Zou niet Fransche overheersching vervangen worden door de Pruisische? en
zou de hegemonie van Pruisen in het te stichten Duitsche rijk niet
gevaar opleveren voor vrijheid en beschaving? O, Goethe droeg nog scherp
in zijn herinnering hoe juist Pruisen zijn buitenlandsche politiek, die
toch op éénheid was gericht, had tegengewerkt en verijdeld, hoe Pruisen
zich destijds gereedhield om, zonder toestemming van de regeering, in
Weimar de boerenzoons eenvoudig te nemen, en er soldaten van te maken.
Hij wist dat de Franschgezinde Fritz--die eens zijn werk had bespot--in
Berlijn het gevoel voor schoone kunst had onderdrukt, en hij had steeds
ondervonden dat hij te Berlijn het grievendst werd miskend en bestookt,
bijv. door Nicolaï en door Kotzebue. Met geld had Pruisen zijn bloeiende
universiteit van haar beste leerkrachten beroofd. Het Pruisische
koningspaar, te Weimar logeerend, had gedaan alsof er geen Goethe
bestond, terwijl de Fransche geweldenaar zich nauw bij hem had
aangesloten. Zou Pruisen, welks zwaartepunt zich meer en meer naar zijn
oostelijke, Poolsche helft verplaatste, niet meer en meer onder den
invloed geraken van het achterlijke, half-Aziatische Rusland, aldus den
vooruitgang belemmerend?--Goethe heeft in vele opzichten juist gezien,
en degenen die aannemen dat hij de Fransche ontvankelijkheid voor
Duitsche beschaving heeft overschat, mogen niet vergeten, dat juist in
de tweede helft van de negentiende eeuw de besten onder de Fransche
denkers de voortreffelijkheid van de Duitsche Gedachte daadwerkelijk
hebben erkend. Voor hem die toegeeft, dat de ideeën ten slotte
heerschen, is dit, in spijt van de chauvinistische propaganda, in beide
landen gevoerd, een lichtend teeken des tijds.
Hebben nu velen Goethe in staat van beschuldiging gesteld omdat hij geen
vrijheidsdeunen wilde dichten--hij is, helaas, nadat Napoleon was
verdreven voor den aandrang gebukt, getuige het half-kreupele
_Epaminondas' Ontwaken_--hij had vrienden genoeg, die hem zijn
afwachtende houding gunden, en die wel begrepen dat hij als dichter en
als denker meer voor de Duitsche eenheid wrocht, dan hij met
vaderlandsche zangen of pamfletten zou hebben gedaan. Hij zelf begreep
dit, en hij liep met het plan rond, het boek te schrijven dat voor de
Duitschers zou zijn, wat Homeros' werk voor de Grieken was geweest.
Maar ook van degenen, die hem al vroeger hadden lastig gevallen, kreeg
hij veel hatelijkheid te verduren; vooral toen hij zijn zoon--die
vrijwilliger wilde worden--met toestemming van den hertog daarvan
terughield, daar August de eenige was, die in zijn zaken en
handschriften den weg wist. Hij liet zich door zijn familie naar een
badplaats drijven, maar het speet hem dra dat hij den laster was
ontvlucht, en hij vond er toch geen rust: de vele uitgewekenen die hij
er aantrof vervolgden hem met politiek.
* * * * *
Dit kon op den duur zijn geest niet afleiden. De cultuur-historische
levensbeschrijvingen van Winckelmann, Benvenuto Cellini en Hackert, die
hij had gemaakt, brachten hem op het denkbeeld, voor zich zelf te doen
wat hij voor anderen had gedaan. Zoo ontstond "_Wahrheit und Dichtung_",
dat zijn levensgeschiedenis tot aan zijn vertrek naar Weimar behandelt.
Vooral in de eerste helft van dit omvangrijke boek wordt de kleine
Wolfgang den lezer levend voor oogen gesteld, terwijl beschrijvingen van
ouders, familieleden, van stad en landstreek, van beroemdheden en van
geestelijke stroomingen den achtergrond vormen. Intusschen, wien het
niet alleen om een aangenaam aandoend en over het geheel ook correct
tijdsbeeld, maar vooral om nadere kennismaking met den jongen Goethe is
te doen, die leze het werk, vooral wat de weergave van stemmingen en
gevoelens betreft, zeer critiesch, voor een aanmerkelijk deel als
"Dichtung", en onder voortdurende raadpleging van degelijke bescheiden.
* * * * *
De romantiek had velen aandacht gewekt voor het tijdperk der
kruistochten, toen het Westen der beschaafde wereld zooveel leerde van
het Oosten. Ook Napoleons veroveringen hadden daartoe bijgedragen en
Goethe, die door den Bijbel zich reeds tot het Morgenland voelde
aangetrokken, was eenigen tijd bezig met de studie van Oostersche
literatuur, toen Hammers vertaling van Hafis' "Divan" hem verraste; want
de Perzische dichter gelijkt in zijn liefdeleven en in zijn wijsgeerige
overtuiging zoozeer op den westerling Goethe, dat deze zich afvraagt, of
hij misschien al eens in Hafis' lichaam op aarde heeft vertoefd.
Omstreeks dien tijd komt hij, vooral onder den invloed van den
bouwmeester Boisserée, tot het inzicht dat de Gothiek en de
middeleeuwsche kunst, die hij, na zijn terugkeer uit Italië, zoo heeft
verguisd, toch zeer merkwaardige cultuurverschijnselen vormen. Hij laat
zich (hoewel zijn denkrichting door en door Protestantsch blijft) door
het gevoel, dat hij onrechtvaardig is geweest, eenigszins meesleepen
naar het kamp van hen, die de hechte levensbeschouwing van de
middeleeuwen terugverlangen. Al haat hij de papen te hevig, al is hij
op het punt van belijdenis te onverschillig om, gelijk vele jonge
kunstenaars toen deden, tot het Katholicisme over te gaan, in zijn
Faust, zijn Wahlverwantschaften, zelfs in den Meister-roman schuift hij
den katholieken eeredienst nadrukkelijk op den voorgrond, en in de
beschrijving van zijn reis langs Rijn en Neckar keert hij tot een oude
liefde terug, en pleit met propagandistische warmte voor de restauratie
van de Keulsche Cathedraal. In Boisserée's museum oud-Hollandsche
schilderstukken bestudeerend, roept hij plotseling uit: "Och kinderen
wat zijn wij toch dom, wat zijn wij toch dom: we verbeelden ons dat onze
grootmoeder ook niet mooi is geweest.... Potverblomme, dat waren nog
eens andere kerels als wij.. en we zullen dat bekend maken; we zullen ze
prijzen en nog eens prijzen".--De kern van zijn kunstopvatting is
geenszins geraakt, maar hij overtuigt zich glimlachend, dat hij in
allerlei zaken wat te leerstellig is geweest, daardoor eenzijdig. En nu,
als gulle ouweman, spot hij een beetje met zijn leerstelligheid!
Zijn waardeering voor Oostersche kunst en de hier aangeroerde
goedgeefsche stemming zijn twee elementen, die hij in een nieuwen
dichtbundel, den _West-Östlichen Divan_, tot uiting zal brengen:
glimlachende, schertsende Goethe met kaftan en tulband.
Ziehier nu het derde element: Hij vertoefde herhaaldelijk in zijn
geboortestad Frankfort, waar men zeer gevleid was met het beeld, dat hij
in het eerste deel van zijn auto-biographie van die stad had gegeven, en
hem plechtig met groot eerbetoon ontving: "Zijne Excellentie de
hertogelijke Sachsen-Weimarsche Geheime Raadsman, heer Von Goethe, de
grootste nog levende en oudste Heros van onze literatuur" (zoo meldden
de bladen) "is gisteren in zijn vaderstad gearriveerd, die twintig jaar
lang van zijn vereerende tegenwoordigheid beroofd was". Daar had hij
kennis gemaakt met de kleinkinderen van oude kennissen; en met den
bankier Willemer en diens begaafde vrouw Marianne, een voormalige
tooneelspeelster, nog bijtijds aan een gevaarlijk milieu onttrokken. Zij
was mooi, zij zong zijn liederen, reciteerde zijn verzen, ze had iets
van Lili en van Lotte. Ze maakte hem vroolijk en ze kwam hem tot het
uiterste kantje tegemoet; doch zoo, dat haar echtgenoot, die waarlijk
geen dupe was, hun omgang kon billijken, en Goethes achting niet
verbeurde.--Dus wordt ze het middelpunt van den West-Östlichen Divan
(d.i. Oostersche verzenbundel, door een Westerling geschreven). Maar
Goethes warme genegenheid is in de phantasie vervangen door de
zinnelijke liefde van Hatem en Suleika. De gedichtjes, die Marianne hem
later toezond en die hij dan weer vroolijk met Hatem-verzen
beantwoordde, heeft hij in zijn verzameling opgenomen. Haar werk laat
zich bij eerste lezing niet van het zijne onderscheiden.
Men heeft uit dezen schertsend-hartstochtelijken beurtzang wel eens
afgeleid, dat Goethe zijn levensgeloof--"de persoonlijkheid het
hoogste"--na zijn zestigsten verjaardag heeft vaarwel gezegd; deze
"bekeering" dan uitsprekend in de mededeeling dat Hatem (men weet nu dat
deze niet Goethes evenbeeld is, en in zijn ernstigste momenten nog
schertst) zijn hoogste geluk in Suleika slechts vindt. Voor zoover deze
opvatting niet reeds door het betrokken gedicht in zijn geheel genomen,
èn door de daarná voltooide Faust-tragedie wordt weerlegd, zij hier nog
dit opgemerkt: Goethe heeft in dien tijd verkondigd, dat de sluier van
aardsche liefde voor hem.... iets hoogers scheen te verhullen; en dat
hij in de liefde eener vrouw de bode zag van de liefde Gods. In verband
met hetgeen vroeger door ons over het begrip persoonlijkheid werd
geboekstaafd, moge den lezer nu naar genoegen blijken, dat in den Divan
on-ernstig en in Oostersche zeggingswijze door Goethe opnieuw (maar met
een tintje spot wegens zijn leerstelligheid) het oude levensgeloof wordt
uitgesproken.
Natuurlijk was het echt iets voor Goethe, om zijn kennis van het Oosten
in een dik deel commentaren nog eens te luchten, en erg trotsch te zijn
op de Arabische krulletters, die hij over het titelblad had getrokken.
* * * * *
Bij zijn thuiskomst weer een doode: Christiane gaat sterven. De pas zoo
vroolijke man ligt geknield voor haar ziekbed, haar koude handen in
zijn handen drukkend, eentonig kermend: "Neen, neen.... je zult me toch
niet verlaten!"
En ze verliet hem, en er kwamen ridderlijke vrienden, die beweerden dat
dit voor den ouden man een heele opluchting was. Hoe beschamend voor
deze edelen klinkt de strophe, die Goethe neerschreef op Christiane's
stervensdag:
Du versuchest O Sonne vergebens
Durch die düstern Wolken zu scheinen!
Der ganze Gewinn meines Lebens,
Ist ihren Verlust zu beweinen:
Vergeefs beproeft ge, o zonne,
door de troebele wolken te lichten,
de winste van heel mijn leven,
is het verlies van haar te beweenen.
Het geurend woudbloempje, naar een stille plek overgeplant opdat de
dichter van haar geur mocht genieten zonder haar te breken, was dan
eindelijk toch verwelkt!
Gaarne verwijlt de geschiedschrijver bij deze "martelares van het
geluk".
* * * * *
Enkele maanden te voren had Goethe naast den hertog gestaan, toen deze,
bij de verdrijving van Napoleon Groothertog geworden van een ruimer
gebied, zijn volk een grondwet gaf. Er werd bij die gelegenheid een
ietwat moderne volksvertegenwoordiging ingesteld, Goethe werd
gedecoreerd met de Falk-orde, zijn tractement werd verhoogd tot
drieduizend Thaler plus toelage voor équipage. Hij was nu bijna een
halve eeuw lang de tweede man in den staat geweest, en het wilde er bij
hem niet in, dat hij aan een veelhoofdig lichaam, aan menschen die de
kunst van het regeeren niet hadden geleerd, verantwoording schuldig was:
Hetgeen hij in een grimmige bui te kennen gaf, door aan den landdag de
volgende rekening voor te leggen: "Ontvangen zooveel, uitgegeven
zooveel, in kas zooveel, Goethe". Ook achtte hij het zeer bedenkelijk
dat er nu persvrijheid kwam: hij oordeelde de pers een te gevaarlijk
wapen in handen van eenzijdig-ontwikkelden, die wel de pen met mooi
vertoon konden voeren, doch van zaken-doen geen ervaring hadden. Hij
behield zich dan ook het recht voor, om tegenover persvrijheid,
zijnerzijds niet-leesvrijheid te stellen, en hij zuiverde zijn eigen
geschriften van--revolutionaire toespelingen, daar hij de gisting onder
de studenten en de intellectueelen niet wilde aanwakkeren. Hij betoonde
zich overigens van zìjn standpunt gematigd: zoo werd een hoogleeraar,
die de grondwet scherp had aangevallen omdat ze _z. i._ niet ver genoeg
ging, in zijn functie niet bedreigd; wel werd zijn tijdschrift bedreigd,
doch pas later, toen het tot een uitbarsting was gekomen, verboden.
Deze uitbarsting was het befaamde feest op den Wartburg, ter herdenking
van den slag bij Leipzig en van het derde eeuwfeest sedert de
hervorming, toen de Duitsche Burschen onder leiding van hun professoren
het zoo bont maakten, dat de naburige mogendheden zich er over bezwaard
zeiden. Goethe, die dit had voorspeld, voelde wel eenig leedvermaak,
daar Kotzebue-zelf tot verrader des vaderlands werd gepromoveerd, maar
toen deze door een dweepziek student werd neergestoken moest hij wel
ingrijpen.
* * * * *
Voor hem werd het tijd om zich terug te trekken uit het openbare leven.
De hertog maakte hem den terugtocht makkelijk door hem in een nàrrige
bui--waarvan hij terstond maar te laat berouw had--uit de functie van
tooneelleider, die hij sedert zijn terugkeer uit Italië met opoffering
van veel kostelijken tijd had waargenomen, te ontslaan: Goethe, die zich
alle moeite had gegeven om te Weimar een echt Duitsch tooneel te
stichten, had nl. geweigerd een gedresseerden hond te laten optreden, en
Carl-August, die een liefhebber was van honden, had toen zelf
toestemming gegeven, waarop Goethe de stad had verlaten. Goethe liet het
erbij. Hij wist zijn laatste levensjaren tòch wel te besteden! En dat de
verstandhouding tusschen de twee mannen niet blijvend geschokt was door
die eene driftbui, dit bleek toen er te Weimar werd gejubeld.
Het begon met Carl-Augusts gouden regeerings-jubileum en gouden
bruiloft. Goethe was de eerste die de groothertog feliciteerde, en bij
die gelegenheid, 's morgens om zes uur, beloofden de vorst en zijn
eerste dienaar elkander, dat ze samen zouden blijven tot den laatsten
ademtocht. En vlak daarop de feestelijke herdenking van Goethes aankomst
te Weimar. Door gezang werd de dichter uit zijn slaap gewekt en door 't
veelzeggend tikken van de klok uit het ouderhuis, die een bewonderaar
had opgespoord. Zijn huis stond vol bezoekers. Carl-August had een
gouden gedenkpenning geslagen, en een proclamatie uitgevaardigd, waarin
hij Goethe, den man die hem in al de moeilijkheden des levens was
gevolgd, het schoonste sieraad van zijn regeering heette. Er was een
gala-voorstelling van Iphigenie en een pracht-uitgave van Iphigenie en
heel het Frauenplan (waar Goethes huis lag) illumineerde dien avond. De
burgemeester kwam een oorkonde brengen, die aan Goethe en aan al zijn
nakomelingen van het mannelijk geslacht het eere-burgerschap van Weimar
verleende. De medische en de philosophische faculteit van Jena benoemden
hem tot doctor honoris causa; hij kreeg het recht, naar eigen inzicht
twee philosophische doctorbullen uit te reiken, en bedacht toen in de
eerste plaats zijn secretaris Eckermann. Een pas-ontdekte plant en een
pas-ontdekt mineraal werden naar Goethe benoemd.
* * * * *
En op zijn vier-en-zeventigsten jaardag danste de grijsaard met zijn
rose gelaat en zijn groote schitterende oogen nog als de beste. En hij
was zoo verliefd op een meisje van twintig, Ulrike Levetzow, dat de
groothertog tot tweemaal toe namens zijn minister haar hand ging vragen.
Van het huwelijk kon niets komen, doordien het meisje zijn aanzoek
ontweek, en zijn zoon--die den ouden man niet meer begreep--hem onder
hevige scènes van dien stap terughield. Hij trok het zich zoo aan, dat
hij er ziek van werd, en in Mariënbader _Elegie_ klinkt zijn smart
dieper en warmer dan ooit in zijn jongensliederen.
[Illustratie: _a_ GOETHE. _b_ GROOTHERTOG CARL-AUGUST
(bij hun 50-jarig jubileum)
_naar de teekening van H. F. Brandt_]
Hij had gehoopt dat een vrouw vrede zou stichten in zijn huis. Het gezin
van zijn zoon, dat bij hem inwoonde, was niet gelukkig: de schitterende
en verstandelijk zeer ontwikkelde Ottilie had August gehuwd eer om dicht
bij zijn grooten vader te zijn, dan uit liefde. De grootheid van zijn
vader deed August kwaad: de goede opvoeding, die hij had gekregen,
verhoedde niet dat hij zich voor ondergeschikte posities te hoog
achtte, terwijl hij toch niet in staat was zich hooger op te werken dan
de gunst van Carl August hem plaatste. Hij was een van die tragische
figuren die bijna groot zijn, dat is meestal, helaas, zeer klein. De
teleurstelling bracht hem aan den drank--zijn grootvader van moeders
kant was een dronkaard--en hij ging een losbandig leven leiden, hoeveel
moeite er ook aan hem werd besteed.
Goethe had den moed, in werken troost te zoeken. Zijn uur naderde, al
voelde hij zich uitbundig jong, en hij moest afronden, voltooien,
uitgeven, opdat niets verloren zou raken door een of andere ramp: De
Wanderjahre, het tweede deel van Faust, zijn levensbeschrijving, het
relaas van zijn reis door Italië, ten slotte de nieuwe editie van zijn
werken, waarvan het auteursrecht was verzekerd. En hij redigeerde zijn
tijdschrift "Kunst und Altertum" en hield zich trouw op de hoogte van de
groote vorderingen, die wetenschap en industrie en verkeer in het begin
van de negentiende eeuw maakten. Nog in 1831 refereerde hij over den
strijd tusschen Cuvier en Geoffroy St. Hilaire, waarvan boven sprake is
geweest. En dan had hij zijn schilderijen, zijn afgietsels van
beeldhouwwerk, zijn munten, zijn welvoorziene natuur-historische
verzameling, waarop hij verliefd was, die hem steeds met vreugde
vervulden. Om vijf uur in den morgen begon zijn dagtaak; van acht uur af
hield hij vier secretarissen bezig. Daaronder Eckermann, die zich van
veehoeder en bedeljongen had opgewerkt tot den post van vertrouwen, dien
hij bij Goethe bekleedde. Hij was de man die zelf niet iets groots kon
maken, en toch het groote zoo kende, dat hij--misschien beter dan
Schiller, wijl minder dogmatiesch--Goethe aan het werk wist te zetten,
hem door voorzichtig en toch ietwat opdringend vragen aan het praten,
_d. i._ aan het scheppen wist te krijgen. In zijn "_Gesprekken_" zien
wij Goethe herleven, zooals hij in zijn latere jaren inderdaad geweest
is: wij zien zijn gebaren en hooren hem de menschen, waarover hij
spreekt, met geweldige stem imiteeren, eenigszins lispelend, doordat hij
voortanden miste; wij zien hem in zijn geliefkoosde houding, met zijn
handen op zijn rug, stappend om zijn tafel heen, en daarbij vertellend,
lachend, op zijn poot spelend, zachtkens zingend, vloekend, spottend
goedmoedig; en daarbij nog altijd de hooghartige statige Goethe
blijvend, die zich met een: Nu we hebben weer een goeden dag gehad! aan
tafel begeeft, en het zich kostelijk laat smaken, en nog wel een
fleschje Rijnwijn lust.
En menschen uit alle deelen van de wereld trokken naar Weimar om den man
te leeren kennen, die àl meer een heilige werd, steeds eenvoudiger en
reiner, of--zooals hij lachend placht te zeggen--dan eindelijk
verstandig was geworden, zij het ook een beetje laat. Nu hij zich vrij
had gemaakt van de aarde, kon hij ook jegens vrouwe Von Stein, die al
ver over de tachtig was, zijn schuld afdoen, en, de kwellingen
vergetend, haar zeggen dat ze, naast Shakespeare, het meest had
bijgedragen tot zijn vorming.
En er vielen weer dooden. Nog geen drie jaar na het jubileum stierf
Carl-August, die in den laatsten tijd zoo vaak, onaangediend en zonder
op bezoekers te letten, zich naast hem had neergezet. Dat was een heel
oude vriend die daar wegging; maar hij beheerschte zich. Laten we over
wat anders spreken, zei hij tot zijn huisgenooten, toen de klokken
gingen kleppen.... Hij woonde de begrafenis niet bij. Teruggetrokken op
het slot Dornburg, studeerend en waarnemend, wist hij zich te herstellen
totdat hij nog een liefdeliedje zong voor Marianne Willemer, aan wie hij
telkens bij volle maan zou denken.
Toen stierf hertogin Louise, de hooge vrouw die langzamerhand genaakbaar
was geworden, die vaak bij hem te gast was, en die een botsing tusschen
Goethe en den Landdag had gesust met de verklaring, dat zulke vreemde
begrootingen als díe inzond geen "precedent" schiepen, daar er immers
toch maar één Goethe was.... en wie weet hoe lang nog.
Toen stierf zijn zoon, die met Eckermann naar Italië was gestuurd, om
daar zelfbeheersching te leeren; stierf aan koortsen, maar in een
stemming die hem rijp maakte voor zelfmoord. "Patri antevertens"--den
vader voorgaand--staat er op zijn graf.
De oude bedwingt zich en troost zich in zijn kleinkinderen Wölfchen en
Walther, die zijn huis vroolijk maken met hun jeugd.
Maar het woord "dood" spreekt men in zijn omgeving niet meer uit en hij
zelf gebruikt de omschrijving: "Het wegblijven" van August.
Op zijn tachtigste jaar heeft hij een bloedspuwing, en er zit nog
zooveel vitaliteit in hem, dat hij er tot verwondering van zijn
geneesheer overheen komt. Zooals wel blijkt uit een monographie, door
dezen over Goethes laatste ziekte geschreven, hebben de artsen het nooit
met den dichter kunnen vinden. Ze begrepen niet hoe hij als jongen zoo
zwak en toch zoo taai kon zijn; en ze begrepen niet hoe hij op zijn
tachtigste jaar nog zoo gaaf en zoo frisch was gebleven.
Zijn tweede jeugd, in letterlijken zin, breekt aan: het resultaat van
een langzame zelfverovering. "Ik bevind mij (zoo verklaart hij) in een
soort van exaltatie, die mij in staat stelt de poëzie te bevelen, zelfs
tot beelding van dingen die ik nooit beleefde; door een geheimzinnig
psychiesch gebeuren, dat misschien alle studie waard is, geloof ik mij
tot zulk een staat van vruchtbaarheid verheven dat ik volkomen bewust
voortbreng wat ik zelf wensch......"
XXX
Sie hören nicht die folgenden Gesänge
Die Seelen denen ich die ersten Sang....
FAUST
Toen de 81-jarige Goethe zijn "Faust" voltooid had, sprak hij tot zijn
secretaris Eckermann deze merkwaardige woorden: Mijn verder leven kan ik
geheel en al als een geschenk beschouwen; het doet er niet toe wat ik nu
verder uitvoer. Hij heeft de Faust-tragedie zijn "Hauptgeschäft"
genoemd, en dat niet alleen om haar waardij als kunstwerk; maar vooral
omdat hij er de winst zijns levens, met lijden en hard werken verworven,
in had neergelegd. En dit immers was het streven van den ouden Goethe:
nauwkeurig nagaan, afronden, boeken, wat zijn leven hem had opgebracht,
zich een plaats zoeken onder de voortreffelijken, zelf "historiesch"
worden. In het geschiedkundig gedeelte van zijn Kleurenleer beproefde
hij dit als wetenschappelijk man; in Wahrheit und Dichtung als dichter
en als Duitscher; in de chronologische tabellen van zijn eigen daden,
waarmede hij zijn wanden beschreef (en die, jammer genoeg, met een laag
witsel werden besmeerd) als zoon van Caspar Goethe; en in Faust
als........ De lezer begrijpe dat wij hem hier het juiste woord schuldig
moeten blijven: immers Faust is eenig in zijn soort (wat men er
overigens op moge aanmerken); en alleen voor den werker die voorgangers
en genooten heeft, bestaat er een naam!
[Illustratie: GOETHE IN ZIJN LAATSTE LEVENSJAAR
_Naar de teekening van C. A. Schwerdgeburth_]
De bedoeling: zijn geheele leven in deze tragedie uit te beelden, heeft
Goethe pas in later jaren opgevat. Wij weten reeds dat hij als
Straatsburger student zich aan de Faust-legende vergastte en, zonder er
iets van neer te schrijven, eigen ervaring door dit gegeven weefde. Hij
had daarbij toen twee bepaalde voorvallen op het oog, _nl._ zijn mislukt
pogen om langs alchimistischen weg het wezen der dingen te vinden; èn
zijn liefdehandel met Friederike Brion. Zijn taak was dus vrij scherp
omgrensd. Maar in den loop van de zestig jaar, die verliepen voordat hij
zich met de boven geciteerde woorden tot Eckermann kon wenden, heeft hij
meermalen de verzuchting geslaakt, die men in Wilhelm Meisters
Wanderjahren verneemt: "Elk ambachtsman schijnt mij de gelukkigste
mensch; wat hij heeft te doen is uitgesproken, en wat hij kan leveren is
beslist."