIJLAGE:
VERTALINGEN