--In het tweede gedeelte van den roman zijn de bekende

"Leesteekens" nogal sterk gezaaid, en wij krijgen het gevoel dat de

nu volgende handeling zeer veel tijd in beslag neemt. Charlotte

brengt een zoon ter wereld, die, door een zonderlinge speling der

natuur, op den hoofdman lijkt (van wien ze tijdens de ontvangenis

was vervuld) en tevens op Ottilie (aan wie de verwekkende

echtgenoot dacht). Bij den doop overlijdt de oude

dorpsgeestelijke. Ottilie houdt van het kindje en verzorgt het.

Maar daardoor wordt haar duidelijk dat zij in hare verhouding tot

Eduard volkomen rein moet staan. Eduard is gaaf en goed uit den

oorlog weergekeerd en ziet daarin een teeken des hemels, dat hij

zijn lieve Ottilie eens zal bezitten. Hij verzoekt den hoofdman

stappen te doen, opdat hij van zijn vrouw kan scheiden: dan kunnen

twee gelukkige paren worden gevormd. Hij wacht op een afstand:

ongeduldig van hartstocht, draagt hij zijn vriend op, hem den

afloop van de onderhandeling met kanonschoten te seinen. De

hoofdman treft Charlotte niet thuis en wacht. Eduard kan zijn

ongeduld niet bedwingen en sluipt naar zijn kasteel. Bij het meer

ziet hij Ottilie met zijn kindje zitten en de geliefden omarmen

elkaar vrijmoedig. De avond valt; Ottilie zal met het kind naar

huis varen. Door haar onvoorzichtigheid slaat het bootje om en de

kleine (die van zijn geboorte af omringd was met ongunstige

voorteekenen) verdrinkt. Zij en Eduard, die te zamen het bestaan

van het schepseltje tot een leugen maakten, hebben hieraan schuld.

Op het slot valt Ottilie met het hoofd op Charlotte's knieën in

onmacht. Deze laatste stemt nu in de scheiding toe, zonder

intusschen haar minnaar hoop te laten. Ottilie die zich niet uit

haar verdooving los kan maken, maar die bij haar bewustzijn is,

hoort het gesprek tusschen Charlotte en den hoofdman aan.

Onverschillig over den dood van zijn kind, wil Eduard aanstonds

toebereidselen maken voor zijn huwelijk met Ottilie.

Maar het onderhoud tusschen Charlotte en Eduard heeft Ottilie de

oogen geopend, en zij zegt nu haar tante dat ze nooit de vrouw van

Eduard zal worden. Trekt Charlotte haar toestemming tot de

echtscheiding niet in, dan zal zij zich werpen in hetzelfde meer

waarin het kindje is verdronken. Daar ze in haar hart afstand heeft

gedaan van Eduard, kan zij nu rein naast Charlotte leven. Doch de

omgeving bevat te verschrikkelijke herinneringen, en zij gaat naar

kostschool terug, wil onderwijzeres worden. Ze legt de gelofte af

dat ze, wel verre van zich tegenover Eduard zwak te toonen, hem bij

eventueel bezoek geen gehoor zal geven. Eduard weet haar op reis in

te halen en dringt door tot in haar kamer. Ze wijst hem de deur.

Vergeefs. Dan besluit ze naar het slot terug te keeren. Eduard

volgt haar. Ze legt de handen van de echtgenooten ineen en snelt

weg. Van nu af spreekt ze niet meer, drukt zich (als Mignon) door

gebaren uit. Doch ze is dagelijks met Eduard samen, en deze vat

weer hoop. Ze verzoekt, op haar kamer te mogen eten, en dit geeft

haar gelegenheid, in het geheim te vasten. Een avond, als Mittler

weer over het huwelijk theoretiseert en zegt dat het zesde gebod

hem beter zou voldoen indien het _positief_ gesteld ware, verlaat

Ottilie plotseling statig het vertrek. Haar kamermeisje waarschuwt

dat ze op sterven ligt. Allen snellen naar haar kamer. Daar

verbreekt ze voor het eerst en voor het laatst 't stilzwijgen door

van Eduard te eischen: Beloof mij te leven!

Ze wordt met symbolische praal bijgezet. Als de stoet passeert,

meent het kamermeisje haar uit de open lijkkist te zien wenken, en

valt uit het raam te pletter. Bij de lijkkist gebracht, is ze weer

geheeld. Het eenvoudige dorpskind houdt een wijze rede in de door

Ottilie gebouwde kapel, die nu tot een bedevaartplaats wordt.

Eduard voelt zich verplicht zijn geliefde te volgen. Hij vindt de

taak zwaar, maar hij volbrengt ze: hij sterft den hongerdood en

wordt naast Ottilie begraven:

"Zoo rusten de lievenden neveneen. Vrede omzweeft hun

rustoord, vreugdige verwante engelen zien vanaf het gewelf op

hen neder; en wat heerlijk oogenblik zal het zijn, als ze eens

ontwaken samen".

Nu komen de geleerde opmerkingen, waarvan zooeven sprake was: Eén ding

begrijpen wij niet, ja, vinden wij hartgrondig(?) jammer (aldus de

critici): hoe kon Goethe het van zich verkrijgen, Ottilie verliefd te

maken op Eduard, die toch zooveel lager staat dan zij; en haar verliefd

te doen blijven, terwijl ze hem toch als een kinderachtig-ongeduldige

egoist, als een harteloos vader leert doorzien? En is aan het slot de

aankondiging dat ze elkander hiernamaals zullen ontmoeten niet

romantiesch, onbetrouwbaar? Waarom blijft Ottilie, nadat ze de handen

van de echtgenooten heeft ineengelegd, op het slot? Is dit niet in

strijd met het hooger levensinzicht, waarvan ze kort te voren blijk gaf?

Moest ze zich niet wijden aan hare heilige taak, de opvoeding van de

jeugd, in plaats van nogmaals den vrede van het gezin te bedreigen?

Het antwoord op deze vragen kan afdoende zijn en kort. Men behoeft niet

eens Goethes meening omtrent de onderlinge aantrekking van menschen te

deelen, om aan te nemen dat een vrouw, nog hooger dan Ottilie begaafd,

zich kan schenken aan een man, nog lager aangelegd dan Eduard. Ieder

heeft dit in eigen omgeving meermalen ervaren; Goethe had in het

echtpaar Von Stein een sprekend voorbeeld hiervan jarenlang voor oogen.

Neemt men nu ten overvloede een nagenoeg onafwendbaren invloed aan, als

het magnetisme er een is, overweegt men daarbij dat de personen in dit

boek--dat tusschen haakjes, den frivolen adel uit dien tijd in al zijn

uitingen heerlijk schittert en hekelt, evenals Wilhelm Meister dit

doet--niets omhanden hebben als het najagen van hun liefhebberijen, en

het beluisteren van hun gemoed in de stilte van een uitgestrekt park....

dat kan men in de verhouding tusschen Ottilie en Eduard niets onlogiesch

zien, zelfs nadat deze laatste zijn waren aard heeft getoond. Waartoe

deze zelfontmaskering van Eduard zou hebben geleid, indien de

fijngevoelige Ottilie eens niet het besluit had genomen, deze wereld af

te sterven, is niet twijfelachtig; maar het mag een open vraag blijven.

Haar taak is niet: rechtstreeks te zorgen voor Eduards toekomst, doch

wel: te boeten voor het verleden, en daardoor Eduard indirect te dienen.

Maar is deze liefde--logiesch dan of niet--dan geen wanklank in de

harmonie van het boek? Waarom geeft Goethe--die anders zoo graag

typische menschen geeft--hier een uitzondering?

Zoo vragend, laat men gelden dat het geval Eduard-Ottilie psychologiesch

is gemotiveerd, maar men toetst het nu aan zijn esthetische waarde. Nu

is er niets tegen, aan te nemen, dat Goethe hier een wanklank wilde doen

ontstaan, wilde te kennen geven dat het magnetisme ook menschen verbindt

die naar ons oordeel niet bij elkaar passen. Maar er is meer! Goethe

moest aanduiden, dat het dierlijk magnetisme bij hoogstaande menschen

niet het laatste woord spreekt. Indien wel, dan ware het verhaal aan het

eind van het eerste deel afgeloopen met de vereeniging van de twee

geliefden. Of liever, het ware ongeschreven: Goethe hadde Minna gehuwd

en Christiane verlaten. Maar hij moest het zedelijk element, den

innerlijken strijd, in zijn verhaal betrekken. Hij moest Ottilie doen

twijfelen, totdat het voor een gewone oplossing te laat werd; zoodoende

komt ze tot bezinning en besluit zich vrij te maken op de wijze die de

lezer kent.

Maar waarom dan moest juist Ottilie zoo hoog staan? Waarom niet Eduard fijner

begaafd: Eduard--dit zal toch wel niemand betwijfelen--vertegenwoordigt

de eene helft van Goethes wezen, de hoofdman (die afstand doet) de andere.

Wij behoeven deze vraag niet te ontzenuwen door de bewering, dat Eduard

volstrekt niet een karaktertrek van Goethe vertegenwoordigt, dat Goethes

gedragslijn in liefdeshistories niet lijkt op Eduards gulzige hette. Wij

laten dit daar en antwoorden op deze nieuwe vraag: Indien Goethe van den

màn den strijder had gemaakt, dan hadd'--anders ware zijn boek

esthetiesch mislukt--die man misschien na zwaren strijd (maar dit om 't

even), in deze bepaalde omstandigheden het pleit gewonnen en Ottilie....

verstooten. Dit ware dan pas een èchte wanklank geworden, niet een

dissonant in het midden van een stel samenstrevende accoorden, en die

ten slotte nog in harmonie verkeert, maar een dissonant aan het slot!

Uit louter edelaardigheid een lieve vrouw verstooten! (Eduard is niet

een slecht man, maar een zwak man; zijn dubbelgangster ware dus niet een

_slechte_ vrouw geworden.) De strijd ware dan kort geweest, en het

berouw uitvoerig noch grondig. Want men bedenke dit: een man, zelfs een

hoogstaand man, is resoluter in het vertrappen van een liefde dan een

vrouw. (Het geval-Goethe). Overigens flinke mannen, die hun....

gewetensrust met een wandaad jegens een goede maar zwakke vrouw koopen,

zijn niet zeldzaam. En Goethe had een on-typige man moeten geven, als

hij dien _man_ den weg op had willen sturen die Ottilie inslaat.--Hadd'

de dichter, ten slotte, Eduard en Ottilie gelijkelijk begaafd (zooals

Charlotte en den hoofdman) dan ware de geschiedenis nog sneller ten

einde, dan hadd' de dichter nog minder gelegenheid gevonden tot het

beelden van een waarschuwing--wat immers zijn doel was.

Ergo: Goethe stond psychologiesch en esthetiesch voor de

noodzakelijkheid, Ottilie een hooger zedelijk bewustzijn te geven dan

Eduard bezit. Zij kon hem trouw blijven, zooals slechts een hoogstaande

vrouw een middelmatig man trouw blijft. Maar in den strijd tusschen haar

lagere drangen en haar hoogere aspiraties moest ze zich verwarren,

zooals alleen een impulsieve mensch, rondtastend in het warme duister

van zijn gemoed, zich kan verwarren. En zoolang ze niet heeft

uitgestreden--dwaalt ze.

Want--O, knutselaars zonder scheppende intuïtie--ge ziet voorbij dat

Goethe, sedert den Iphigenie-tijd:

niet meer uiterlijk-bestàànde personen benoemde tot dragers van zijn

ziels-eigenschappen (zooals bijv. Egmont er een was),

maar deze eigenschappen opnam in het geheel van zijn overtuigingen en

vandaaruit niet eenen mensch maar een heel stelsel van karakters en

gebeurtenissen ontwierp, vormend te zamen de belichaming van zijn

wereldbeschouwing op dit bepaalde punt.

Niet Eduard vertegenwoordigt een karaktertrek van Goethe (zooals voor de

hand zou liggen), maar Ottilie. De dichter zelf zou in den strijd

tusschen diepgewortelden plicht en oppervlakkige maar niettemin intense

verliefdheid zijn gesneuveld--indien hij niet had mogen steunen op dat

andere element in hem, op zijn kracht tot zelftucht, die het eerste was

en het laatste van zijn wereldkijk.

Maar--waarom laat dan Goethe, die zelf niet in zulk voortbestaan

geloofde....

.... Praatjes, hij geloofde er wel aan.--Goed, spons er over! Maar

waarom laat Goethe Eduard en Ottilie, die niet geschikt voor elkaar

zijn, en zondig zijn, zich in den hemel vereenigen, en waarom noemt hij

dit "een vriendelijk oogenblik?"--Wel, hun liefde is slechts zondig in

zooverre er een andere zonde--het vriendschapshuwelijk van Eduard en

Charlotte--aan is voorafgegaan. En dit och zoo onzedelijke boek wil den

laatsten triumph gunnen aan de liefde, die uit zuiver persoonlijke

aantrekkingskracht tusschen de wederhelften is gesproten, nadat die

liefde door het vrijwillig afsterven van de beide zondaars is gelouterd

en verdiend. Ottilie, lijdend wijl ze de oogen opsloeg naar den

echtgenoot van eene andere vrouw, is haar minnaar voorgegaan in

boetedoening en heeft hem daarmee verlost: Dit praeludeert op de

samenklinkende eindmotieven van de twee Faust-helften.--Maar, zelfs

indien Goethe niet geloofde in zulk voortbestaan, dan nog ware het

zinnetje, waarmede die Wahlverwantschaften sluit, niet te veroordeelen.

Is het niet de zuiverst denkbare oplossing van de stemming, waarin

Ottilie en haar minnaar deze aarde verlaten, en van het naïeve geloof

dat aan hare rustplaats wonderkracht toekent?

Ik heb den dichter van Iphigenie in godvervulde stilte vereerd. Ik heb

gewenscht, voor den bouwmeester van de Faust-tragedie een monument te

mogen stichten: eenvoudig-verheven en veelbeteekend zwaar gelijk zijn

werk. Doch toen ik, mij verdiepend in Die Wahlverwantschaften, stellig

voelde wat ik hier uitspreek, dat ik deze Ottilie, hare hemelverlangens,

die ten slotte slechts in stomme gebaren zich laten zeggen, mocht

vereenzelvigen met het vrouwelijk-weeke in mijnen dichter--toen ben ik

Goethe, den kloeken, strijdenden man gaan beminnen.

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk

verhaald, loopen van 1810 tot 1830]

XXIX

Wie das Gestirn,

Ohne Hast,

Aber ohne Rast,

Drehe sich jeder

Um die eigene Last.

Gelijk de sterren, zonder haast, tòch rusteloos, wentele elk om zijn

eigen roeping. Met deze verzen, bondig en toch niet hortend, gelijk

alleen hij ze kon stellen, laat zich de laatste kwarteeuw van Goethes

leven kenschetsen. Voorbij is nu de tijd, dat iedere verandering van

woonplaats, de kennismaking met betrekkelijk onbeteekenende personen,

een ombuigen van zijn loopbaan beduidt. Wist de onervaren jongeling

Carl-August hem eens voor goed aan zich te binden, den wereldbedwinger

Napoleon mislukt het, zijn gelijkmoedigheid te storen. De zelfmoord van

Jerusalem, een man dien hij maar uit de verte kent, prikkelt hem tot

groote daad: den Werther. Thans ziet hij de mannen, de vrouwen, die hij

boven alles liefhad, beurt om beurt sterven; hij klemt zijn tanden opeen

en is bijna terstond weer gereed om aan zijn taak--het boeken van zijn

levenwinst, te gaan. Hij onttrekt zich aan de inwerking van het buiten

hem staande. Slechts de wetten die uit de kern van zijn persoonlijkheid

voortvloeien leiden hem. Hij is nu waarlijk vrij. Want hij is in staat,

zelf te bepalen wat hij zal doen en laten. Overbodig te zeggen, dat dit

hem ook nù niet altijd zonder hevige inspanning gelukt.

[Illustratie: GOETHES WERKKAMER IN WEIMAR

(Na zijn dood aldus gelaten)]

Maar dan is zijn uiterlijk leven ook niet meer een opeenvolging van

onderling afhankelijke gebeurtenissen. Zijn handelen schijnt op zich

zelf doelloos. Hij onderneemt reizen, enkel en alleen om een gelaat nog

weer te zien, of een landstreek, die in zijn herinnering droomt. Zulk

weerzien heeft op de richting zijns geestes niet beslissenden invloed.

Zijn geest voedt zich uit eigen rijkdom.

* * * * *

Nauwelijks was hij--na het lotgeval dat hem Die Wahlverwantschaften

ingaf--in zijn vroolijk versierd huis weergekeerd, of daar viel de

eerste doode. Zijn moeder overleed. Zij was haar aard getrouw gebleven:

hij wist niet van haar laatste ziek-zijn.

Hij had haar in geen elf jaren gezien, en al dien tijd klaagde ze niet

over zijn wegblijven, moeder Aja. Maar ze had van haar zoon genoten wat

haar te genieten bleef: zijn werk. In brieven--gelijk die ontstaan, als

een hartelijk iemand zich volkomen bewust is van zijn gebrekkige

taalkennis en spelbedrevenheid, valsche schaamte daarover heeft

afgelegd, en met zeer eigenaardige en zelfgevonden interpunctie de

woorden neerpent, zooals hij ze zou uitflappen, daarbij drommels goed

wetend, dat hij zijn geestdrift maar phantaseert--in kluchtig-aandoenlijke

brieven dankte ze haar troetelkind voor zijn meesterwerken; die ze

natuurlijk! prachtig liet inbinden, want dit hoort zoo bij

meesterwerken--en die ze, alleen--op haar kamer--, met betraande oogen,

reciteerde--totdat ze van verrukking--niet kon zien; een genot dat

bijna niemand naar waarde kon schatten, je hadt de menschen maar aan te

kijken en naar hun domme gesprekken te luisteren--om dat--te

begrijpen!....

Over deze trouwe moeder, die haar zoon steeds wist te volgen, hoe weinig

geletterd ze ook was, hem nooit goeden raad opdrong, maar juichte als

hij, na pijnlijk dwalen, handelde zooals zij het in stilte had

gewenscht,--geen woord meer over haar!

* * * * *

Carl-August, die nogal bestookt werd door Napoleon--deze verdacht hem

dat hij trachtte zijn gezag in Duitschland te ondermijnen--moest naar

het vorsten-congres van Erfurt, alwaar door een paar keizers, in het

bijzijn van vele koningen en hertogen, over het lot van Europa zou

worden gediscussiëerd. Goethe was niet in de geschikte stemming om het

congres bij te wonen; hij bleef thuis. Maar op uitdrukkelijk verzoek van

Carl-August volgde hij later. Zijn aankomst werd officiëel in de

Staatscourant vermeld en Napoleon liet hem ter audiëntie nooden.

Hij trof den keizer aan het ontbijt en deze keek langdurig in zijn

oogen. Toen sprak hij tot de hem omringende hovelingen het groote woord:

_Dat is een man!_--Hoewel van staatszaken overladen, onderhield hij zich

een uur met onzen dichter, op rustigen toon, in eenvoudige woorden; hij

deed merken dat hij in Goethe een gelijke zag en de tijdgenooten

oordeelden dan ook, dat de twee grootsten van Europa elkander op dat

oogenblik ontmoetten. Hij informeerde vriendelijk naar den

gezondheidstoestand van Christiane en August en beweerde dat Goethe er

voor zijn zestig jaren kras uitzag. Toen kwam het gesprek, naar

aanleiding van het optreden van den vermaarden acteur Talma, op de

tooneelkunst. Napoleon keurde Voltaire's Mahomet--die Goethe op verzoek

van Carl-August had vertaald--af, en beweerde dat het Fransche drama

gekunsteld was en overdreven onnatuurlijk werd gespeeld. Den Werther had

hij zeven maal gelezen. Hij bewonderde dit boek en had het meegedragen

naar de pyramiden van Egypte. Maar nu de critiek! Waarom had Goethe dit

en dat zoo gedaan; was dat niet tegen de natuur? Goethe antwoordde dat

bij zijn weten deze opmerking nog nooit gemaakt, maar daarom niet minder

gegrond was. Hij heeft later niet willen zeggen welke opmerking Napoleon

eigenlijk had gemaakt, maar men mag stellig aannemen dat ze hierop

neerkwam: Waarom pleegt Werther niet alleen uit liefdeleed maar ook uit

gekrenkte eerzucht zelfmoord? Goethe had dit reeds op aandringen van

Herder in een volgenden druk bijgewerkt, maar dit was hem door het hoofd

gegaan! Wij hebben overigens zoowel uit de wordingsgeschiedenis van den

Werther als uit de bewoordingen van ons résumé doen blijken, dat deze

vermeende fout o. i. iets byzonder goeds is.

Goethe ontmoette den keizer nogmaals toen deze bij Carl-August te gast

was. Gedurende het bal, dat op de voorstelling van Voltaire's Julius

César volgde, zonderden de twee grooten zich af. Napoleon had te voren

reeds beweerd, dat alle drama's waarin het Noodlot een rol speelde uit

den tijd waren--de politiek was getreden in de plaats van het noodlot!

Thans gaf hij Goethe in overweging een beteren César te schrijven, om te

toonen hoeveel schoons César tot stand had kunnen brengen, als men hem

niet had vermoord: Dit zou uw levenswerk kunnen worden! En Goethe moest

naar Parijs komen: daar was wetenschap en daar was stof voor geweldige

dichtstukken en daar zou hij den Franschen les kunnen geven in

natuurlijken smaak.--Goethe heeft er een oogenblik aan gedacht, eens een

kijkje in de wereldstad te nemen, maar hij dorst er op zijn leeftijd

toch niet aan. Men zegt dat Napoleon den dichter voor zich heeft willen

winnen, in de hoop dat deze de publieke opinie voor hem zou veroveren.

Hij schonk Goethe een eerekruis en gaf vergoeding voor de schade, die

Jena had geleden van het krijgsbedrijf. Goethe van zijn kant verklaarde

dat de Keizer het puntje op de I zijns levens had gezet, en dat hij

nooit schooner oogenblikken zou doormaken dan de oogenblikken, toen hem

bewust werd, dat hij aan den Keizer was verwant. Maar reeds lang te

voren had hij hem bewonderd en onoverwinlijk genoemd; terwijl hij aan

den anderen kant eens had uitgeroepen, dat hij straatzanger wilde

worden, om overal waar de Duitsche taal werd gesproken de schande uit te

zingen van de Duitschers, die niet als éen man tegen hem in opstand

kwamen.

* * * * *

Enkele jaren later gleed de vernederde Napoleon op zijn terugtocht uit

Rusland langs Weimar en liet snel informeeren hoe Goethe het maakte.

Toen begon de opstand van de Duitschers tegen den verzwakten Keizer. Ook

ditmaal scheen het, dat er in de nabijheid van Weimar afdoend zou worden

gevochten. De stad had veel te lijden door inkwartiering en vernieling.

Russen en Pruisen hielden den omtrek bezet en toen Goethe, te midden van

een groep kozakken, een kameel opmerkte, voelde hij dat het onbeschaafde

Azië op zijn beurt naar de heerschappij over Europa streefde; en hij

liet zijn kunstverzameling begraven, zijn handschriften in veiligheid

brengen. Terwijl Weimar meer en meer een hospitaal werd dat besmetting

uitwasemde, nam hij zich voor, nog zooveel mogelijk van zijn werk te

laten drukken; want hoewel de dankbare Duitschers pas veel later hem

zijn auteursrecht verzekerden en de uitgevers van roof-edities nog

fortuin konden maken,--wat eenmaal gedrukt is gaat moeilijk verloren!

Men heeft Goethe zeer kwalijk genomen, dat hij zich tijdens den

vrijheidsoorlog koel en onverschillig gedroeg. Dit heeft niet belet, dat

de afstammelingen van dezelfde Duitschers, die hem om (wat zij noemden)

zijn anti-patriottische gezindheid hoonden, in hém den grondlegger van

de Duitsche volks-eenheid vereeren,--zonder Goethe geen Bismarck!--zijn

werk omzwermen met holle frazen die den buitenlandschen

geschiedschrijver maar al te zeer walgen, en menige daad van hem en

menige uitspraak, die met hun moraal-opvattingen in volstrekten strijd

is, goedpraten (niet doordenken maar goedpraten)--of verzwijgen, opdat

hun nationale held toch vooral niet onzedelijk heette. Het kan

verkeeren!

Goethe heeft later wel eens betreurd, dat hij niet mee heeft geleden met

zijn volk--want lijden maakt groot--maar dit kan de motieven die hem in

zijn rustige rust hielden geenszins te niet doen.

In de eerste plaats wilde hij met Napoleon op goeden voet blijven,

teneinde hiervan gebruik te maken indien de opstand eens mocht

mislukken. En hij wist dat Weimar scherp werd bespionneerd. Hij meende

dat Napoleons leger, hoe weinig ook opgewassen tegen het Russische

klimaat--nog steeds sterk en voorbeeldig georganiseerd was; en aan den

anderen kant had hij weinig vertrouwen in den geestdrift die nu

plotseling door heel Duitschland scheen op te laaien; hij hadd' daar

meer vertrouwen in gehad, indien de Duitschers naar de wapens hadden

gegrepen toen het Fransche leger nog voor den Rijn stond. Nu spotte hij,

dat men geestdrift niet voor een jaar of wat in de pekel kan zetten om

ze versch te houden, en hij vreesde dat allerlei ellende over het land

zou komen, zoodra de eerste rake klap zou zijn gevallen.

Hij hield zich overtuigd dat Napoleons overheersching voorloopig eer

goed dan kwaad had gedaan. Het Duitsche grondgebied was niet meer zoo

verbrokkeld als voorheen, het schoolwezen was veel verbeterd, nog nooit

hadden de Duitschers een zoo zuiver beheer en een zoo deugdelijke

rechtsbedeeling gekend als toen. Napoleon deed geen moeite om het

nationaal bewustzijn van de Duitschers uit te roeien of om hun taal te

verdringen door het Fransch; gedurende zijn verblijf in den Elzas had

hij wel gemerkt dat deze landstreek, reeds een eeuw bij Frankrijk

ingelijfd, nog Duitsch was gebleven. Zooals Frederik de Groote zich eens

omringd had met geleerde Franschen, zoo lieten Napoleons stadhouders

zich grondig voorlichten door Duitschers van naam; en hij zelf had de

Duitsche literatuur lief.

Maar ten slotte--hoe kan men vreezen voor de onderdrukking van een

nationaal bewustzijn dat.... niet bestaat? De term Het Duitsche Volk was

voor Goethe een leege abstractie en hij had moeite om niet zeer

onbeleefd te worden, als men hem dáarmee kwam aandragen.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 25 / 29 段