uitmaken, verruimde meer en meer. Hij voelde dat hij nog niet aan het
eindpunt stond, en dat allerlei tusschentijds opgedane ondervinding zijn
eindoordeel wijzigde: de stof werd al rijker en liet al moeilijker zich
handteeren. Ook zijn kunst-principes hadden zich ontwikkeld: zijn liefde
voor het monumentaal-Gothische, het natuurlijk-opbruisende, week voor
overgave aan het sentimenteel-romantische, dat hem naar den stillen
eenvoud van het classieke voerde, waarbij zich op het eind van zijn
leven een zucht naar symbolische geheimdoenerij voegde. Maar elk dezer
kunstrichtingen (wij bezigen dezen term uit practische overwegingen)
bekijkt een bepaalde stof op haar eigenaardige wijze, maakt op haar
beurt het naar voren treden van zekere feitenreeksen, het wegdoezelen
van andere feitenreeksen, in hetzelfde gegeven wenschelijk. Wat den
jongen stormenden en dringenden student gewichtig scheen, werd
ternauwernood vernomen door den grijsaard, die het tweede deel van Faust
schreef. De eerste, volbloed kunstenaar, liet alle stemmen en toonaarden
waarover hij beschikte overvloedig uit-galmen: hij pronkte met
cabalistische natuurkennis, met philosophie, met stoutmoedige satyre,
heelal-omvattende ironie, kind-naïef pathos; en overal dienden hem zijn
pas geopenbaarde woordkunst en zijn vermogen, zich in anderen in te
leven. Hij kon Mephisto laten zingen zoo eenvoudig en zoo welgemeend als
vriend Wolf, wanneer deze een lief meisje beweende. Maar de oude Goethe,
hoe vergevingsgezind ook in het dagelijksch leven, werd wel eens
dogmatiesch als hij de pen ter hand nam; hij sloeg gaarne spijkers met
koppen, maar toonde even gaarne (om de vergelijking door te drijven)
spijkers met spitse punten; hij liet geen gelegenheid zich ontgaan om in
verborgen hoekjes van zijn werk vallen op te zetten, waar zijn
wetenschapstegenstanders jaren naderhand nog plezier van konden beleven.
Hij was onderwijzer, autoritair hoogleeraar, en despoot tegelijkertijd,
en verlangde dat men een diepzinnigheid, waarover hij jaren had
nagedacht, oogenblikkelijk begreep. Met de vreemde vruchtbaarheid die
hem in zijn laatste jaren verheugde, wist hij de dolzinnigste
spotternijen in de reeds ontworpen constructie t'huis te brengen. En zoo
heeft hij de tragedie Faust, argeloos kunstwerk in den beginne, als
pretentieus leerdicht besloten.
Door het eerste gedeelte zweven vele beangstigende vragen, maar uit de
bewoordingen, waarin ze zijn vervat, blijkt ons dat de dichter het bij
't aanvoeren van ondoorgrondelijkheden wilde laten: "Das Schaudern ist
der Menschheit bester Teil." Maar het tweede gedeelte wil op de
hoofdvraag, en op vele bijvragen die in 't begin niet eens voorkomen,
zielkundige, theologische, teleologische, wijsgeerige antwoorden geven.
Het wil een betoog zijn, _d. w. z._ het wil een ijle Gedachte beteekenen;
en toch kunstwerk zijn, _d. w. z._ een harmoniesch-evenwichtig beeld.
Nu kan een Gedachte nooit opgaan in een Beeld, en de dichter, die zulk
een gedachte toch àls leerstelling wil uiten, moet ze in menigvuldige
betoogfranjes hangen aan zijn beeld; waardoor het beeld in zijn
classieke naaktheid ontsierd wordt, en de gedachte toch niet bereikt:
evenmin als de talrijke spitsboogtorentjes, die men tegen sommige
gothische bouwwerken heeft geplakt, het Opperwezen bereiken, al zijn ze
ten hemel gericht. Vooral het tweede deel van Faust, dat mag heeten
nadrukkelijk en gewaagd allegoriesch, laat den gevoeligen lezer, die
voet bij stuk wil houden, onbevredigd; daar Gedachte en Beeld er ieder
een eigen leven leiden en niet versmelten, zooals in Iphigenie. Dit is
een ontaarding van het standpunt dat de schepper van Iphigenie innam:
Dàar een schoon beeld, dat op zich zelf doel is, maar dat toch de wazige
diepten van de Idee ontsluit; hìer een beeld dat telkens wil
vervluchtigen, wil opgaan in Gedachte, wat niet lukt; en dan, na iedere
mislukte poging vermagerd als een ascetische monnik, tamelijk ongemerkt
overlijdt: wat het dramatiesch effect verijdelt.
Goethe wilde het onbeschrijflijke tòch beschrijven, gevoelend dat hij
meer-dan-mensch was; en hij wist dit, getuige de sacramenteele
slotwoorden van zijn Faust. Daarnaast staat zijn bewering (in een brief
aan Schiller), dat hij het hoogste wel wilde aanroeren maar niet
bereiken, en hiermede in overeenstemming zegt hij dan ook dat het
ongrijpbare feit wordt, op de plaats waar het Faust-beeld.... eindigt:
Das Unzulängliche
Hier wird's Ereignis;
Das Unbeschreibliche,
Hier ist es gethan.....
Maar niemand zal ontkennen dat hij op menige plaats ook in het corps van
de tragedie naar het onmogelijke greep. En het besef, dat hij dit deed,
maakte hem vaak zoo mismoedig, dat hij aan het begin van de negentiende
eeuw wel twintig jaar voorbij liet gaan, zonder iets van beteekenis aan
het werk toe te voegen; den Faust beschouwde hij als een dolle kluyt,
als een vergaarbak voor allerlei "dramatiesch-humoristischen onzin",
voor burleske toespelingen op tijdgenooten, voor te laat geboren Xeniën,
die met het onderwerp niets hadden te maken. Ook kwamen dan weer de
oogenblikken dat hij, onbegrensd vertrouwend op zijn krachten, zonder
aarzelen de moeilijkste gedachten formuleerde; en het is dan ook de
groote bekoring van dit poëem, dat de dichter er nergens stamelt of van
inspanning hijgt.
Maar als men, nu niet op de zegswijze lettend, het boek na lezing
doorbladert, om de situaties in onderling verband te vatten, dan voelt
men dat hier een Titan (men vergeve ons het ouwerwetsche woord) de
brokken, die hij eerst in ademlooze nauwlettendheid heeft behouwen, in
woest krachtsvertoon op elkander heeft geworpen, met het misbaar van
verren donder. Goethe dunkt ons hier een Tantalos
"in wiens gesprekken, van ervaring diep
En bonte zinrijkheid, de goden zelf
Als in orakelspreuken zich verlustten"....
Doch, (verklaart de wijze Iphigenie)
"Doch goden moesten niet
Met menschen wandlen als met huns gelijken:
't Geslacht der stervelingen is onmachtig
Op ongewone hoogten niet te duizlen.
Hij was niet laag of slecht, en geen verrader,
Enkel voor knecht te groot en voor een makker
Des grooten dondergods een mensch maar...."
Zulk een man nu, maar dan in een Katholiek-Christelijk wereldplan
begrepen, is ook Faust. Zijn reiken naar het Hoogste en zijn nêerstorten
in donkere afgronden wordt in deze tragedie verbeeld. Maar dat iets van
het goddelijke zijn deel is, het wordt den lezer voelbaar, doordien
Goethe-zelf, hém scheppend, telkens uit lichtende hoogten omlaagduizelt,
als ware hij zelf een Faust of een Tantalos. Goethes wanhopige
scheppingsworsteling smelt met Fausts hemelstreven saâm. En zoo blijkt
den lezer, voor zoover hij niet is aangelegd Duitsch-esthetiesch, de
onregelmatige vorm van het werk een welkome winst.
Overleg kon Goethe hier niet baten: Faust is niet een drama, welks
handeling consequent, en zonder overwegenden invloed van buitenaf, uit
een grondgegeven voortvloeit. Het is een reeks tafereelen (gelijk Götz
is) welker samenhankelijkheid men eerst na ernstige studie beseft of....
niet beseft (doch dit om het even); hoofdzaak is, dat men de logische
aaneenschakeling van de situaties niet rechtstreeks bespeurt. Bovendien
(of liever: in verband hiermede) kan hij, die het geheel overziet, hier
den Held--hoe fier en hoe geniaal ook--voor zijn daden niet
verantwoordelijk houden, daar niet duidelijk is afgebakend, in hoeverre
Faust eigenlijk onder den invloed staat van Mephisto, die immers van den
almachtigen God--het geldt een weddenschap!--verlof heeft gekregen om
naar goedvinden met hem te handelen. Wij nemen Faust de schurkenstreken
die hij volvoert niet kwalijk: wij oordeelen toegevend over iemand die
steeds in gezelschap van Satan verkeert. Maar aan den anderen kant
merken wij wèl, doch gelooven nauwelijks, dat hij in de wieling van
onbehaaglijke genietingen, waarin Mephisto hem "stof laat vreten", zich
blijkt "van 't goede duisterlijk bewust"; al kunnen wij zulks dan ook
wel weer in het afgetrokkene beredeneeren. Het catholiesch
verpersoonlijken van het Opperwezen heeft hier den pantheïst Goethe
parten gespeeld. God, in de wolken tronend als Oppermensch, trekt àl te
gaarne aan de marionet-koordjes om aan Faust of aan Mephisto
persoonlijke wilsvrijheid te gunnen....
Met Faust heeft Goethe uitgevierd den verheven kant van zijn wezen niet
alleen, maar ook zijn trachten naar het caricaturale, het balletachtige,
zijn zucht om op te treden als leider van een cotillon, als ontwerper en
voor-rijder van een bar-comieken, phantastiesch-leerrijken allegorischen
optocht bij fakkellicht: een neiging die hij vaak verdoemde maar niet
blijvend overwon. De Faust-tragedie lijkt een subliem libretto voor een
oratorium, wachtend op den onmogelijken componist, die met diep inzicht
in de wordingsgeschiedenis van dit gewrocht de beeldende scènes er van
naar voren rukke, doch er een massa fraaie en scherpzinnige bewoordingen
door horden van tonen make onverstaanbaar, ze verwerkend in
achtergrondsche stemmings-melodieën.
Zoo is Faust meer een probleem dan een welsprekend feit, en Goethes
hoofdwerk is beroemd geworden, niet wijl men het begrijpt en bewondert;
maar wijl men bewondert de scherpzinnigheid van de commentators, die het
werk niet begrepen en juist daarom er zooveel geleerdheid over schreven.
De lezer wete dat Goethe zich genoegelijk in zijn handen wreef, toen men
in potsierlijke ernst ieder woordje van de reeds verschenen
Faust-fragmenten ging "commenteeren". "Want (zei hij lachend) er staat
zooveel onzin in, dat de keirels daar toch nooit meê klaar komen". De
Faust-dichter was tè rijk om voortdurend zijn ziel in waardige
lijdzaamheid te bezitten; hij is zich vaak overmoedig te buiten gegaan.
Maar ook de verklaarders: Op plaatsen waar niets byzonders staat, wist
men de diepzinnighedens bij dozijnen aan te wijzen; de onverzoenlijkste
tegenspraken tusschen brokken, die in verschillende levensperioden van
den maker ontstonden, wist men te overbruggen. Maar op plaatsen, waar
Goethe zich met genialen zwier had geweerd, ontdekte men esthetische
fouten, zóo voor de hand liggend, dat Goethe ze zeker zou hebben
weggestreken,--indien fouten het waren!
Er is in onzen tijd geen geestesstrooming of haar woordvoerders vinden
in Faust van hun gading: materialisten en idealistische wijsgeeren;
godloochenaars en vrijzinnige Christenen; socialisten en conservatieven;
vegetarische natuurmenschen en propagandisten van het edele druivennat;
luiaards en verheerlijkers van den arbeid: beroepen zich beurt om beurt
op Faust. En al rukken zij wel eens een phrasetje uit haar verband, en
al nemen zij wel eens ernstig wat Goethe sarcastiesch bedoelde, hij
bekijkt het leven van zooveel kanten, dat partijgangers van genoemde en
van nog vele òngenoemde richtingen volkomen terecht den Faust zouden
kunnen citeeren--indien zij hem werkelijk lazen; wat wij minder grif
beamen.
Want Faust behoort tot de boeken, die beroemd zijn zonder dat ze worden
gelezen; van naprater op nababbelaar plant zich omtrent dit stuk een
soort illuzie voort: dat het zoo geweldig is, en dat het zoo grootsch
is, en dat het zoo realistiesch is.... Maar menigeen die het, afgaand op
wat hij had hooren zeggen, ter hand nam, bevond zich volstrektelijk
teleurgesteld door de schijnbaar taaie en koude verzen; door de
symboliek, die men wel als zoodanig onderkent, maar toch niet
ontcijfert; en door het gebrek aan eenheid. Hij, die in onzen
materialistischen tijd het eerste deel volkomen kan meegenieten, is
waarschijnlijk niet genoeg doorgedrongen in de "classieke oudheid", om
uit sommige figuren van het tweede deel meer te maken dan bizar
klinkende namen. Aan het eerste deel ligt een noordsche, aan het tweede
een zuidelijk-classieke wereldbeschouwing te grondslag; en bij slechts
weinigen zijn deze twee wereldbeschouwingen zoo aan elkaar verknocht als
bij Goethe. Dit nu is het geniale maar ook het hinderlijke in het boek,
dat deze onderlinge verknochtheid van twee uiteenloopende
wereldbeschouwingen er als _van zelf sprekend_ wordt aangenomen!
Voelt men zich door bewondering voor sommige gedeelten genoopt tot
ernstige studie van de Goethe-literatuur, dan treedt na jaren het
oogenblik in waarop men meent, ieder woord in Faust te begrijpen. Maar
als men zich dan niet "ruhig auf ein Faulbett" legt, zal men gaandeweg
weer zijn houvast verliezen en moeten toegeven, dat er aan de eenheid
in dit meesterwerk inderdaad iets ontbreekt.
Wel te verstaan: men zal dit nooit in het openbaar zeggen, want dan zou
men velen zien opstaan die beweerden: Maar ge hebt het èchte er van ook
niet gesnapt! Om dit te beweren behoeft men zelf dit "echte" niet te
weten. Men vertrouwt op de boekenkast vol.... ongelezen commentaren,
waaruit men zoo noodig gemakkelijk en gemoedelijk eenige grepen zou
kunnen doen; indien men tot nadere verklaring werd uitgedaagd. Maar het
gevaar is niet groot, want--wie uitdaagt schijnt te erkennen, dat hij
het zelf niet weet. En zoo blijft een groote groep Goethe-bewonderaars
in het duister tasten, met behulp van een zekere onoprechtheid die onder
deze heeren regel is geworden. En Goethe had het recht in zijn Zueignung
te klagen:
Mein Lied ertönt der unbekannten Menge,
Ihr Beifall selbst macht meinem Herzen bang....
Uit deze (voorloopig rhapsodischen) blik op de wordingsgeschiedenis en
de reputatie van de Faust-tragedie volgt:
dat wij niet gelooven aan het bestaan van een logische, organische
eenheid van toon, van bouwstof, van handeling--die Faust zou hebben
gemaakt tot een onberispelijk meesterwerk;
doch wel aan een eenheid, die voortspruit uit een goed begrip van de
functie, die Faust in Goethes leven vervulde.
Voor een ideaal kunst-ideaal is de Faust-als-geheel mislukt en vandaar
ook dat hij niet _uit zich zelf_ kan worden begrepen. Maar aan den
anderen kant zou het misschien jammer zijn, indien de Faust even
smetteloos-klaar ware geworden als de Iphigenie, wijl de vele
onregelmatigheden en dissonanten, die wij er aantreffen, ons het
onstuimig-worstelende in den levensgang van den Held zoo intens doen
voelen. Goethe wist, dat heel ons bestaan is een aaneenschakeling van
triumphen en instortingen, en hij drukte dit gaarne uit met de
beeldspraak: Zelfs ons loopen is een reeks van vallen.
En de heerlijke elementen waaruit deze tragedie is opgebouwd, en die
mij--na wel twee dozijn nauwlettende lezingen--doen zeggen dat Faust het
schoonste literair kunstwerk is dat ik ken, laten zich zeer wel
genieten door den lezer die den sleutel bezit.
II
Hier volgt, voor hen die de voorafgaande bladzijden verwerkten, deze
sleutel:
Aanvankelijk voelt Goethe overeenkomst tusschen zijn streven en het
beeld, dat de Faust-sage in hem afgeeft. Hij besluit, gelijk boven reeds
werd vermeld, twee bepaalde levenservaringen in deze sage "op te
bergen". Hierbij voegen zich later vele andere ervaringen, die met de
oorspronkelijke inspiratie oogenschijnlijk geen verband houden. Maar er
eigenlijk wèl verband mede houden: het zijn de ervaringen die één en
dezelfde man zich maakte. De eenheid in de Faust-tragedie is.... Goethes
levensloop.
Het Godsverlangen van jongen Wolfgang; de ontnuchtering van mosjé
Goethe, den Leipziger student; de herleving van zijn vroomheid na
langdurige ziekte; zijn alchimistische werkplaats, waar hij probeert
maagdelijke aarde te maken en het wezen der dingen uit te koken; zijn
kennis van boeken over toovenarij, die men tegenwoordig niet meer leest;
zijn begrijpen dat de Natuur zich haar geheimen niet "mit Hebeln und mit
Schrauben" laat afpersen, voor zoover ze die niet aan onzen Geest
openbaart; het vinden van die geheimen in de Kunst (Shakespeare, die met
goddelijken mond 's menschen Lot verkondigt); zijn besluit om zich te
werpen in de vloeden van het Noodlot, teneinde daar te zoeken wat hij
noch in boeken noch in laboratoria vond; zijn minachting voor alle op
zich zelf staande wetenschappen; zijn vertrouwen op zijn intuïtieve
kenbron; zijn liefde tot Friederike, waaruit louterende, hem tot dichter
wijdende kwellingen voor hem ontstaan; zijn verblijf aan een hof, alwaar
hij door krachtige daden tracht een volk en zich zelf geluk te
veroveren; zijn wanhoop, dat de juweelen des hemels zich niet in
vorstenkronen laten vatten; de herleving van zijn dichtergave, die hem
nu menschenliefde, wetenschap, daadkracht is geworden; het "huwelijk"
van zijn geest met den Geest der antieken (Helena); zijn afkeer van
politieke idealen, inzonderheid van de Fransche revolutie; zijn
belangstelling in al wat rechtstreeks den rijkdom van een volk verhoogt,
zooals de ontwikkeling van industrie en verkeer; het pijnlijk besef dat
de vooruitgang over lijken gaat; zijn geloof in het demonische; het
evangelie van de zelfoverwinning; de bevrijdende macht die hij aan reine
vrouwen toeschrijft; de zekerheid dat hij, die tot het laatst toe
godvallig werkt, onsterfelijk is;--zie hier enkele ervaringen en
inzichten, die Goethe in deze tragedie wilde opbergen.
Of de oude sage daarvoor ruimte genoeg bood?
De lezer weet reeds dat Goethe aan de historische gegevens, die hij zei
te bewerken, meestal niets heel liet. De legende, waarvan hier sprake,
heeft hij omgegoten naar zijn behoeften. Dat wil zeggen (waaròm, zij
aanstonds gestaafd) naar de behoeften van zijn Tijd.
III
Faust heeft "werkelijk" bestaan, maar dit doet niet ter zake: de
volks-phantasie was gedrongen, zich een Faust te scheppen, en heeft hem
zooveel wonderlijks toegedicht, dat men veilig mag beweren: de
pronkzieke toovenaar, zooals wij die uit de legende kennen, is een
verzinsel en lijkt niet veel meer op zijn naamgenoot; welke in den tijd
van de Hervorming heeft geleefd, en zich heeft verdaan aan denzelfden
duivel, die van den bijbel-vertalenden Luther een inktpot naar zijn kop
kreeg.
Het was destijds niet ongewoon dat de duivel geleerde menschen bezocht:
immers alle geleerdheid, die niet uit God kwam (_d. i._ die niet
berustte op de scholastieke wijsbegeerte), kwam van den duivel, en
hieruit volgt reeds dat Maarten Luther vooràl zich reddeloos aan den
duivel had verkwanseld, wat hem dan ook tot gruwelijke abominaties
bracht, als daar zijn: bijbelvervalsching, en zijn huwelijk met een non.
Doch de mannen die door hun zwart-helsche wetenschap de dooden konden
wekken uit hun graf, die goud konden maken, die de gevaarlijkste ziekten
konden bezweren (mits de patiënt zich maar aan den duivel gaf)--die
wonderdoctors van de Renaissance.... och arme! ze kenden heel de wereld
en den hemel bovendien, ze kenden vreemde kruiden en gedierten, kenden
natuurlijke en bovennatuurlijke krachten; ze wisten ook dat ze steeds
voort moesten zoeken (de spreuk: Kennis is macht!, nu een gemeenplaats,
was toen een evangelie), maar ze wisten niet, wat met hun geleerdheid te
beginnen: "Wat ze wisten konden ze niet gebruiken, en wat ze noodig
hadden dat wisten ze niet". Ze waren met al hun kennis arm, want ze
begrepen hun kennis niet. Ze hielden de stukken in de hand (zegt Goethe)
en alleen--de geestelijke band, die van al die stukken een geheel moest
maken, ontbrak.
Deze Faust, door het gemeene volk benijd, was in wezen een arme drommel.
De wonderen, die het volk gapend bewonderde, hadden voor hem geen glans.
Zijn geest deinsde terug voor niets. Hij was radicaler dan Luther (want
die hield zich aan zijn verzoenenden Bijbel); hij onderzocht in zijn
laboratorium alles, ook het heiligste. Maar nu was niets hem meer
heilig, en van de "twee zielen die er leefden in zijn borst" bleef er
een onbevredigd. Hij snakte naar geopenbaarde kennis, zooals Goethe
verlangde naar het intuïtieve weten, dat Spinoza hem zou leeren verstaan
als voor-besef van de heele schepping. Door toe te geven aan zijn
wetensdrang had hij het geluk verbeurd, dat bestaat in aangeboren
Godsvrucht, en critieklooze onderworpenheid aan de indrukken van de
wereld die den mensch omringt. Hij had zich niet aan den duivel verkocht
maar zou het--daar zijn leven zóó hem niets meer waard was--gaarne doen;
indien hij daardoor zou kunnen ontdekken wat er na dit leven komt, en
misschien dan ook: hoe dit leven vastzit aan de goddelijke natuur; om
aldus te doorleven één oogenblik, waarin niet zijn ontoereikende kennis
in tegenspraak kwam met Gods wijze werkelijkheid; één enkel oogenblik
van ware harmonie, een oogenblik dat hij zou wenschen vast te houden.
De onvrede van den radicalen renaissance-mensch moest weer opkomen in
Goethes tijd; moest in dien tijd algemeen worden, daar immers het
verzoende Christendom voor goed scheen verdreven door De Wetenschap of
door de kerkschheid. Opnieuw zocht men oplossing in een terugkeer tot de
natuur, in een onbekrompen uitviering van alle neigingen en instincten,
die voorheen door geloof of conventie waren bedwongen. Zoo is de geest
van de Sturm-und-Drangperiode verwant aan den geest van de renaissance.
Maar terwijl de oproerige Duitsche jongelingen overdonderd werden door
het rumoer van hun eigen orgieën, zat de student Goethe te tobben met de
problemen die den Faust-figuur hadden gekweld. Hij schreef zijn Werther:
een waarschuwing voor hen, wier willen en begrijpen niet was
geëvenredigd aan hun geweldige maar onbestemde verlangens. Hij peinsde
reeds over zijn "synthetiesch" _d. i._ intuïtief natuuronderzoek. En hem
boeide nu Faust, die in een luguber poppenspel door de eeuwen heen tot
hem was gekomen.
Indien iemand de Faust-legende ten einde kon brengen, dan hij. Wat de
Faust, zooals de volks-phantasie hem had gemaakt, verlangde: het
oproepen van dooden, etc.; of wat de kinderachtige Faust van den
Engelschen dichter Marlowe wenschte: alle schatten, die de groote
ontdekkingen van zijn tijd ter beschikking van den mensch hadden
gebracht, bewijst hoe weinig deze Faust eigenlijk op de hoogte was van
wat hij eigenlijk zocht. Wie het wezen der dingen zoekt, wie een
_levensroeping_ zoekt, den eigenmachtigen, van alle dogma's bevrijden
man waardig, die moet natuurlijk ten grònde gaan als hij zich laat
bedotten met rijkdom, mooie vrouwen, wijn, en kinderachtige
goocheltoertjes.
Hier is nu het punt, waarop Goethe de legende moest wijzigen. Hij was
optimist, zooals vele grooten van zijn tijd optimist waren. De mannen
van de Fransche revolutie meenden ook, dat alles nog goed kon worden op
aarde (wanneer een heer meedoet aan een revolutie, dan doet hij dit niet
om het directe doel, al beweert hij het). Doch ze zochten het, aldus
Goethe, in het uiterlijke. Maar zij die, gelijk Goethe en Hegel, wisten
dat de "kern der natuur in het menschenhart leeft", zij konden niet
wanhopen aan de oplossing van problemen, die de mensch zelf zich stelt.
Wat Goethe in zijn jeugd tracht te bereiken (wij hebben het ter plaatse
aangeduid): een bevredigende oplossing van het tragische, d. i. de
bekrompen machteloosheid van den mensch tegenover de geheimzinnige
natuur; dat wilde hij in den Faust verwezenlijken. Faust moest dus niet
een prooi worden van den duivel, doch leven zooals Goethe trachtte te
leven: hij moest zich door godgevallige kunde en door zelftucht
bevrijden en opgaan in het groote Geheel, de menschheid; de menschheid
begrepen als deel van het Heelal.
De Faust uit de legende was een verzinsel van de volks-phantasie, een
afspiegeling van wat "men" omtrent een man van de wetenschap dacht. Hij
is dus een algemeen verschijnsel voor den kenner van die tijden, maar
voor het volk was hij een alleenstaand geval. Voor Goethe echter was
Faust geworden een voorbeeld, een voorbeeld van het menschelijk leven,
en daarmede een symbool. Schrijvend aan het eerste deel, had Goethe de
historische figuur nog voor oogen, en die historische figuur, een man
van vleesch en bloed, kon--door de eigenaardige wijze waarop de dichter
hem voorstelde--mede als symbool begrepen worden, als symbool van het
menschelijk leven. In het tweede deel heeft Goethe hem helaas in hoogere
sferen gehangen; Faust is er een symbolieke schim geworden, die zich
niet meer laat vatten als man van vleesch en bloed.
Maar als de Faust-legende niet meer is een wonderverhaal, waar blijft
dan de duivel? Goethe heeft den duivel reeds in de eerste bewerking
afgedankt. De geest, dien Faust oproept, is de aardgeest, dat wil
zeggen: de innerlijke kracht der natuur, de bron des levens. En Mephisto
is er een scherpzinnig, sarcastiesch aangelegd man,--een echte
Merck--die de zuchten van Faust begrijpt en ze op zijn kwetsende
wijze--maar met beste bedoelingen--vertolkt. Eigenlijke wonderen
verricht hij niet. Hij staat Faust ter zijde, leert hem onbezorgd leven.
En als het naïeve Gretchen de dupe van de historie wordt (evenals
Friederike), dan beduidt dit geenszins dat Faust een ploert, dat
Mephisto een slecht raadsman is. Het is een gevolg (zoo geloofde
Goethe) van 's menschen onvolmaaktheid: men kan zich hier op aarde niet
bevrijden, zonder de menschen, die men lief heeft, van zich te stooten.
Trouwens, de schrikkelijke ellende die Margareta in de thans bekende
tragedie treft--haar gevangenschap, haar onthoofding--komt in de eerste
lezing nog niet voor.
IV
Toen Goethe zoover was gekomen, begreep hij dat zijn reeds ontworpen
Gretchen-verhaal niet kon bevatten al de wijsheid, die hij in dit
werkstuk wilde neerleggen. En nu schreef hij zijn "Voorspel in den
hemel", dat het gebeuren terstond op een breeder grondslag zet, en
voelbaar maakt dat het met Gretchens ondergang nog lang niet voltooid
is: